---
title: "Poursuite, instance · Tribunal de première instance, 26 juillet 2000"
description: "Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, disposition pénale, amende administrative. Tribunal de première instance (Belgique), 26 juillet 2000."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-tribunal-mechelen-2000-07-26-6a7f"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, disposition pénale · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Date**

26 juillet 2000

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

186 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Malines du 26.07.2000

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

## De Rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, derde kamer, rechtsprekend in burgerlijke zaken, wijst het volgende vonnis :

**AR nr. 97/45841/A**

Inzake :

**BVBA ’S H.-V. D.**, met vennootschapszetel gevestigd te …, …, ingeschreven in het HR Mechelen onder nr. …;

**eiseres op verzet,**

hebbende als raadsman Mter. **F. V.**, advocaat te …, er kantoorhoudende …;

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Administratie der belasting over de toegevoegde waarde, Registratie en domeinen, in de persoon van de heer Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van heer Gewestelijk Directeur der belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Mechelen, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor Mechelen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2800 Mechelen, Nekkerspoelstraat 21-23

**verweerster op verzet,**

hebbende als raadsman Mter. **L. C.**, advocaat te …, er kantoorhoudende …;

---

Gelet op de inleidende dagvaarding bij exploot d.d. 2 juni 1997 van gerechtsdeurwaarder **B. M.**, met standplaats te …;

Gelet op de besluiten voor beide partijen;

Gelet op de beschikking d.d. 28 april 1999 op grond van artikel 747, par. 2 van het Gerechtelijk Wetboek;

Overwegende dat eiseres op verzet verweerster op verzet heeft laten dagvaarden teneinde het bestreden dwangbevel Reg. 127/30155, uitgevaardigd op 30 april 1997, van nul en generlei waarde te horen verklaren en eiseres op verzet te horen ontslaan van de in dit dwangbevel van haar gevorderde sommen;

verweerster op verzet te horen veroordelen tot integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en die toegerekend werden op de sommen vermeld in het dwangbevel, waarvan thans vernietiging wordt gevorderd;

verweerster op verzet zich te zien en te horen veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding; het tussen te komen vonnis uitvoerbaar bij voorraad te horen verklaren, niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.

## VOORGAANDEN

Op 30 april 1997 wordt door de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor van Mechelen een dwangbevel uitgevaardigd tegen huidige eiseres op verzet, dwangbevel dat geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd op 5 mei 1997 door de adjunct-directeur van de BTW te Mechelen, aangewezen door de gewestelijk directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Mechelen.

Dit dwangbevel heeft betrekking op de volgende boete :

BTW : 543.701 F

geldboete (art. 70, par. 1 BTW-wetboek) : 149.500 F

geldboete (art. 70 par. 4 BTW-wetboek) : 55.000 F

totaal : 748.201 F,

vermeerderd met een intrest van 0,80 % per maand vertraging te rekenen vanaf de verschuldigde BTW ? nl. vanaf 21 april 1994 ? en met de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten die loopt vanaf de kennisgeving of betekening van het dwangbevel ? ingevolge art. 91, par. 4 van het BTW-wetboek en met de vervolgingskosten.

Deze bedragen zijn volgens de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor van Mechelen verschuldigd ingevolge de vaststellingen verricht door de hoofdcontroleur van de opsporings- en documentatiediensten van de BTW, van de controleur van de administratie van de BTW, registratie en domeinen, verbonden aan de controle van de opsporings-en documentatiediensten van de BTW te Hasselt, en van de adjunct-verificateur van de controle van de opsporings- en documentatiediensten van de BTW te Mechelen, vaststellingen die vervat zijn in het proces-verbaal opgesteld op 12 maart 1997;

Dit dwangbevel wordt samen het betalingsbevel op verzoek van de Belgische Staat betekend door gerechtsdeurwaarder **G. D.**, met standplaats te …, d.d. 14 mei 1997 aan de BVBA **’s H.-V. D.** te …;

Op 2 juni 1997 wordt de Belgische Staat op verzoek van de BVBA **’s H.-V. D.** door gerechtsdeurwaarder **B. M.**, met standplaats te …, voor deze rechtbank gedaagd teneinde het dwangbevel Reg. 127/30155 uitgevaardigd op 30 april 1997 van nul en generlei waarde te horen verklaren en voormelde BVBA te horen ontslaan van de in dit dwangbevel van haar gevorderde sommen en teneinde verweerster op verzet te horen veroordelen tot integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en die toegerekend werden op de sommen vermeld in het dwangbevel, waarvan vernietiging gevorderd wordt, en teneinde verweerster op verzet zich te horen veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, en teneinde het tussen te komen vonnis uitvoerbaar bij voorraad te horen verklaren bij voorraad niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.

