---
title: "30 mars 2007 · Poursuite, instance · Tribunal de première instance d&#x27;Anvers"
description: "Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor. Tribunal de première instance d'Anvers (Belgique), 30 mars 2007."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-tribunal-anvers-2007-03-30-7e0b"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Anvers

**Date**

30 mars 2007

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

64 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance d'Anvers du 30.03.2007

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

***Le jugement est publié uniquement dans la langue originale***

### Corps de la décision

**V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op dertig maart tweeduizend zeven in openbare zitting van de 1F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :**

**P. W.**, enig rechter,

**I. M.**, griffier.

In zake : AR nr. **06/2736/A**

**D. BVBA**, ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….

**eisende partij,**

verschijnende bij meester **V. B.** loco meester **T. H.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijk Directeur van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Antwerpen in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het eerste BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, met burelen gevestigd te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

**verwerende partij,**

verschijnende bij meester **A. v. L. d. J.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

\- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 25 april 2006,

\- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 20 juli 2006,

\- de conclusie van verwerende partij neergelegd ter griffie op 1 juni 2006,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 2 maart 2007.

---

De vordering strekt ertoe de bestreden beslissingen van 31 maart 2006 en 10 april 2006 te vernietigen, dienvolgens voor recht te zeggen dat de tot op heden toegerekende intresten en boetes worden kwijtgescholden, eiseres te machtigen het saldo van de hoofdsom af te korten à rato van 3.000,00 EUR per maand en verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding.

## Beoordeling

## Betreffende de opgelegde geldboete

De geldboete, die werd opgelegd ingevolge de niet-tijdige betaling van de BTW, is wettelijk.

Verder is de rechtbank van oordeel dat deze boete in redelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuk en met de ernst van de feiten.

## Betreffende de kwijtschelding van de intresten

Krachtens artikel 569, lid 1, 32° Ger. W. is de rechtbank van eerste aanleg exclusief bevoegd om kennis te nemen van de geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet.

Bijgevolg is de rechtbank van eerste aanleg bevoegd om uitspraak te doen over de wettelijkheid van om het even welke individuele toepassing van een belastingnorm, terwijl de Raad van State sedert 6 april 1999 enkel nog bevoegd is om uitspraak te doen over normatieve fiscale rechtshandelingen of in de gevallen waarin de wet de beoordelingsbevoegdheid expliciet aan de Raad van State heeft toegewezen (Gedr. St. Kamer 1997-98, nummer 1341/1, 35 : "Sommige individuele fiscale rechtshandelingen - zoals het (niet-) vrijstellen van de betaling van nalatigheidsintresten (artikel 417 WIB 92) - konden tot dusver, bij gebreke aan bijzondere bevoegdheid van de rechterlijke macht, slechts bij de Raad van State worden aangevochten").

De vordering van eiseres tot kwijtschelding van nalatigheidsintresten is onmiskenbaar een geschil betreffende de individuele toepassing van een belastingwet, waarvan de beoordelingsbevoegdheid niet expliciet is toegewezen aan de Raad van State, zodat de rechtbank bevoegd is en de vordering derhalve toelaatbaar is.

Krachtens artikel 84bis W.BTW mag de bevoegde gewestelijke directeur van de BTW, registratie en domeinen, onder door hem bepaalde voorwaarden, in bijzondere gevallen vrijstelling verlenen voor alle in artikel 91, § 1 en 2 bedoelde intresten of voor een deel ervan.

Uit artikel 84bis W.BTW volgt dat eiseres geen subjectief recht heeft te worden vrijgesteld van haar wettelijke verplichting om nalatigheidsintresten te betalen en dat de mogelijkheid om deze vrijstelling te bekomen een gunstmaatregel is die, volgens de tekst van dit artikel, enkel kan verleend worden door de gewestelijke directeur.

Alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van de gewestelijke directeur valt, valt met volle rechtsmacht onder de controle van de rechtbank, behoudens wanneer een bijzondere bepaling uitdrukkelijk aan de gewestelijke directeur een discretionaire bevoegdheid toekent omtrent een te nemen beslissing, in welk geval de rechtbank de gewestelijke directeur zijn beoordelingsvrijheid niet mag ontnemen en niet in zijn plaats mag treden (vergelijk Cass. 4 maart 2004 inzake rolnummer C030346N, http://www.cass.be , Cass. 17 april 2000, **Arr.Cass.** 2000, 258 en Cass. 2 februari 1998, **R.W.** 1998-99, 1142).

