---
title: "2 mars 2000 · Poursuite, instance · Tribunal de première instance de Bruxelles"
description: "Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, preuve, mesure de contrôle. Tribunal de première instance de Bruxelles (Belgique), 2 mars 2000."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-tribunal-bruxelles-2000-03-02-6a62"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, preuve · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruxelles

**Date**

2 mars 2000

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

99 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 02.03.2000

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL**

**95/9401/A**

Eindvonnis op tegenspraak.

Inzake van :

1.**NV N. S.**, met handelsregister te Brussel, nr. …, met maatschappelijke zetel te …, …;

2.Eiseres,

vertegenwoordigd door Mr. **C.** loco Mr. **V. H.**, kantoorhoudende te …, …;

tegen :

**1. DE BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, in persoon van de heer **R. D. H.**, waarnemend ontvanger van het 5 BTW-kantoor van Brussel, met burelen te 1000 Brussel, Brederodestraat 9;

Verweerder,

vertegenwoordigd door Mr. **J. D. S.** loco Mr. **J. H.**, kantoorhoudende te …, …;

---

In deze zaak, in beraad genomen op 14 januari 2000, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit :

## I. PROCEDURE

Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :

\- het exploot van dagvaarding houdende verzet tegen dwangbevel, betekend op 20 juli 1995;

\- de besluiten, aanvullende en tweede aanvullende besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie respectievelijk op 29 augustus 1997, op 25 augustus 1998 en op 24 juni 1999;

\- de besluiten en aanvullende besluiten van eiseres, neergelegd ter griffie respectievelijk op 4 december 1997 en op 8 april 1999.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare zitting van 14 januari 2000, waarna de bundels met de stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

## II. FEITEN EN RETROACTEN

Op 20 oktober 1994 werd door de diensten van de derde Inspectie van de Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie te Brugge een controle aangevat bij de **NV N. S.**, huidige eiseres. Deze controle had specifiek betrekking op facturen die aan de **NV N. S.** werden uitgereikt door het bedrijf **M. B.** te … gedurende de jaren 1990 tot en met 1993.

In de boekhouding van de **NV N. S.** werden twee facturen, uitgereikt door het bedrijf **M. B.**, meer bepaald op 22 mei 1990 en op 22 november 1990, teruggevonden. De BTW vermeld op deze twee facturen (voor een totaal bedrag van … F.) werd door de **NV N. S.** in aftrek gebracht. Door de controlerende ambtenaren, de heren **D.** en **P.**, respectievelijk Inspecteur en Verificateur verbonden aan de derde Inspectie van de Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie te Brugge, werd deze aftrek geweigerd, en werd de terugvordering van de afgetrokken BTW opgenomen in hun proces-verbaal opgesteld op 6 maart 1995.

Op 14 juni 1995 werd met betrekking tot de verschuldigde sommen een dwangbevel uitgevaardigd door de ontvanger van het vijfde BTW-ontvangkantoor te Brussel. In dit dwangbevel werden navolgende bedragen gevorderd :

\- … F. als BTW;

\- … F. als boeten op grond van art. 70, § 1bis W.B.T.W.;

\- de interesten op grond van art. 91, § 1 W.B.T.W. te berekenen op … F. vanaf 21 januari 1994;

\- de interesten bepaald in art. 91, § 4 W.B.T.W. te berekenen op de verschuldigde boeten vanaf de notificatie van het dwangbevel;

\- de vervolgingskosten.

Op 16 juni 1995 werd het dwangbevel aan de **NV N. S.** genotificeerd overeenkomstig art. 85. § 1 W B.T.W.

Bij exploot van dagvaarding van 20 juli 1995 van gerechtsdeurwaarder **Ph. M.** te …, heeft de **NV N. S.** verzet aangetekend tegen het dwangbevel van 14 juni 1995.