## IN FEITE

Uit het proces-verbaal opgesteld op 12 maart 1997 door **R. I.**, hoofdcontroleur van de controle op de opsporings- en documentatiediensten van de BTW te Mechelen en **H. J.**, controleur van de administratie van de BTW, registratie en domeinen, verbonden aan de controle van de opsporings- en documentatiediensten van de BTW te Hasselt blijkt :

1) dat er een controle geweest is op 3 en 4 februari 1994 en op latere tijdstippen bij de BVBA **’s H.-V. D.** Brood-en banketbakkerij te …, …, als BTW-plichtige geregistreerd onder het nummer BE …, teneinde de naleving van de BTW-wetgeving en reglementering te controleren voor de periode van 1 april 1992 tot 31 maart 1994;

2) dat de heer **L. ‘s H.** zaakvoerder van de BVBA is en dat **R. D.** boekhouder is, en zaakvoerder van de BVBA **D. R.** (boekhoudkantoor met zetel te …).

3) dat zij verklaarden dat de brood- en banketbakkerij gevestigd is te … in de … op hetzelfde adres als de maatschappelijke zetel en dat de uitbating verder betrekking heeft op een bakkerswinkel te …, …, opengehouden door Mevrouw **M. V. D.**, echtgenote van de Heer **L. ‘s H.**, verder op een bakkerswinkel te …, …, opengehouden door **M. ’s H.**, dochter van de heer **L. ‘s H.** en winkelbediende **L. S.**, en verder op een bakkerswinkel te …, …, opengehouden door **M. W.** en **H. P.**, winkelbedienden, en op een wagenpark van zes bestelwagens, waarvan vier de vier broodrondes verzorgen, één de winkel in de … en de … bevoorraadt, en één een wrak is, en verder dat er in iedere winkel een kasregister is (dat volgens **L. ‘s H.** niet gebruikt wordt);

dat bij onderzoek van de kasregisters vastgesteld werd dat het systeem van een dubbele registratie voorzien is.

4) dat uit het overgelegde personeelsregister bleek dat er 20 personeelsleden ingeschreven waren, daar waar de zaakvoer van BVBA **‘s H.-V. D.** verklaart dat er slechts 15 in dienst waren en de 5 andere nog ten onrechte ingeschreven staan en nog niet doorgehaald waren;

dat van de nog actieve personeelsleden de taak medegedeeld werd : 5 personeelsleden waren brooduitvoerders of deeltijdse brooduitvoerders met vaste rondes en één ervan was bakker van opleiding en deed naast deeltijdse brooduitvoerder een beetje van alles, 4 personeelsleden waren bakker, 4 personeelsleden waren winkelbedienden en 1 personeelslid is arbeider en werkt in de bakkerij en verder houdt **V. D. M.**, echtgenote van **L. ‘s H.** (zaakvoerder) de winkel te …, ….

dat de overige 5 personeelsleden zouden niet meer in dienst zijn;

5) dat de boekhouding van de belastingplichtige onder meer een dagboek moet hebben waarin de ontvangsten moeten ingeschreven worden met betrekking tot de handelingen waarvoor zij gebruik maken van de ontheffing van de factureringsplicht;

6) dat de factuurboeken onder bepaalde voorwaarden wel op losse bladen mogen gehouden worden, maar dat het dagboek van ontvangsten daarentegen in geen geval vervangen mag worden door losse bladen (gepubliceerde aanschrijving nr. 95 van 8 juni 1971, nr. 14);

7) dat ondanks de wettelijke voorschriften daaromtrent bij opvraging van het dagboek van ontvangsten - in strijd met de voorschriften - enkel losse bladen als dagboek van ontvangsten voorgelegd werden en dat bovendien de bedragen meestal afgerond waren naar het duizend- of honderdtal en **L. ‘s H.** verklaarde dat het kleingeld niet altijd werd geteld;

8) dat de belastingplichtige gehouden is een boekhouding te voeren die voldoende gedetailleerd is om de heffing van de belasting mogelijk te maken alsmede de controle over de juiste heffing ervan mogelijk te maken en verder dat de inschrijvingen met betrekking tot de boekhouding moeten gesteund worden op verantwoordingsstukken die gedateerd zijn en waarvan al naargelang het geval een origineel of een dubbel dient bewaard te worden;

9) dat gevraagd naar de verantwoordingsstukken met betrekking tot de inschrijvingen in het dagboek van ontvangsten en met betrekking tot alle andere inschrijvingen in de boekhouding, meer bepaald dubbels van de registreerbanden van de kasregisters m de onderscheiden winkels;

dat **L. ‘s H.** verklaarde dat deze weggegooid werden, zodat de gevraagde verantwoordingsstukken niet voorgelegd werden;

dat evenmin niet alle controleboeken van de broodrondes voorgelegd werden, dat evenmin de bestelbons voorgelegd werden en **L. ‘s H.** verklaarde dat de bestellingen die per telefoon gebeurden of in de winkel binnenkwamen genoteerd werden op wat onmiddellijk voorhanden lag, deksels van taartdozen, broodzakken en dergelijke en nadien weggegooid werden;

