---
title: "Prescription, Déductions indues Taxe sur la valeur ajoutée · Tribunal de première instance de Hasselt, 1er juin 2023"
description: "Prescription, Déductions indues Taxe sur la valeur ajoutée, Droit à déduction. Tribunal de première instance de Hasselt (Belgique), 1er juin 2023."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/prescription-deductions-indues-taxe-valeur-tribunal-hasselt-2023-06-01-bf3b"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Prescription, Déductions indues Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Hasselt

**Date**

1er juin 2023

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

**Sens lu par le SPF**

favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

96 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Hasselt du 01.06.2023

WF 707-15-21/037257

\[Favorable à l’Etat belge\]

*Taxe sur la valeur ajoutée - Prescription - Déductions indues*

*Taxe sur la valeur ajoutée - Droit à déduction - Véhicules à moteur - Utilisation à des fins privées ou à des fins autres que l’exercice d’une activité économique -Relevé de trajets - Preuve - Force probante*

## Dispositions légales

[Article 81bis §1 CTVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-81bis)

[Article 45 §1 CTVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45)

## Résumé

## 1. Les faits et les antécédents de procédure

Le 20 juin 2017, la demanderesse a acheté un mobil-home. Dans la déclaration du quatrième trimestre 2017, qu'elle a déposée le 21 janvier 2018, la TVA grevant cet achat a été déduite intégralement. Le 22 octobre 2020, l'administration a dressé un procès-verbal dans lequel elle consignait qu'il n'était pas prouvé que la demanderesse utilisait le mobil-home dans le cadre de son activité économique et que, par conséquent, la TVA avait été déduite à tort. La TVA due selon l'administration a finalement fait l’objet d’une inscription dans le registre de perception et recouvrement qui a été déclaré exécutoire le 16 juillet 2021.

2**. Le jugement**

### a. La prescription

Dans sa demande à titre principal, la demanderesse invoque que la créance de l'administration est prescrite. Or, l’action en recouvrement de la TVA indûment déduite naît au moment du dépôt de la déclaration dans laquelle l’assujettie a exercé son droit à déduction. Cette déclaration a été déposée le 21 janvier 2018. Ainsi, et ce même sans l'inscription dans le registre de perception et recouvrement, l’action en recouvrement de la taxe n’aurait donc été prescrite qu'à partir du 1er janvier 2022 La créance n'est pas prescrite.

### b. Le droit à la déduction

Dans sa demande à titre subsidiaire, la demanderesse invoque qu'aucune infraction n'a été commise en ce qui concerne le droit à la déduction. La charge de la preuve incombe à l’assujettie qui souhaite exercer son droit à déduction, en l'espèce la demanderesse. Sur la base, entre autres, de la comptabilité et de la déclaration de TVA, le tribunal juge que la demanderesse n'apporte pas de preuves suffisantes que le mobil-home est destinée à son activité économique. Par ailleurs, en référence à la décision n° ET 119.650/3 du 11.12.2012 (remplacée ultérieurement par la [circulaire 36/2015](https://juriel.be/fr/circulaires/36-2015-agfisc-usage-mixte-droit-deduction-a3fd)), la demanderesse soumet un relevé des trajets. Toutefois, il ne découle nullement de cette décision que la simple présentation d'un relevé de trajets non étayé suffit à prouver une utilisation économique. Il incombe à la demanderesse de prouver que les trajets ont été effectivement effectués dans le cadre de son activité économique.

À cet égard également, la demande n'est pas fondée.

**Texte du jugement**

***Le jugement est publié uniquement dans la langue originale***

### Corps de la décision

## Rechtbank van eerste aanleg LIMBURG, Afdeling Hasselt, sectie burgerlijk, 11A kamer

Vonnis van 01/06/2023

Rol: 22/165/A

**INZAKE:**

**C.-G.** **BV**, met zetel te ..., met ondernemingsnummer 476...73 - **eiseres** -

Tijdens de zitting vertegenwoordigd door Mr. C. S., advocaat te ...

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën (ondernemingsnummer Belgische staat 0252.796.351 en ondernemingsnummer FOD Financiën 0308.357.159), in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de adviseur-generaal centrumdirecteur van het KMO Centrum Antwerpen — Expertise 1, met kantoor te 200 Antwerpen, Italiëlei 4, bus 2 en van de adviseur-ontvanger van het Team Invordering Rechtspersonen Hasselt 1, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43.

\- **verweerder** -

Tijdens de zitting vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigden de heer X en mevrouw X, beide attaché bij een fiscaal bestuur, verbonden aan de afdeling expertise van het KMO-Centrum Hasselt.

