---
title: "19 avril 2006 · Poursuite, instance · Tribunal de première instance de Hasselt"
description: "Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, disposition pénale. Tribunal de première instance de Hasselt (Belgique), 19 avril 2006."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-tribunal-hasselt-2006-04-19-8d89"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, disposition pénale · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Hasselt

**Date**

19 avril 2006

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

143 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Hasselt du 19.04.2006

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :**

IN ZAKE AR nr. **02/2501/A**

**D. NV**, met maatschappelijke zetel te …, …, gekend als BTW-plichtige onder het nummer BE ….

**eiseres,**

waarvoor zijn gevolmachtigde, de heer **M.** verschijnt, bijgestaan door Mr. **V.**, advocaat te …, ….

**tegen :**

**ADMINISTRATIE VAN DE ONDERNEMINGS-EN INKOMENSFISCALITEIT**, in de persoon van de rekenplichtige van het eerste BTW-ontvangkantoor te Hasselt, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43.

**DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN**, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

**verweerder,**

vertegenwoordigd door Mr. **D.**, loco **F. R.**, advocaat te …, ….

**EN IN ZAKE AR nr. 03/1538/A**

**D. NV**, met maatschappelijke zetel te …, …, gekend als BTW-plichtige onder het nummer BE ….

**eiseres,**

waarvoor zijn gevolmachtigde, de heer **M.** verschijnt, bijgestaan door Mr. **V.**, advocaat te …, ….

**tegen :**

**ADMINISTRATIE VAN DE ONDERNEMINGS-EN INKOMENSFISCALITEIT**, in de persoon van de Gewestelijke directeur van het Controlecentrum Hasselt-Beringen, Voorstraat 41 te 3500 Hasselt.

**DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN**, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

**verweerder,**

vertegenwoordigd door Mr. **D.** loco Mr. **F. R.**, advocaat te …, ….

**VOLGT HET VONNIS :**

Gelet op :

**Inzake AR 02/2501/A**

\- het verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie op 20.12.2002 waarbij verzet werd aangetekend tegen het dwangbevel uitgevaardigd door **F. H.**, e.a. inspecteur van het eerste ontvangkantoor van de BTW te Hasselt op 25.11.2002, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door **J. V. L.**, waarnemend gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Hasselt op 27.11.2002;

\- de conclusies, de aanvullende conclusies, de tweede aanvullende conclusies en stukken van verweerder;

\- de conclusies, de nieuwe conclusies, de allernieuwste conclusies en stukken van eiseres.

**Inzake AR 03/1538/A**

\- het verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie op 24.07.2003, met aangehecht een afschrift van de directorale beslissing van 07.07.2003;

\- de conclusies, aanvullende conclusies en stukken van verweerder

\- de conclusies, nieuwe conclusies, allernieuwste conclusies en stukken van eiseres.

## Feiten en voorgaanden

**Inzake AR 03/1538/A**

De betwisting inzake directe belastingen heeft betrekking op twee aanslagen in de vennootschapsbelasting gevestigd in hoofde van eiseres voor de gemeente …, te weten :

\- een aanslag voor het aanslagjaar 2000, kohierartikel … voor een te betalen bedrag van 1.366.489 BEF (33.874,38 euro);

\- een aanslag voor het aanslagjaar 2001, kohierartikel … voor een te betalen bedrag van 749.070 BEF (18.568,95 euro).

Eiseres diende op 09.08.2001 een tijdige aangifte in de vennootschapsbelasting in voor het aanslagjaar 2001 (boekjaar van 01.01.2000 tot 31.12.2000) (stukken 19 t.e.m. 24 van het administratief dossier). Op 24.06.2000 diende zij tijdig haar aangifte voor het aanslagjaar 2000 in (boekjaar van 01.01.1999 tot 31.12.1999) (zie stukken 79 t.e.m. 84 van het administratief dossier).

