---
title: "2f379e0c · 9 mars 2010 · Poursuite, instance · Cour d&#x27;appel de Gand"
description: "Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, droit à déduction de l’impôt, exonération, autre exemption. Cour d'appel de Gand (Belgique), 9 mars 2010."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-cour-appel-gand-2010-03-09-2f37"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Gand

**Date**

9 mars 2010

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

138 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 09.03.2010

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Hof van beroep te Gent 5****e** **kamer - terechtzitting van 09-03-2010**

Nr. **2009/AR/89**

in de zaak van :

**I. NV**, met maatschappelijke zetel te …, …; ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer ….

**appellante,**

hebbende als raadsman mr. **H. W.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**DE BELGISCHF STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, in de persoon van en vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, en voor de Rekenplichtige ambtenaar van de Administratie van de Invordering, de e.a. inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Oostende, wiens kantoren gevestigd zijn te 8400 OOSTENDE, Vrijhavenstraat 1,

**geïntimeerde,**

hebbende als raadsman mr. **D. S. L.**, advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

## 1. Procedure

Bij verzoekschrift van 12 januari 2009 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, vierde kamer, op 6 oktober 2008 werd uitgesproken. In het bestreden vonnis werden de zaken met rolnummers … en … gevoegd, werd de vordering van de appellante ontvankelijk verklaard maar als ongegrond afgewezen; de appellante werd in de kosten verwezen.

Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis teniet te doen en van het Hof te bekomen dat het als volgt uitspraak zou doen :

*Dienvolgens het bestreden vonnis gewezen door de Vierde Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge d.d. 6 oktober 2008 in de gevoegde zaken met rolnummer … respectievelijk … te vernietigen en van onwaarde te verklaren in de gevraagde mate;*

*Het dwangbevel Reg. … voor de vordering RCIV nr. …, uitgevaardigd door de heer* ***E. D. D.*** *op 22 november 2006 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer* ***R. L.****, wnd. Gewestelijk Directeur van de BTW te Brugge, te vernietigen en van nul en generlei waarde te verklaren en te zeggen voor recht dat de ermee van concluante gevorderde bedragen door haar niet verschuldigd zijn;*

*Het dwangbevel Reg. … voor de vordering RCIV nr. …, uitgevaardigd door de heer* ***E. D. D.*** *op 19 november 2007 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer* ***P. D. B.****, E.a. Inspecteur a.i. aangewezen door de Gewestelijk Directeur van de BTW te Brugge, te vernietigen en van nul en generlei waarde te verklaren en te zeggen voor recht dat de ermee van concluante gevorderde bedragen door haar niet verschuldigd zijn; Geïntimeerden te veroordelen om alle ten onrechte door concluante betaalde bedragen, aan concluante terug te betalen, meer interesten overeenkomstig artikel 91, § 1, 4° W.BTW;*

*Geïntimeerden te veroordelen tot de kosten van het geding, in elk geval tot betaling van de dagvaardingskosten van … EUR en van … EUR (stuk 24) en de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger. W. aan de zijde van concluante begroot op … EUR, samen … EUR*.

De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis. De geïntimeerde vraagt tevens dat het Hof de appellante zou veroordelen tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen, samen vastgesteld op … euro rechtsplegingsvergoeding.

De partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies.

## 2. Feitelijke gegevens

Met het oog op de realisatie van vastgoed projecten hebben de appellante en de NV **O. I.** een "vereniging in deelneming" - thans "stille handelsvennootschap" - opgericht.

De NV **O. I.**, eigenaar van de gronden waarop de vastgoedprojecten zouden worden opgericht, verleende daartoe aan de appellante een recht van opstal. De derden-kopers kochten de nieuwe gebouwen van de appellante en de grond van de NV **O. I.**.

Op 17 november 2005 ondertekende de appellante een door geïntimeerde opgestelde "akte van verzaking aan de gelopen termijn van verjaring" voor … euro BTW, … euro verminderde geldboete en interesten vanaf 21 januari 2003. De BTW-schuld werd verduidelijkt in een bijgevoegde lijst waarin inkomende facturen over de periode van 31 januari 2002 tot 31 december 2002 waren opgenomen.

Op 20 februari 2006 ondertekende de appellante een door geïntimeerde opgestelde "akte van verzaking aan de gelopen termijn van verjaring" voor … euro BTW, … euro verminderde geldboete en interesten vanaf 21 januari 2004. Ook hier was een lijst met inkomende facturen gevoegd, deze keer over de periode van 9 januari 2003 tot 31 december 2003.

