---
title: "9 avril 2002 · Poursuite, instance · Tribunal de première instance de Bruges"
description: "Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor. Tribunal de première instance de Bruges (Belgique), 9 avril 2002."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-tribunal-bruges-2002-04-09-be2b"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruges

**Date**

9 avril 2002

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

104 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 09.04.2002

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND**

in de zaak AR nr. **99/2899/A**

van

**de BVBA M.**, met zetel te …, …, met BTW nr. BE …, ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk onder nr. …,

**eiseres,**

vertegenwoordigd door meester **G. D.**, advocaat te ….

**tegen :**

**de BELGISCHE STAAT****, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van :**

**1.** **de Ontvanger van het 2de BTW-Ontvangkantoor Kortrijk, waarvan de burelen gevestigd zijn te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat nr.31,**

**2.** **de BTW-Hoofdcontroleur (e.a. inspecteur-diensthoofd) van het BTW-Controlekantoor Izegem, wiens kantoren gevestigd zijn te 8870 Izegem, Kasteelstraat nr.19.**

**verweerders (hiernagenoemd "verweerder"),**

vertegenwoordigd door meester **F. W.**, advocaat te ….

---

## I. PROCEDURE

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 12 maart 2002, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :

1\. de dagvaarding met verzet tegen dwangbevel van 27 oktober 1999;

2\. de conclusie voor verweerder van 22 februari 2000;

3\. de conclusie voor eiseres van / november 2000 en

4\. de conclusie voor verweerder van 22 december 2000.

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van verweerder ingezien.

## Il. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

*1. De feiten die relevant zijn voor het geschil*

Eiseres is handelaar in voedingswaren, waaronder dranken.

Op een aangekondigde controle wat betreft zowel directe belastingen als BTW voor de aanslagjaren 1996 en 1997 (inkomstenjaren 1995 en 1996) door de AOIF van 14 oktober 1998, bleek de boekhouding in het bedrijf van eiseres niet aanwezig. De boekhouding bleek immers in beslag te zijn genomen door de Administratie van Douane en Accijnzen.

Diezelfde dag, 14 oktober 1998, tekende de zaakvoerder van eiseres een 'toelating' om 'alle documenten van de BVBA **M.** af te halen'.

Diezelfde dag (daarover bestaat geen betwisting) werd door de Administratie van Douane en Accijnzen afgifte gedaan aan de controleur van de AOIF van de volgende documenten : 1 farde accijnsdocumenten; - 1 farde inventaris; - 6 fardes verkoopfacturen 1996, - 14 fardes aankoopfacturen 1995/1996 en - 1 inventarisboek.

Aan de hand van de beschikbare gegevens maakte de controledienst een vordering op ten nadele van eiseres voor een totaal van 24.700,09 euro (996.399 frank) BTW en 7.362,44 euro (297,000 frank) administratieve geldboeten. De vordering had betrekking op verrichtingen in de periode van 1 januari 1994 tot 31 december 1995. Op verzoek van de controledienst, werd door de heer **J. C.**, onder verwijzing naar een volmacht in het fiscaal dossier, op 20 januari 1999 voor de onderliggende bestanddelen die deze bedragen vertegenwoordigden, afstand van de verlopen tijd van de verjaring gedaan.

Op 15 maart 1999 werd door de AOIF een correctieopgave opgestuurd aan eiseres waarin diezelfde bestanddelen vervat zaten. Er kon een akkoord bereikt worden voor een aantal van die bestanddelen en voor deze werd door de volmacht drager van eiseres op 15 april 1999 een correctieopgave voor akkoord ondertekend.

De overige bestanddelen werden door de controledienst overgenomen in een proces-verbaal, opgesteld op 6 juni 1999. Als BTW werd een bedrag van 23.833,18 euro (961.428 frank) verschuldigd gesteld, vermeerderd met 4.759,56 euro (192.000 frank) administratieve geldboeten en 0,8 interest per maand te rekenen vanaf 21 januari 1996.