Eiseres verzet zich tegen dit dwangbevel en vraagt de rechtbank haar verzet ontvankelijk en gegrond te horen verklaren. In haar aanvullende vraagt eiseres evenwel haar verzet ongegrond te horen verklaren. De rechtbank gaat er evenwel vanuit dat het hier gaat om een materiële vergissing vanwege eiseres.

Verder vraagt eiseres verweerder te horen veroordelen tot verbod van uitvoering van het dwangbevel van 14 juni 1995, alsook voor recht te horen zeggen dat de BTW ten belope van … F., evenals de boeten op de hoofdsom, evenals de interesten niet verschuldigd zijn.

Tenslotte vraagt zij verweerder te horen veroordelen lot betaling van de kosten van het geding.

Verweerder stelt dat het verzet van eiseres ontvankelijk doch ongegrond is, en vraagt de veroordeling van eiseres tot alle kosten van het geding.

## III. IN RECHTE

In het hiervoor aangehaalde proces-verbaal van 6 maart 1995 werd gesteld dat de BTW op de facturen van 22 mei 1990 en 22 november 1990, uitgaande van het bedrijf **M. B.**, niet aftrekbaar was. De gronden voor de weigering van de aftrek van BTW waren van tweeërlei aard. Enerzijds werd gesteld dat de diensten en leveringen, die het voorwerp uitmaken van die facturen, niet beantwoorden aan werkelijk gepresteerde diensten en gedane leveringen.

Anderzijds werd ingeroepen dat de twee facturen niet alle vermeldingen bevatten die vereist zijn door het op dat ogenblik toepasselijke art. 2 van het K.B. nr. 1 van 23 juli 1969.

Bijgevolg dient de rechtbank voormelde twee gronden, die ingeroepen werden om de aftrek van de BTW te weigeren, nader te onderzoeken.

1) **Wat betreft het bewijs dat de diensten en leveringen, die het voorwerp uitmaken van de facturen van 22 mei 1990 en 22 november 1990, niet beantwoorden aan werkelijk gepresteerde diensten en gedane leveringen**

Het verzet van de belastingplichtige tegen een dwangbevel van de BTW brengt met zich dat de administratie de bewijslast van de aanslag dient te vervullen. Overeenkomstig art. 59, § 1 W.BTW kan de administratie de verschuldigdheid van de BTW met alle middelen van recht aantonen. getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën.

Wat betreft de processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën. die overeenkomstig art. 59, § 1, lid 2 W.BTW een bijzondere bewijswaarde genieten, dient opgemerkt te worden dat daarin uitsluitend de door verbalisanten persoonlijk binnen de perken van hun wettelijke opdracht regelmatig gedane materiële (zintuiglijke) vaststellingen de bijzondere wettelijke bewijswaarde van waarachtigheid tot het bewijs van hun onjuistheid hebben (zie Fiscale Documentatie Vandewinckele, Deel XIV, Belasting over de toegevoegde waarde, Diegem, CED-Samsom, s.d., losbl., nr. 59.46.2). Daarentegen strekt deze bijzondere wettelijke bewijswaarde zich niet uit tot de gevolgtrekkingen en de vermoedens die de verbalisanten uit hun vaststellingen afleiden (zie : Cass., 17 april 1998 (A.R. C.97.61.F- Belgische Staat/Etablissements Claude Feltz N.V.), onuitgegeven; Antwerpen, 25 maart 1991, Fisc. Koerier, 1991, 301; Gent, 15 mei 1996, A.J.T. 1996-1997, 242; Fisc. Koerier, 1996, 457; F.J.F., 1996, 390;

T.G.R., 1997, 88; Rb. Dendermonde, 7 september 1982, B.T.W.-Revue, 71/3/86, p. 141, nr. II; Rb. Mechelen, 28 februari 1984, R.W., 1984-1985, 1662; Rb. Antwerpen, 10 september 1984, F.J.F., 1985, 30; Rb. Brugge, 4 juni 1986, F.J.F., 1988, 109; Rb. Luik, 26 oktober 1987, F.J.F., 1988, 196; Fiscale Documentatie Vandewinckele, op cit., nr. 59/46.8).

