---
title: "23 septembre 2008 · Poursuite, instance · Tribunal de première instance de Gand"
description: "Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor. Tribunal de première instance de Gand (Belgique), 23 septembre 2008."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-tribunal-gand-2008-09-23-52da"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Gand

**Date**

23 septembre 2008

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

106 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Gand du 23.09.2008

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

## RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT, ZESDE FISCALE KAMER, OPENBARE TERECHTZITTING VAN 23 SEPTEMBER 2008

Rolnummer **AR 03/42/A**

In de zaak van :

**V. L. en V. D. H. M.**, samenwonende te …, …

**eisers,**

hebbende als raad Mter **M. D. B.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, in de persoon van de Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor Aalst, met kantoren te 9300 Aalst, Graanmarkt 1

**verweerder,**

hebbende als raad Mter **C. D.**, advocaat te …, …

Vonnist de rechtbank als volgt :

## I. RECHTSPLEGING

Gelet op de inleidende dagvaarding houdende verzet de dato 12 december 2002.

Gelet op het tussenvonnis uitgesproken door deze rechtbank en kamer de dato 11 maart 2008.

De rechtbank nam opnieuw kennis van het dossier der rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.

Partijen werden opnieuw gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 24 juni 2008.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

## II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

De rechtbank verwijst hiervoor naar de uiteenzetting in zijn tussenvonnis de dato 11 maart 2008.

### A. Betreffende de grond

**1.** De door de rechtbank in zijn tussenvonnis gevraagde stukken, nl. een schrijven de dato 19 september 2001 van **P. D. N.** en een antwoordschrijven van eisers aan **P. D. N.** werden neergelegd.

**2.** Op 15 december 1997 werd een bouwvergunning verleend aan eisers voor het bouwen van een ééngezinswoning te … aan de …. De bouw ving aan op 18 december 1997. Op 5 december 1997 werd een overeenkomst afgesloten door de bouwheer met het bouwbedrijf BVBA **G. V. C.** als BTW-belastingplichtige geïmmatriculeerd onder BTW-nummer BE … voor de som van 2.500.818 BEF, vermeerderd met de BTW.

Tussen eisers en verweerder ontstond een betwisting over de bouwwaarde van de door hen opgerichte kwestieuze woning alsmede over de toepasselijkheid van het BTW-gunsttarief ad 12 % in plaats van 21 % voor werk in onroerende staat.

**3.** Eisers stellen dat in casu tussen partijen een akkoord zou tussengekomen zijn betreffende de bouwwaarde en het BTW-gunsttarief ad 12 %, minstens dat door verweerder het vertrouwensbeginsel zou geschonden zijn.

Verweerder stelt dat er geen akkoord werd afgesloten, het bezoek van bestuurschef **R. D. S.** alleen betrekking had op het onderzoek betreffende de bouwwaarde en beide dossiers door verschillende diensten werden behandeld zodat er in hoofde van eisers onmiddellijk na de ondertekening van de correctieopgave geen twijfel kon bestaan omtrent het standpunt van verweerder in verband met het toepasselijke BTW-tarief.

**4.** In casu kunnen de belangrijke feitelijke gegevens van onderhavig dossier volgt samengevat worden.

a. Sinds begin 1998 ontspint er zich een discussie tussen eisers en verweerder omtrent het al dan niet toepasselijk zijn van het verlaagd BTW-tarief, waaromtrent, zoals uit de voorgelegde briefwisseling blijkt, tussen partijen uitvoerig gecorrespondeerd wordt in voormeld jaar 1998 en wat blijkens voorgelegde stukken resulteert in een brief d.d. 27 mei 1998 waarbij verweerder laat weten aan eisers het verlaagd tarief niet te aanvaarden waarmee eisers niet akkoord zijn (stukken 4a, 4b, 4c, 4d, 4e, 4f, 5, 6, 7a, 71b en 8 - verweerder).