Na uitnodiging tot betaling, werd op 28 september 1999 een dwangbevel uitgevaardigd dat op 29 september 1999 geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd. Op 5 oktober 1999 volgende de betekening met bevel tot betaling. Eiseres stelde haar huidige vordering in met haar exploot van verzet en dagvaarding op 27 oktober 1999.

*2. De vorderingen van de partijen*

Eiseres vordert dat de rechtbank het dwangbevel nietig, minstens onwettelijk en ongegrond zou verklaren en zou zeggen voor recht dat het dwangbevel niet kan worden uitgevoerd en alle sporen ervan moeten worden uitgewist.

Eiseres vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten.

**Verweerder** vordert dat de vordering van eiseres door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eiseres zou verwezen worden in de gerechtskosten.

## III. BEOORDELING

*1. De ontvankelijkheid van de vordering*

Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

*2. De grond van de vordering*

**2.1.** Stelling van eiseres

**2.1.1.** Het dwangbevel werd uitgevaardigd op basis van een boekhouding die in beslag was genomen door de Administratie van Douane en Accijnzen. De toelating tot afgifte aan de AOIF werd van de zaakvoerder afgedwongen. Eiseres kreeg verder geen inzage meer in de gebruikte stukken. De inventaris zou trouwens zo algemeen zijn dat de rechten van de verdediging van eiseres volgens haar geschonden werden.

**2.1.2.** De afstand van verjaring is ongeldig vermits zulks buiten het mandaat van de heer **V.** viel. Eiseres heeft geen mandaat verleend om afstand van verjaring te tekenen, terwijl dat volgens haar uitdrukkelijk had moeten gebeuren.

**2.1.3.** De facturen, gericht aan eiseres maar door haar niet geboekt, waarop het bedrag aan BTW gebaseerd is, waren betaald door de zoon van de zaakvoerder van eiseres. In die omstandigheden kan volgens eiseres niet vermoed worden dat de niet-geboekte facturen beantwoorden aan niet­geboekte verkopen. Zij voert aan dat zij onvoldoende zicht heeft op de inlichtingen die bij de Directe Belastingen werden ingewonnen en dat zij onvoldoende verweer kan voeren. Zij zou nog altijd haar boekhouding niet hebben teruggekregen.

Subsidiair betwist eiseres de berekeningsbasis die werd gehanteerd en dat deze zou gebaseerd zijn op gegevens verstrekt door haar zaakvoerder. Volgens eiseres moesten trouwens de prijzen van 1994 gebruikt worden.

**2.1.4.** Eiseres betwist dat het negatief kassaldo van 5.734,60 euro (231.333 frank) dat uit het onderzoek van de directe belastingen werd vastgesteld, kan beschouwd worden als een meeromzet omdat het vermoed wordt voort te vloeien uit niet-geboekte ontvangsten. Volgens eiseres is dat een 'vermoeden zonder enig bewijs'.

**2.1.5.** Eiseres betwist de omvang van de boete; ze zou tegen de openbare orde zijn.

**2.1.6.** Eiseres meent dat alleen interest aan de wettelijke rentevoet kan verschuldigd zijn.

**2.2.** Stelling van verweerder

**2.2.1.** Verweerder betwist dat er op de zaakvoerder van eiseres zou druk zijn uitgeoefend om de toelating tot het afhalen van de stukken te ondertekenen. Eiseres wordt voor het overige veronderstelt haar eigen boekhouding te kennen.

Er is volgens verweerder zeker geen schending van de rechten van de verdediging van eiseres gebeurt vermits alle stukken al op 18 december 1998 teruggegeven werden aan de gevolmachtigde van eiseres.

**2.2.2.** De volmacht in het fiscaal dossier van 26 november 1986 omvat volgens verweerder ook de macht om afstand van verjaring te tekenen.