## I. PROCEDURE

De zaak werd ingeleid via een verzoekschrift op tegenspraak in fiscale zaken neergelegd op 2 februari 2022.

Met toepassing van artikel 747 Gerechtelijk Wetboek werden conclusietermijnen bepaald en een pleitdatum vastgelegd.

Beide partijen hebben een bundel met overtuigingsstukken neergelegd.

De zaak werd behandeld op de openbare zitting van 4 mei 2023 waarop de advocaat van eiseres en de gevolmachtigde van verweerder hebben gepleit.

De Wet van 15 juni 1935 inzake het gebruik van talen in gerechtszaken - in het bijzonder de artikelen 2, 30 tot en met 37 en 41 - werd nageleefd.

### II.SAMENVATTING VAN DE FEITEN

Eiseres C.-G. bv is btw-belastingplichtige.

Op 20 juni 2017 werd een verkoopovereenkomst afgesloten over de verkoop door D. M. van een mobilhome I. M. . Als naam van de klant werd "Z. M." vermeld, zijnde de zaakvoerder van eiseres C.-G. bv. Er werd vermeld dat de factuur op naam van eiseres moest worden opgesteld. De factuur van 206.225,95 euro inclusief btw (170.439,88 euro exclusief btw) werd effectief op naam van eiseres opgesteld.

Eiseres boekte de aankoop van deze mobilhome in haar boekhouding op rekeningnummer 600100 "door te factureren aankopen".

Eiseres diende op 21 januari 2018 een btw-aangifte in voor het vierde kwartaal 2017. Daarin werd btw betaald op de aankoop van de mobilhome in aftrek gebracht.

De belastingadministratie voerde een controle uit over de btw voor de periode 2017-2018.

Op 22 oktober 2020 stelde de belastingadministratie een proces-verbaal op. Daarin werd gesteld dat niet was aangetoond dat eiseres de mobilhome gebruikte om handelingen te verrichten in het kader van haar economische activiteit en de btw ten onrechte in aftrek had gebracht. Dit leidde volgens de administratie tot een bedrag van 35.786,07 euro verschuldigde btw en een boete van 3.570,00 euro.

De administratie verstuurde een betaalbericht. Eiseres betaalde het gevorderde bedrag onder alle voorbehoud van rechten. Eiseres vroeg nadien de terugbetaling, stellende dat de vordering van de administratie verjaard was. De administratie wees het verzoek tot terugbetaling af.

De schuld werd opgenomen in het innings- en invorderingsregister, dat uitvoerbaar werd verklaard op 16 juli 2021.

## III. DE VORDERINGEN

Eiseres C.-G. vraagt om:

\- het fiscaal verhaal ingesteld bij verzoekschrift ontvankelijk en gegrond te verklaren;

\- in hoofdorde vast te stellen dat de betwiste belastingschuld, de Belasting over de Toegevoegde waarde, de Boete en de Nalatigheidsinteresten, met als artikelnummer 500...41, Proces verbaal betekend op 22 oktober 2020, welke werd ingeschreven in het Innings- en Invorderingsregister; datum van opmaak van het register: 15 juli 2021, uitvoerbaar verklaard op 16 juli 2021, nummer register 202...13 in hoofdorde niet verschuldigd is wegens verjaring, minstens in ondergeschikte orde omdat geen enkele inbreuk op de aftrekregeling bewezen is;

\- dienvolgens de aangevochten aanslag te vernietigen en de ontheffing te bevelen van de gevestigde aanslag;

\- derhalve de opname in het Innings- en Invorderingsregister te vernietigen, en te zeggen voor recht dat de opname van deze belastingschuld in het register niet langer kan dienen als uitvoerbare titel;

\- de terugbetaling van de op grond van de aldus ontheven aanslagen betaalde of ingehouden bedragen, vermeerderd met de moratoriumintresten op grond van [artikel 91 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) te bevelen;

\- de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, te leggen ten laste van de Belgische Staat.

Verweerder de Belgische staat vraagt om:

\- het verzoekschrift ontvankelijk maar ongegrond te verklaren en aldus de inhoud van het proces-verbaal van 22 oktober 2020 en de beslissing tot afwijzing van het verzoek tot teruggaaf d.d. 23 juni 2021 te bekrachtigen;

\- te zeggen voor recht dat eiseres de bedragen ten titel van btw, boete en nalatigheidsintresten, zoals opgenomen in het innings- en invorderingsregister nr. 202...13 van 16 juli 2021 verschuldigd is en dat verweerder dus niet gehouden is om de reeds gedane betalingen en toerekeningen terug te betalen;

\- eiseres tot de kosten van het geding te veroordelen.