De rechtbank is van oordeel dat de in het proces-verbaal van 6 maart 1995 door de ambtenaren, verbonden aan de derde Inspectie van de Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie te Brugge, gedane materiële vaststellingen niet van aard zijn om de aftrek van de BTW met betrekking tot de facturen van 22 mei 1990 en 22 november 1990 te weigeren. Zodoende komt het niet aan de belastingplichtige toe om het bewijs aan te brengen van de irrelevantie van de loutere beweringen van de administratie, wel aan deze laatste om de waarachtigheid van haar beweringen, dat de diensten en leveringen, die het voorwerp uitmaken van de facturen van 22 mei 1990 en 22 november 1990. niet beantwoorden aan werkelijk gepresteerde diensten en gedane leveringen, te staven (zie : Rb. Luik, 26 oktober 1987, voormeld; Fiscale Documentatie Vandewinckele, op. cit., nr. 59/46.12).

De administratie kan dit bewijs met alle bewijsmiddelen van gemeen recht, met inbegrip van getuigen en vermoedens, maar met uitsluiting van de eed, leveren. In dat verband stelt verweerder dat hij, aan de hand van feitelijke vermoedens, die vertrekken van bekende feiten, aantoont dat de bewuste facturen van 22 mei 1990 en 22 november 1990 fictief zijn, hetgeen door eiseres bestreden wordt.

Inzake feitelijke vermoedens zijn de wettelijke geldigheidsvoorwaarden van tweeërlei aard. Vooreerst is het bestaan vereist van bekende feiten of elementen, die als grondslag dienen. 'Daarnaast is er de noodzaak om uit die feiten gevolgtrekkingen af te leiden die, op grond van die feiten, voor verantwoording vatbaar zijn (zie : Fiscale Documentatie Vandewinckele, op. cit., nr. 59/15.8).

a) Vooreerst dienen de feiten of elementen, die als grondslag dienen voor het feitelijk vermoeden, bekend en zeker te zijn, en moeten zij op wettige wijze aangetoond zijn. In geen geval kan een vermoeden het bekend feit of element zijn, waarop een nieuw vermoeden gesteund kan worden (zie : Fiscale Documentatie Vandewinckele, op. cit., nr. 59/15.9).

Anderzijds mag ieder gekend feit als grondslag van een feitelijk vermoeden dienen (zie : Fiscale Documentatie Vandewinckele, op.cit., nr. 59/35.7). Dit is ondermeer het geval voor :

\- een geschrift, zelfs indien het niet ondertekend is (zie : Cass., 5 februari 1963, Pas., 1963, I, 89);

\- een geschrift, zelfs eenzijdig opgesteld (Cass., 25 maart 1982, FJ.F., 1982, 229);

\- elke inlichting, stuk, proces-verbaal of akte ontdekt of verkregen in de uitoefening van zijn functies door een ambtenaar van de fiscale administratie (Cass., 25 maart 1982, voormeld);

\- bepaalde elementen geput uit een onregelmatige boekhouding en betwiste documenten (Cass., 25 maart 1982, voormeld).

In onderhavige zaak steunt de Bijzondere Belastinginspectie zich op de volgende drie elementen : verklaringen bij derden vaststellingen gedaan bij het bedrijf **M. B.** en het feit dat de facturen niet door het bedrijf **M. B.**, maar door eiseres zelf zouden opgesteld zijn.

