---
title: "17 septembre 2004 · Poursuite, instance · Tribunal de première instance de Bruxelles"
description: "Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, exonération, exportation. Tribunal de première instance de Bruxelles (Belgique), 17 septembre 2004."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-tribunal-bruxelles-2004-09-17-b31e"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, exonération, exportation · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruxelles

**Date**

17 septembre 2004

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

110 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugment du Tribunal de Première instance de Bruxelles du 17.09.2004

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL; 33****ste** **KAMER**

**AR 02/9890/A**

*Fiscaal geschil - indirecte belastingen*

*Op tegenspraak*

*Eindvonnis*

In zake van :

**De C.V.A. W. B.**, Vastgoedbevak naar Belgisch Recht, ingeschreven in het handelsregister van Brussel onder het nummer …, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te …, …

**eisende partij,**

vertegenwoordigd door Mter **J. V.** loco Mter **R. T.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**1.** **de BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, in de persoon van de Minister van Financiën, waarvan het kabinet is gevestigd te 1000 Brussel, Wetstraat, 12 en met burelen gevestigd te 1000 Brussel, Bischofsheimlaan, 38

**2.** **de BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, in de persoon van de e.a. inspecteur van de controlekantoor van de BTW te Vilvoorde, Groenstraat, 51/57

**verwerende partij,**

vertegenwoordigd door Mter **A. D.**, advocaat te …, …

---

In deze zaak, in beraad genomen op 21 juni 2004, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit :

## I. PROCEDURE

Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :

\- het exploot van dagvaarding van **P. V.**, gerechtsdeurwaarder te …, betekend op 22 juli 2002, waardoor het geding aanhangig werd gemaakt;

\- de beschikking ex art. 747, § 2 Ger. W. van deze rechtbank van 12 september 2003;

\- de besluiten en synthesebesluiten van verweerder, neergelegd ter griffie respectievelijk op 27 november 2003 en op 28 januari 2004;

\- de besluiten en synthesebesluiten van eiseres, neergelegd ter griffie respectievelijk op 31 maart 2003 en op 24 december 2003 (en een tweede keer op 26 december 2003).

Partijen verklaren zich te beperken tot hun wederzijdse synthesebesluiten.

Gehoord ter openbare zitting van 21 juni 2004 de raadslieden van partijen, waarna de bundels met hun stavingsstukken neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

## II. FEITEN EN RETROACTEN

Op 19 september 2000 heeft de CVA **W. B.**, huidige eiseres, het kantoorgebouw met terrein gelegen te …, … in erfpacht gegeven aan de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door de Europese Commissie.

De prijs van de vestiging van het zakelijk recht van erfpacht met betrekking tot het gebouw werd vastgesteld op 58.410.786 euro.

Dit bedrag stemde overeen met de som van de volgende facturen :

\- factuur van 19 september 2000 voor een bedrag van 52.275.786 euro;

\- factuur van 19 september 2000 voor een bedrag van 6 miljoen euro;

\- facturen van 4 december 2000,28 maart 2001 en 12 juli 2001 voor een bedrag van respectievelijk 40.500 euro, 81.000 euro en 13.500 euro.

Op 27 oktober 2000 diende de CVA **W. B.** een eerste aangifte in bij toepassing van [art. 2 van het KB nr. 14](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-14-article-6dc0) van 3 juni 1970 bij het BTW-Controlekantoor te Etterbeek-Woluwe.

Uit deze aangifte en de voornoemde facturen bleek dat op de prijs van de vestiging van het erfpacht recht op het voornoemd gebouw geen BTW werd aangerekend bij toepassing van art. 42, § 3, 3° W.BTW. Een kopie van de uitgaande facturen aan de Europese Gemeenschappen met betrekking tot de verschuldigde erfpachtvergoeding maakte deel uit van de aangifte.

Uit deze aangifte bleek eveneens dat de in hoofde van de CVA **W. B.** aftrekbare BTW, en derhalve door de Belgische Staat terug te betalen BTW, betaald met betrekking tot de werken in onroerende staat verricht met betrekking tot het voornoemd gebouw, 5.547.864,65 euro bedroeg.

Een kopie van de inkomende facturen werd eveneens gevoegd bij deze aangifte.

De CVA **W. B.** heeft in deze aangifte de Belgische Staat verzocht om over te gaan tot terugbetaling van voornoemd bedrag op haar rekeningnummer.

Op 28 maart 2001 diende de CVA **W. B.** een bijkomende aangifte in bij het Controlekantoor te Vilvoorde, waaruit bleek dat met betrekking tot de werken in onroerende staat verricht met betrekking tot voornoemd gebouw, naast het bedrag van 5.547.864,65 euro, tevens een bedrag van 568.225,37 euro werd aangerekend.