10) dat op 3 februari 1994 de inventaris van de in de bakkerij aanwezige grondstoffen en hulpstoffen opgesteld werd in aanwezigheid van **L. ‘s H.** waarvan proces-verbaal opgesteld werd op 3.2.1994 (gevoegd bij dit proces-verbaal als bijlage 1 om er een geheel mee te vormen);

dat op 3 maart 1994 opnieuw een inventaris van de in de bakkerij aanwezige grondstoffen en hulpstoffen opgesteld werd in het bijzijn van **L. ‘s H.** waarvan proces-verbaal d.d. 3.3.1994, gevoegd bij onderhavig proces-verbaal als bijlage 2 om er een geheel mee te vormen;

11) dat verder vastgesteld werd dat de prijzen op de tentoongestelde goederen ontbreken en dat de prijslijst niet zichtbaar aanwezig was in de winkels zodat de verkoopprijzen genoteerd werden zoals deze door de verkoopster werden medegedeeld;

12) dat zij kennis genomen hebben van de prijsopnamen die vroeger en namelijk op 10 mei 1992, op 21 maart 1993 en op 5 december 1993 door de opsporingsdienst van de administratie der directe belastingen gedaan werden en deze prijsopnamen gehecht zijn aan dit proces-verbaal als bijlage 5 om er een geheel mee te vormen;

13) dat teneinde de omzet te kunnen berekenen, steunende op reële vaststellingen gedurende een week door diverse controleagenten, de productie van de brood- en banketproducten van nabij gevolgd werd tijdens hun aanwezigheid in en om de bakkerij en dat ook de aanvoer van grond- en hulpstoffen en producten voor doorverkoop genoteerd werden, evenals de aanvoer uit de bakkerij naar diverse winkels en broodronden waarbij al die vaststellingen opgenomen werden in processen-verbaal in bijlagen, en dat de diverse ambtenaren die vaststellingen deden ook talrijke vaststellingen door ambtenaren van douane en accijnzen op pagina's 6 tot en met 12 van het proces-verbaal aangeduid werden;

14) dat aan de hand van de gegevens en vaststellingen in deze processen-verbaal opgenomen en gedaan tijdens de week van 3 maart 1994 vanaf 12 u 's middags en onderbroken voortgezet tot en met donderdag 10 maart 1994 's middags en rekening houdend met de toendertijd toegepaste prijzen de onderstaande berekeningen gemaakt werden die leiden tot het verkoopcijfer van de producten door de BVBA **‘s H.-V. D.** gedurende die week geproduceerd, waarna de berekeningen aangeduid zijn op pagina's 12 tot en met 19;

## IN RECHTE

Eiseres op verzet stelt :

1) dat het dwangbevel nietig is omdat de ambtenaren verbonden aan de Administratie der douane en accijnzen onderzoek deden naar de naleving van de BTW-reglementering en zij daar niet de bevoegdheid voor hebben;

2) dat de bestreden BTW-navordering door de opeenstapeling van vermoedens een arbitrair karakter heeft;

3) dat de verhoging met 50 % van de administratieve geldboete wegens de betekening van een dwangbevel in strijd is met het fundamenteel recht: het zoeken naar recht;

Overeenkomstig art. 93quaterdecies van het W.BTW ingevoegd door art. 128 W. 22.12.1989 (BS 29.12.1989) en onder referte naar doctrine en rechtspraak is elke ambtenaar van een fiscaal staatsbestuur - in casu dus ook de ambtenaren van de administratie van de douane en accijnzen - gemachtigd om ter gelegenheid van een controle in verband met de toepassing van een bepaalde belasting alle inlichtingen te verzamelen welke de juiste heffing van alle door de gecontroleerde belastingplichtige verschuldigde andere belastingen kunnen verzekeren (art. 335 WIB) en deze polyvalentie van de administratieve verrichtingen werden wat het W.BTW betreft in art. 93quaterdecies W.BTW bevestigd (zie Belgisch Belastingrecht, Jos. J. Couturier en Bruno Peeters, Maklu, Antwerpen/Apeldoorn , 7de herwerkte druk, 1999, blz. 471, nr. 385 en blz. 685, nr. 658 en de in deze nrs. vervatte rechtspraak en doctrine waarnaar verwezen wordt).

Dit impliceert dat de ambtenaar van de administratie van de douane en accijnzen inlichtingen mag verzamelen welke de juiste heffing van alle door de gecontroleerde belastingplichtige verschuldigde andere belastingen kunnen verzekeren en dus ook inzake BTW.

Uit art. 63bis W.BTW blijkt daarenboven dat de bevoegdheden waarover de ambtenaren beschikken in de artt. 61, 62 par. 1 en 63 W.BTW toegekend kunnen worden aan ambtenaren van andere fiscale administraties en dat de Koning deze administraties aanduidt en, wanneer hij het nodig acht, de ambtenaren aanduidt, hetgeen ook gebeurde wat de administratie van de douane en accijnzen betreft in het KB nr. 11 art. 63bis W.BTW en zoals in casu dan ook de vervoermiddelen tegenhouden en onderzoeken.