Op 26.02.2002 en 28.02.2002 vond er een controle plaats op de maatschappelijke zetel van eiseres met het oog op het onderzoek van de belastingtoestand van de vennootschap met betrekking tot de aanslagjaren 2000 en 2001. Naar aanleiding van deze controle werd de boekhouding van eiseres verworpen als zijnde niet-bewijskrachtig omwille van volgende redenen :

\- de kasontvangsten kunnen niet correct worden vastgesteld aan de hand van het kasregister; een voldoende gedetailleerde rechtvaardiging van de dagontvangsten ontbreekt;

\- de verkoopfacturen zijn niet voldoende gedetailleerd en er kan niet worden bepaald welke goederen werkelijk verkocht zijn;

\- de inventaris van de goederen voldoet niet : een juiste identificatie van de goederen in voorraad is onmogelijk;

\- een hoeveelheidscontrole van de goederen resulteerde in een tekort van 1.527 stuks voor het aanslagjaar 2000 en in een tekort van 791 stuks voor het aanslagjaar 2001, dit na correctie van de niet geboekte privé­onttrekkingen die jaarlijks en in gemeenschappelijk akkoord op honderd stuks werden geraamd.

Bij afzonderlijke berichten van wijziging van 28.05.2002 werd aan eiseres het voornemen meegedeeld om de aangiften voor het aanslagjaar 2000 (boekjaar 01.01.2000 tot 31.12.2000) en het aanslagjaar 2001 (boekjaar 01.01.2001 tot 31.12.2001) te wijzigen door de omzet te verhogen met 2.614.453 BEF (64.810,60 euro) (verdoken reserve in meer) voor het aanslagjaar 2000 en door de omzet te verhogen met 1.302.627 BEF (32.291,28 euro) (verdoken reserve in meer) voor het aanslagjaar 2001. De taxatieambtenaar steunde zich hierbij op de bepalingen van art. 340 WIB 92, namelijk feitelijke vermoedens.

Tevens werd verwezen naar het afgesloten akkoord op 07.05.2002 en de daarin vervatte wijzigingen van de aangiften (zie stukken 318 t.e.m. 322 en 323 t.e.m. 327 van het administratief dossier).

Tevens werd aan de belastingplichtige meegedeeld dat er voor de beide aanslagjaren een belastingverhoging zou worden toegepast van 10 % wegens indiening van een onvolledige aangifte (art. 444 WIB 92 en art. 226 KB/WIB 92) (zie stukken 318 t.e.m. 322 en 323 t.e.m. 327 van het administratief dossier).

Bij brief van 01.07.2002 stelde de raadsman van eiseres dat men niet akkoord ging met de inhoud van de berichten van wijziging (zie stuk 328 van het administratief dossier). Bij brief van 26.09.2002 deelde men de motieven waarom men niet akkoord ging met de voorgenomen taxatie zoals weergegeven in de berichten van wijziging mee aan de administratie (zie stukken 332 en 333 van het administratief dossier).

Bij brief van 06.11.2002 deelde de administratie aan eiseres haar standpunt mee (zie stukken 338 t.e.m. 342 van het administratief dossier).

De aanslagen voor de aanslagjaren 2000 en 2001 werden vervolgens ingekohierd overeenkomstig de afzonderlijke berichten van wijziging van 28.05.2002 (zie stukken 344 t.e.m. 347 van het administratief dossier).

Tegen deze aanslagen werd er namens eiseres bezwaar aangetekend bij aangetekende brief van 09.01.2003, ontvangen bij de administratie op 10.01.2003 (zie stukken 4 t.e.m. 6 van het administratief dossier).

Bij directorale beslissing van 07.07.2003 werd het bezwaar ontvankelijk doch ongegrond verklaard (zie stukken 7 t.e.m. 17 van het administratief dossier).

Bij tegensprekelijk verzoekschrift, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 24.07.2003, met aangehecht een afschrift van de directorale beslissing stelde eiseres een vordering in rechte in.

**Inzake AR 02/2501/A**

Eiseres is ingevolge de door haar uitgeoefende beroepsactiviteit van een kleinhandel in kleding geregistreerd als BTW-belastingplichtige met BTW­nummer BE … en zodoende onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan getroffen besluiten.

Op 26.02.2002 en 28.02.2002 werd door mevr. **C. T.**, e.a. verificateur verbonden aan de Administratie van de BTW, registratie en domeinen en ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomstenfiscaliteit, controlecentrum Hasselt-Beringen, een controle verricht over de toepassing van de BTW-wetgeving over de jaren 1999 en 2000.