**2.2.3.** Wat de betwistingen over concrete cijfers betreft, beroept verweerder zich op de bijzondere bewijskracht van zijn proces-verbaal. Dat de zoon van de zaakvoerder van eiseres de niet-geboekte facturen zou betaald hebben, is volgens verweerder een eenvoudige bewering die de inhoud van het proces-verbaal niet kan ontkrachten. Verweerder legt de lijst voor die hij van da zaakvoerder van eiseres zou gekregen hebben op basis waarvan de berekeningen zijn gebeurd. Alle gegevens zijn volgens verweerder duidelijk weergegeven in het proces-verbaal zodat eiseres zich kon verweren.

**2.2.4.** Het negatief kassaldo bleek volgens verweerder uit de boekhouding en er wordt geen tegenbewijs geleverd. Verweerder benadrukt dat eiseres geen bezwaar heeft ingediend wat het negatief kassaldo betreft bij de Administratie van de Directe Belastingen.

**2.2.5.** Wat de boetes betreft stelt verweerder dat hij de wettelijke bepalingen heeft gevolgd, namelijk 20 % van het dubbel van de ontdoken belasting. Deze administratieve boetes moeten volgens verweerder duidelijk onder scheiden worden van de strafrechtelijke boetes.

**2.2.6.** Voor de rentevoet verwijst verweerder naar artikel 91, § 1 W.BTW.

**2.3.** Beoordeling

**2.3.1.** Toelating afgifte boekhouding

Eiseres bewijst niet dat op haar zaakvoerder druk zou zijn uitgeoefend om de toelating tot het ophalen van de boekhouding bij de Administratie van Douane en Accijnzen te ondertekenen.

De rechtbank moet dan ook uitgaan van een geldige toestemming door de zaakvoerder.

Van dan af is het niet langer van bclo.ng do.t do stukken voordien door de Douane en Accijnzen in beslag waren genomen.

De inventaris van de afgegeven stukken is trouwens voldoende gedetailleerd om eiseres in de mogelijkheid te stellen te achterhalen welke de stukken waren. Eiseres wordt geacht haar eigen boekhouding te kennen.

**2.3.2.** Afstand van verjaring

Eiseres kan niet gevolgd worden in haar stelling dat de volmacht van 26 november 1986 geen voldoende basis bood een geldige afstand van de verlopen tijd van de verjaring te doen. Zoals blijkt uit het voorgelegde stuk, gaat het om een zeer uitgebreide volmacht. Hij slaat op *"tussenkomst, bemiddeling, aangifte, besprekingen, betwisten, betreffende alle rechtstreekse of onrechtstreekse belastingen* ***niets uitgezonderd****”*. Er wordt verder verduidelijkt dat de volmacht drager alles kan verrichten *"wat in voormelde zaak nodig, nuttig of wenselijk zal blijken, inbegrepen het* ***sluiten van minnelijke overeenkomsten****, de opdrachtgever er tot verbindende zo nodig bekrachtiging of goedkeuring te verlenen."*

Terecht merkt verweerder op dat, de macht om minnelijke overeenkomsten te sluiten, noodzakelijk ook de macht inhoudt om afstand te doen van de reeds verlopen tijd van de verjaring. Er moet immers mee rekening gehouden worden dat, mocht geen medewerking ter zake zijn verleend, verweerder tot betekening van een dwangbevel kon laten overgaan om de verjaring te stuiten. De vordering was in elk geval al becijferd.

Voor het overige blijkt dat de afstand van de verjaring heel expliciet gegeven is, weze het door de volmacht drager. Overigens houdt de laatste zinsnede van de geciteerde tekst in dat de administratie geen bewijs van bekrachtiging of goedkeuring door eiseres moet afwachten.

**2.2.3.** De BTW afgeleid uit niet-geboekte facturen

Het proces-verbaal van 6 juli 1999 geeft duidelijk weer dat er twee Franse ondernemingen waren die op naam van eiseres een resem facturen hadden uitgereikt die door eiseres niet waren geboekt. Dat zijn feitelijke vaststellingen waarvoor het proces-verbaal bewijswaarde heeft tot het bewijs van het tegendeel.

Eiseres beweert wel maar bewijst niet dat de zoon van de zaakvoerder die facturen zou betaald hebben. Dat feit wordt dus niet ontkracht.

