---
title: "7 avril 2008 · Poursuite, instance · Tribunal de première instance de Gand"
description: "Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, assujettissement. Tribunal de première instance de Gand (Belgique), 7 avril 2008."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-tribunal-gand-2008-04-07-9728"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, assujettissement · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Gand

**Date**

7 avril 2008

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

75 paragraphes

### Corps de la décision

Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 07.04.2008

Résumé non fourni

## Texte du jegement

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

## RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT - ZESDE KAMER·OPENBARE TERECHTZITTING VAN 7 APRIL 2008

Algemene rol nummer : **05/667/A**

In de zaak van :

**D. R. R.**, begrafenisondernemer. woonachtig te …, …,

**eiser,**

voor wie optreedt meester **F. D.**, advocaat te …, …;

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, vertegenwoordigd door de heer eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor Zottegem, met kantoor te 9620 Zottegem, G. Schockaertstraat 4.

**verweerster,**

voor wie optreedt meester **E. V. A.**, advocaat te …, …;

vonnist de rechtbank als volgt :

## 1. RECHTSPLEGING

**1.1.**

Partijen werden gehoord op de openbare terechtzitting van 10 maart 2008 waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

**1.2.**

Het dossier van de rechtspleging werd ingezien, in het bijzonder de gedinginleidende dagvaarding van 21 februari 2005, en de conclusies van de partijen.

## 2. DE VORDERING

**2.1.** Eiser verhaalt zich tegen het dwangbevel van 24 april 2003 uitgaande van de heer eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor Zottegem, uitvoerbaar verklaard door de heer eerstaanwezend inspecteur van het BTW-controle kantoor Zottegem 2, daartoe aangewezen door de heer gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Gent en, op grond van artikel 85 W.BTW, ter kennis gebracht van belastingplichtige bij wijze van aangetekend schrijven op 6 mei 2005.

**2.2.** De vordering van eiser luidt als volgt :

“Voor recht te zeggen dat het dwangbevel d.d. 24 april 2003, uitvoerbaar verklaard op 28 april 2003, en aan eiser betekend op 6 mei 2003, nietig is en dat de erin vermelde sommen, hetzij BTW, hetzij boeten en interesten, niet verschuldigd zijn;

In ondergeschikte orde, de nalatigheidsinteresten te herleiden tot 557,45 € (22.488 BEF);

Verweerder op verzet te veroordelen tot betaling van de kosten voor juridische bijstand, begroot op 2.500 € provisioneel, en verweerder tevens te verwijzen in de kosten, de rechtsplegingsvergoeding inbegrepen;

Het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement."

## 3. RELEVANTE FEITEN

**3.1.**

Eiser, de heer **D. R. R.**, met domicilie te …, …, heeft ingevolge de uitgeoefende beroepswerkzaamheid van begrafenisondernemer en kleinhandelaar in dranken de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige op grond van [artikel 4 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-4). Hij is als belastingplichtige geïdentificeerd onder het BTW-nummer BE ….

Op 24 september 1998 heeft de heer **G. D. B.**, eerstaanwezend inspecteur, verbonden aan de Administratie van de BTW, registratie en domeinen (sector BTW), ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, Controlecentrum Aalst, bij eiser een BTW-controle verricht voor de periode 1 januari 1994 tot 31 december 1996.

Ingevolge de controle werd tussen de partijen een minnelijke inregelstelling bereikt.

De minnelijke inregelstelling werd op 20 november 1998 bij volmacht ondertekend door mevrouw **A.-M. D.**, echtgenote van de heer **R. D. R.**, voorafgegaan door volgende vermelding :

*"Gelezen en goedgekeurd voor de som van twee miljoen honderd zevenendertigduizend en zevenhonderd twintig frank.* ***D. R. R.*** *is niet akkoord met de boeten en behoudt zich het .recht voor om een verzoekschrift in te dienen"*

De verschuldigde bedragen werden opgenomen in het artikel met RCIV-nr. …, ingeschreven in het Regionaal Centrum voor Informatieverwerking (RCIV) BTW-Ontvangsten te Mechelen.

Op 12 december 1998 diende eiser een bezwaarschrift in houdende, enerzijds, het verzoek tot kwijtschelding van de geldboeten en, anderzijds, de betwisting van de door de administratie geheven nalatigheidintresten verschuldigd vanaf 21 januari 1997 tot de datum van effectieve betaling van de verschuldigde en laattijdig betaalde rechten opgenomen in voormelde inregelstelling, hetgeen door de administratie als een verzoekschrift tot vrijstelling van intresten en kwijtschelding van geldboeten werd behandeld. Wat betreft de door de administratie gevorderde intresten, laateiser gelden dat :

*"Tijdens de onderhandelingen werd meermaals uitdrukkelijk gevraagd het exacte totaal te betalen bedrag, inclusief interesten, klaar en duidelijk mee te delen. Ik kon mij immers niet verbintenis aangaan waarvan ik de draagwijdte niet kende.*