Van haar vaststellingen werd op 26.07.2002 een proces-verbaal opgesteld lastens huidige eiseres waarbij in essentie werd vastgesteld dat de door eiseres aangegeven omzet niet overeenkwam met de werkelijk gerealiseerde omzet. In het proces-verbaal werd het omzettekort berekend (zie stuk 1, bundel verweerder).

Deze vaststellingen resulteerden in een BTW-navordering als volgt begroot :

\- BTW : 679.824 BEF (16.852,40 euro)

\- Geldboete overeenkomstig art. 70, § 1 W.BTW gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belastingen en verminderd en afgerond tot 20 % overeenkomstig tabel G, eerste afdeling, rubriek V van het KB nr. 41 van 30.01.1987, gewijzigd bij KB van 21.10.1993 : 135.965 BEF (3.370 euro afgerond)

\- wettelijke intresten overeenkomstig art. 91, § 1 W.BTW berekend aan 0,8 % per maand vanaf 21.02.2001 over de som van 679.000 BEF (33. 700 euro)

Op 25.11.2002 werd tegen eiseres een dwangbevel uitgevaardigd, gesteund op het proces-verbaal van 26.07.2002. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 27.11.2002, en met een bevel tot betaling, op 09.12.2002 bij exploot van **F. M.**, plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder voor **P. W.** te …, aan eiseres betekend (zie stukken 2 en 3, bundel verweerder).

In dit dwangbevel werden de hierboven vermelde bedragen gevorderd van eiseres alsook de moratoire intresten over de verschuldigde geldboete vanaf de kennisgeving van het dwangbevel en de vervolgingskosten.

Eiseres ging bij deze rechtbank in verzet tegen dit dwangbevel bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 20.12.2002.

## Samenvoeging

De rechtbank stelt vast dat de zaken ingeschreven onder het AR nr. 03/1538/A en AR nr. 02/2501/A bij haar aanhangig zijn en dat de in deze zaken omschreven vorderingen onderling zo nauw verbonden zijn dat het ter wille van een goede rechtsbedeling wenselijk is deze vorderingen samen te behandelen en te berechten. Derhalve voegt de rechtbank de beide zaken samen.

## Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van de samengevoegde vorderingen in de zaken met AR nr. 03/1538/A en AR nr. 02/2501/A wordt niet betwist en de rechtbank bemerkt geen reden om de ontvankelijkheid van de vorderingen ambtshalve in vraag te stellen, zodat zij de vorderingen als ontvankelijk aanneemt.

## Beoordeling

## 1. Aangaande de betwisting inzake de directe belastingen

### 1.1. Aangaande de bewijskracht van de boekhouding

De bestreden aanslagen werden gevestigd nadat de administratie de bewijskracht van de boekhouding van de aanslagjaren 2000 en 2001 van eiseres verwierp.

De bewijskracht van een boekhouding inzake inkomstenbelastingen is aangetast indien niet aan de hand van alle bewijsstukken kan worden nagegaan in hoever de geboekte cijfers met de werkelijkheid overeenstemmen, indien niet kan worden nagegaan in hoeverre de voorgelegde boeken en bescheiden een samenhangend geheel vormen op grond waarvan het belastbaar inkomen nauwkeurig kan worden bepaald, of nog, indien niet kan worden vastgesteld dat de geschriften gestaafd zijn door bewijsstukken.

Bij de controle ter plaatse werd onder meer vastgesteld dat :

\- wat betreft de kasontvangsten :

\- de dagontvangsten geregistreerd worden via een kasregister waarvan de telbanden dagelijks worden afgeknipt zodat er "telstroken" ontstaan en dat deze telstroken los worden bijgehouden;

\- de telstroken starten met verkoopsregistratie 5; de eerste vier worden dagelijks afgeknipt en verwijderd;

\- de datum in het kasregister dient manueel te worden ingebracht; er is geen bewijs dat de telbanden een ononderbroken reeks van geregistreerde verkopen vormen;

\- de kasstroken vermelden enkel het bedrag, geen detail per verkocht artikel;

\- de kasticketten vermelden geen omschrijving van de artikelen, wel het aantal verkochte stuks;

\- er worden geen stavingsstukken met betrekking tot terugname van verkochte goederen, kortingen of bons bewaard;

\- toegestane korting is niet controleerbaar;

\- wat de verkoopfacturen betreft :

de verkoopfacturen zijn niet voldoende gedetailleerd en er kan niet worden bepaald welke goederen werkelijk verkocht zijn.

