---
title: "13 avril 2004 · Poursuite, instance · Tribunal de première instance de Bruges"
description: "Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor. Tribunal de première instance de Bruges (Belgique), 13 avril 2004."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-tribunal-bruges-2004-04-13-0759"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruges

**Date**

13 avril 2004

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

86 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 13.04.2004

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND**

in de zaak **AR nr. 00/2038/A** :

van

de NV "**A. S.**", groot- en kleinhandel in apparaten voor waterbehandeling, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk onder nummer …,

**eiseres,**

vertegenwoordigd door meester **J. S.**, advocaat te …,

**tegen :**

**de BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van :

**1.** mevrouw e.a. inspecteur (ontvanger) van het 2 de BTW-Ontvangkantoor Kortrijk, waarvan de burelen gevestigd zijn te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat nr.31,

**2.** de heer e.a. inspecteur (hoofdcontroleur) van het BTW-controlekantoor te Harelbeke, wiens kantoren gevestigd zijn te 8530 Harelbeke, Kortrijksestraat nr. 2,

**verweerder,**

vertegenwoordigd door meester **F. W.**, advocaat te ….

---

## I. PROCEDURE

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 16 maart 2004, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :

1\. het geding inleidend verzoekschrift van 3 juli 2000;

2\. de conclusie voor verweerder van 6 november 2001;

3\. de conclusie voor eiseres van 15 januari 2003;

4\. de conclusie voor verweerder van 10 juni 2003;

5\. de conclusie voor eiseres van 5 november 2003 en

6\. de conclusie voor verweerder van 16 december 2003.

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.

## II. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

*1. De feiten die relevant zijn voor het geschil*

Na een onderzoek bij eiseres door de BBI op 16 februari 1998, werd op 29 maart 1999 een proces-verbaal opgesteld waarin voor 9.391.711 frank (232.814,43 euro) ontdoken BTW, meer boeten en interest, werd verschuldigd verklaard.

Per aangetekende brief van 1 april 1999 werd dat proces-verbaal aan eiseres opgestuurd met de vraag één exemplaar ervan, ondertekend voor akkoord, terug te sturen binnen de twintig dagen.

Met het oog op de stuiting van de verjaring werd op 12 april 1999 aan eiseres een dwangbevel betekend voor dezelfde bedragen als vermeld in het genoemde proces-verbaal.

Op 22 april 1999 stuurde de advocaat van eiseres een brief aan de BBI waarin hij vraagt een bijkomende antwoordtermijn te krijgen van minstens een maand om met kennis van zaken te antwoorden op het proces-verbaal.

Met een brief van 26 april 1999 liet de BBI weten aan de advocaat van eiseres dat hem uitstel van antwoord werd verleend tot eind mei 1999.

Op 20 mei 1999 stuurt het Ontvangkantoor van de BTW aan eiseres een brief waarin haar wordt meegedeeld dat het tegoed van 932.919 frank (23.126,46 euro) dat eiseres staan had op haar BTW-rekening-courant van 30 april 1999 zou voorafgenomen worden op grond van de referentie RCIV …, zijnde de referentie van het dwangbevel dat op 12 april 1999 was betekend.

Daags daarna volgde bevestiging van de effectieve debitering van de rekening-courant van eiseres voor het genoemd bedrag.

In zijn brief van 31 mei 1999 maakte de advocaat van eiseres zijn 'noodzakelijkerwijs summiere opmerkingen'

Op 5 juli 1999 legde eiseres een verzoekschrift neer waarmee ze de schuldvordering van verweerder **ten gronde** aanvocht (zaak bekend onder rolnummer 99/1863/A).

Met een verzoekschrift van 3 juli 2000 stelde eiseres haar huidige vordering in.

*2. De vorderingen van de partijen*

**Eiseres** vordert dat de rechtbank de teruggave zou bevelen van het tegoed op de BTW-rekening-courant dat op 21 mei 1999 werd ingehouden door verweerder.

Eiseres vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten en dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar zou verklaren bij voorraad, zelfs wanneer een rechtsmiddel zou worden aangewend, zonder dat de uitvoering afhankelijk kan gesteld worden van een borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement.

