---
title: "8 janvier 2010 · Poursuite, instance · Tribunal de première instance d&#x27;Anvers"
description: "Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor. Tribunal de première instance d'Anvers (Belgique), 8 janvier 2010."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-tribunal-anvers-2010-01-08-8287"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Anvers

**Date**

8 janvier 2010

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

55 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance d'Anvers du 08.01.2010

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**V 0 N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op acht januari tweeduizend en tien in openbare zitting van de 1F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :**

**P. W.**, alleenzetelend rechter,

**N. D.**, griffier.

In zake : AR Nr. **09/7340/A**

**I. NV**, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, … en met uitbatingszetel gevestigd te …, ….

**eisende partij,**

verschijnende bij meester **K. V. C.** loco meester **J. V.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde (Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijk Directeur van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Antwerpen in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van h derde BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, met burelen gevestigd te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

**verwerende partij,**

verschijnende bij meester **A. v. L. d. J.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

\- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 9 november 2009,

\- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers hummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 11 december 2009.

---

De vordering strekt ertoe het dwangbevel Reg. 127/3547, uitgevaardigd op 22 september 2009 en uitvoerbaar verklaard op 25 september 2009, te vernietigen, ondergeschikt het saldo in het voordeel van eiseres ten bedrage van 7.803,16 EUR toe te rekenen op de door haar verschuldigde BTW ten bedrage van 11.829,98 EUR met kwijtschelding van administratieve geldboete, intresten en kosten en verweerder te veroordelen tot de kosten va het geding.

## Beoordeling

## Betreffende de verschuldigde BTW

Het staat ontegensprekelijk vast dat eiseres voor het vierde kwartaal van 2008 en het eerste kwartaal van 2009 nog een bedrag van 11.829,98 EUR verschuldigd is, hetgeen trouwens niet wordt betwist.

Wanneer eiseres wenst dat het saldo op de rekening-courant in haar voordeel op deze openstaande schuld wordt toegerekend, dan dient zij daartoe een schriftelijk verzoek indienen bij het bevoegde BTW-controlekantoor, hetgeen zij echter niet deed.

Het bevoegde BTW-controlekantoor kan alsdan het BTW-tegoed aan een controle onderworpen en ná de eventuele controle tot toerekening overgaan.

Aangezien eiseres echter geen schriftelijk verzoek heeft ingediend bij het bevoegde BTW-controlekantoor, kan het beweerde tegoed dan ook niet worden toegerekend op voornoemde schuld.

Het bestreden dwangbevel werd op 22 september 2009 dan ook terecht uitgevaardigd en er is geen sprake van dat het redelijkheidbeginsel werd geschonden.

## Betreffende overmacht

De verhuis van de maatschappelijke zetel vormt geen overmacht.

## Betreffende de geldboete van 10 %

Het staat ontegensprekelijk vast dat de verschuldigde BTW van 11.829,98 EUR niet werd betaald.

De geldboete van 10 % is wettelijk, voldoende gemotiveerd en bovendien is de rechtbank van oordeel dat deze boete in redelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuk en met de ernst van de feiten.

## Betreffende de rechtsplegingsvergoeding

Om de waarde van de vordering te bepalen kunnen er drie mogelijkheden zich voordoet namelijk :

\- eis is in geld uitgedrukt (artikelen 557 tot 562 Ger.W.);

\- eis is niet in geld uitgedrukt, maar wel in geld waardeerbaar (artikel 592 Ger.W.);

\- eis is zelfs niet in geld waardeerbaar.

Te dezen wordt gevorderd het bestreden dwangbevel te vernietigen, ondergeschikt het sa do in het voordeel van eiseres ten bedrage van 7.803,16 EUR toe te rekenen op de dot haar verschuldigde BTW ten bedrage van 11.829,98 EUR met kwijtschelding van administratieve geldboete, intresten en kosten.

Niettegenstaande het bestreden dwangbevel een som geld tot voorwerp heeft, wordt te de zen gevorderd om het bestreden dwangbevel te vernietigen/ontheffen en om aldus het bedrag van dit dwangbevel niet te moeten betalen zodat er aldus geen som geld wordt geëist.

Bijgevolg is de vordering van eiseres overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 Ger.W. niet in geld uitgedrukt.

Artike12 KB van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Ger.W. bepaalt uitdrukkelijk dat voor geschillen die betrekking hebben op in geld waardeerbare vorderingen het bedrag van de vordering wordt vastgesteld overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 Ger.W. in verband met de b paling van de bevoegdheid en de aanleg; hieruit volgt dat voor de vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding de waarde van de vordering niet kan worden vastgesteld overeenkomstig artikel 592 Ger.W., zijnde een eis die niet in geld is uitgedrukt maar wel in geld waardeerbaar is.

Aangezien de vordering van eiseres overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 Ger. W. niet in geld is uitgedrukt en aangezien - zoals hoger vermeld - voor de vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding de waarde van de vordering niet kan worden vastgesteld overeenkomstig artikel 592 Ger. W., staat het vast dat dit geschil voor (vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding betrekking heeft op een niet geld waardeerbare vordering.

Krachtens artikel 3 van voornoemd KB van 26 oktober 2007 bedraagt het basisbedrag wat de rechtsplegingsvergoeding aldus 1.200,00 EUR, het minimumbedrag 75,00 EUR en he maximumbedrag 10.000,00 EUR.

Geen van de partijen heeft verzocht het basisbedrag te verminderen of te verhogen zodat de rechtbank, dit basisbedrag moet toekennen.

## Betreffende de uitvoerbaar verklaring bij voorraad

Krachtens artikel 92bis W.BTW schorsende termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing zodat huidig vonnis dan ook niet uitvoerbaar bij voorraad kan verklaard worden.

### Dispositif

## OM DEZE REDENEN

**DE RECHTBANK,**

Rechtdoende op **tegenspraak**,

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend,

Verklaart de vordering toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding tot op heden door verweerder begroot op en door de rechtbank ambtshalve vereffend op 1.200,00 EUR rechtplegingsvergoeding.

**N. D.** **P. W.**