*Wat betreft de verklaringen van derden, vermeldt het proces verbaal van 6 maart 1995 dat "Diverse bezitters van facturen uitgereikt door firma* ***B. M.*** *hebben tegenover de B.B.I.-administratie bekentenissen en verklaringen afgelegd van ontvangst van fictieve facturen. Verschillende andere afnemers van desbetreffende facturen laten uitschijnen om deze aantijging bespreekbaar re stellen.”.*

Het gaat hier naar het oordeel van de rechtbank om een weinig preciese verwijzing naar verklaringen van derden, aangezien niet alleen elke indicatie omtrent de preciese omstandigheden waarin deze verklaringen afgelegd werden, maar ook de identiteit van de declaranten ontbreken, en bovendien helemaal niet aangeduid wordt over welke facturen het zou gaan. Het aanvoeren van een feit kan het bestaan van dit feit op zichzelf niet aantonen (zie : Cass., 25 februari 1982, Bull. Bel., nr. 624, p. 203; Gent, 21 maart 1996, F.J.F., 1996, 261 ).

Bijgevolg is de rechtbank van oordeel dat het hier niet gaat om een bekend feit.

*Wat betreft de vaststellingen gedaan bij het bedrijf* ***M. B.***, vermeldt het proces-verbaal van 6 maart 1995 de volgende elementen : afwezigheid van inschrijving van personeel, primitieve outillage en gelimiteerde transportmogelijkheden.

Opnieuw gaat het hier naar het oordeel van de rechtbank om weinig preciese vaststellingen, die bovendien reeds een waardeoordeel inhouden, nu de outillage als “primitief" wordt bestempeld en de transportmogelijkheden als 'gelimiteerd'. Verweerder laat hierbij na verdere concrete gegevens te vermelden, die toelaten na te gaan of en, zo ja, in welke mate de outillage daadwerkelijk primitief is en de transportmogelijkheden gelimiteerd zijn. Ook in dit verband dient opgemerkt dat het louter aanvoeren van een feit het bestaan van dit feit op zichzelf niet kan aantonen.

*Wat betreft het feit dat de facturen niet door het bedrijf* ***M. B.****, maar door eiseres zelf zouden opgesteld zijn*, vermeldt het proces-verbaal van 6 maart 1995 dat *"de factuur 22 november 1990 is in tegenspraak met gebruikelijke werkwijze niet geschreven maar getypt en ontbreekt er wel degelijk de nummering van uitgaande factuur. Door de firma* ***B.*** *worden nooit getypte exemplaren opgesteld en zij is ook niet in die mogelijkheid. Bijgevolg moet het initiatief zijn uitgegaan van de* ***NV N.*** *bij het opstellen van die factuur.'* .

Ook dit feit is naar het oordeel van de rechtbank geen bekend feit, waaraan feitelijke vermoedens ontleend mogen worden. Of het nu gaat om een 'waarschijnlijkheid' , een 'veronderstelling' of een 'betwistbaar gegeven', dat door de belastingplichtige ook effectief betwist wordt, in geen enkel geval kunnen de in het proces-verbaal vermelde elementen als een bekend feit beschouwd worden.

De rechtbank is ten slotte van oordeel dat het geheel van de feiten , net zomin als die feiten afzonderlijk genomen, van aard is om daaruit een feitelijk vermoeden af te kunnen leiden.

b) Naast het bestaan van bekende feiten of elementen, die als grondslag dienen, dient de administratie uit deze bekende en vaststaande feiten het onbekend feit, dat zij wil aantonen, af te leiden. Die redenering moet logisch zijn en mag geen aanleiding geven tot tegenspraak (zie : Fiscale Documentatie Vandewinckele, op. cit.. nr. 59/15. 14).

Ten overvloede kan in dat verband nog opgemerkt worden dat de rechtbank van oordeel is dat de door verweerder gevoerde redenering in generlei mate op een waarschijnlijkheid steunt die aan de zekerheid grenst (zie : DE PAGE, H., Traité élémentaire de droit civil belge, T.III, nrs. 718 quater en 925; Fiscale Documentatie Vandewinckele, op. cit., nr. 59/15.12).