Nu eiseres geen subjectief recht heeft te worden vrijgesteld van haar wettelijke verplichting om nalatigheidsintresten te betalen en nu artikel 84bis W.BTW uitdrukkelijk aan de gewestelijke directeur een discretionaire bevoegdheid toekent omtrent de vrijstelling van de nalatigheidsintresten, mag de rechtbank niet in de plaats treden van de gewestelijke directeur.

Bovendien dient te worden opgemerkt dat de verschuldigdheid van nalatigheidsintresten een loutere schadeloosstelling is wegens de vertraging in de betaling van de BTW schuld zodat deze verschuldigdheid geenszins een straf is en aldus geen strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6.1 EVRM.

Aangezien fiscale geschillen geen geschillen zijn over burgerlijke rechten en verplichtingen in de zin van artikel 6.1 EVRM en aangezien de verschuldigdheid van nalatigheidsintresten evenmin een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6.1 EVRM, heeft de rechtbank over deze verschuldigdheid geen controle met volle rechtsmacht op grond van artikel 6.1 EVRM (vergelijk EHRM 14 september 2004, **F.J.F.** 2005/126, EHRM 12juli 2001, **T.F.R.** 2001/94 en Cass., 23 jan. 1992, **Pas.**, 1992, I, nr. 269, p. 453).

Bijgevolg heeft de rechtbank geen rechtsmacht om vrijstelling van nalatigheidsintresten te verlenen en heeft zij enkel rechtsmacht om te oordelen over de wettelijkheid van de bestreden beslissing van de gewestelijke directeur.

De beslissing van de gewestelijke directeur dient te beantwoorden aan de motiveringsvereiste van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.

De bestreden beslissing beantwoordt aan deze motiveringsvereiste wanneer deze beslissing door haar inhoud geen twijfel laat omtrent de juridische en feitelijke overwegingen die hieraan ten grondslag liggen en die op voldoende wijze aan de belastingschuldige kenbaar moeten worden gemaakt teneinde hem toe te laten de gegrondheid ervan te beoordelen.

Bij de motiveringsverplichting wordt een onderscheid gemaakt naargelang de administratie een gebonden bevoegdheid dan wel een discretionaire bevoegdheid uitoefent :

\- gebonden bevoegdheid, dit is wanneer de wet de inhoud of het voorwerp van de beslissing bepaalt die het bestuur moet nemen zodra de gestelde voorwaarden vervuld zijn, zodat er van beleidsvrijheid geen sprake is : de motivering speelt hierbij slechts een ondergeschikte rol (P. Van Orshoven, De uitdrukkelijke motivering van administratieve rechtshandelingen, **R.W.** 1991-92, 488),

\- discretionaire bevoegdheid, dit is wanneer de administratie op grond van haar eigen appreciatie al dan niet kan optreden, of de keuze heeft van de maatregel die het meest geschikt voorkomt om het gestelde doel te bereiken : de motivering heeft vooral hierbij belang en de administratie dient dan ook meer uitleg te verschaffen dan bij een gebonden bevoegdheid.

De gewestelijke directeur beschikt met betrekking tot de ''bijzondere gevallen" bedoeld in artikel 84bis W.BTW over een zeer ruime beoordelingsbevoegdheid en hij dient zich niet te voegen naar de ministeriële toelichtingen of circulaires, welke slechts als aanbeveling gelden; de beslissing van de gewestelijke directeur moet berusten op rechtens aanvaardbare motieven die steun vinden in werkelijk bestaande feiten.

Uit artikel 84bis W.BTW volgt aldus dat de gewestelijke directeur een discretionaire bevoegdheid uitoefent zodat de motivering van zijn beslissing dan ook van belang is en er dan ook meer uitleg moet worden verschaft dan bij een gebonden bevoegdheid.

In de bestreden beslissing werd het verzoek tot vrijstelling van nalatigheidsintresten voldoende gemotiveerd afgewezen.