Een kopie van de inkomende facturen werd eveneens gevoegd bij deze aangifte.

De CVA **W. B.** heeft in deze aangifte de Belgische Staat verzocht om over te gaan tot terugbetaling van voornoemd bedrag op haar rekeningnummer.

Op 22 juli 2002 ging de CVA **W. B.** over tot dagvaarding.

Op 27 september 2002 ging de Belgische Staat over tot betaling van het bedrag van 6.115.773,42 euro.

Op 27 maart 2003 ging de Belgische Staat over tot de betaling van interesten ten belope van 79.674,55 euro, voor de periode van 22 juli 2002 (datum van de dagvaarding) tot 27 september 2002 (datum van terugbetaling van het hoofdbedrag van de BTW).

Derhalve stelt de CVA **W. B.** dat haar vordering beperkt wordt tot de vraag tot toekenning van bijkomende moratoriuminteresten en tot de toekenning van interesten op interesten. Zij verklaart afstand te doen van de vordering voor wat het hoofdbedrag betreft ten belope van 316,60 euro, dat niet werd terugbetaald.

## III. IN RECHTE

A. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Eiseres vraagt :

\- *in hoofdorde* - verweerder te veroordelen tot de betaling van de interesten overeenkomstig art. 91, § 4 W.BTW vanaf30 oktober 2000 voor wat het bedrag van 5.547.864,65 euro betreft en vanaf 28 maart 2001 voor wat het bedrag van 567.908,77 euro betreft, zoals berekend in haar besluiten;

\- *in ondergeschikte orde* - verweerder te veroordelen tot betaling van de interesten overeenkomstig art. 91, § 4 W.BTW op voornoemde bedragen te rekenen vanaf de datum van dagvaarding, zijnde 22 juli 2002, zoals berekend in haar besluiten;

\- haar de kapitalisatie van interesten toe te kennen bij toepassing van art. 1154 RW;

\- het vonnis uitvoerbaar te verklaren, niettegenstaande enig rechtsmiddel, zonder borgstelling en met uitsluiting van kantonnement.

Verweerder vraagt de vordering van eiseres ongegrond te verklaren en haar ervan af te wijzen.

B. BEOORDELING

### 1) Wat de interesten betreft

**1.1.** Eiseres meent dat de interesten verschuldigd zijn vanaf de datum van betaling.

Zij verwijst naar art. 91, § 4 W.BTW, dat bepaalt dat de moratoire interesten over de terug te geven sommen verschuldigd zijn tegen de rentevoet in burgerlijke zaken en met inachtneming van de terzake geldende regelen.

Eiseres meent dat art. 1153 B.W. van toepassing is. Overeenkomstig deze bepaling bestaat de schadevergoeding wegens vertraging in de uitvoering van een verbintenis die alleen maar betrekking heeft op een geldsom, in de wettelijke interest, die verschuldigd is te rekenen van de dag der aanmaning tot betaling, behalve indien de wet ze van rechtswege doet lopen.

Volgens eiseres is een ingebrekestelling aan geen vormvereiste onderworpen, maar moet zij niets meer inhouden dan de duidelijke en ondubbelzinnige wil van de schuldeiser dat de hoofdverbintenis wordt uitgevoerd.

Dit betekent volgens eiseres dat de aanvraag tot teruggave van de BTW zoals opgenomen in haar aangiften van 27 oktober 2000 en 28 maart 2001 een geldige ingebrekestelling uitmaakt.

Nu de eerste aangifte werd ontvangen op 30 oktober 2000 en de tweede op 28 maart 2001, zijn de in art. 91, § 4 W.BTW bedoelde interesten volgens eiseres dan ook vanaf die data beginnen te lopen.

**1.2.** Van zijn kant wijst verweerder erop dat aan de e.a. inspecteur van het registratiekantoor te Brussel 2 op 7 maart 2001 werd gevraagd om een schatting te doen van het gebouw exclusief de grondwaarde. Deze was op 29 augustus 2002 in staat de venale waarde van het gebouw te bepalen.

Verweerder wijst erop dat de schatting van de uitgevoerde werken en het gerenoveerd gebouw van dien aard was dat verschillende contacten, onder meer met de administratie van de registratie en domeinen en de diensten van het Kadaster, noodzakelijk waren. Het ging immers om enorme waarden waar niet lichtzinnig kon worden overgestapt.

Gelet op wat voorafgaat, meent verweerder dat geen bijkomende interesten dienen te worden toegekend.

**1.3.** Met reden leidt eiseres uit art. 91, § 4 W.BTW af dat de aanspraak op moratoire interesten wordt geregeld zoals in burgerlijke zaken, zowel wat de rentevoet, als het aanvangspunt van de termijn en de berekeningswijze ervan betreft.