Zodoende kan elke inlichting door een ambtenaar van een fiscaal bestuur, bekomen tijdens het uitoefenen van zijn functie, door de Staat ingeroepen worden voor het opsporen van om het even welke krachtens de belastingwetten verschuldigde som.

Het is dan ook enkel vereist dat deze ambtenaar tijdens de uitoefening van zijn functie (bevoegdheid douane en accijnzen) de inlichtingen en vaststellingen deed die betrekking hadden op de BTW.

Overwegende dat aan de hand van de overgelegde stukken en vooral de talrijke processen-verbaal van de Administratie der douane en accijnzen niet kan uitgemaakt worden of deze processen-verbaal opgesteld werden ter gelegenheid van de uitoefening van hun functie (nl. opsporing inzake douane en accijnzen), met andere woorden dat hun optreden met betrekking tot hun vaststellingen die gebruikt werden door de administratie van de BTW in casu kaderden in hun werkzaamheden met betrekking tot opsporing inzake douane en accijnzen.

Overwegende dat, gelet op de talrijke vaststellingen in een zeer korte periode en de vaststellingen van de administratie der douane en accijnzen tegelijkertijd met de vaststellingen van de administratie van de BTW, er een vermoeden is dat het mogelijk is dat deze administraties voorafgaande besprekingen aangaande coördinatie en hetgeen diende gecontroleerd te worden enkel en alleen in het kader van de BTW-inbreuken.

Overwegende dat het dan ook past van alvorens verder ten gronde te oordelen de heropening der debatten te bevelen :

\- teneinde door de administratie van de BTW overeenkomstig artikel 877 Ger. Wb. de stukken of éénsluidende verklaarde afschriften met betrekking tot de voorafgaande besprekingen en coördinatie van de samenwerking tussen de administratie van douane en accijnzen met betrekking tot de vaststellingen van de BTW-inbreuken bij het dossier van de rechtspleging te voegen;

\- teneinde de rechtbank in te lichten in dit verband;

\- teneinde voor zover mogelijk en zonder enig beroepsgeheim of enige regel van privacy te schenden de bewijzen over te leggen dat de vaststellingen van de administratie der douane en accijnzen gebeurden in het kader van hun werkzaamheden en bevoegdheden (opsporing inbreuken douane en accijnzen);

\- teneinde eiseres op verzet toe te laten te antwoorden op hetgeen verweerster op verzet eventueel stelt in dit verband;

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

vermeldende de toepassing van de artikelen 2, 34-35, 36, 37, 40 en 41 der wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Rechtdoende op **tegenspraak**;

Alvorens te oordelen, beveelt de heropening der debatten om de hierboven vermelde reden;

Stelt de zaak daartoe op de openbare terechtzitting van **donderdag 27 januari 2000 - om 9 uur - zaal 30**, Gerechtsgebouw, Keizerstraat 20 te Mechelen.

Behoudt de kosten voor.

Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting op **twee december negentienhonderd negenennegentig**.

Aanwezig :

**N. D.**, Ondervoorzitter, Alleenzetelend Rechter,

**A. M.**, Griffier.

**A. M.** **N. D.**

### Décision jointe par le SPF

## De Rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, derde rechtsprekend in burgerlijke zaken, wijst het volgende vonnis :

**AR nr. 97/45811/A**

**BVBA ‘s H.-V. D.**, met vennootschapszetel gevestigd te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Mechelen onder nummer …;

**eiseres op verzet,**

hebbende als raadslieden Mrs. **C. – V. – G. – V. B.**, voor wie optreedt Meester **F. V.** advocaat te …, er kantoorhoudende …;

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Administratie der Belasting over de toegevoegde waarde, Registratie en Domeinen, in persoon van de heer Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de heer Gewestelijk Directeur der Belastingen over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Mechelen, in de persoon van de Rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor Mechelen, waarin de burelen gevestigd zijn te 2800 Mechelen, Nekkerspoel 21-23,

**verweerster op verzet,**

hebbende als raadsman Mr. **L. C.**, advocaat te …, er kantoorhoudende …;

Gelet op het vonnis van deze rechtbank d.d. 2 december 1999;

Gelet op de besluiten, aanvullende besluiten, tweede aanvullende besluiten en derde aanvullende besluiten van verweerster;

Gelet op de besluiten, aanvullende besluiten, tweede aanvullende besluiten en aanvullende besluiten na tussenvonnis van eiseres op verzet;

Overwegende dat er tussen eiseres op verzet en verweerster een betwisting is aangaande het dwangbevel en de heffing van de BTW onder meer op grond van het feit dat de ambtenaren der Douane en Accijnzen onderzoek deden naar de naleving van de BTW­reglementering terwijl zij niet optraden in het kader van de wetgeving op de douane- en accijnzen en zij daartoe niet de bevoegdheid hebben.