Met een brief van 15 maart 2006 verzond de controleambtenaar een correctieopgave aan de appellante, waarin van haar … euro BTW, … euro geldboete en interesten werden gevorderd. Aan de correctieopgave waren dezelfde hoger genoemde lijsten gehecht. In de correctieopgave werd verduidelijkt dat de aftrek van de BTW over deze inkomende facturen werd beperkt overeenkomstig een algemeen verhoudingsgetal.

Voor de inkomende facturen van het kalenderjaar 2002 werd dit algemeen verhoudingsgetal bepaald op …/… of 84,32 %, afgerond op 85 %. Voor de inkomende facturen van het kalenderjaar 2003 werd dit algemeen verhoudingsgetal bepaald op …/… of 82,90 %, afgerond op 83 %.

Met een brief van 31 maart 2006 verklaarde de appellante zich niet akkoord met die vordering.

Op 20 juli 2006 verzond de controleambtenaar een "verbeterde correctieopgave" aan de appellante, waarin van haar nu … euro BTW, … euro geldboete en interesten werden gevorderd. Er werd verduidelijkt dat nu een ander algemeen verhoudingsgetal werd gehanteerd.

Voor de inkomende facturen van het kalenderjaar 2002 werd dit algemeen verhoudingsgetal bepaald op …/… of 73,31 %, afgerond op 74%. Voor de inkomende facturen van het kalenderjaar 2003 werd dit algemeen verhoudingsgetal bepaald op …/… of 73,13 %, afgerond op 74 %.

Gelet op de ingetreden verjaring, werd het gevorderde bedrag in de "verbeterde correctieopgave" met betrekking tot het kalenderjaar 2002 beperkt tot het gevorderde bedrag in de aanvankelijke "correctieopgave" van 15 maart 2006, waarvoor op 17 november 2005 een "akte van verzaking aan de gelopen tijd van de verjaring" door de appellante was ondertekend.

Met een brief van 2 november 2006 verklaarde de appellante zich niet akkoord met deze vordering.

Op 20 november 2006 zond de geïntimeerde een afschrift aan de appellante van het proces-verbaal dat op diezelfde dag was opgesteld door de controleambtenaar. In dit proces-verbaal wordt een vordering verwoord ten aanzien van de appellante van … euro als BTW, … euro als geldboete en interesten gerekend aan 0,8 % per maand vertraging vanaf 21 april 2004 over een bedrag van … euro.

Met een aangetekende brief van 30 november 2006 werd door de geïntimeerde aan de appellante kennis gegeven van een dwangbevel (RCIV-nr. …), uitgevaardigd door de heer **E. D. D.** op 22 november 2006 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer **R. L.**, wnd. Gewestelijk Directeur van de BTW te Brugge. Met dit dwangbevel werd betaling gevorderd van de bedragen genoemd in het bijgevoegd proces-verbaal van 20 november 2006.

Op 5 december 2006 betaalde de appellante de gevorderde bedragen, weliswaar onder voorbehoud en louter teneinde bewarende maatregelen te vermijden.

Bij dagvaarding van 5 juli 2007 tekende de appellante voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge verzet aan tegen het voormelde dwangbevel met vordering tot terugbetaling van alle ten onrechte ten nadele van de appellante ingehouden of door de appellante betaalde bedragen, meer moratoriuminteresten (rolnummer …).

Op 18 april 2007 verzond de controleambtenaar, naar aanleiding van een BTW-controle van 16 april 2007 voor de periode van 1 januari 2004 tot 31 maart 2006 een volgende correctieopgave aan de appellante.

Bij brief van 4 mei 2007 deelde de appellante haar niet-akkoord met deze correctieopgave mee.

Op 3 augustus 2007 werd een nieuwe BTW-controle met betrekking tot voormelde periode aangekondigd voor 6 september 2007. Op 19 september 2007 verzond de controleambtenaar voor de periode van 1 januari 2004 tot 31 maart 2006 opnieuw een correctieopgave aan de appellante, waarin van haar … euro als BTW, … euro als geldboete, meer interesten over een bedrag van … euro van 21 april 2006 werden gevorderd. In de correctieopgave werd verduidelijkt dat de aftrek van BTW over bepaalde inkomende facturen werd beperkt overeenkomstig een verhoudingsgetal.