**Verweerder** vordert dat de vordering van eiseres door de rechtbank zou worden afgewezen als onontvankelijk, minstens als ongegrond en dat eiseres zou verwezen worden in de gerechtskosten.

## III. BEOORDELING

*1. De ontvankelijkheid van de vordering*

Hoewel hij tot de onontvankelijkheid besluit, voert verweerder geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.

*2. De grond van de vordering*

2.1. Stelling van eiseres

Volgens eiseres heeft verweerder [artikel 81, § 3, KB nr. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-decembre-restitutions-matiere-taxe-valeur-406b#ar4-art81) geschonden door een aanrekening te doen met het saldo op haar rekening-courant op een moment dat hij niet over een schuldvordering beschikte die zeker, opeisbaar en vaststaand was zoals in het tweede lid van dat artikel wordt geëist.

Dat er een proces-verbaal bestond, volstaat volgens eiseres niet vermits dat proces-verbaal alleen bewijskracht heeft tot bewijs van het tegendeel voor de materiële vaststellingen, maar niet voor de afleidingen, waaronder de berekening van de meeromzet. Eiseres benadrukt voorts dat haar om het akkoord met het proces-verbaal gevraagd werd en dat zij haar akkoord nooit gaf. De schuld was volgens eiseres dan ook betwist, anders zou het niet logisch zijn dat om haar akkoord werd gevraagd. Dat verweerder niet kon aannemen dat de schuld niet betwist was, ziet eiseres eens te meer bevestigd door het feit dat om uitstel van antwoord werd gevraagd en dat uitstel werd verleend tot eind mei 1999. Aldus zou de aanrekening op 21 mei 1999 gebeurd zijn op een moment dat zeker nog niet vaststond dat de schuldvordering niet betwist was. Ook de omvang van de BTW-schuldvordering is volgens eiseres een indicatie dat de schuld betwist was, te meer ook de vermeldingen uit het proces-verbaal van 29 maart 1999 erop wijzen dat er tussen verweerder en eiseres een verschillende opvatting bestond over de toedracht van de zaak.

Eiseres stelt dat verweerder in dat geval, namelijk waarin de vordering niet zeker, vaststaand en opeisbaar is, slechts kan overgaan tot 'inhouding' die geldt als bewarend beslag, maar dan volgens een specifieke procedure voorzien in het achtste en negende lid van [artikel 81, § 3, KB nr. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-decembre-restitutions-matiere-taxe-valeur-406b#ar4-art81).

Minstens ziet eiseres een schending van het bij haar opgewekt vertrouwen omdat zij de stellige indruk had dat zij over een termijn, eerst van 20 dagen, later verlengd tot eind mei 1999, beschikte om standpunt in te nemen en verweerder die termijn niet heeft afgewacht.

2.2. Stelling van verweerder

Volgens verweerder was er op 21 mei 1999 wel degelijk sprake van een zekere, opeisbare en vaststaande schuldvordering. Hij wijst daarvoor op het feit dat het proces-verbaal was uitgevaardigd en aan eiseres bekend gemaakt zonder dat eiseres, ook niet na de betekening van het dwangbevel op 12 april 1999, had laten weten dat ze de schuldvordering betwistte. Het verzet werd pas bij verzoekschrift van 5 juli 1999 uitgebracht en dan nog op onontvankelijke wijze volgens verweerder omdat het alleen bij dagvaarding zou gekund hebben.

Omdat een proces-verbaal geldt tot bewijs van het tegendeel, was naar het oordeel van verweerder, bij gebrek aan formele betwisting of verzet, op 21 mei 1999 voldaan aan de vereiste dat de schuldvordering zeker, opeisbaar en vaststaand was. De akkoordverklaring mag dan wel gevraagd zijn aan eiseres, toch is dat geen vereiste voor de geldigheid en de bewijswaarde van het proces-verbaal. Zelfs de briefwisseling met betrekking tot het uitstel kan niet gelden als een vorm van betwisting.

Een schending van het opgewekt vertrouwen ziet verweerder niet omdat eiseres per brief van 20 mei 1999 werd ingelicht van het feit dat er een aanrekening zou volgen met de melding dat steeds inlichtingen konden ingewonnen worden.