\- wat de inventaris betreft :

\- de inventaris wordt opgemaakt aan verkoopprijs en vormt de basis voor de definitieve inventaris aan aankoopprijs;

\- de originele lijsten, die mogelijk een detail van de voorraad bevatten worden weggegooid;

\- de inventariswaarde wordt bepaald door de verkoopprijs te delen door 2,2; uit een steekproef op de aanwezige goederen bleek de actuele verhouding tussen aankoop en verkoop te variëren tussen 2 en 2,417, hieruit blijkt alleszins dat de inventariswaarde niet juist is;

\- de inventaris bestaat uit losse bladen waarop slechts in een zeer algemene omschrijving de artikelen in voorraad worden weergeven, alsook het aantal, de aankoopprijs en een totaal bedrag; een juiste identificatie van de goederen is onmogelijk;

\- wat de hoeveelheidcontrole betreft :

op basis van een tijdens het onderzoek gedane verklaring van de gedelegeerd bestuurder, die thans wordt betwist, dat iedere input op het kasregister correspondeerde met de verkoop van één stuk werd een hoeveelheidcontrole gedaan; deze resulteerde in een tekort van 1.527 stuks voor het aanslagjaar 2000 en in een tekort van 791 stuks voor het aanslagjaar 2001.

(zie stukken 140 t.e.m. 154 en van het administratief dossier).

Op basis van de voornoemde vaststellingen is de rechtbank van oordeel dat de boekhouding van eiseres onvoldoende garanties van controleerbaarheid biedt en terecht als niet-bewijskrachtig werd beschouwd.

Het feit dat de telstroken van het kasregister die werden voorgelegd dagelijks werden afgeknipt en geen ononderbroken reeks van verkopen vormen, dat de datum op het kasregister manueel wordt ingegeven, dat de kasstroken geen enkel detail omtrent de aard van het verkochte goed weergeven en het ontbreken van ieder bewijsstuk ter zake maakt op zich reeds een gebrek aan controleerbaarheid uit (zie stuk 2, bundel eiseres).

Van de telstroken die per dag van het kasregister werden afgeknipt werden bovendien de eerste vier verrichtingen verwijderd. De bewering van eiseres dat een dergelijke telstrook voldoende waarborgen biedt om de realiteit van de inkomsten te verifiëren, blijkt geenszins uit de vaststellingen bij de controle en wordt evenmin bewezen door eiseres.

Ook de wijze waarop de voorraad werd bepaald (nl. het manueel opnemen van de voorraad in de winkel en daarvan de verkoopprijs delen door 2,2), het niet bijhouden van opnamelijsten aan de hand waarvan de inventaris werd opgesteld houdt in dat de inventariswaarde en de hoeveelheid goederen meer berust op een loutere schatting dan op een controleerbaar gegeven.

Het feit dat de verkoopfacturen niet zijn gedetailleerd en niet de aard van de verkochte goederen vermelden, maakt ze oncontroleerbaar.

Eiseres kan bij dit alles niet verwijzen naar de boekhoudwetgeving die haar geen verplichtingen oplegt tot bewaring van het detail van de dagontvangsten en stellen dat de fiscus aan de boekhouding geen hogere eisen mag stellen dat de boekhoudwetgeving, gelet op het gegeven dat de boekhouding sowieso controleerbaar dient te zijn (vgl. Cass., 19 april 1990, *R.W.*, 1990-91, 341 : *"zelfs wanneer de door eiseres gehouden boeken die waren welke in de wetten inzake de boekhouding en BTW zijn voorgeschreven"* en HUYSMANS, S., De bewijskracht van de boekhouding in het belastingrecht, *A.F.T.*, 2000, 75 e.v.).

Verweerder heeft op grond van de hoger weergegeven omstandigheden dan ook terecht de boekhouding van eiseres verworpen.