*In aanwezigheid van de Heer* ***M.****, Mevrouw* ***K. G.*** *en de Heer* ***N.*** *verklaarde de Heer* ***D. B.*** *uitdrukkelijk dat alles tot op de laatste frank werd berekend. Voor we het kantoor van de Heer* ***D. B.*** *zouden verlaten, zou het exact verschuldigde bedrag tot op de laatste centiem gekend zijn en vermeld op de inregelstelling, tot op de laatste frank exact was berekend en medegedeeld.”*

Op 25 december 1998 betaalde eiser een bedrag gelijk aan de verschuldigde rechten, zijnde 2.137.720 BEF (52.992,69 EUR). Deze betaling werd, in uitvoering van [artikel 19 van het Koninklijk Besluit nr. 24](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-24-decembre-paiement-taxe-valeur-ajoutee-6f3f#ar24-art19) en 29 december 1992 met betrekking tot de voldoening van de BTW, eerst toegerekend op de interesten, vervolgens op de verminderde geldboeten en tenslotte op de verschuldigde belasting.

Op 2 februari 1999 wordt eiser in kennis gesteld van de ongunstige beslissing van 26 januari 1999 met betrekking tot het verzoek tot vrijstelling van de nalatigheidintresten. De geldboete van 213.000 BEF (5.280,13 EUR) werd, bij delegatie door de minister en de gewestelijke directeur van het Controlecentrum Aalst, door de directeur van het Controlecentrum verminderd tot 122.000 BEF (3.024,30 EUR).

Het door eiser teruggevraagd, voor teruggaaf vatbaar tegoed ten bedrage van 334.634 BEF (8.295,36 EUR), zoals blijkt uit zijn BTW-rekening-courant op 31 juli 1999 werd door de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor Zottegem, om reden van het nog openstaande saldo van voormelde RCIV-schuld met nummer …, ingehouden. Het ingehouden·bedrag werd eerst toegerekend op de interesten en vervolgens op de nog verschuldigde belasting.

Op 20 november 2000 werd eveneens een bedrag van 20.406 BEF (505,85 EUR) afkomstig uit de rekening courant op 1 december 2000 toegerekend op de nog verschuldigde intresten van voormelde RCIV-schuld.

Volgens de administratie blijft op datum van 20 maart 2006 nog verschuldigd :

\- als rechten : 6.226,63 EUR,

\- als intresten op grond van artikel 91, § 1, 1° W.BTW, berekend tot 20 maart 2006 : 3.425,69 EUR, én vanaf 21 maart 2006 (p.m.).

Ingevolge de onvolledige betaling werd door de heer eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor Zottegem op 24 april 2003, een dwangbevel uitgevaardigd, uitvoerbaar verklaard door de heer eerstaanwezend inspecteur van het BTW-Controlekantoor Zottegem 2, ter kennis gebracht van belastingplichtige bij wijze van aangetekend schrijven op 6 mei 2005.

Bij exploot van de heer gerechtsdeurwaarder **I. R.** te … van 21 februari 2005 tekende eiser verzet aan met dagvaarding tegen voormeld dwangbevel van 24 april 2003 wegens miskenning door de administratie van de met hem gesloten minnelijke regeling.

**3.2.**

Volgens eiser miskent de administratie de minnelijke regeling door alsnog intresten aan te rekenen. Volgens eiser is in de regeling geen vermelding opgenomen met betrekking tot een eventuele verschuldigdheid van nalatigheidsinteresten. Volgens eiser werd daaromtrent door de administratie een toegeving gedaan in het kader van een dading. Op basis daarvan concludeert eiser dat geen intresten verschuldigd zijn.

Eiser ondersteunt zijn argumentatie door de vergelijking te maken met een andere minnelijke inregelstelling die hij ondertekende en waarin wel uitdrukkelijk is vermeld dat intresten verschuldigd zijn (stuk 17 - eiser).

Bovendien voert eiser aan dat de dading ondeelbaar is en de rechter deze niet kan aanvullen. Door de belastingplichtige in de waan laten dat de interesten niet verschuldigd zijn en ze dan toch vorderen, heeft de administratie, volgens eiser, de beginselen van behoorlijk bestuur geschonden.

Eiser biedt als ultiem middel het getuigenverhoor aan.

## 4. BESPREKING

**4.1.**

Opmerkelijk is de argumentatie van eiser daar waar deze verwijst naar een (andere) minnelijke inregelstelling van 27 februari 2005, waarvan hij wel aanvaardt dat intresten verschuldigd zijn en deze regeling voorlegt om een verschil aan te tonen, en waaruit moet blijken dat in de huidige vordering ten onrechte intresten worden gevraagd. De bewoordingen van de minnelijke inregelstelling van 20 november 1998, verschillen niet van deze opgenomen in de minnelijke inregelstelling die door eiser werd ondertekend op 27 februari 2005, uitgezonderd dat in deze laatste regeling de datum is vermeld vanaf dewelke de intresten verschuldigd zijn :

> *"Bijgevolg erkent hij uit dien hoofde aan de Belgische Staat, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, verschuldigd te zijn de som van duizend vijfhonderd negenenzestig euro en achtenzestig eurocent (1.569,68 EUR), als belasting over de toegevoegde waarde onverminderd de intresten van* [*artikel 91 van het BTW-Wetboek*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91)*, welke verschuldigd zijn vanaf 21 januari 2003."*