Voor de inkomende facturen met betrekking tot administratiekosten en managementfees van het kalenderjaar 2004 werd dit verhoudingsgetal in de "correctieopgave" bepaald op … euro/… euro of 87,42 %, afgerond op 87 %. Voor de effectieve berekening van BTW die ten onrechte zou zijn afgetrokken werd in de bijlage echter uitgegaan van een verhoudingsgetal van 83 %.

Voor de inkomende facturen met betrekking tot administratiekosten en managementfees van het kalenderjaar 2005 werd dit verhoudingsgetal bepaald op … euro/… euro of 95,49 %, afgerond op 95 %.

Voor de inkomende facturen met betrekking tot commissies en publiciteit met betrekking tot het project te … werd dit verhoudingsgetal bepaald op 70 %.

Voor de inkomende facturen met betrekking tot commissies en publiciteit met betrekking tot het project te … werd dit verhoudingsgetal bepaald op 75 %.

Met een brief van 3 oktober 2007 verklaarde de appellante zich niet akkoord met deze vordering.

Op 5 oktober 2007 verzond de controleambtenaar een herberekende correctieopgave aan de appellante, waarin van haar … euro als BTW, … euro als geldboete en de interesten werden gevorderd. De herberekening was ingegeven door het feit dat op het berekeningsblad "bijlage 1" 83 % was toegepast in plaats van 87 %.

Met brief d.d. 9 oktober 2007 verklaarde de appellante zich niet akkoord met deze vordering.

Op 24 oktober 2007 werd door de geïntimeerde een afschrift aan de appellante overgemaakt van het proces-verbaal dat diezelfde dag was opgesteld door de controleambtenaar. In dit proces-verbaal werd een vordering opgenomen ten aanzien van de appellante van … euro als BTW, … euro als geldboete en interesten vanaf 21 april 2006 over een bedrag van … euro.

Voor de inkomende facturen met betrekking tot administratiekosten en managementfees van het kalenderjaar 2004 werd het verhoudingsgetal opnieuw bepaald op … euro/… euro of 87,42 %, nu afgerond op 88 %.

Voor de inkomende facturen met betrekking tot administratiekosten en managementfees van het kalenderjaar 2005 werd het verhoudingsgetal opnieuw bepaald op … euro /… euro of 95,49 %, nu afgerond op 96 %.

Voor de inkomende facturen met betrekking tot commissies en publiciteit met betrekking tot het project te … werd het verhoudingsgetal bepaald op 70 %.

Voor de inkomende facturen met betrekking tot commissies en publiciteit met betrekking tot het project te … werd het verhoudingsgetal bepaald op 75 %.

Met een aangetekende brief van 22 november 2007 werd aan de appellante kennis gegeven van een dwangbevel (RCIV nr. …), uitgevaardigd door de heer **E. D. D.** op 19 november 2007 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer **P. D. B.**.

In dit dwangbevel werd betaling van de bedragen op basis van het hoger genoemde proces-verbaal van 24 oktober 2007 gevorderd.

Bij brief van 5 december 2007 deelde de advocaat van de appellante mee dat de appellante zou overgaan tot betaling onder voorbehoud van de bedragen die in voormelde dwangbevel gevorderd werden, gelet op de aangekondigde uitvoeringsmaatregelen. Deze betaling werd gedaan onder voorbehoud van alle rechten en zonder enige nadelige erkenning of bekentenis.

Bij dagvaarding van 20 december 2007 tekende de appellante tegen dat dwangbevel verzet aan voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge (rolnummer …). Er werd terugbetaling van alle ten onrechte ten nadele van de appellante ingehouden of door de appellante betaalde bedragen, meer moratoriuminteresten gevorderd.

De vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge heeft in zijn vonnis van 6 oktober 2008 geoordeeld zoals hoger vermeld. Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.

## 3. Grieven en argumenten van de partijen

3.1. Standpunt van de appellante

Volgens de appellante gaat de geïntimeerde er ten onrechte van uit dat de appellante de verkoper van de grond was in de betreffende vastgoedprojecten vermits zij nooit eigenaar was van de grond. Daarom zou er door de appellante geen van de BTW vrijgestelde omgezet gerealiseerd zijn 'door het verkopen van gronden'.

De geïntimeerde zou ten onrechte veronderstellen dat de NV **O. I.** haar gronden zou hebben ingebracht in de stille handelsvennootschap die zij met de appellante had opgericht, waardoor de appellante 'vermoed' zou worden de gronden zelf te hebben verworven en vervolgens te hebben doorverkocht. Een dergelijke inbreng zou nooit hebben plaats gevonden. Er zou alleen een recht van opstal zijn verleend waarmee de grond ter vrije beschikking van de appellante zou zijn gesteld. Het doel van de stille handelsvennootschap zou wel degelijk kunnen gerealiseerd worden zonder inbreng van de gronden.

