---
title: "Poursuite, instance · Cour d&#x27;appel de Gand, 24 novembre 2009"
description: "Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, disposition pénale, amende administrative. Cour d'appel de Gand (Belgique), 24 novembre 2009."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-cour-appel-gand-2009-11-24-fa7c"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, disposition pénale · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Gand

**Date**

24 novembre 2009

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

75 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 24.1102009

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Hof van beroep te Gent; 5****e** **kamer - terechtzitting van 24-11-2009**

## BELASTINGEN

Nr. **2008/AR/2371**

in de zaak van :

**L. J.**, en zijn echtgenote, **V. H.**, beiden wonende te …, …,

**appellanten,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **D. M.-A.** loco mr. **B. C.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Belastingen en Invordering, Administratie van de AOIF, sector BTW, in de persoon van de Rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge, wiens kantoren gevestigd zijn te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4,

**geïntimeerde,**

terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **D. S. L.**, advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 15 september 2008 werd door de appellanten tijdig en regelmatig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis uitgesproken door de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op 28 april 2008 waarbij het verzet van de appellanten tegen het dwangbevel, uitgevaardigd door **D. L. B.**, eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Brugge op 1 december 2005, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 9 december 2005 door **K. S.**, eerstaanwezend inspecteur, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde te Brugge en betekend op 5 april 2006 bij gerechtsdeurwaarderexploot, werd afgewezen.

Het hoger beroep strekt er toe het bestreden vonnis te doen vernietigen en opnieuw recht doende de oorspronkelijke vordering van de appellanten in te willigen, dit alles met veroordeling van de geïntimeerde in de kosten van de beide aanleggen. Derhalve het dwangbevel teniet te doen, de betwiste BTW-aanslag te niet te doen en te zeggen voor recht dat de appellanten ervan bevrijd zijn, minstens op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Te zeggen voor recht dat de geldboete ten onrechte werd opgelegd, minstens te zeggen voor recht dat geen geldboete verschuldigd is, noch intresten gelet op het langdurig stilzwijgen/stilzitten van de geïntimeerde.

Ondergeschikt minstens te zeggen voor recht dat een opsplitsing van BTW-tarief dient te worden gemaakt naargelang de werkzaamheden, minstens gezien de werken over twee verschillende percelen gebeurden en minstens één deel voor het verlaagd tarief in aanmerking kon komen. Tenslotte de geïntimeerde te veroordelen in de kosten van de beide aanleggen.

Op haar beurt vorderde de geïntimeerde de bevestiging van het bestreden vonnis met veroordeling van de appellanten in de kosten van de beide aanleggen.

De partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies.

## Feitelijke gegevens

De appellanten zijn niet-belastingplichtige particulieren en eigenaars van een gebouw gelegen te …, …, waarvoor zij op 30 augustus 2001 een bouwvergunning verkrijgen tot het afbreken van garage en bijgebouwen en het verbouwen en uitbreiden van de bestaande woning.

Op 17 april 2002 werd door ambtenaren bij de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit bij onderzoek vastgesteld dat : *"er een bijgebouw werd opgericht van twee verdiepingen (gelijkvloers + 1 verdieping) in "Ytongblokken" gehecht aan het bestaand gebouwen aanpalend aan het woonhuis te …"*.

De vaststellingen werden opgenomen in een proces-verbaal d.d. 23 mei 2002, waarbij een plannetje is gevoegd.

Naar aanleiding van vermelde vaststellingen werd een toezicht gestart door **M. D.**, financieel-assistent bij de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, sector BTW, in die hoedanigheid verbonden aan het derde controlekantoor van de BTW te Brugge.

Vastgesteld werd dat de werkzaamheden in onroerende staat werden gefactureerd tegen het verlaagd tarief van 6 %. Uit het onderzoek van het bouwdossier wordt besloten dat de gedane werken niet voldeden aan de voorwaarden gesteld in rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 van 20 juli 1970. Een correctieopgave werd aan de appellanten toegestuurd op 5 augustus 2005, waarmee deze laatste niet akkoord gingen.

Op 3 november 2005 wordt door vermelde ambtenaar een proces-verbaal opgemaakt.

Op 1 december 2005 werd op basis van dit proces-verbaal door de bevoegde ambtenaar van het BTW-ontvangkantoor te Brugge een dwangbevel uitgevaardigd.