2.3. Beoordeling

Het tweede lid van [artikel 81, § 3, KB nr. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-decembre-restitutions-matiere-taxe-valeur-406b#ar4-art81) luidt als volgt :

*Indien de in het eerste lid bedoelde belastingschuld in hoofde van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, een schuldvordering vormt die zeker, opeisbaar en vaststaand is, wat onder meer het geval is wanneer ze niet wordt betwist of aanleiding heeft gegeven tot een dwangbevel bedoeld in* [*artikel 85*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85) *van het Wetboek, waarvan de tenuitvoerlegging niet werd gestuit door het verzet bedoeld in* [*artikel 89*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-89) *van het Wetboek, wordt het belastingkrediet tot het passende beloop aangewend ter aanzuivering van de belastingschuld.*

Het is onmiskenbaar dat eiseres op 21 mei 1999, zijnde het moment waarop het saldo op haar BTW-rekening-courant, afgesloten op 30 april 1999, werd aangewend ter aanzuivering van (een deel van) de schuldvordering die in het proces-verbaal van 29 maart 1999 was eisbaar verklaard, in formele zin geen 'betwisting' had laten kennen ten aanzien van dat proces-verbaal.

Evenmin valt te ontkennen dat eiseres op 21 mei 1999 nog geen verzet had aangetekend tegen het dwangbevel dat haar op 12 april 1999 was betekend.

Toch was het in strijd met het behoorlijk bestuur om in de gegeven omstandigheden zich op het standpunt te plaatsen dat er een zekere, opeisbare en vaststaande schuldvordering bestond. Bij eiseres werd immers eenduidig de stellige overtuiging gecreëerd dat zij respijt kreeg om standpunt in te nemen omtrent de schuldvordering. Zelfs al is er wettelijk geen vereiste om aan de belastingplichtige zijn akkoord met het proces-verbaal te vragen, toch kon verweerder die akkoordverklaring niet vrijblijvend vragen : bij de belastingplichtige werd op die manier geen andere verwachting gecreëerd dan dat de Administratie zelf het proces-verbaal niet als een afdoende bewijs van de belastingschuld beschouwde. Uit het feit dat uitstel van antwoord werd gevraagd kon in geen geval het akkoord worden afgeleid. In de gegeven omstandigheden was het nog niet geven van een akkoord eerder te interpreteren als een betwisting dan als een akkoord. Vermits vervolgens tot eind mei 1999 uitstel werd verleend om te antwoorden, moest verweerder minstens aanvaarden dat de vraag of er een akkoord kwam, dan wel betwisting zou worden gevoerd, in beraad gehouden was. In die tussentijd de schuldvordering niettemin als onbetwist beschouwen, ging in tegen de eerdere gedragingen van verweerder waarmee hij eiseres de stellige indruk had gegeven dat zij nog tijd had om haar betwisting kenbaar te maken.

Dat in het bericht van 20 mei 1999 werd aangekondigd dat er tot aanwending zou worden overgegaan, kon eiseres in de gegevens omstandigheden niet doen vermoeden dat de aanwending nog vóór 31 mei 1999 zou gebeuren. Er werd immers in het bericht van 20 mei 1999 slechts aangekondigd dat er eerstdaags een bericht nr. 685 zou volgen. Op 21 mei 1999, de dag erop en dus de dag waarop eiseres het bericht van 21 mei 1999 ten vroegste kon ontvangen, was het bedrag van 932.919 frank (23.126,46 euro) al op het debet van de BTW-rekening-courant ingeschreven.

Verweerder kon toen nochtans hoogstens een inhouding doen die geldt als bewarend beslag, maar nog niet het saldo op de rekening-courant aanwenden ter aanzuivering van de betreffende schuldvordering.

De aanwending op 21 mei 1999 is dan ook ten onrechte gebeurd en de vordering van eiseres is gegrond.

*3. De gerechtskosten*

Verweerder wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1 ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moet hij de gerechtskosten dragen.