**4.2.**

In de minnelijke inregelstelling, bij volmacht voor eiser ondertekend door **A.-M. D.** op 20 november 1998, is volgende zin opgenomen :

> *"Bijgevolg erkent hij uit dien hoofde aan de Belgische Staat, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, verschuldigd te zijn de som van twee miljoen honderdzevenendertigduizend frank (2.137.720 fr.) als belasting over de toegevoegde waarde onverminderd de intresten van* [*artikel 91 van het BTW-Wetboek*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91)*."*

In dit onderdeel van de regeling is duidelijk vermeld dat de intresten verschuldigd zijn. Eiser kan dan ook niet worden gevolgd in zijn standpunt dat in de regeling niets vermeld wordt met betrekking tot de intresten. In deze omstandigheden miskent niet de administratie maar de eiser de minnelijke inregelstelling. De intresten werden door de administratie terecht gevorderd. De minnelijke inregelstelling is voor het overige een duidelijke en rechtsgeldige tussen partijen overeengekomen regeling, waarvan beide partijen gehouden zijn tot de uitvoering ervan. De vordering van eiser is ongegrond.

**4.3.**

Enkel voor wat betreft het bepalen van de rechtsplegingsvergoeding, hebben partijen zich ter terechtzitting akkoord verklaard met een waardering van de vordering op een bedrag van 6.226,63 EUR. Wat betreft het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding, heeft eiser ter terechtzitting afstand gedaan van zijn eis omtrent de kosten van de verdediging. Eiser vraagt de toepassing van de rechtsplegingsvergoeding zoals deze van toepassing was vóór 1 januari 2008. De rechtsplegingsvergoeding is evenwel thans een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij (art. 1022, eerste lid Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij art. 7 Wet 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, BS 31 mei 2007). Ingevolge deze nieuwe wetsbepalingen kunnen de voor 1 januari 2008 toepasselijke bedragen van de rechtsplegingsvergoeding niet meer worden toegekend. Artikel 7 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat (BS 31 mei 2007) voorziet dat de rechter op verzoek van een van de partijen en op een met bijzondere redenen omklede beslissing de rechtsplegingsvergoeding kan verminderen of verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden. De eiser vraagt kennelijk een afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, hetgeen niet wordt ondersteund door enige motivering of stukken. De rechtbank is van oordeel dat er geen redenen voorhanden zijn om af te wijken van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding.

### Dispositif

**OP DIE GRONDEN,**

**DE RECHTBANK,** rechtdoende op **tegenspraak**,

Melding makende dat de bepalingen van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

Alle andere en strijdige conclusies afwijzend.

Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding.

Begroot de kosten als volgt :

\- aan de zijde van eiser : 0 EUR

\- aan de zijde van verweerder : rechtsplegingsvergoeding : 900,00 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de **zesde fiscale kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Gent. op maandag zeven april tweeduizend en acht, waar aanwezig waren :

de heer **S. R.**, rechter, voorzitter van deze kamer,

mevrouw **G. L.**, griffier.

**G. L.** **S. R.**

## Textes cités

3

[CTVA art. 91](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) 2 occurrences

[AR no 24 art. 19](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-24-decembre-paiement-taxe-valeur-ajoutee-6f3f) 1 occurrence

[CTVA art. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-4) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Assujettissement, Exercice d’une activité économique, Déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/assujettissement-exercice-activite-economique-deduction-tribunal-bruxelles-2021-09-03-130a) 2 dispositions communes

[Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-conditions-formelles-materielles-tribunal-2023-05-19-3638) 2 dispositions communes

[Conseil, Intention frauduleuse, Lieu de prestation](https://juriel.be/fr/jurisprudence/conseil-intention-frauduleuse-lieu-prestation-cour-appel-bruxelles-2025-03-19-39e9) 2 dispositions communes

[Impôt sur les sociétés, Contrôle fiscal, Amende proportionnelle](https://juriel.be/fr/jurisprudence/impot-societes-controle-fiscal-amende-tribunal-anvers-2025-12-19-44f7) 2 dispositions communes

[Assujetti, Administrateur personne morale, Intérêts, assujettissement, dirigeant de société](https://juriel.be/fr/jurisprudence/assujetti-administrateur-personne-morale-interets-cour-appel-anvers-2023-05-23-9484) 2 dispositions communes

[Indices de fraude, Relevé de régularisation, Procès-verbal](https://juriel.be/fr/jurisprudence/indices-fraude-releve-regularisation-proces-tribunal-nivelles-2024-01-08-9601) 2 dispositions communes

[Dette de TVA, Bâtiment, Terrain, immeuble bâti](https://juriel.be/fr/jurisprudence/dette-tva-batiment-terrain-immeuble-tribunal-2025-12-15-9aee) 2 dispositions communes

[Droit à déduction, Chevaux, Mécanisme d’auto-liquidation, Reverse charge](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-chevaux-mecanisme-auto-cour-appel-anvers-2022-01-18-b391) 2 dispositions communes