b. Bij brief de dato 9 augustus 2000 gericht aan eisers laat verweerder weten dat door eisers de aangifte, voorgeschreven door artikel 64, § 4 W.BTW nog niet werd ingediend, waarop eisers per 21 augustus 2000 deze aangifte indienen, waarna er tussen partijen eveneens discussie ontstaat omtrent de bouwwaarde van het kwestieuze onroerend goed (stukken 13a, 13b, 14a, 14b - verweerder).

c. Bij brief de dato 19 september 2001 laat verweerder aan eisers de correctieopgave geworden naar aanleiding van het feit dat de directeur van de BTW te Gent bij brief de dato 27 mei 1998 aan eisers bevestigde dat het verminderd tarief van 12 % niet kan toegepast worden (stuk 19 - verweerder). Op 30 september 2001 laten eisers weten niet akkoord te gaan met voormeld schrijven (stuk 20 - verweerder).

d. Op 15 oktober 2001 schrijft verweerder aan eisers het volgende : "... Betreft : uw nieuwbouw gelegen te …. Met het oog op het bespreken van uw bouwdossier laat ik u weten dat op dinsdag 13 oktober 2001 tussen 14 u en 16 u een bezoek ter plaatse zal plaatsvinden ..." (stuk 1 - eisers). Het kwestieuze bezoek zal doorgang vinden op 30 oktober 2001.

Op 6 december 2001 wordt door eisers een correctieopgave ondertekend (stuk 15 - verweerder).

Bij brief de dato 6 december 2001 schrijft verweerder aan eisers : "... Hierbij heb ik de eer U de facturen betreffende uw nieuwbouw, na inzage, terug te sturen. Het dossier mag als definitief afgehandeld beschouwd worden ... (stuk 2 - eisers).

Bij brief de dato 12 december 2001 laat verweerder aan eisers weten dat de administratie op haar standpunt blijft betreffende de verschuldigdheid van de BTW aan 21 % (stuk 9,. verweerder).

Op 9 januari 2002 wordt aan eisers een betalingsbericht gezonden (stuk 6 - eisers).

**5.** Voormelde feitelijke gegevens tonen aan dat in de maanden september en oktober 2001 tussen partijen over en weer geschreven werd zowel omtrent de betwisting betreffende de bouwwaardeals omtrent de betwisting aangaande het verlaagd BTW-tarief.

Op 15 oktober 2001 kondigt verweerder dan een plaats bezoek aan "met het oog op het bespreken van uw bouwdossier" (stuk 1 - eisers).

Dit plaatsbezoek resulteert enerzijds in het ondertekenen van een correctieopgave de dato 6 december 2001 door eisers en anderzijds in de brief de dato 6 december 2001 uitgaande van verweerder meedelende dat "het dossier" als definitief afgehandeld mag beschouwd worden. Eisers konden er, gelet op de gelijklopendheid der beide betwistingen en de algemene bewoordingen der briefwisseling in verband met het te houden plaatsbezoek en het als definitief afgehandeld te beschouwen dossier, ter goeder trouw van uitgaan dat de behandeling der beide betwistingen aan de orde was en met de brief de dato 6 december 2001 de ganse betwisting zowel omtrent de bouwwaarde als omtrent het toe te passen BTW-tarief afgesloten werd.

Desaangaande schreven eisers trouwens een brief de dato 30 oktober 2001 betreffende het plaatsbezoek aan hun boekhouder, waarin ze onder meer laten weten dat de correctieopgave die aansluit met het schrijven van 19 september 2001 van de heer **D. N.** vervalt wat bevestigt dat volgens eisers de behandeling van hun ganse dossier aan de orde was (stuk 6 - eisers).

Door in weerwil van het hiervoor vermelde bij briefde dato 12 december 2001 aan eisers te laten weten dat het verlaagd tarief niet kan toegepast worden heeft verweerder het rechtszekerheidsbeginsel geschonden. Immers op het ogenblik van het verzenden van de brief de dato 6 december 2001 waardoor het dossier van eisers als definitief afgehandeld kan beschouwd worden en verweerder aldus zijn akkoord met het beëindigd zijn van het geschil betuigde had hij kennis zowel van de betwisting betreffende de bouwwaarde als van de betwisting betreffende het verlaagd BTW-tarief.