## Betreffende de afbetalingstermijnen

Krachtens artikel 569, lid 1, 32° Ger. W. is de rechtbank van eerste aanleg exclusief bevoegd om kennis te nemen van de geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet.

Bijgevolg is de rechtbank van eerste aanleg bevoegd om uitspraak te doen over de wettelijkheid van om het even welke individuele toepassing van een belastingnorm, terwijl de Raad van State sedert 6 april 1999 enkel nog bevoegd is om uitspraak te doen over normatieve fiscale rechtshandelingen of in de gevallen waarin de wet de beoordelingsbevoegdheid expliciet aan de Raad van State heeft toegewezen (Gedr. St. Kamer 1997-98, nummer 1341/1, 35 : "Sommige individuele fiscale rechtshandelingen - zoals het (niet-) toestaan van uitstel van betaling of afbetaling van de belasting (artikel 10 wet 15 mei 1846, thans artikel 66 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit) - konden tot dusver, bij gebreke aan bijzondere bevoegdheid van de rechterlijke macht, slechts bij de Raad van State worden aangevochten").

De vordering van eiseres tot afbetalingstermijnen is onmiskenbaar een geschil betreffende de individuele toepassing van een belastingwet, waarvan de beoordelingsbevoegdheid niet expliciet is toegewezen aan de Raad van State, zodat de rechtbank bevoegd is en de vordering derhalve toelaatbaar is.

Krachtens artikel 66 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit (KB van 17 juli 1991) is de ontvanger, als rekenplichtige van de schatkist, aansprakelijk voor de invordering van de belastingen, waarvan de inning hem is toevertrouwd.

Uit voornoemd artikel 66 volgt dat eiseres geen subjectief recht heeft te worden vrijgesteld van haar wettelijke verplichting om belastingen te betalen binnen de door de wet gestelde termijn en dat de mogelijkheid om afbetalingstermijnen te bekomen een gunstmaatregel is die enkel kan verleend worden door de ontvanger der belastingen; het toestaan van afbetalingstermijnen gebeurt immers onder zijn persoonlijke verantwoordelijkheid.

Alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van de ontvanger der belastingen valt, valt met volle rechtsmacht onder de controle van de rechtbank, behoudens wanneer een bijzondere bepaling uitdrukkelijk aan de ontvanger een discretionaire bevoegdheid toekent omtrent een te nemen beslissing, in welk geval de rechtbank de ontvanger zijn beoordelingsvrijheid niet mag ontnemen en niet in zijn plaats mag treden (vergelijk Cass. 4 maart 2004 inzake rolnummer C030346N, http://www.cass.be , Cass. 17 april 2000, **Arr.Cass.** 2000, 258 en Cass. 2 februari 1998, **R.W.** 1998-99, 1142).

Nu eiseres geen subjectief recht heeft te worden vrijgesteld van haar wettelijke verplichting om belastingen te betalen binnen de door de wet gestelde termijn en nu voornoemd artikel 66 aan de ontvanger der belastingen een discretionaire bevoegdheid toekent omtrent het toestaan van afbetalingstermijnen, mag de rechtbank niet in de plaats treden van de ontvanger.

Bijgevolg heeft de rechtbank geen rechtsmacht om afbetalingstermijnen toe te staan.

De beslissing van de ontvanger der belastingen dient te beantwoorden aan de motiveringsvereiste van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.

In de bestreden beslissing werd het verzoek tot afbetalingstermijnen voldoende gemotiveerd afgewezen.

### Dispositif

## OM DEZE REDENEN

**DE RECHTBANK,**

rechtdoende op **tegenspraak**,

alle andere en strijdige conclusies verwerpend,

Verklaart de vordering toelaatbaar.

Verklaart de vordering ongegrond wat betreft de vernietiging van de bestreden beslissingen en de kwijtschelding van de opgelegde geldboete en verklaart zich zonder rechtsmacht om afbetalingstermijnen en kwijtschelding van intresten toe te staan.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding tot op heden door verweerder begroot op 356,98 EUR rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op 182,20 EUR rechtsplegingsvergoeding.

**I. M.** **P. W.**