Overwegende dat de diverse belastingadministraties een onderdeel vormen van de Uitvoerende Macht en dat de bevoegdheid van de Uitvoerende Macht uitgaat van de Natie zodat de bevoegdheid van om het even welk administratief orgaan haar oorsprong dient te vinden hetzij in de Grondwet hetzij in de wet.

Dit is ook van toepassing op de controlebevoegdheden bij wet toegekend aan ambtenaren van de diverse belastingadministraties vermits zij bij het verrichten van een controle optreden als een administratief orgaan en zij dan ook niet mogen overgaan tot onderzoeksdaden die niet uitdrukkelijk toegelaten zijn door de wet. Het overtreden van de bepalingen inzake onderzoeksbevoegdheden brengt mee dat de betrokken inlichtingen op een onwettige wijze bekomen zijn en dat een aanslag of boete die op een onwettig bewijs berust als dusdanig onwettig is. De diverse wetboeken voorzien elk in specifieke controle- en onderzoeksbevoegdheden. Ambtenaren van een bepaalde administratie hebben specifieke onderzoeksbevoegdheden gekregen tot vaststelling van eventuele inbreuken op een specifieke belastingsreglementering en wanneer zij vaststellen dat er inbreuken gepleegd zijn op een andere belastingsreglemetering dan dienen zij dit te signaleren aan de betrokken dienst maar die vaststellende ambtenaar kon vroeger evenwel niet tot een verdere controle overgaan en zich daartoe de bevoegdheden van die andere dienst aanmatigen vermits hij geen orgaan is van die dienst en hij kon evenmin zelf tot controle overgaan met het oog op een vaststelling van inbreuken op een andere belastingwetgeving en daarbij gebruik maken van de onderzoeksbevoegdheden die hem werden toegekend voor controles inzake de belasting waarvoor zijn administratie bevoegd is (machtsafwending).

Artikel 1 van de wet van 28 juli 1938 met betrekking tot het feit dat de inlichtingen, stukken, processen-verbaal of akten ontdekt of bekomen in het uitoefenen van zijn functies die een ambtenaar van een fiscaal rijksbestuur kunnen ingeroepen worden door de Staat voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde som maakt een uitzondering op de doel gebonden bevoegdheden. Door deze wet worden echter geen nieuwe onderzoeksbevoegdheden aan de fiscale ambtenaren gegeven ten aanzien van de belastingplichtigen zodat de ambtenaren van een bepaalde administratie geen onderzoeksdaden mogen stellen die niet voorzien zijn in de fiscale wetgeving waarvoor zij bevoegd zijn.

Overwegende dat een douaneambtenaar dus slechts onderzoeksdaden kan stellen die bijdragen bij een betere heffing in verband met de BTW op voorwaarde dat hij aantoont regelmatig met een onderzoek of controle naar de toepassing van de douanewetgeving belast te zijn en dat hij daarbij gebruik maakt van de bevoegdheden waarover hij in het kader van de wetgeving inzake douane en accijnzen beschikt. Met andere woorden ambtenaren van een bepaald fiscaal staatsbestuur kunnen slecht onderzoeksdaden stellen wanneer blijkt dat hun onderzoek kadert in de controle van de fiscale wetgeving waarvoor het bestuur, waarvan zij deel uitmaakt, bevoegd is.

Ingevolge artikel 34 van de wet van 20 augustus 1947 ter vervanging van artikel 1 van de wet van 1938 kan elke ambtenaar thans wanneer hij ter gelegenheid van een controle op inbreuken van de fiscale wetten waartoe hij in het kader van zijn administratie bevoegd is en inbreuken op een andere fiscale wetgeving op het spoor komt zijn controle tot de andere belastingen uit te breiden maar op dat ogenblik blijft het hen echter verboden zich onderzoeksbevoegdheden van andere fiscale besturen toe te eigenen, zie "De onderzoeksbevoegdheden van de fiscus en de wet van 28 juli 1938", L. Vanheeswijck, TFR- Fiskofoon 1989 nr. 83 , p. 2 -26;

Ook het Hof van Cassatie stelt dat de fiscale ambtenaren steeds gebonden blijven en moeten handelen binnen het kader van de wetgeving en de controlemiddelen waarover hun bestuur beschikt. Dit betreft de regel van de specificiteit of de soortgebondenheid van het fiscaal onderzoek, zie "De Fiscale Koerier-Kluwer rechtswetenschappen België bl. 93/435-437.

Overwegende dat uit de door verweerster overgelegde stukken en nl. stuk 1 (omzendbrief) onder blz. 3 eveneens blijkt dat wanneer ambtenaren der douane en accijnzen een normale controleopdracht uitvoeren op de openbare weg zij ook aandacht moeten besteden aan alle elementen die van belang zijn voor de juiste inning van de BTW;

Overwegende dat in die omzendbrief sprake is van" onder normale controleopdracht" waaruit kan afgeleid worden dat de ambtenaren van de douane moeten optreden inzake de wetgeving inzake douane en accijnzen en pas dan ter gelegenheid van die controle ook aandacht moeten hebben voor elementen die van belang kunnen zijn voor de juiste inning van de BTW.