Het feit dat het dossier van eisers bij de BTW-administratie door verschillende diensten behandeld werd doet hieraan niets af.

Het rechtszekerheidsbeginsel kan gedefinieerd worden als een beginsel van behoorlijk bestuur krachtens hetwelk elke burger moet kunnen vertrouwen dp een vaste gedragslijn van de overheid of op toezeggingen of beloften die de overheid in het concrete geval heeft gedaan. Dit impliceert dat gerechtvaardigde verwachtingen welke door de overheid bij de rechtsonderhorigen zijn gewekt moeten worden gehonoreerd op gevaar af het vertrouwen dat de rechtsonderhorigen in het bestuur stellen, te misleiden.

In casu is het duidelijk op grond van het voorliggende dat verweerder door de brief de dato 6 september 2001 een uitdrukkelijk standpunt heeft ingenomen betreffende het afsluiten van het dossier van eisers, dat bij eisers het vertrouwen heeft gewekt dat er met de administratie een akkoord was tussengekomen zowel betreffende de bouwwaarde als betreffende het verlaagd BTW-tarief.

Verweerder heeft derhalve het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur van het opgewekt vertrouwen en rechtszekerheid geschonden.

De vordering van eisers is gegrond.

De overige grieven van eisers dienen niet te worden onderzocht nu het eventueel gegrond verklaren ervan niet tot een ruimer voordeel van eisers kan leiden.

### B. Betreffende de kosten

Verweerder wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1° lid van het Gerechtelijk Wetboek moet hij de gerechtskosten dragen. Het bedrag der betwisting wordt geraamd op € 4908,29 zodat overeenkomstig het KB van 26 oktober 2007 het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding € 650,00 bedraagt.

### C. Betreffende de uitvoerbaarheid bij voorraad

Ingevolge artikel 377 WIB 1992 en artikel 92bis W.BTW kan een vonnis in fiscale zaken niet uitvoerbaar verklaard worden bij voorraad. Dit werd bevestigd door het Hof van Beroep te Gent in haar arrest van 2 maart 2004 nr. 2002/AR/2691 inzake NV **D.**.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Wijzende in eerste aanleg en op **tegenspraak**.

Verklaart het verzet tegen het dwangbevel uitgevaardigd op 22 oktober 2002, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 25 oktober 2002 en aan eisers betekend op 21 november 2002 ontvankelijk en gegrond.

Vernietigt het voornoemde dwangbevel.

Beveelt de terugbetaling van de op grond van het aldus vernietigd dwangbevel betaalde of ingehouden bedragen vermeerderd met de verwijlsintresten aan de wettelijke rentevoet vanaf de inning of de inhouding, daarin begrepen zijnde de gerechtelijke intresten vanaf de datum der dagvaarding tot op datum van volledige betaling.

Veroordeelt verweerder tot de gedingkosten aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en aan de zijde van eisers begroot op € 650,00 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de **zesde fiscale kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op **dinsdag drieëntwintig september tweeduizend en acht**, waar aanwezig waren :

mevrouw **A. H.**, alleenrechtsprekend rechter, voorzitter van ,deze kamer,

mevrouw **G. L.**, griffier.

**G. L.** **A. H.**

### Décision jointe par le SPF

## RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT, ZESDE FISCALE KAMER, OPENBARE TERECHTZITTING VAN 11 MAART 2008

Rolnummer **AR 03/42/A**

In de zaak van :

**V. L., en V. D. H. M.**, samenwonende te …, …

**eisers,**

hebbende als raad Mter **M. D. B.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, in de persoon van de Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor Aalst, met kantoren te 9300 Aalst, Graanmarkt 1

**verweerder,**

hebben de als raad Mter **C. D.**, advocaat te …, …

Vonnist de rechtbank als volgt :

## I. RECHTSPLEGING

Gelet op de inleidende dagvaarding houdende verzet de dato 12 december 2002. De Rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 12 februari 2008 waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

## II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

**2.1.**

Door de controlerende ambtenaar werd op 8 mei 2002 een proces-verbaal opgesteld waarin de door eisers begane overtredingen werden geacteerd. Op 22 oktober 2002 werd door de met invordering belaste ontvanger, overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW, een dwangbevel uitgevaardigd. Voormeld dwangbevel werd op 25 oktober 2002 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door **A. R.** eerst aanwezend inspecteur te Gent, daartoe aangezien door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Gent en op 12 december 2002 bij gerechtsdeurwaardersexploot aan eisers betekend.