De conclusie van de appellante is dat zij geen gronden verkocht en dus geen omzet realiseerde die van de BTW is vrijgesteld zodat zij geen gemengde belastingplichtige was en ten onrechte het algemeen verhoudingsgetal werd toegepast zoals voorzien in artikel 46 W.BTW.

De eerste rechter zou de geïntimeerde ten onrechte bijgetreden hebben en daarbij een onjuiste toepassing gemaakt hebben van artikel 13 W.BTW. De voorwaarden voor dat artikel zouden niet vervuld zijn omdat zij nooit een op haar naam gestelde factuur, debetnota of ander daarmee gelijkstaand stuk zou uitgereikt hebben aan de kopers met betrekking tot de verkoop van de gronden. Bijgevolg zou de appellante niet als verkoopcommissionair met betrekking tot de grond in de zin van artikel 13 W.BTW kunnen worden aangezien.

Subsidiair beroept de appellante zich op de rechtspraak van het Hof van Justitie, meer bepaald op het arrest Breitsohl (C-400-98). De levering van zowel het nieuwe gebouw als van de bijhorende grond zouden (beide steeds) aan de BTW moeten onderworpen worden. Ook om die reden zou er geen van de BTW vrijgestelde omzet kunnen zijn gerealiseerd en zou er geen aanleiding bestaan voor de toepassing van een algemeen verhoudingsgetal. Dat de appellante een beroepsoprichter is, zou in dat verband niet relevant zijn. Het zou ook niet van tel zijn dat de appellante zelf de door haar ingeroepen regeling (het geheel aan BTW onderwerpen) niet gevolgd heeft. De appellante stelt enerzijds dat zij zelf de grond niet verkocht (en dus over de toepassing van het registratierecht in plaats van de BTW niet kon beslissen) en anderzijds dat het de geïntimeerde zelf is die nog altijd haar wetgeving niet heeft (had) aangepast waardoor de verkoop van grond buiten de BTW-sfeer valt.

Op het procedurele vlak stelt de appellante dat de eerste rechter terecht geoordeeld heeft dat de vorderingen rechtsgeldig bij dagvaarding werden ingesteld.

De appellante betwist dat zij de kosten van de dagvaardingen zelf zou moeten dragen omdat ze de vorderingen evengoed bij verzoekschrift had kunnen indienen. Ze stelt dat ze de vorderingen niet 'tegen de belastingadministratie' heeft ingesteld zoals in artikel 1385decies Ger. W. voorzien, maar wel 'tegen de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën'. Daarenboven, zo stelt de appellante, heeft ze de vordering tot vernietiging van het dwangbevel ook tegen de 'rekenplichtige ambtenaar, e.a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Oostende' in persoon gesteld, wat volgens haar noodzakelijk, minstens opportuun zou zijn. Deze vordering zou niet onder artikel 1385decies Ger. W. vallen maar onder artikel 700 Ger. W.

3.2. Standpunt van de geïntimeerde

De geïntimeerde voert aan dat ten aanzien van de stille handelsvennootschappen, wat de BTW betreft, toepassing moet gemaakt worden van het commissionair principe zoals voorzien in de artikelen 13 en 20 W.BTW. Op basis van die wetsartikelen zou de beheerder die voor rekening van de stille handelsvennootschap met derden handelt (de appellante) geacht worden enerzijds de door de andere vennoten gedane inbrengen te hebben ontvangen en anderzijds, aan de derden, met wie hij op eigen naam doch voor rekening van de stille handelsvennootschap overeenkomsten sluit, goederen (waaronder de ingebrachte goederen) te leveren of diensten te verlenen. Bovendien zouden de aan derden voor rekening van de stille handelsvennootschap gedane leveringen van goederen en dienstverleningen geacht worden door de beheerder zelf (de appellante) te zijn verricht, waardoor deze ten aanzien van die handelingen alle verplichtingen zou moeten nakomen die normaal rusten op belastingplichtigen (hier de NV **O. I.**) die goederen leveren en diensten verstrekken in de zin van het BTW-wetboek. De door derden aan de beheerder (de appellante) voor rekening van de stille vennootschap gedane leveringen van goederen en dienstverleningen (o.a. publiciteit) zouden worden geacht te zijn verricht aan de beheerder die daarvoor de factuur ontvangt en de belastingen op die leveringen en dienstverleningen mag aftrekken volgens de normale regels.