Overwegende dat de rechtbank meent dat indien met die omzendbrief bedoeld wordt dat de ambtenaren der Douane en Accijnzen uit eigen bevoegdheid kunnen optreden inzake BTW en dus opsporingen doen inzake BTW zonder te handelen en controleopdrachten uit te voeren inzake douane en accijnzen deze omzendbrief in strijd is met de specificiteit van de bevoegdheden van de fiscale administraties.

Overwegende dat indien overgelegde omzendbrief in strijd is met fiscale wetten en fiscale rechtsregels de rechtbank er geen rekening dient mee te houden, dat administratieve onderrichtingen immers bindend zijn noch voor de belastingplichtige noch voor de rechtbank, zie Belgisch Belastingsrecht, Couturier Jos en Peeters Bruno, Maklu, 1999, blz. 52 e.v. nr. 14 en de rechtspraak waarnaar verwezen wordt;

Overwegende dat uit het KB nr. 11 d.d. 29 december 1992 blijkt dat de ambtenaren der douane en accijnzen, bij de uitoefening van hun opdrachten dezelfde bevoegdheden hebben als deze die de ambtenaren bedoeld in art. 61, 62, § 1 en 63 van het wetboek (BTW) beschikken.

Overwegende dat dit nog niet betekent dat de ambtenaren der douanen en accijnzen zelf mogen vaststellingen doen op het gebied van de BTW wanneer zij niet handelen inzake douanewetgeving.

Overwegende dat uit de derde aanvullende besluiten door verweerster neergelegd ter griffie van deze rechtbank d.d. 26.1.2000 blijkt dat de diverse processen-verbaal opgesteld door de ambtenaren der douane en accijnzen en die in bijlage aan het proces-verbaal d.d. 12 maart 1997 meegedeeld zijn allen opgesteld werden in opdracht van hun hoofdcontroleur de heer **E. D.’H.** en gepland werden bij een vergadering op 8 februari 1994 waarbij de ambtenaren van de BTW aanwezig waren.

Overwegende dat uit het origineel proces-verbaal d.d. 12 maart 1997 (stuk 4) blijkt dat het bewijs van de heffing gesteund is wat de omzetberekening betreft onder meer op de vaststellingen die gedaan werden door diverse controleagenten en nl. gelet op de gegevens vervat op pagina 6 van voormeld PV dus op vaststellingen gedaan door ambtenaren verbonden aan de Administratie der douane en accijnzen en nl. wat de bijlagen aan voormeld PV betreft onder de nrs. 010, 011, 020, 021, 022, 023, 024, 027, 028, 034, 035, 058, 059, 060, 061, 062, 063, 064, 065, 069, 070, 071, 072, 073, 074, 075, 076, 077, 078, 079, 080, 091, 092, 093, 094, 095, 096, 097, 098, 099, 100, 102, 103, 104, 105, 106, 107, 108, 109, 110, 11, 120, 121, 122, 123, 124, 125, 127, 128, 129, 130, en alle verdere bijlagen bevattende processen-verbaal opgesteld door ambtenaren der douane en accijnzen.

Overwegende dat al deze processen-verbaal op dezelfde manier opgesteld zijn en vaststellingen doen inzake controle bij het laden en/of het lossen van goederen met betrekking tot de BVBA **’s H.-V. D.**;

Overwegende dat uit deze processen-verbaal ,blijkt dat de controle gedaan werd bij het Iaden en/of lossen hetzij bij bestelwagens, vrachtwagens, hetzij op personenwagens ter hoogte van de BVBA **’s H.-V. D.**, …, … te … of bij winkels afhangende van de BVBA **’s H.-V. D.**.

Overwegende dat al deze processen-verbaal opgesteld zijn tussen 3 maart 1994 en 10 maart 1994.

Overwegende dat uit de door de ambtenaren van de douane en accijnzen opgestelde processen-verbaal niet blijkt dat zij optraden in het kader van de douanewetgeving en bij die gelegenheid vaststellingen deden dienstig voor de BTW;

Overwegende dat gelet op de plaats van het Iaden en/of lossen aan de BVBA **’s H.-V. D.** en de winkels afhangende van die BVBA enerzijds en daar waar bestelwagens gecontroleerd werden waar de BVBA en/of winkels afhangend van de BVBA er weliswaar voldoende vermoedens aanwezig waren dat er goederen vervoerd werden en de ambtenaren der douane en accijnzen mochten optreden voor controle van goederen voor zover dit optreden kaderde in opdrachten die zij uitvoerden met. betrekking tot de douanewetgeving.

Overwegende dat echter uit het feit dat er zo'n talrijke processen­verbaal van vaststelling door de douaneambtenaren in één week ter plaatse bij de BVBA **’s H.** en winkels van de BVBA afhangende opgesteld werden en uit het feit dat er omtrent die controles vergaderd werd door ambtenaren der douane en Accijnzen samen met ambtenaren van de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen het duidelijk is dat de douaneambtenaren enkel en alleen optraden inzake BTW en dat hun vaststellingen niet gebeurden in het kader van de douanewetgeving en er dus machtsafwending was.