## IV. BEOORDELING DOOR DE RECHTBANK

### A. Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van de vordering van eiseres wordt niet betwist.

De rechtbank bemerkt geen gronden van onontvankelijkheid die zij zelf moet opwerpen.

De vordering is ontvankelijk.

### B. Grond van de zaak

#### 1. De verjaring van de vordering tot betaling van btw

[Artikel 81bis §1 Btw-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-81bis) bepaalt:

*Er is verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan*.

Het gaat hier om de vordering van de belastingadministratie tot betaling van btw die (volgens de administratie) ten onrechte in aftrek werd gebracht. Deze vordering ontstaat op het moment van de indiening van de aangifte waarin de belastingplichtige voor het eerst beroep doet op aftrek (en de administratie dus voor het eerst kennis krijgt van het inroepen van het recht op aftrek). De bepalingen en principes waar eiseres naar verwijst, doen hieraan geen afbreuk.

Dit startpunt van de verjaring is niet in strijd met de toepasselijke Europese Btw-Richtlijn (zie HvJ 9 juli 2009, [C-483/08](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-483-08-ordonnance), Régie communale autonome du stade L. V./Belgische Staat).

Eiseres deed een beroep op de aftrek in haar aangifte voor het vierde kwartaal 2017. Die aangifte werd ingediend op 21 januari 2018. De vordering tot voldoening van de belasting zou dus pas verjaren op 1 januari 2022. De verjaring werd tijdig gestuit door de opname in het invorderingsregister op 15 juli 2021 en de uitvoerbaarverklaring op 16 juli 2021.

De vordering is niet verjaard.

#### 2. Het recht op aftrek

Het recht op aftrek kan slechts worden uitgeoefend wanneer degene die de btw-aftrek vraagt, heeft aangetoond dat aan de voorwaarden om die aftrek te genieten werden voldaan. De bewijslast rust dus op degene die een recht op aftrek wil uitoefenen, in dit geval eiseres.

Uit [artikel 45 §1 Btw-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) volgt dat de belastingplichtige de btw maar in aftrek kan brengen in de mate dat hij de betrokken goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van btw-belaste handelingen (of andere handelingen die recht op btw-aftrek toestaan zoals nader opgesomd in artikel 45 §1).

Het recht op aftrek is dus afhankelijk van de bestemming die de belastingplichtige aan de ontvangen goederen of diensten geeft.

Het recht op aftrek van voorbelasting geldt dus enkel voor goederen en diensten bestemd voor de btw-activiteit van de belastingplichtige. De bewijslast van de bestemming voor de economische activiteit rust op de belastingplichtige.

Wanneer het voornemen om te starten met een economische activiteit die tot belastbare handelingen zal leiden, te goeder trouw is kenbaar gemaakt en dit voornemen wordt ondersteund door objectieve elementen, geniet de belastingplichtige het recht om onmiddellijk de btw af te trekken die verschuldigd of voldaan is voor goederen of diensten die hij heeft ontvangen met het oog op voorgenomen economische activiteiten.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres het vereiste bewijs niet levert voor de betrokken mobilhome.

De mobilhome werd aangekocht in 2017. De btw werd in aftrek gebracht in een aangifte ingediend begin 2018.

In de boekhouding van eiseres werd de aankoop van de mobilhome geboekt op rekeningnummer 600100 "door te factureren aankopen". In de btw-aangifte werd de aankoop vermeld in rooster 82, terwijl de aankoop van bedrijfsmiddelen in rooster 83 moet worden vermeld. Dit alles wijst niet op een op dat moment bestaande intentie tot duurzaam gebruik van de mobilhome in het kader van de economische activiteit, integendeel.

De uitbreiding/verandering van het maatschappelijk doel van eiseres gebeurde pas op een buitengewone algemene vergadering van 8 oktober 2019.

Over de entrepotvergunningen worden geen stukken neergelegd en er blijkt alleszins niet dat deze dateren uit de periode van de aftrek. De websites zijn volgens eiseres maar online gegaan in november en december 2019.

Eiseres legt een rittenadministratie voor als enige stuk en verwijst naar Beslissing Btw nr. E.T.119.650/3 d.d. 11.12.2012. Die beslissing gaat echter over de situatie wanneer er zowel bedrijfsmatig als privématig gebruik wordt gemaakt van een bedrijfsmiddel. Eiseres stelt dat de mobilhome volledig voor haar economische activiteit werd gebruikt en bracht de btw volledig in aftrek.