Eveneens terecht verwijst eiseres naar art. 1153 B.W., en zijn bijgevolg moratoire interesten als schadevergoeding wegens vertraging in de uitvoering van de verbintenis tot teruggave van de BTW verschuldigd te rekenen van de dag der aanmaning en aan de wettelijke rentevoet, ook al vloeit in casu de verbintenis van de Staat niet voort uit een overeenkomst.

De ingebrekestelling om de schuldenaar te verplichten zijn verbintenissen uit te voeren is aan geen vormvereiste onderworpen, en moet niets meer inhouden dan de duidelijke en ondubbelzinnige wil van de schuldeiser dat de hoofdverbintenis wordt uitgevoerd (zie : Cass., 18 december 1986, Arr. Cass., 1986-87, 525; J.T., 1987, 162, Pas., 1987, I, 484; R.W., 1987-88, 55; Cass., 25 november 1991, Arr. Cass., 1991-92, 272; J.T., 1992, 221; Pas., 1992, I, 231; R.W., 1991-92, 1364).

Van zodra de belastingplichtige zich, in de voorwaarden bevindt om de BTW te recupereren, hetgeen in casu onmiskenbaar het geval is voor eiseres, ontstaat zijn recht op terugbetaling.

Evenwel ontstaat de verplichting tot teruggave in hoofde van de Staat vanaf het ogenblik dat de belastingplichtige zijn aanvraag heeft ingediend.

Door een aanvraag tot teruggave van de BTW in te dienen, geeft de belastingplichtige op duidelijke en ondubbelzinnige wijze te kennen dat hij wenst dat de Staat zijn verplichting tot teruggave van de BTW zou uitvoeren. Derhalve dient deze aanvraag te worden beschouwd als een ingebrekestelling (in dezelfde zin, zie : Brussel, 27 november 1998, T.F.R, 1999, 229; F.J.F., 1999, 293; Rb. Brussel, 2 december 1994; J.D.F., 1996, 86).

Met reden verwijst eiseres naar [art. 5, § 1, lid 2 van het KB nr. 14](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-14-cessions-batiments-fractions-batiment-sol-7f92#ar14-art5) van 3 juni 1970, dat bepaalt dat wanneer volgens de gegevens van de aangifte het eindresultaat een door de Staat verschuldigd bedrag is, dat bedrag aan de belastingplichtige wordt teruggegeven, en dat de aangifte als aanvraag om teruggave geldt.

De rechtbank sluit zich dan ook bij eiseres aan dat haar aangiften van 27 oktober 2000 en van 28 maart 2001 als aanvragen om teruggave gelden en dan ook kunnen worden beschouwd als een ingebrekestelling, waardoor de interesten beginnen te lopen zijn.

Nu de eerste aangifte, verzonden op 27 oktober 2000, werd ontvangen op 30 oktober 2000 en de tweede aangifte werd ontvangen op 28 maart 2001, zijn de in art. 91, § 4 W.BTW bedoelde interesten dan ook vanaf die data beginnen te lopen.

De rechtbank treedt ter zake de berekeningen van eiseres op de pagina's 6 en 7 van haar synthesebesluiten bij.

### 2) Wat de kapitalisatie van de interesten betreft

**2.1.** Verder verzoekt eiseres de kapitalisatie van de vervallen interesten toe te staan bij toepassing van art. 1154 B.W. Zij meent dat de toepassingsvoorwaarden van art. 1154 B.W. in casu vervuld zijn, en dat deze kapitalisatie kan worden gevraagd bij ter griffie neergelegde besluiten.

**2.2.** De rechtbank sluit zich op dit punt bij eiseres aan.

### 3) Wat de dagvaardingskosten betreft

In casu dateert de dagvaarding van 22 juli 2002 en heeft zij betrekking op een probleem van het jaar 2000. Derhalve kon de zaak ook bij tegensprekelijk verzoekschrift bij de rechtbank aanhangig worden gemaakt.

De rechtbank meent dat de meerkost van de dagvaardingskosten alleszins lastens eiseres moet worden gelegd.

**4) Wat de gevraagde uitvoerbaarheid van het vonnis betreft, niettegenstaande enig rechtsmiddel, zonder borgstellingen met uitsluiting van kantonnement**

Aangezien onderhavige zaak reeds geruime tijd aansleept, meent de rechtbank dat het verantwoord is om in te gaan op het verzoek van eiseres om het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande enig rechtsmiddel, zonder borgstelling.