Overwegende dat verweerster stelt dat de processen-verbaal opgesteld door de ambtenaren der Douane en Accijnzen het bewijs leveren zolang het tegendeel niet bewezen is.

Overwegende echter dat de wettelijke bewijswaarde van de processen-verbaal beperkt is tot de materiële vaststellingen die de ambtenaren hebben gedaan.

Overwegende dat dit natuurlijk betekent dat die materiële vaststellingen gelden tot bewijs van het tegendeel voor zover de ambtenaren bevoegd waren om die vaststellingen te doen.

Overwegende dat uit die processen-verbaal nergens blijkt dat zij optraden inzake douane en accijnzen en dat hun onderzoek specifiek gericht was op mogelijke inbreuken van de wetgeving inzake douane en accijnzen en dat zij bij een controle inzake douane en accijnzen inlichtingen bekwamen dienstig voor de heffing van de BTW door de BTW-plichtige **’s H.-V. D.**.

Overwegende dat verweerster stelt dat de processen-verbaal niet gebruikt werden als direct bewijsmiddel met betrekking tot het bewijs van verschuldigdheid van de BTW ingevolge omzetverhoging na controle.

Overwegende dat nochtans uit het proces-verbaal d.d. 12 maart 1997 blijkt dat wat betreft de omvang van de omzet en de berekening ervan het bewijs gesteund is op de reële vaststellingen gedaan door diverse controleagenten en dus ook op de vaststellingen vervat in de processen-verbaal van de ambtenaren van de administratie der douane en accijnzen.

Overwegende dat het de rechtbank niet mogelijk is uit te maken welke de juiste omvang en berekening van de omzet zou zijn zonder rekening te houden met deze vaststellingen en verweerster evenmin aantoont dat zonder rekening te houden met de vaststellingen van de ambtenaren van de Administratie der douane en accijnzen men tot dezelfde cijfers zou komen en dus tot dezelfde heffing zou komen.

Overwegende dat de rechtbank dan ook geen rekening kan houden met bewijzen die verkregen werden met miskenning van de fiscale wetten inzake de doel gebonden bevoegdheden van de fiscale administraties.

Overwegende dat verweerster niet aan de hand van stukken bewijst dat de ambtenaren der douane en accijnzen doel gebonden optraden en haar beweringen niet sterk maakt.

Overwegende dat het hier in casu met betrekking tot de door de ambtenaren opgestelde processen-verbaal niet gaat om het verstrekken van inlichtingen aan de administratie van de BTW maar om eigenhandige onderzoeksdaden nl. controles gedaan inzake BTW die niet kaderen in hun normale opdrachten inzake douane en accijnzen.

Overwegende dat de heffing van de BTW zoals geponeerd in het proces-verbaal en in het dwangbevel dan ook niet bewezen is en vermits de heffing gedeeltelijk gesteund is op vaststellingen bekomen in strijd met de doel gebonden bevoegdheden van de fiscale administraties.

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Vermeldende de toepassing van de artikelen 2, 34-35, 36, 37, 40 en 41 der wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Rechtdoende op **tegenspraak**;

Verklaart de eis van eiser op verzet ontvankelijk en gegrond.

Verklaart het dwangbevel Reg. 127/30155 uitgevaardigd op 30 april 1997 nietig.

Veroordeelt verweerster tot de terugbetaling van alle bedragen die ten gevolge van dit dwangbevel zouden betaald of ingehouden zijn.

Veroordeelt verweerster tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

De kosten in hoofde van eiseres begroot op :

\- 3.224 F (dagvaardingskosten)

\- 12.900 F (rechtsplegingsvergoeding)

De kosten in hoofde van verweerster begroot op :

\- 4.952 F (betekening dwangbevel)

\- 12.900 F (rechtsplegingsvergoeding)

Zegt dat er geen redenen zijn om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande alle verhaal en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement te verklaren.

Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting op **zesentwintig juli tweeduizend**.

Aanwezig :

**N. D.**, Ondervoorzitter, Alleenzetelend Rechter,

**E. V.**, Adjunct-griffier.

**E. V.** **N. D.**

**Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, 6****de** **bis KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen :**

Inzake :

**2000/AR/2534**

**BELGISCHE STAAT**, in de persoon van de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Rekenplichtige van de Federale Overheidsdienst FINANCIEN, met kantoor te 2800 Mechelen, Nekkerspoelstraat 21-23;

**appellant,**

tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen de dato 26 juli 2000; vertegenwoordigd door Mr. **P. S.** loco Mr. **L. C.**, advocaat te …, …;

**tegen :**

**BVBA s 'H.-V. D.**, met vennootschapszetel gevestigd te …, …, HR Mechelen …;

**geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door Mr. **E. D. B.** loco Mr. **Fr. V.**, advocaat te …, …;

Gelet op de tussenarresten van 24 december 2002 en 4 november 2003.