Concreet, zo stelt de geïntimeerde, kan het doel van de stille handelsvennootschap niet gerealiseerd worden zonder verkoop van de gronden, vermits deze samen met de verkoop van de nieuwe gebouwen moet plaatsvinden, zodat de gronden geacht worden te zijn ingebracht in de stille handelsvennootschap. De vermelding van de NV **O. I.** in de verkoopovereenkomsten met de derden zou uitsluitend gebeuren om de juridische eigendomsoverdracht van de grond te regelen. Deze vaststelling zou geen afbreuk doen aan het commissionair principe.

De appellante zou aldus geacht worden ten aanzien van derden de verkoper van zowel de gronden als de gebouwen te zijn, waardoor ze een gemengde belastingplichtige werd.

De geïntimeerde wijst er op dat de verkoopcommissies die betaald moesten worden naar aanleiding van de verkopen van de vastgoedprojecten, volledig en uitsluitend aan de appellante werden gefactureerd, dus ook voor het deel dat betrekking heeft op de gronden. Het zou onjuist zijn dat de activiteit van de appellante slechts zou bestaan uit de verkoop van gebouwen omdat de appellante op grond van de overeenkomst inzake de stille handelsvennootschap er toe zou gehouden zijn om al het nodige te doen voor de realisatie van de gebouwen en de gronden.

Vermits voor het gedeelte van de omzet die de appellante - krachtens de vermelde fictie - met betrekking tot de verkoop van gronden heeft gerealiseerd, een vrijstelling van BTW geldt, zou de geïntimeerde terecht toepassing gemaakt hebben van het algemeen verhoudingsgetal voorzien in artikel 46 W.BTW.

Met betrekking tot het Breitsohl-arrest roept de geïntimeerde in dat de Belgische Staat haar vroeger bestaande vrijstelling van BTW wat verkoop van gronden betreft, heeft kunnen handhaven op basis van [artikel 371 van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-371). Het Breitsohl-arrest zou zich over de Duitse regeling uitspreken waarin geen opsplitsing tussen gronden en gebouwen zou bestaan, maar slechts de keuze voor het geheel zonder of het geheel met BTW te verkopen. In het arrest zou het ook om een toevallige belastingplichtige gaan en geen beroepsverkoper zoals de appellante. Voorts laat de geïntimeerde gelden dat de appellante de toepassing vraagt van een regeling die ze zelf niet heeft toegepast vermits de verkoop van de grond niet met BTW werd gedaan.

Wat de procedure betreft erkent de geïntimeerde dat de appellante op rechtsgeldige wijze haar vorderingen met een dagvaarding kon instellen. Ze stelt evenwel dat de vordering op grond van artikel 1385decies Ger. W. gewoon met een verzoekschrift kon, zodat de kosten van de dagvaarding steeds ten laste van de appellante zouden moeten blijven.

## 4. Beoordeling

De vordering van de geïntimeerde is gesteund op de veronderstelling dat tussen de appellante en de NV **O. I.** een commissionair relatie bestaat. In het bijzonder wordt deze relatie vermoed wegens de samenwerking in een vereniging in deelneming (stille handelsvennootschap).

De geïntimeerde legt met haar stuk 9 een kopie voor van een overeenkomst, getiteld "vereniging in deelneming”, zonder datum, waarbij tussen de NV **I. O.** en de appellante afgesproken wordt dat de appellante de promotor zal zijn van enkele vastgoedprojecten waarvoor de NV **I. O.** de grondeigenaar is. De vereniging heeft tot doel *het winstgevend realiseren van voormeld te bouwen of in aanbouw zijnde vastgoedprojecten samen met voornoemde grond*.

Er werd bedongen dat de NV **I. O.** de gronden te vrijer beschikking zou stellen van de appellante, terwijl de appellante het totale concept van de projecten, de administratie, de technische begeleiding en de verkoop zou voeren, zowel wat de grond als wat de bouwwerken betreft.

Het vrij ter beschikking stellen van de gronden door de NV **I. O.** aan de appellante werd gerealiseerd toen de eerste bij notariële akte van 27 maart 2003 ten voordele van de appellante verzaakte aan het recht van natrekking en toelating tot bouwen op haar gronden verleende.

De vraag is of de appellante in het kader van deze stille handelsvennootschap daadwerkelijk als verkoopcommissionair werd aangesteld, en deze taak werkelijk vervulde.