*4. Uitvoerbaarheid bij voorraad*

Verweerder neemt hierover geen standpunt in. Hij beroept zich niet op een bijzondere toestand die (nog meer) uitstel van betaling zou verantwoorden en stelt evenmin dat de rechtbank geen uitstel van tenuitvoerlegging zou kunnen verlenen. Aldus geldt het principe van artikel 1333 Ger. Wb. De rechtbank is van oordeel dat het kantonnement (zie verder) voldoende garanties biedt tegen het risico op de onmogelijkheid tot recuperatie. De uitvoerbaarheid bij voorraad wordt daarom toegestaan.

De voorlopige tenuitvoerlegging kan niet afhankelijk gemaakt worden van het stellen van een zekerheid.

Voor de uitsluiting van het kantonnement ziet de rechtbank nochtans geen reden.

Eiseres laat na te bewijzen dat zij een ernstig nadeel zou ondergaan wanneer, ingevolge het kantonnement, de regeling van de haar toekomende betaling zou vertraagd worden (art. 1406 Ger. Wb.).

### Dispositif

## IV. UITSPRAAK

**De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.**

**Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk en gegrond.**

**De rechtbank beveelt daarom verweerder over te gaan tot terugbetaling van het tegoed van eiseres op de BTW-rekening-courant ten bedrage van 23.126,46 euro (932.919 frank) dat op 21 mei 1999, met terugwerkende kracht tot 30 april 1999, in opdracht van het tweede BTW-kantoor te Kortrijk door het BTW-controlekantoor van Harelbeke werd ingehouden.**

De rechtbank verwijst verweerder in de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast :

aan de zijde van eiseres :

\- rechtsplegingsvergoeding : 342,09 euro

terwijl de kosten aan de zijde van verweerder niet moeten vastgesteld worden vermits ze door hem zelf moeten gedragen worden.

De rechtbank verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, ongeacht welk rechtsmiddel er zou tegen worden aangewend en zonder dat de uitvoering ervan afhankelijk kan gemaakt worden van een borgstelling.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de **vierde kamer** van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op **dertien april tweeduizend en vier**.

De rechtbank is als volgt samengesteld :

**D. V.**, alleenrechtsprekend rechter,

**A. V.**, griffier

**A. V.** **D. V.**

## Textes cités

3

[AR no 4 art. 81](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-decembre-restitutions-matiere-taxe-valeur-406b) 3 occurrences

[CTVA art. 85](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85) 1 occurrence

[CTVA art. 89](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-89) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Indices de fraude, Relevé de régularisation, Procès-verbal](https://juriel.be/fr/jurisprudence/indices-fraude-releve-regularisation-proces-tribunal-nivelles-2024-01-08-9601) 2 dispositions communes

[Déclaration d’accord, renonciation à l’action, Prescription, Intérêts de retard](https://juriel.be/fr/jurisprudence/declaration-accord-renonciation-action-prescription-cour-appel-2026-01-27-c906) 2 dispositions communes

[Poursuites et instances](https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuites-instances-prescription-action-recouvrement-cour-constitutionnelle-all-2017-01-19-1767) 2 dispositions communes

[Procès-verbal, Contestation, Contrainte, Obligations, contentieux, instrument financier](https://juriel.be/fr/jurisprudence/proces-verbal-contestation-contrainte-obligations-cassation-bruxelles-2006-03-09-840a) 2 dispositions communes

[Contrainte](https://juriel.be/fr/jurisprudence/contrainte-pouvoir-viser-rendre-executoire-cassation-bruxelles-2011-03-bbe6) 2 dispositions communes

[Action en justice, Matière fiscale T.V.A., Amendes, Procès-verbal](https://juriel.be/fr/jurisprudence/action-justice-matiere-fiscale-amendes-cassation-bruxelles-2012-04-13-ff89) 2 dispositions communes

[Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, preuve](https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-cour-appel-gand-2003-10-14-2758) 2 dispositions communes

[Contrainte, Contestation, Choses non demandées, Obligation du juge](https://juriel.be/fr/jurisprudence/contrainte-contestation-choses-non-demandees-cassation-bruxelles-2012-02-10-2954) 2 dispositions communes