Waar concrete leveringen niet werden geboekt, kon verweerder met reden vermoeden dat de leveringen gebruikt werden voor niet-geboekte verkopen. De gehanteerde prijzen per vat en per fles stemmen wel degelijk overeen met een lijst waaruit de verkoopmarge kan afgeleid worden (stuk 13 dossier verweerder). Verweerder toont niet aan dat de prijzen niet representatief zouden zijn voor 1994.

Ook op dat punt kan de argumentatie van eiseres niet worden bijgetreden.

**2.3.4.** Meeromzet uit negatief kassaldo

Het proces-verbaal van 6 juli 1999 stelt duidelijk dat het bedrag van 231.333 frank (5.734,60 euro) het hoogste negatief kassaldo is dat in de boekhouding voor het inkomstenjaar van 1995 terug te vinden is. Dat is een feit waarvoor het proces-verbaal bijzondere bewijswaarde heeft. Eiseres levert daarvan het tegenbewijs niet. De boekhouding werd haar wel degelijk terug bezorgd op 18 december 1998 (stuk 15 dossier verweerder). Eiseres was dan ook zeker bij machte om zich op dat feit te verdedigen.

Een negatief kassaldo (een kastekort) beantwoordt aan een toestand waarin geld is uitgegeven zonder dat daartegenover een inkomende verantwoordingspost bestaat. Verweerder kon dan ook met reden vermoeden dat het - ooit beschikbaar en op een bepaald moment uitgegeven geld afkomstig was van handelsverkopen die niet waren aangegeven. Eiseres weerlegt dat vermoeden in elk geval niet.

Ook hier kan eiseres niet gevolgd worden.

**2.2.5.** De administratieve boete

De opgelegde boete, nl. 4.759,56 euro, bedraagt 20 % van het dubbele van de verschuldigde BTW (23.833,18 euro). Dat komt neer op 40 %.

Een dergelijke boete heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mocht de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke boete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het' evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).

Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft.

Concreet is de rechtbank in elk geval van oordeel dat een administratieve boete gepast is.

Er moet mee rekening gehouden worden dat het onderzoek naar de feiten voor verweerder bijkomende kosten heeft veroorzaakt en tevens dat de boete een ontradend effect moet hebben.

Rekening houdend met deze elementen en de zwaarwichtigheid van de feiten acht de rechtbank een boete van 3.000 euro in gepaste verhouding tot de vastgestelde feiten.

Voor het deel van de boete dat 3.000 euro overtreft, is het dwangbevel ongegrond.

**2.2.6.** De rentevoet

De toegepaste rentevoet is wettelijk bepaald (art. 91, § 1 W.BTW). Dezelfde rentevoet is trouwens voorzien voor terugbetalingen door de Belgische Staat (art. 91, § 3 W.BTW). Een voet van 0,8 % per maand is niet overdreven voor de betreffende periode.

*3. De gerechtskosten*

Eiseres wordt voor het merendeel in het ongelijk gesteld. In die omstandigheden moet zij negen tienden van de gerechtskosten dragen; verweerder moet een tiende dragen.

### Dispositif

## IV. UITSPRAAK

De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.

Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.

De rechtbank zegt voor recht dat de administratieve boete beperkt wordt tot een bedrag van drieduizend euro (3.000 EUR) en verklaart het dwangbevel van 28 september 1999, uitvoerbaar verklaard op 29 september 1999 en aan eiseres betekend op 5 oktober 1999 ongegrond voor zijn gedeelte dat betrekking heeft op een administratieve boete die het bedrag van 3.000 euro overtreft.

De rechtbank veroordeelt eiseres tot het betalen van negen tienden en verweerder tot het betalen van een één tiende van de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast :

aan de zijde van eiseres :

\- rechtsplegingsvergoeding : 327,22 euro

aan de zijde van verweerder:

rechtsplegingsvergoeding : 327,22 euro

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de **vierde kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge op **negen april tweeduizend en twee**.

De rechtbank is als volgt samengesteld :

**D. V.**, alleenzetelend rechter

**A. V.**, griffier

**A. V.** **D. V.**
