---
title: "25 mai 2009 · Poursuite, instance · Tribunal de première instance de Gand"
description: "Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, droit à déduction de l’impôt. Tribunal de première instance de Gand (Belgique), 25 mai 2009."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-tribunal-gand-2009-05-25-64d6"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Gand

**Date**

25 mai 2009

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

78 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 25.05.2009

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

## RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT, ZESDE FISCALE KAMER OPENBARE TERECHTZITTING VAN 25 MEI 2009

Rolnummer **AR 04/4808/A**

In de zaak van :

Nv ALL HYDRO, met zetel te 9500 Geraardsbergen, Industrie- zone Schendelbeke, Diebeke 3a en met ondernemingsnummer 0432.637.123

**eisers,**

hebbende als raad Mter A Doolaege, advocaat te 9000 Gent, Koning Albertlaan 165

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12,

**DE BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie en Domeinen, Ontvangkantoor Zottegem, met burelen te 9620 Zottegem, G. Schockaertstraat 4

**verweerder,**

hebben de als raad Mter E. Van Acker, advocaat te 9000 Gent, Brugsesteenweg 318

Vonnist de rechtbank als volgt :

## 1. RECHTSPLEGING

Partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 27.4.2009, waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien in het bijzonder het gedinginleidend verzoekschrift neergelegd op 29.12.2004, de onderscheiden conclusies van de partijen evenals de respectievelijke dossiers.

## 2. DE VORDERING

De vordering van eiseres strekt ertoe verzet te doen tegen het dwangbevel uitgevaardigd op 6.12.2002, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 9.12.2002 en aan eiseres betekend op 10.12.2002.

Krachtens hogervermeld dwangbevel wordt aan eiseres bevel gegeven om te betalen :

\- BTW : 13.356,50 EUR

\- Geldboete : 1.330,00 EUR

\- Vervallen intresten verschuldigd krachtens art. 91, § 1 berekend tot 20.12.2002 : 1.281,49 EUR

te vermeerderen met :

1° De intrest van 0,80 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21.12.2002;

2° De moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten die loopt vanaf de betekening van dit dwangbevel, ingevolge art.91, § 4 W.BTW;

3° De vervolgingskosten.

De vordering zoals gelibelleerd in conclusies strekt er toe :

“…

De vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens

1\. in hoofdorde :

de vordering van de BTW-administratie gesteld bij dwangbevel van 10.12.2002 te vernietigen en te zeggen voor recht dat deze vordering ongegrond is om reden dat de toepassingsvoorwaarden van artikel 45 W.BTW voldaan zijn, en tevens de BTW-administratie te veroordelen tot terugbetaling van de betaalde BTW, boete en nalatigheidsintresten, dit te vermeerderen met de moratoriumintresten te rekenen vanaf de dag van betaling, minstens te vermeerderen met de gerechtelijke intresten;

2\. in subsidiaire orde :

de vordering van de BTW-administratie gesteld bij dwangbevel van 10.12.2002 te vernietigen en te zeggen voor recht dat deze vordering ongegrond is wegens schending van het rechtszekerheidsbeginsel, en tevens de BTW-administratie te veroordelen tot terugbetaling van de betaalde BTW, boete en nalatigheidsintresten, dit te vermeerderen met de gerechtelijke intresten;

de Belgische Staat te veroordelen tot de gerechtskosten (…)"

## 3. FEITEN

1\. De NV **A.** werd opgericht op 3.12.1987 met als doel de aankoop, verkoop, import, export, verhuring, productie of ombouw van componenten, apparaten, machines, voertuigen of installaties die betrekking hebben op mechanische constructies (…).

Op heden zijn de bestuurders **D. L.**, **G. L.** en **A. V. D. W.**.

Op 26.11.1992 werd de BVBA **H.-I.**, een holdingmaatschappij opgericht. De enige aandeelhouder is dhr. **D. L.**. die ook zaakvoerder is.

Bij beslissing van de raad van bestuur van 4.1.1993 wordt de BVBA **H.-l.** aangesteld als directeur van de NV **A.**. Hiermee werd de BVBA **H.-I.** belast met het dagelijks bestuur van de NV **A.**.

2\. Op 12.9.2002 werd voor de periode van 1.12.1999 tot 30.11.2001 bij eiseres een controle verricht zowel wat de toepassing van de BTW-wetgeving als wat de wetgeving inzake inkomstenbelastingen betreft.

Er werd vastgesteld dat eiseres van de BVBA **H.-I.** facturen ontvangen heeft met als omschrijving managementsvergoeding.