De geïntimeerde beroept zich daartoe op het vermoeden voorzien in artikel 13 W.BTW (wat de levering van goederen betreft) en artikel 20 W.BTW (wat het verstrekken van diensten betreft).

De artikelen 13 en 20 W.BTW luiden als volgt :

*Art 13.*

*§1. De inkoopcommissionair wordt aangemerkt als koper en, ten opzichte van zijn lastgever, als verkoper van het goed dat door zijn toedoen wordt gekocht; de verkoopcommissionair wordt aangemerkt als verkoper en, ten opzichte van zijn lastgever, als koper van het goed dat door zijn toedoen wordt verkocht.*

*§ 2. Als commissionair wordt aangemerkt niet alleen hij die op eigen naam of onder firma voor rekening van een lastgever handelt, maar ook de tussenpersoon bij inkoop of de tussenpersoon bij verkoop, die in enigerlei hoedanigheid een op zijn naam gestelde factuur, debetnota of ander daarmee gelijkstaand stuk respectievelijk van de verkoper ontvangt of aan de koper uitreikt.*

*§ 3. Voor de toepassing van de §§ 1 en 2 hoeft ten aanzien van inkoop- of verkoopcombinaties niet te worden nagegaan of zij al dan niet zijn opgericht in de vorm van een vennootschap of vereniging met rechtspersoonlijkheid.*

*Art. 20.*

*§ 1. Onder voorbehoud van de toepassing van § 2 hierna, wordt een commissionair of een andere tussenpersoon als bedoeld in artikel 13, § 2, die tussenkomst verleent bij diensten, geacht die diensten zelf te hebben ontvangen en zelf te hebben verstrekt.*

*Artikel 13, § 3, is mede van toepassing op deze bepaling.*

*§ 2. De bepalingen van § 1 zijn niet van toepassing op :*

*1°* *de reisbureaus in de zin van artikel 1, § 7, eerste lid, 2°;*

*2°* *de tussenpersonen in reizen beoogd in artikel 1, § 7, tweede lid, 2°.*

Op basis van artikel 13, § 2 W.BTW is vereist dat de appellante op eigen naam of onder firma voor rekening van de NV **I. O.** handelde ten aanzien van derden, en/of dat de appellante een op haar naam gestelde factuur, debetnota of een andere daarmee gelijkstaand stuk aan de kopers uitreikte.

Waar in de overeenkomst tot oprichting van de stille handelsvennootschap uitdrukkelijk voorzien is dat de appellante het totale concept van de projecten, de administratie, de technische begeleiding en de verkoop zal voeren ten behoeve van de realisatie van de vastgoedprojecten, zowel wat de grond als de bouwwerken betreft, staat vast dat de NV **I. O.** in dat verband als lastgever optrad en dat de appellante als opdracht had daartoe in eigen naam het nodige te doen Dat bij de eigendomsoverdracht de appellante niet optrad als eigenaar (wat juridisch niet mogelijk zou zijn geweest), belet niet dat de appellante ten aanzien van derden de gehele promotie (gericht op de verkoop van onder andere de grond) in eigen naam waarnam, Deze vaststelling volstaat om als commissionair in de zin van artikel 13, § 2 W.BTW beschouwd te worden.

Van dan af, beroept de geïntimeerde zich terecht op artikel 13, § 1, tweede zin W.BTW dat immers - voor de toepassing van de BTW - voorziet dat de appellante als verkoopcommissionair (ten aanzien van derden) als verkoper wordt aangemerkt en ten aanzien van haar lastgever (de NV **I. O.**) als koper wordt beschouwd van het goed (hier meer bepaald de grond) dat door haar toedoen wordt verkocht. Het is op die manier dat de geïntimeerde kennelijk ertoe komt te stellen dat de grond geacht moet worden te zijn ingebracht in de stille handelsvennootschap. Afgezien van de vraag of beroep moet worden gedaan op een dergelijke vermoede inbreng, staat in elk geval vast dat de geïntimeerde zich - voor de toepassing van de BTW - kan beroepen op de fictie van artikel 13, § 1 W.BTW dat de grond aan de appellante werd overgedragen en dat de appellante vervolgens de verkoper van de grond was.

Op basis van deze fictie heeft de geïntimeerde geoordeeld dat een deel van de omzet die de appellante in de betrokken periodes gerealiseerd heeft, betrekking heeft op van BTW vrijgestelde handelingen, namelijk gelet op artikel 44, § 3, 1°, a) W.BTW. De geïntimeerde heeft de appellante vervolgens als gemengde belastingplichtige beschouwd en haar recht op aftrek van voorbelasting geweigerd in verhouding tot het aandeel van BTW vrijgestelde omzet in de totale omzet van de appellante (zie hoger in het feitenrelaas).