De door eiseres opgeworpen tegenargumenten, nl. dat de verkoop van een snij- en verdeelmachine geen enkel personeel vergt, dat het bedrijf **M. B.** de vervaardiging van de trechters ook uitbesteed kan hebben aan derden of daarvoor tijdelijk personeel kan aangeworven hebben en dat de fabricatie van de trechters in wezen bestaat uit het lassen van platen en dus geen uitgebreid machinepark vereist, zijn naar het oordeel van de rechtbank valabele argumenten, die volstaan om ertoe te besluiten dat de door de administratie gevoerde redenering geenszins op een waarschijnlijkheid steunt die aan de zekerheid grenst.

Bijgevolg komt de rechtbank tot het besluit dat verweerder geen rechtsgeldig bewijs levert van het feit dat de facturen van 22 mei 1990 en 22 november 1 990 fictief zijn, en niet aan werkelijk geleverde prestaties beantwoorden, terwijl het net hij is die de bewijslast daarvan draagt.

2) **Wat betreft het ontbreken van bepaalde vermeldingen op de facturen van 22 mei 1990**

Het proces-verbaal van 6 maart 1995 vermeldt in dit verband het volgende :

> *"Voor wat hoger vermelde facturen betreft moet worden vastgesteld dat aan de vormvoorwaarden gesteld in het voornoemde* [*art. 2, van het KB nr 1*](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-mesures-tendant-assurer-paiement-taxe-f40f#ar1-art2)*, niet werd voldaan, inzonderheid wat betreft de op deze facturen vermelde omschrijving van de gewone benaming van de geleverde goederen en/of verstrekte diensten en tevens voor de factuur dd 22/1190 ontbreekt het volgnummer van inschrijving in het boek voor uitgaande facturen. Voor beide facturen ontbreekt de datum of de periode van de levering of de dienstprestatie".*

De rechtbank stelt inderdaad vast dat op beide facturen de datum van de leveringen niet vermeld werd (hetgeen in strijd is met art. 2, 3° van het K.B. nr. 1 van 23 juli 1969), en verder de benaming van de geleverde goederen onvoldoende beschreven werd (hetgeen in strijd is met art. 2, 4° van het K.B. nr. 1 van 23 juli 1969). Verder heeft de factuur van 22 november 1990 geen volgnummer (hetgeen in strijd is met art. 2, 1° van het K.B. nr. 1 van 23 juli 1969).

Onvolledige facturen laten niet toe het recht op aftrek van BTW uit te oefenen, zelfs indien de BTW-belastingplichtige te goeder trouw is en hij niet moet instaan voor het feit dat zijn medecontractant hem bepaalde facturen uitreikt waarop bepaalde gegevens (o.m. het volgnummer) ontbreken (zie : Cass., 4 december 1989, Arr. Cass., 1989-1990, 462; BTW-Revue, 1991, 103; Fisc. Koerier ,1990, 366; F.J .F., 1990, 383; Pas., 1990, I, 409; [Cass., 7 juni 1996](https://juriel.be/fr/jurisprudence/naissance-droit-deduction-conditions-exercice-cassation-bruxelles-1996-06-07-529b) Arr. Cass., 1996, 562, BTW-Revue, 1996, 1028, Fisc. Koerier, 1996, 569, F.J.F., 1996, 386, R.W., 1996-97, 719; Gent, 30 januari 1986, BTW-Revue, 1987, 220; Gent, 15 september 1986, F.J.F., 1987, 341; Antwerpen, 18 november 1986, FJ.F., 1987, 303; Gent, 14 juni 1988, BTW-Revue, 1991, 110; Gent, 8 november 1991, F.J.F., 1992, 67; Rb. Antwerpen, 21 november 1986, F.J.F., 1987, 343; Rb. Charleroi, 20 september 1988, F.J.F., 1989,. 123; Rb. Brugge, 23 mei 1990, F.J.F., 1990, 385; DIRIX, E., en BALLON, G.L., Factuur, A.P.R., Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen België, 1993, nr. 50, p. 37; Fiscale Documentatie Vandewinckele, op. cit., nr. 45/56.4).