In het proces-verbaal van 12.9.2002 haalt de administratie een reeks feiten aan die zouden aantonen dat het dagelijks bestuur van de NV **A.** is geschied door **D. L.** en achteraf ook door **G. L.**, maar nooit door de BVBA **H.-I.** wat inhoudt dat in hoofde van de NV **A.** geen recht op aftrek kan bestaan van BTW op grond van art. 45, § 1 W.BTW.

3\. Eiseres meent dat de BTW aftrek ten onrechte werd verworpen.

## 4. BESPREKING

### 4.1. Nopens de aftrek

Verweerder voert aan dat eiseres geen recht op aftrek heeft omdat de BVBA **H.-I.** geen verrichtingen van dagelijks bestuur stelde in de NV **A.**.

Krachtens art. 45, § 1 W.BTW, waarin het beginsel van het recht op aftrek is vastgelegd, mag de belastingplichtige, op de belasting die hij verschuldigd is, in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten bestemt voor zijn economische activiteit.

De belastingplichtige die gebruik wil maken van het recht op aftrek van voorbelasting draagt de aanvoerings- en de bewijslast betreffende de feiten.

Eiseres voert aan dat de BVBA **H.-I.** bij beslissing d.d. 4.1.1993 aangesteld werd als directeur van de NV **A.** dat de benoemingsbeslissing stelt dat de bevoegdheid van de directeur de dagelijkse leiding van de vennootschap, het personeelsbeleid, de organisatie werkplanning, de opvolging van investeringsprojecten, de financiële opvolging van klanten en leveranciers betreft, dat deze taken kaderen binnen het maatschappelijk doel van de BVBA **H.-I.**. Voorts voert eiseres aan dat eiseres een dagelijks bestuur nodig heeft en dat de werkende vennoten van eiseres zich enkel bezig hielden met het werk op de werven.

Op zich is dat een valabele uitleg. Daarmee lost eiseres slechts haar aanvoeringsplicht in. Daarnaast moet zij de aangevoerde feiten nog bewijzen.

Eiseres laat na dit te doen en bewijst niet dat werkelijke prestaties door de BVBA **H.-I.** aan de grondslag van de facturen liggen.

Bovendien blijkt uit de neergelegde jaarrekening van de BVBA **H.-I.** dat :

\- de enige activa in de BVBA financiële vaste activa zijn als deelneming in verbonden ondernemingen (stuk 7 verweerder);

\- er geen beheersvergoedingen werden uitbetaald aan **D. L.** voor de verrichtingen van het dagelijks bestuur die zogenaamd worden verricht door de BVBA **H.-I.** ten behoeve van de NV **A.**;

\- er geen personeel in dienst is.

Tevens verklaarde dhr. **D.**, extern accountant van eiseres, op datum van de controle dat de BVBA **H.-I.** werd opgericht in het kader van een financiële transactie, m.n. de inkoop van aandelen van de NV **A.** die toebehoren aan de medeoprichter **D'H. P.**.

### 4.2. Nopens het rechtszekerheidsbeginsel

In casu kan geen sprake zijn van schending van het rechtszekerheidsbeginsel.

Op BTW vlak werd de NV **A.** in het verleden enkel gecontroleerd op 9.7.1991 voor de periode van 1987 t/m1990, dit is voor de oprichting van de BVBA **H.-I.**. De BVBA **H.-I.** werd niet gecontroleerd.

Inzake inkomstenbelastingen, is de beslissing van de rechter in het vonnis d.d. 28.2.2008 (AR 05/1114/A) gesteund op art. 26 WIB 92 dit heeft geen invloed op onderhavige zaak.

### 4.3. Nopens de kosten

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig art. 1017, Iid 1 Ger.W. moet zij de gerechtskosten dragen. Partijen verzoeken om toepassing van het basisbedrag en ramen het bedrag van de vordering in de schijf van 10.000,01 en 20.000,00 EUR.

### Dispositif

**OP DIE GRONDEN,**

**DE RECHTBANK,**

Rechtdoende op **tegenspraak**,

Melding makende dat de bepalingen van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

Alle meeromvattende of strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding tot dusver begroot als volgt :

\- aan de zijde van verweerder :

rechtsplegingsvergoeding : 1.100,00 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de **zesde fiscale kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op **maandag vijfentwintig mei tweeduizend en negen**, waar aanwezig waren :

mevrouw **J. D. B.**, rechter, voorzitter van deze kamer,

mevrouw **G. L.**, griffier.

**G. L.** **J. D. B.**