De appellante laat nochtans met reden gelden dat de Belgische wetgeving, waar ze er toe leidt dat bij de verkoop met BTW van een geheel van gronden met een gebouw of een gedeelte van een gebouw, slechts op het gebouw of gedeelte van het gebouw BTW verschuldigd is terwijl de grond onder de hoger genoemde vrijstelling valt, strijdig is met de zesde richtlijn nr. 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977.

Zoals de appellante betoogt, werd dit al aangenomen door het Hof van Justitie in het arrest Breitsohl van 8 juni 2000 (zaak [C-400/98](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-400-98-arret)). Daarin werd bevestigd dat het recht van de Lidstaten om krachtens artikel 28, lid 3, b), de handelingen vermeld onder nr. 16 van bijlage F te blijven vrijstellen, namelijk de leveringen van de in artikel 4, lid 3 van de 6 de richtlijn bedoelde gebouwen en terreinen, niet toelaat om voor de BTW de gebouwen of gedeelten van gebouwen enerzijds en de erbij behorende grond van elkaar te scheiden (randnr. 50 van het arrest). De geïntimeerde beroept zich dus ten onrechte op het standstill-principe. Het systeem waarbij de verkoop van de gebouwen of gedeelten van gebouwen aan BTW onderworpen werd, terwijl de gelijktijdige verkoop van de grond onder de vrijstelling van BTW viel, heeft nooit steun gevonden in de 6 de richtlijn.

Er is geen enkele reden om de vaststelling dat het niet toegelaten is om de gebouwen of gedeelten van gebouwen voor de toepassing van de BTW te scheiden van de grond ingeval van verkoop door een toevallige belastingplichtige, niet door te trekken naar de gevallen van verkoop door een beroepsverkoper.

Het kan ten slotte de appellante niet ten kwade worden geduid dat de verkoop van de grond niet met toepassing van BTW heeft plaatsgevonden, vermits bij de verkopen niets anders gedaan werd dan de bestaande wetgeving te volgen en er geen andere wettelijke mogelijkheid bestond.

De beperking van het recht van aftrek van BTW, op grond van de stelling dat een deel van de omzet voortkwam uit de verkoop van gronden en dus niet aan de BTW onderworpen handelingen, gebeurde dus in strijd met de 6 de richtlijn en wordt dus door de appellante terecht bestreden.

De bestreden dwangbevelen moeten dan ook integraal worden vernietigd, wat betekent dat de vordering van de appellante en haar hoger beroep gegrond zijn.

## 5. De gerechtskosten

De geïntimeerde wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van de beide aanleggen dragen.

5.1. Kosten van dagvaarding

Er kan geen betwisting over bestaan dat artikel 1385decies Ger. W. toepasselijk is. Het betreft immers een betwisting omtrent de toepassing van een belastingwet zoals voorzien in artikel 569, 1 ste lid, 32° Ger. W. waarvoor de vordering wordt ingesteld tegen de belastingadministratie.

De vorderingen ingesteld door de appellante enerzijds *tegen de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën en anderzijds tegen de Rekenplichtige Ambtenaar, E.a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Oostende*, is niets anders dan een vordering ingesteld "tegen de belastingadministratie". Het begrip "de belastingadministratie" vermeld in artikel 1385decies Ger. W. moet immers zeer breed worden uitgelegd en omvat in principe alle organen en onderdelen die de belastingoverheid kunnen vertegenwoordigen. Waar de appellante stelt dat de dagvaarding aan de 'rekenplichtige ambtenaar' aan diens 'persoon' gericht was, is slechts bedoeld die betrokkene aan te spreken als orgaan van de Belgische Staat, lid van de betrokken belastingadministratie; er is immers geen sprake van enige persoonlijke aansprakelijkheid.

Dat het eerste lid van artikel 1385decies Ger. W. voorziet in de inleiding bij wijze van tegensprekelijk verzoekschrift, belet op zich niet dat gebruik gemaakt wordt van een dagvaarding. In dat opzicht is de vermelding in het derde lid van artikel 1385undecies Ger. W. waar bepaald wordt dat een afschrift van de bestreden beslissing bij het verzoekschrift of de dagvaarding wordt gevoegd, niet geheel verwonderlijk.

