---
title: "b84b6e3a · 19 décembre 2005 · Poursuite, instance · Tribunal de première instance de Bruges"
description: "Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor. Tribunal de première instance de Bruges (Belgique), 19 décembre 2005. Réf. b84b6e3a."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-tribunal-bruges-2005-12-19-b84b"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruges

**Date**

19 décembre 2005

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

75 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 19.12.2005

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :**

In de zaak **00/1041/A** Rep. nr. 2005/16.559

mevrouw **V. S.** (Ondernemingsnr. …), wonende te …, …,

**eiseres,**

voor wie is opgetreden Meester **F. V.** (balie …) loco Meester **P. V.**, advocaat met kantoor te …, …,

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, FOD FINANClEN, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de e.a. Inspecteur van het BTW­Ontvangkantoor te OOSTENDE, met burelen gevestigd te 8400 OOSTENDE, Vrijhavenstraat 1,

**verweerder,**

voor wie is opgetreden Meester **F. N.** (balie …) loco Meester **J. V. d. P.**, advocaat met kantoor te …, …,

## EN

In de zaak **01/3545/A**

mevrouw **V. S.** (Ondernemingsnr. …), wonende te …, …,

**eiseres,**

voor wie is opgetreden Meester **F. V.** (balie …) loco Meester **P. V.**, advocaat met kantoor te …, …,

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, FOD FINANCIËN, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de e.a. Inspecteur van het BTW­Ontvangkantoor te OOSTENDE, met burelen gevestigd te 8400 OOSTENDE, Vrijhavenstraat 1,

**verweerder,**

voor wie is opgetreden Meester **F. N.** (balie …) loco Meester **J. V. d. P.**, advocaat met kantoor te …, …,

## I. RECHTSPLEGING

Gelet op de dagvaarding houdende verzet dwangbevel de dato 28 maart 2000 in de zaak 00/1041/A.

Gelet op de dagvaarding houdende verzet dwangbevel de dato 12 december 2001 in de zaak 01/3545/A.

De rechtbank nam kennis van de dossiers van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 14 november 2005.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

## ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

**2.1.** Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW­registratienummer …, ingevolge de door haar aangevatte activiteit van uitbating van restaurant "**L. B.**". Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 19 mei 1999 en 27 juli 2001 werd door **R. S.**, eerstaanwezend verificateur bij de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Oostende een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde.

Op 13 augustus 1999 en 17 oktober 2001 werd door voormelde ambtenaar 2 processen-verbaal opgesteld waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd.

Op 26 oktober 1999 en op 23 oktober 2001 werd op basis van voormelde processen­verbaal door de met de invordering belaste ambtenaar, overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW, dwangbevelen uitgevaardigd.

Voormelde dwangbevelen werden op 5 november 1999 en 31 oktober 2001 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer **R. D.**, directeur bij een fiscaal bestuur, daartoe gemachtigd door de gewestelijke directeur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge en via aangetekend schrijven de dato 9 november 1999 en 6 november 2001 aan eiseres ter kennis gebracht.

Bij dagvaarding de dato 28 maart 2000 (zaak gekend onder A.R. nr. 00/1041/A) en bij dagvaarding de dato 12 december 2001 (zaak gekend onder A.R. nr. 01/3545/A) stelt eiseres haar vorderingen in.

**2.2.** Eiseres vraagt dat de zaken gekend onder A.R. nr. 00/1041/A en onder A.R. nr. 01/3545/A worden samengevoegd en dat de vorderingen ontvankelijk en gegrond worden verklaard en dat dienvolgens voor recht wordt gezegd dat de bestreden dwangbevelen nietig, minstens onwettelijk en/of ongegrond zijn en dat de kennisgeving ervan geen enkel gevolg mag hebben. Verder vordert zij dat verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling aan haar van alle bedragen die op basis van de vernietigde dwangbevelen werden geïnd of ingehouden, dit verhoogd met de moratoire rente. Tenslotte vordert zij dat verweerder wordt veroordeeld tot de gedingkosten, aan haar zijde begroot op … EUR en … EUR dagvaardingskosten en … EUR rechtsplegingsvergoeding, en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgstelling en met uitsluiting van kantonnement.

**2.3.** Verweerder vraagt eveneens de samenvoeging. Verder vraagt hij dat de vorderingen ontvankelijk en ongegrond worden verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding.

## III. BEOORDELING

### 3.1. nopens de samenvoeging

De twee zaken betreffen gelijkaardige betwistingen tussen dezelfde partijen. De discussie aan de grondslag van de twee procedures is identiek.

Aangezien de twee zaken onderling zo nauw verbonden zijn, is het wenselijk om de zaken samen te behandelen en te berechten om oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn.

Op vraag van beide partijen kunnen de twee zaken dan ook worden samengevoegd.