De niet-vermelding van het volgnummer op zich is in dat verband doorslaggevend, zelfs indien daardoor de inning van de BTW en de controle door de administratie op zichzelf niet onmogelijk gemaakt werden (zie : Cass., 4 december 1989, voormeld; Gent, 14 juni 1988, voormeld).

De rechtbank heeft kennis van de afwijkende zienswijze terzake van het Hof van Beroep te Luik., dat besliste dat een naar de vorm onregelmatige factuur toch recht op aftrek geeft, indien er geen twijfel bestaat dat de gefactureerde verrichting daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. In dat geval dient de belastingplichtige wel effectief de waarheidsgetrouwheid van de factuur te bewijzen (Zie : Luik, 7 april 1989, RTW-Revue, 1991, 228). Hoewel de rechtbank de door het 'Hof van Beroep te Luik aangekleefde zienswijze niet onderschrijft, merkt zij ten overvloede op dat eiseres nalaat op afdoende wijze aan te tonen dat de trechters, waarvoor zij het recht op aftrek van BTW toepaste, haar daadwerkelijk geleverd werden, laat staan dat deze trechters gefabriceerd en geleverd werden door het bedrijf **M. B.**, zodat de aftrek van de BTW in ieder geval ten onrechte is uitgeoefend.·

Ten slotte verwerpt de rechtbank het argument van eiseres dat verweerder het principe van behoorlijk bestuur en rechtszekerheid heeft geschonden. Eiseres verwijst daarvoor naar het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 18 januari 1994 (F.J.F., 1994, nr. 94/126), waarin werd beslist dat, indien gedurende enkele jaren de administratie facturen heeft gecontroleerd en ze kennelijk voldoende heeft bevonden om de door de belastingplichtige gedane aftrek van voorbelasting toe te laten, de administratie het rechtszekerheidsbeginsel schendt indien ze later op dit standpunt retroactief terugkomt.

Niet allen laat eiseres na aan te tonen dat haar facturen daadwerkelijk gedurende: meerdere jaren opeenvolgend gecontroleerd werden. Maar bovendien roept verweerder in dat voorafgaand aan de controle, die bij eiseres werd uitgevoerd op 20 oktober 1994, voor het laatst een BTW-controle bij eiseres werd uitgeoefend met betrekking tot de jaren 1981 en 1982.

Bijgevolg is de rechtbank van oordeel dat eiseres aan verweerder .volgende bedragen verschuldigd is :

\- … F. als BTW;

\- … F. als boeten op grond van art. 70, § 1bis W.BTW;

\- de interesten op grond van art. 91. § 1 W.BTW te berekenen op … F. vanaf 21 januari 1994 :

\- de interesten bepaald in art. 91, § 4 W.BTW te berekenen op de verschuldigde boete vanaf de notificatie van het dwangbevel, nl. 16 juni 1995;

\- de vervolgingskosten.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals gewijzigd;

Rechtsprekend in eerste aanleg, na tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart het verzet van eiser tegen het dwangschrift ontvankelijk, doch wijst het af als ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding begroot op … F. (…,-F. R.P.V. + 2) voor eiser en op … F. R.P.V. voor verweerder.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel,

op datum van : 2 maart 2000.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

de heet **L.**, kamervoorzitter,

de heer **T.**, rechter,

de heer **V.**, rechter,

mevrouw **V. W.**, beambte bij de griffie van deze rechtbank door de magistraat toegevoegd als griffier, overeenkomstig artikel 329 Gerechtelijk wetboek, de hoofdgriffier, de griffiers en de adjunct-griffiers verhinderd zijnde.

**V. W.** **V.**

**T.** **L.**

## Textes cités

1

[AR no 1 art. 2](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-mesures-tendant-assurer-paiement-taxe-f40f) 1 occurrence