### 1.2. De bepaling van de belastbare grondslag

Eiseres houdt voor dat verweerder willekeurig zou te werk zijn gegaan bij het vaststellen van de belastbare grondslag voor de aanslagjaren 2000 en 2001 en meer bepaald omdat :

\- de herberekening van de administratie niet controleerbaar is;

\- de herberekening steunt op een verkeerd uitgangspunt nl. dat elke verkoop op de kassa één kledingsstuk betreft;

\- de administratie geen rekening houdt met de diefstal van kledingsstukken;

\- de boekhouding van eiseres controleerbaar is;

\- de gemiddelde verkoopprijs waarvan de administratie uitgaat is niet correct.

Door, ter bepaling van de belastbare grondslag en de andere gegevens voor de aanslagjaren 2000 en 2001, te vertrekken van de aangiften van eiseres en daarop bij gebrek aan controleerbare inventaris een correctie door te voeren middels berekening van de gerealiseerde meerwinst aan de hand van de verkopen en op basis van een verklaring afgelegd door de gedelegeerd bestuurder, de heer **M.**, tijdens de controle dat elke verkoop op de kassa één kledingsstuk betreft en daarbij rekening houdend met een onderbouwde gemiddelde verkoopprijs, werd de taxatie niet gesteund op willekeurige gegevens.

Vooreerst merkt de rechtbank op dat de berekening van de administratie controleerbaar is.

De rechtbank is verder van oordeel dat eiseres terecht kan uitgaan van de verklaring afgelegd door de heer **M.** dat de positieve inputs op de kasetiketten gelijk waren aan het aantal verkochte stuks en opgenomen in het proces-verbaal van 14.12.2001 opgesteld n.a.v. de BTW-controle. De bijzondere bewijswaarde van art. 59, § 1 W.BTW van het proces-verbaal wordt niet ontkracht door een loutere ontkenning.

Het aangeboden getuigenbewijs is ter zake niet dienend.

De administratie hield inderdaad geen rekening met de diefstal van kledingsstukken, doch zij dient bij de vaststelling van de belastbare grondslag enkel uit te gaan van bekende feiten. Tijdens de fiscale controle werden hieromtrent geen concrete gegevens meegedeeld, zodat de administratie terecht hiermee geen rekening hield.

De boekhouding van eiseres werd om redenen hoger aangehaald terecht verworpen als zijnde oncontroleerbaar, zodat eiseres thans ten onrechte voorhoudt dat de boekhouding controleerbaar is.

De gemiddelde verkoopprijs werd begroot op basis van de vaststellingen tijdens de fiscale controle, zodat deze als onderbouwd dient te worden beschouwd.

Nu de taxatie niet willekeurig wordt bevonden en nu eiseres het in dat geval de door art. 352 WIB 92 aan haar opgelegde bewijs (van het juiste bedrag van de belastbare inkomsten en van de andere te haren naam in aanmerking te nemen gegevens) niet invult, dienen de bestreden aanslagen behouden te blijven.

De vordering van eiseres is ongegrond.

## 2. Aangaande de BTW-betwisting

Op 26.02.2002 en 28.02.2002 werd door mevr. **C. T.**, e.a. verificateur verbonden aan de Administratie van de BTW, registratie en domeinen en ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomstenfiscaliteit, controlecentrum Hasselt-Beringen, een controle verricht over de toepassing van de BTW-wetgeving over de jaren 1999 en 2000.

Van haar vaststellingen werd op 26.07.2002 een proces-verbaal opgesteld lastens huidige eiseres waarbij in essentie werd vastgesteld dat de door eiseres aangegeven omzet niet overeenkwam met de werkelijk gerealiseerde omzet. In het proces-verbaal werd het omzettekort berekend (zie stuk 1, bundel verweerder).

Deze vaststellingen resulteerden in een BTW-navordering als volgt begroot :

\- BTW : 679.824 BEF (16.852,40 euro)

\- Geldboete overeenkomstig art. 70, § 1 W.BTW gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belastingen en verminderd en afgerond tot 20 % overeenkomstig tabel G, eerste afdeling, rubriek V van het KB nr. 41 van 30.01.1987, gewijzigd bij KB van 21.10.1993 : 135.965 BEF (3.370 euro afgerond)

\- wettelijke intresten overeenkomstig art. 91, § 1 W.BTW berekend aan 0,8 % per maand vanaf 21.02.2001 over de som van 679.000 BEF (33.700 euro).