### 3.2. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen gegronde redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vorderingen kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, zijn de vorderingen ontvankelijk.

### 3.3. nopens de grond

#### 3.3.1. verjaring van de verschuldigde BTW betreffende de inkomsten van 1995 en 1996 en van 1997 en 1998

Het op 9 november 1999 ter kennis gebracht dwangbevel heeft betrekking op handelingen verricht gedurende de jaren 1995 en 1996.

Het op 6 november 2001 ter kennis gebracht dwangbevel heeft ondermeer betrekking op handelingen verricht gedurende de jaren 1997 en 1998.

Krachtens artikel 81 W.BTW (zoals van toepassing in de betrokken periode) verjaart de vordering tot voldoening van de BTW door verloop van vijf jaren te rekenen vanaf de dag waarop zij is ontstaan (zie artikel 97,·7 de lid wet 15 maart 1999 - overgangsbepaling).

Krachtens artikel 83 W.BTW (zoals van toepassing in de betrokken periode) kan voormelde verjaring worden gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek (met name door een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen).

De verjaring werd derhalve rechtsgeldig gestuit door de kennisgeving van voormelde dwangbevelen op resp. 9 november 1999 en 6 november 2001.

#### 3.3.2. bewijs door vermoedens

De verschuldigdheid van de BTW of van een geldboete kan door verweerder aangetoond worden via het bewijs door feitelijke vermoedens (art. 59 W.BTW). Overeenkomstig art. 1349 BW zijn vermoedens gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit.

Het is de rechter die soeverein oordeelt of het feit waarop hij zich steunt, al dan niet bekend is en hij kan een feitelijk vermoeden afleiden uit een geheel van gegevens, ook al geven die gegevens, elk afzonderlijk genomen, geen voldoende zekerheid.

In de rechtspraak wordt algemeen aanvaard dat gegevens uit geschriften en verklaringen uitgaande van derden een geheel van vermoedens kunnen vormen die gewichtig, bepaald en met elkaar overeenstemmen en bijgevolg voldoen aan de bewijsvoering door feitelijke vermoedens zoals bepaald in art.1353 BW.

Door verweerder wordt in casu beroep gedaan op een reeks van feitelijke gegevens die een geheel van bepaalde, gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens moeten vormen ten bewijze van de werkelijkheid van de aankopen door eiseres verricht met koperskaarten op naam van een fictieve personen en/of ondernemingen.

Bij de beoordeling van deze feitelijke gegevens dient gesteld dat deze samen in overweging moeten genomen worden teneinde te kunnen oordelen of er al dan niet sprake is van een geheel van bepaalde, gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens.

Uit de voorliggende stukken blijkt dat eiseres in de gecontroleerde periode een geregelde afnemer was van de NV I.S.P.C., dat voormelde NV koperskaarten op naam van **O. T. C.**, **C. D . D. B. en P.** de … (fictieve personen/ondernemingen) heeft uitgereikt en dat zij toeliet dat er goederen werden aangekocht en gefactureerd op naam van de op de voorgelegde koperskaart vermelde fictieve identiteiten.

Het onderzoek van het klantenbestand van de NV I.S.P.C. heeft verder aangetoond dat in de periode 1995, 1996 1997, 1998 en 1999 facturen werden uitgereikt op naam van eiseres, en dat er ogenblikkelijk ervoor of erna facturen werden opgemaakt op naam van voormelde fictieve personen en/of ondernemingen. Volgens de facturen zijn de aangekochte goederen op naam van de fictieve personen en/of ondernemingen gelijksoortig aan deze die in het restaurant van eiseres werden verbruikt (zie verbanden opgesomd in de PV's).

Voormelde opgesomde feiten vormen dan ook ee·n geheel van gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens' die toelaten te besluiten dat eiseres in de gecontroleerde periode bij de NV I.S.P.C. die goederen heeft aangekocht met een fictieve koperskaart op naam van voormelde personen en/of ondernemingen.

De verzetten zijn derhalve ongegrond.

### 3.4. nopens de kosten

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1 ste lid van het gerechtelijk wetboek moet zij de gerechtskosten dragen.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**De rechtbank,**

Wijzende in eerste aanleg en op **tegenspraak**.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Voegt de beide zaken met A.R. nr. 00/1041/A en A.R. nr. 01/3545/A samen.

Verklaart de dagvaardingen houdende verzet dwangbevel in de zaken met A.R. nrs. 00/1041/A en 01/3545/A ontvankelijk en ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op … EUR recbtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op **negentien december tweeduizend en vijf**.

Aanwezig zijn:

**H. N.**, alleenrechtsprekend rechter,

**L. N.**, e.a. adjunct-griffier.

**N. L.** **N. H.**