En hoe dan ook volgt uit die beslissing geenszins dat het louter voorleggen van een niet nader gestaafd overzicht van ritten volstaat om aan te tonen dat het gaat om een gebruik in het kader van de economische activiteit. Zoals hoger vermeld, ligt de bewijslast bij eiseres en is het aan eiseres om aan te tonen dat de betrokken ritten vermeld in de rittenadministratie effectief kaderden in de economische activiteit.

De ritten in de rittenadministratie zijn niet gestaafd door nadere stukken, zodat het louter een eenzijdige niet nader gestaafde opsommingen van ritten is.

Bovendien is het niet omdat er een rit is gemaakt naar een bepaalde locatie, dat dit kadert in een economische activiteit.

In de rittenadministratie staat bij veel ritten geen enkele vermelding die ook maar enigszins verduidelijkt wat de precieze bedoeling van de betrokken rit was. Deze verduidelijking per rit werd ook niet achteraf gegeven door eiseres.

En voor de ritten waar toch een vermelding staat onder "opmerking", verduidelijkt ook deze opmerking niet wat dan precies de bedoeling was om op de bestemming te doen en hoe deze bedoeling dan zou kaderen in de economische activiteit. En voor zover uit bepaalde vermeldingen toch een bedoeling zou kunnen worden afgeleid, gaat het om louter eenzijdige vermeldingen en wordt deze beweerde bedoeling op geen enkele manier nader gestaafd (bijvoorbeeld met stukken waaruit blijkt dat er met een bepaalde potentiële leverancier of dienstverlener effectief een afspraak was gemaakt op de betrokken locatie op het betrokken moment, bestelbonnen of facturen van goederen die men is gaan bestellen of afhalen op de betrokken locatie op het betrokken moment, ...).

Eiseres stelt dat de mobilhome werd verhuurd in 2020. Hierover worden geen stukken neergelegd en bovendien dateert 2020 pas van ruim na het tijdstip van de aftrek (begin 2018).

#### 3. Besluit

De vordering van eiseres is ongegrond.

## V. KOSTEN VAN DE PROCEDURE

Eiseres werd in het ongelijk gesteld en moet de kosten van de procedure betalen.

### Dispositif

## BESLISSING

De rechtbank beslist in eerste aanleg en op tegenspraak.

De rechtbank verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk maar ongegrond.

De rechtbank veroordeelt eiseres tot betaling van de kosten van de procedure, door de rechtbank voor de Belgische staat vereffend op nul euro.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de 11A kamer, op het gerechtshof te Hasselt, op **1 juni 2023** alwaar zetelden: …

## Textes cités

4

[CTVA art. 45](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) 3 occurrences

[CTVA art. 81bis](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-81bis) 3 occurrences

[CTVA art. 91](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) 1 occurrence

[C-483/08, ordonnance du 9 juillet 2009](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-483-08-ordonnance) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Droit de déduction, Charge de la preuve](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-charge-preuve-developpement-cour-appel-anvers-2026-01-06-1ac3) 3 dispositions communes

[Validité de la contrainte, Motivation adéquate](https://juriel.be/fr/jurisprudence/validite-contrainte-motivation-adequate-reference-cour-appel-liege-2022-09-14-234b) 3 dispositions communes

[Fraude fiscale, Fausses factures, Indices de fraude](https://juriel.be/fr/jurisprudence/fraude-fiscale-fausses-factures-indices-cour-appel-bruxelles-2022-12-01-3bd0) 3 dispositions communes

[Déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/deduction-lien-direct-immediat-devant-tribunal-bruxelles-2019-06-14-5529) 3 dispositions communes

[Indices de fraude, Relevé de régularisation, Procès-verbal](https://juriel.be/fr/jurisprudence/indices-fraude-releve-regularisation-proces-tribunal-nivelles-2024-01-08-9601) 3 dispositions communes

[Motivation du procès-verbal, Registre de perception et recouvrement](https://juriel.be/fr/jurisprudence/motivation-proces-verbal-registre-perception-tribunal-gand-2023-12-21-a170) 3 dispositions communes

[Déclaration d’accord, renonciation à l’action, Prescription, Intérêts de retard](https://juriel.be/fr/jurisprudence/declaration-accord-renonciation-action-prescription-cour-appel-2026-01-27-c906) 3 dispositions communes

[Redevable de la créance fiscale, Prescription](https://juriel.be/fr/jurisprudence/redevable-creance-fiscale-prescription-operation-cour-appel-anvers-2024-03-05-e9b2) 3 dispositions communes