De materiële vaststellingen die zijn gebeurd door de controleambtenaar hebben door hun opname ervan in het proces-verbaal van 26.07.2002 de in artikel 59, § 1 in fine bepaalde bewijskracht tot het bewijs van het tegendeel.

De bijzondere bewijskracht van een proces-verbaal geldt enkel voor wat de controleambtenaar persoonlijk heeft vastgesteld, de gevolgtrekkingen uit deze vaststellingen zullen evenwel moeten bewezen worden door de administratie d.m.v. de wettelijke toegestane bewijsmiddelen, onder meer door vermoedens.

De rechtbank is van oordeel dat de controleambtenaar terecht heeft vastgesteld dat de boekhouding van eiseres niet controleerbaar is.

De rechtbank verwijst dienaangaande naar hetgeen hoger werd uiteengezet.

Bovendien stelt verweerder terecht, aan de hand van de verwijzing naar art. 60, § 1 W.BTW (bewaringsplicht) en naar de voorschriften van art. 14, § 2, 3° en art. 15, § 2, 1 e lid KB nr. 1 inzake BTW, dat deze regels door eiseres niet werden nageleefd met tot gevolg dat daardoor de controleerbaarheid van de boekhouding van eiseres werd verhinderd.

Dit geldt evenzeer wat betreft de niet naleving van [art. 5, 6° KB nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-c6ca) inzake BTW met betrekking tot de verkoopfacturen.

Verweerder heeft de meeromzet terecht berekenend in toepassing van art. 64, § 1 W.BTW.

De vordering van eiseres is ongegrond.

---

De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,** rechtdoende op **tegenspraak**,

Voegt de zaken gesteld onder AR.nr. 03/1538/A en AR nr. 02/2501/A samen.

Verklaart de vorderingen inzake directe belastingen ontvankelijk doch ongegrond.

Verklaart het verzet tegen het dwangbevel van 25.11.2002 ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de kosten en begroot deze kosten in hoofde van verweerder op 178,48 euro rechtsplegingvergoeding.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer op het gerechtshof te Hasselt op **19.04.2006** alwaar aanwezig waren :

De heer **L. B.**, rechter, waarnemend voorzitter,

Mevrouw **M. C.**, rechter,

De heer **J. S.**, plaatsvervangend rechter, en,

De heer **Ph. N.**, griffier.

**Ph. N.** **J. S.** **M. C.** **L. B.**

## Textes cités

1

[AR no 1 art. 5](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-c6ca) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Droit à déduction, Charge de la preuve](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-charge-preuve-chiffre-tribunal-bruxelles-2025-04-23-0903) 1 dispositions communes

[Carrousel TVA, Participation, Refus de déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/carrousel-tva-participation-refus-deduction-cour-appel-bruxelles-2020-09-10-0c67) 1 dispositions communes

[Principe de neutralité, Amende proportionnelle, Intérêts, Notification préalable](https://juriel.be/fr/jurisprudence/principe-neutralite-amende-proportionnelle-interets-cour-appel-anvers-2026-01-20-1005) 1 dispositions communes

[Droit à déduction, Amende](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-amende-tva-amont-cour-appel-anvers-2021-01-19-2323) 1 dispositions communes

[Droit à déduction, Factures de sous-traitance imprécises et irrégulières](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-factures-sous-traitance-tribunal-bruxelles-2023-06-09-23dd) 1 dispositions communes

[Nouveau bâtiment, Rénovation, Travail immobilier, Taux de TVA](https://juriel.be/fr/jurisprudence/nouveau-batiment-renovation-travail-immobilier-cour-appel-gand-2019-01-08-2f4a) 1 dispositions communes

[Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-conditions-formelles-materielles-tribunal-2023-05-19-3638) 1 dispositions communes

[Droit à déduction, Dépenses sans caractère professionnel, Immeuble](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-depenses-caractere-professionnel-cour-appel-liege-2020-09-04-3c80) 1 dispositions communes