**2.2.**

Eisers vragen dat het verzet ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens het bestreden dwangbevel vernietigd wordt en de vordering van de Belgische Staat ongegrond verklaard wordt, en dat terugbetaling bevolen wordt van alle bedragen die wederrechtelijk werden geïnd verhoogd met de intresten sedert de datum van betaling en dat verweerder veroordeeld wordt tot betaling van de geding kosten en dat het vonnis uitvoerbaar verklaard wordt.

**2.3.**

Verweerder vraagt dat het verzet ontvankelijk maar ongegrond verklaard wordt en dat eisers veroordeeld worden tot de gedingkosten.

## III. BEOORDELING

### 3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

### 3.2. nopens de grond

Alvorens over de grond van de zaak te oordelen stelt de rechtbank vast dat een aantal bewijsstukken ontbreken waardoor het niet mogelijk is om met kennis van zaken te kunnen oordelen. Deze ontbrekende stukken zijn :

1\. het schrijven de dato 19 september 2001 van **P. D. N.** BTW-controle 9300 Aalst, Keizersplein 14, gericht aan eisers waarbij verwezen werd naar een brief de dato 27 mei 1998 betreffende de oppervlakte van de woning en tevens een correctieopgave overgemaakt werd waarbij aanvullende BTW werd geëist en een administratieve geldboete.

2\. het schrijven van 30 september 2001 uitgaande van eisers en gericht aan verweerder waarbij eisers hun niet-akkoord met de correctieopgave meedeelden.

Alvorens te oordelen over de grond van de zaak heropent de rechtbank zodoende de debatten in toepassing van artikel 774 Ger. W. en beveelt de overlegging van hierboven vermelde stukken door partijen, minstens door eisers in toepassing van artikel 871 Ger. W.. In toepassing van artikel 775 Gr. W. bepaalt de rechtbank dat vermelde stukken tussen partijen dienen uitgewisseld te worden binnen de maand na onderhavig vonnis, eisers dienen ten laatste op 30 april 2008 hun schriftelijke opmerkingen omtrent deze stukken aan verweerder en de rechtbank te overhandigen en verweerder dient ten laatste op 30 mei 2008 zijn opmerkingen omtrent deze stukken aan eisers en de rechtbank te overhandigen.

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Wijzende in eerste aanleg en op **tegenspraak**.

Alle verdere middelen van partijen als niet dienend, minstens voorlopig onverlet latend.

Verklaart de eis toelaatbaar.

Heropent de debatten en beveelt de partijen, minstens eisers, de stukken voor te leggen zoals hierboven vermeld.

Bepaalt dat de betreffende stukken tussen partijen dienen uitgewisseld te wonden binnen 1 maand na onderhavig vonnis, dat eisers ten laatste op 30 april 2008 hun schriftelijke opmerkingen omtrent deze stukken aan verweerder en de rechtbank dienen te overhandigen, en dat verweerder ten laatste op 30 mei zijn opmerkingen omtrent deze stukken aan eisers en de rechtbank dient te overhandigen.

Stelt de zaak in voortzetting op de zitting van 24 juni 2008 om 09.00 uur. Houdt de beslissing betreffende de kosten aan.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de **zesde fiscale kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op **dinsdag elf maart tweeduizend en acht**, waar aanwezig waren :

mevrouw **A. H.**, alleenrechtsprekend rechter, voorzitter van deze kamer,

mevrouw **G. L.**, griffier.

**G. L.** **A. H.**