Gelet op de herneming van de zaak voor de anders samengestelde zetel van de 6bis kamer van dit Hof.

Wat de voorafgaande feiten en procedure betreft, verwijst het Hof naar de tussenarresten van 24 december 2002 en 4 november 2003.

Bij tussenvonnis van 2 december 1999 heeft de eerste rechter op grond van artikel 93quaterdecies, § 3 W.BTW geoordeeld dat een ambtenaar van een fiscaal bestuur elke inlichting die hij heeft ingewonnen tijdens de uitoefening van zijn functie kan inroepen voor het opsporen van om het even welke belastingschuld.

Artikel 93quaterdecies, § 3 W.BTW voornoemd bepaalt : *"Elke ambtenaar van een belastingbestuur van de Staat, regelmatig belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van een bepaalde belasting bij een natuurlijke of een rechtspersoon, (...) van rechtswege gemachtigd is alle inlichtingen op te zoeken of in te zamelen welke de juiste heffing van alle door deze personen verschuldigde andere belastingen kunnen verzekeren."*

De eerste rechter heeft geoordeeld dat een ambtenaar van de administratie der douane en accijnzen, regelmatig belast met een onderzoek inzake douane en accijnzen, derhalve gemachtigd is om inlichtingen in te zamelen inzake BTW en heeft aldus de doel gebonden bevoegdheid van de fiscale administraties onderschreven.

Tezelfdertijd heeft de eerste rechter vastgesteld dat aan de hand van de stukken uit het dossier niet kon worden opgemaakt of de inlichtingen die de administratie der douane en accijnzen had ingewonnen inzake BTW kaderden binnen een regelmatig onderzoek inzake douane en accijnzen en heeft hij, alvorens recht te doen, ambtshalve de heropening der debatten bevolen teneinde appellant toe te laten het vereiste bewijs te leveren.

Bij eindvonnis stelt de eerste rechter dat appellant niet heeft aangetoond dat de administratie der douane en accijnzen doel gebonden is opgetreden en vernietigt derhalve het dwangbevel.

Bij verzoekschrift van 26 oktober 2000 heeft appellant hoger beroep ingesteld, doch enkel tegen het eindvonnis van 26 juli 2000.

Het verzoekschrift vermeldt als de bestreden beslissing uitdrukkelijk het vonnis van 26 juli 2000 en maakt geen melding van het tussenvonnis van 2 december 1999.

Appellant heeft dan ook geen hoger beroep aangetekend tegen voornoemd tussenvonnis van 2 december 1999. Het feit dat in conclusies in graad van hoger beroep grieven worden opgeworpen tegen dit tussenvonnis, heeft niet tot gevolg dat ook hoger beroep werd ingesteld tegen het tussenvonnis. In toepassing van artikel 1055 Gerechtelijk Wetboek kon tegen het tussenvonnis trouwens slechts hoger beroep worden aangetekend uiterlijk tegelijkertijd als tegen het eindvonnis.

De termijnen om hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van 2 december 1999 zijn verstreken, zodat dit vonnis overeenkomstig artikel 28 Gerechtelijk Wetboek in kracht van gewijsde is getreden.

Het Hof heeft derhalve geen rechtsmacht meer om te oordelen over de omvang van de bevoegdheid van de ambtenaren van de administratie der douane en accijnzen. Anders oordelen zou een schending inhouden van het gezag van gewijsde van het vonnis van 2 december 1999 waarin werd besloten tot de doel gebonden bevoegdheid van elke fiscale administratie.

Het Hof dient verder met de eerste rechter vast te stellen dat appellant niet aan de hand van stukken bewijst dat de ambtenaren der douane en accijnzen te dezen doel gebonden zijn opgetreden en dat appellant zijn beweringen ter zake niet bewijst.

De eerste rechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat de heffing van de BTW zoals geponeerd in het proces-verbaal en in het dwangbevel niet bewezen is en dat de heffing gedeeltelijk gesteund is op vaststellingen bekomen in strijd met de doel gebonden bevoegdheden van de fiscale administraties.

De eerste rechter heeft dan ook terecht het dwangbevel nietig verklaard.

Het hoger beroep is derhalve ongegrond en appellant dient veroordeeld te worden tot de kosten van het hoger beroep, zoals hierna begroot.

## OM DEZE REDENEN

**HET HOF,** rechtdoende op **tegenspraak**,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Gelet op de herneming van de zaak voor de anders samengestelde zetel van de 6bis kamer.

De tussenarresten van 24 december 2002 en 4 november 2003 verder uitwerkend.

Verklaart het hoger beroep van appellant ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt appellant tot de kosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van geïntimeerde begroot op 436,29 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van **21 december 2004**.

Waar aanwezig waren :

Mevrouw **D. W.**, alleenzetelend Raadsheer

Mevrouw **C. V.**, Griffier

**C. V.** **D. W.**