Wat de gevraagde uitsluiting van kantonnement betreft, dient te worden aangenomen dat het door de schuldeiser gevorderde verbod tot kantonnement door hem voldoende moet worden gemotiveerd, door aan te tonen dat hij dringend de beschikking over de gelden nodig heeft. Enkel indien de vertraging in de regeling hem blootstelt aan een ernstig nadeel, kan het kantonnement worden verboden (zie : Brussel, 25 april 1997, P. & B., 1997, 224; Brussel, 8 juli 1998, J.T., 1998, 796; DIRIX, E. en BROECKX, K., Beslag, in A.P.R., Brussel, E. Story-Scientia, 1992, nr. 360, p. 196).

De rechtbank dient vast te stellen dat eiseres haar vordering ter zake geenszins motiveert.

Aangezien het kantonnement een recht is voor de debiteur, onder voorbehoud van toepassing van art. 1406 Ger. W. (zie : Brussel, 25 april 1997, voormeld), dient het door eiseres gevraagde kantonnementsverbod te worden afgewezen.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

Rechtsprekend in eerste aanleg, na **tegenspraak**,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van de CVA **W. B.** ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond.

Veroordeelt de Belgische Staat tot de betaling van de interesten overeenkomstig art. 91, § 4 W.BTW vanaf 30 oktober 2000 voor wat het bedrag van 5.547.864,65 euro betreft en vanaf 28 maart 2001 voor wat het bedrag van 567.908,77euro betreft, zoals berekend in de besluiten van de CVA **W. B.**.

Kent de CVA **W. B.** de kapitalisatie van interesten toe bij toepassing van art. 1154 RW.

Veroordeelt de Belgische Staat tot de kosten van het geding, met dien verstande dat de dagvaardingskosten lastens de CVA **W. B.** blijven. Deze kosten worden begroot ten aanzien van de CVA **W. B.** op 260,29 euro (dagvaarding) + 349,53 euro (RPV), en ten aanzien van de Belgische Staat op 349,53 euro (RPV).

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande enig rechtsmiddel, zonder borgstelling.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de **33****ste** **kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op datum van **17.09.2004**.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

de heer **V.**, alleenrechtsprekend rechter,

mevrouw **B.**, afgevaardigd adjunct-griffier.

**B.** **V.**

Lasten en bevelen dat alle daartoe gevorderde gerechtsdeurwaarders dit vonnis, deze beschikking, ten uitvoer zullen leggen;

Dat onze Procureurs-Generaal en onze Procureurs des Konings bij de rechtbanken van eerste aanleg daaraan de hand zullen houden en dat alle Bevelhebbers en Officieren van de openbare macht daartoe de sterke hand zullen bieden wanneer dit wettelijk van hen gevorderd wordt;

Ten blijke waarvan dit vonnis, deze beschikking, is ondertekend en gezegeld met het zegel van de rechtbank;

Voor eensluidende uitgifte.

Voor de Hoofdgriffier,

De griffier **A. A.**

Deze expeditie is vrijgesteld van het griffierecht bij toepassing van artikel 280, 1° van het Wetboek der Registratie, Hypotheek en Griffierechten.

De griffier

## Textes cités

2

[AR no 14 art. 2](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-14-article-6dc0) 1 occurrence

[AR no 14 art. 5](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-14-cessions-batiments-fractions-batiment-sol-7f92) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Constructeur professionnel, Paiement de la TVA, Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/constructeur-professionnel-paiement-tva-droit-cour-appel-anvers-2023-10-17-5e4e) 1 dispositions communes

[Amendes proportionnelles, Amende non proportionnée, Sursis, amende fiscale proportionnelle](https://juriel.be/fr/jurisprudence/amendes-proportionnelles-amende-non-proportionnee-tribunal-2024-01-31-8146) 1 dispositions communes

[Assujetti occasionnel, Amende, Intérêts, Déclaration, amende fiscale](https://juriel.be/fr/jurisprudence/assujetti-occasionnel-amende-interets-declaration-cour-appel-bruxelles-2021-09-08-81ff) 1 dispositions communes

[Tribunal de première instance d'Anvers, 5 novembre 2010](https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-anvers-2010-11-05-00ca) 1 dispositions communes

[Prescription, interruption de prescription, assujetti occasionnel, immeuble neuf](https://juriel.be/fr/jurisprudence/prescription-interruption-assujetti-occasionnel-immeuble-tribunal-liege-2017-01-09-0c75) 1 dispositions communes

[Tribunal de première instance de Gand, 1er mars 2007](https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-gand-2007-03-01-1a94) 1 dispositions communes

[Poursuite, assujettissement, champ d'application, livraison de biens, opération imposable](https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-assujettissement-champ-application-livraison-cour-appel-anvers-2012-09-11-3bc1) 1 dispositions communes

[Poursuite](https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-cour-appel-gand-2013-04-30-66bb) 1 dispositions communes