Dit alles belet nochtans niet dat de partij die er zelf voor kiest om kosten van dagvaarding te maken, terwijl deze kosten overbodig waren omdat de zaak met een verzoekschrift kon worden ingeleid, op onzorgvuldige manier bijkomende kosten veroorzaakt en zelf die kosten van dagvaarding moet dragen (vgl. Cass, 24 april 1978, Arr. Cass., 1978, p. 965-966).

5.2. Rechtsplegingsvergoedingen

Voor de vaststelling van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger. W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moeten, bij gebrek aan verzoek en redenen tot afwijking ervan, de basisbedragen gehanteerd worden.

Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger. W. zich in de schijf van 100.000,01 tot 250.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van … euro toepasselijk.

### Dispositif

**OP DIE GRONDEN,**

**HET HOF,**

recht doende op **tegenspraak**;

gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond, vernietigt het bestreden vonnis, behoudens waar het de vorderingen ontvankelijk verklaarde;

doet opnieuw recht ten gronde;

• vernietigt het dwangbevel (RCIV-nr. …), uitgevaardigd door de heer **E. D. D.** op 22 november 2006 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer **R. L.**, wnd. Gewestelijk Directeur van de BTW te Brugge en zegt voor recht dat de ermee van de appellante gevorderde bedragen door haar niet verschuldigd zijn;

• vernietigt het dwangbevel (RCIV-nr. …), uitgevaardigd door de heer **E. D. D.** op19 november 2007 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer **P. D. B.**, E.a. Inspecteur a.i. aangewezen door de Gewestelijk Directeur van de BTW te Brugge, en zegt voor recht dat de ermee van de appellante gevorderde bedragen door haar niet verschuldigd zijn;

• veroordeelt de geïntimeerde om alle op grond van deze vernietigde dwangbevelen door de appellante betaalde bedragen, aan de appellante terug te betalen, meer de interesten voorzien in artikel 91, § 1, 4° W.BTW;

laat de kosten van dagvaarding ten laste van de appellante;

veroordeelt de geïntimeerde tot het betalen van de overige gerechtskosten van de beide aanleggen, vastgesteld als volgt :

\- aan de kant van de appellante :

• rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : … EUR

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : … EUR

\- aan de kant van de geïntimeerde :

• rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : … EUR

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : … EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, **vijfde kamer**, recht doende in fiscale zaken, op **NEGEN MAART TWEEDUIZEND EN TIEN**.

Aanwezig de Heren :

**A. D. M.**, Kamervoorzitter, Voorzitter,

**G. T.** en **D. V.**, Raadsheren,

**M. V.**, griffier.

**M. V.** **D. V.** **G. T.** **A. D. M.**

## Textes cités

2

[directive TVA 2006/112 art. 371](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-371) 1 occurrence

[C-400/98, arrêt du 8 juin 2000](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-400-98-arret) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Code de la taxe sur la valeur ajoutée](https://juriel.be/fr/jurisprudence/code-taxe-valeur-ajoutee-art-cour-constitutionnelle-bruxelles-2021-12-02-3910) 1 dispositions communes

[Exemption, Avocats, Suppression. Droit européen, Droits et libertés](https://juriel.be/fr/jurisprudence/exemption-avocats-suppression-droit-europeen-cour-constitutionnelle-all-2017-02-23-49af) 1 dispositions communes

[Exonération de TVA, Travail intérimaire, Infirmier, infirmière](https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-tva-travail-interimaire-infirmier-cour-appel-anvers-2026-05-a8aa) 1 dispositions communes

[Exonération, Avocats, Notaires, Suppression](https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-avocats-notaires-suppression-cour-constitutionnelle-bruxelles-2012-03-08-44-2012) 1 dispositions communes

[Exonération, Avocats, Notaires, Suppression](https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-avocats-notaires-suppression-cour-constitutionnelle-bruxelles-2012-11-14-141-2012) 1 dispositions communes

[Exemption, Avocats, Suppression, Absence de préjudice grave difficilement réparable](https://juriel.be/fr/jurisprudence/exemption-avocats-suppression-absence-cour-constitutionnelle-bruxelles-2013-12-19-183-2013) 1 dispositions communes

[Exemption, Avocats, Suppression, Garanties juridictionnelles, Assistance d'un avocat](https://juriel.be/fr/jurisprudence/exemption-avocats-suppression-garanties-cour-constitutionnelle-bruxelles-2014-11-13-165-2014) 1 dispositions communes

[Champ d'application, livraison de biens, opération imposable, service, exonération](https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-livraison-biens-operation-cour-appel-gand-2010-03-09-b271) 1 dispositions communes