Voormeld dwangbevel werd op 9 december 2005 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door **K. S.**, e.a. inspecteur a.i., aangewezen door de gewestelijk directeur van de belasting over de toegevoegde waarde te Brugge. Dit dwangbevel werd op 5 april 2006 betekend aan de appellanten. Het is tegen dit dwangbevel dat de appellanten op 11 april 2006 verzet hebben aangetekend.

De eerste rechter heeft aan de hand van de ingediende facturatie en de bouwplannen de vaststellingen van de verbalisanten bekrachtigd; immers volgens de plannen werd de bestaande woning in belangrijke mate uitgebreid met een volledige nieuwe constructie, die zowel een gelijkvloerse als een bovenverdieping omvat. In cijfers uitgedrukt bedroeg het oude gedeelte 100,44 m 2 terwijl de oppervlakte van de nieuwe toestand van de woning na de uitvoering der werken 319,68 m 2 bedroeg. Volgens de eerste rechter is het behouden oude gedeelte niet betekenisvol ten aanzien van het nieuwe gedeelte dat ook functioneel aanzienlijk belangrijker is. Ook de boete werd "als evenredig" weerhouden.

In hun beroepsakte zijn de appellanten van mening dat de interpretaties weergegeven in de richtlijnen en aanschrijving een uitdieping van de wet zijn die niet uit een wettelijke bepaling blijkt. De appellanten menen verder dat de eerste rechter ten onrechte oordeelde dat het 6 %-tarief niet kon worden toegepast omdat het oude gedeelte slechts bijzaak was geworden en de uitbreidingen en toevoegingen een eigen identiteit verworven hebben en dat cijfermatig het oude gedeelte betekenisvol is t.a.v. het nieuwe gedeelte.

Minstens moet geoordeeld worden volgens de appellanten dat de werkzaamheden dienen opgesplitst te worden en dat de opgelegde geldboete en intresten moeten worden herzien.

De geïntimeerde betwist deze zienswijze en vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis.

## Beoordeling

1\. De enige betwisting betreft de vraag of de bouwwerken door de appellanten uitgevoerd te beschouwen zijn als handelingen bepaald in cijfer XXXI, § 1, 1 van Tabel A, bijlage bij het KB nr. 20 d.d. 20.7.1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven, namelijk handelingen die de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele tot voorwerp hebben (BTW-tarief 6 %).

De wetgever heeft de vermelde handelingen niet nader gedefinieerd, zodat men hun de gebruikelijke betekenis dient te geven, gezien niet blij kt dat de wetgever van deze gebruikelijke betekenis heeft willen afwijken.

De door het KB gehanteerde begrippen "omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele" onderstellen een ingrijpen dat niet zover gaat dat met de werken in wezen tot nieuwbouw werd overgegaan.

Ingaande op de opmerking van de appellanten m.b.t. de aanschrijving van de BTW oordeelt dit Hof dat dergelijke interpretatieve aanschrijvingen geen bindend karakter hebben en de wettekst niet kunnen wijzigen. Het al dan niet kunnen genieten van het verlaagd tarief is een feitenkwestie die geval per geval moet kunnen worden beoordeeld binnen de wettelijke grenzen.

De eerste rechter beschreef de feitelijke toestand correct als volgt :

> *"Uit de plannen blijkt dat het voorste gedeelte van de huidige woning bestaat uit het oude gedeelte (gelijkvloers en verdieping). De muren van dit oude gedeelte werden voor een deel behouden. Dit oude gedeelte bestaat uit een garage en wasplaats (gelijkvloers) en een logeerkamer en hobbyruimte (verdieping). De oppervlakte van het oude gedeelte werd wel verkleind (een aanzienlijk aantal oude muren werden afgebroken).*
>
> *Achter en tegen het behouden oude gedeelte werd een nieuw gedeelte gebouwd. Nieuw gebouwd zijn een kelder; inkom, wc, leefruimte, keuken en ontbijthoek (gelijkvloers); nachthal, wc, badkamer en 2 slaapkamers (verdieping). Het huidige gebouw heeft geen zolder (tweede verdieping) wat volgens de geïntimeerde het oude gebouw wel had.*
>
> *Op basis van de voorliggende stukken blijkt dat er een volledig nieuw gedeelte aan het oude gedeelte werd aangebouwd dat in omvang groter is dan wat behouden werd. De oppervlakte van het behouden gedeelte bedraagt immers slechts 100,44 m**2* *en is kleiner dan de helft van de totale oppervlakte van de woning na de uitvoering van de werken, zijnde 319,68 m**2**.*
>
> *Er kan hierbij geen rekening gehouden worden met het oude gedeelte dat werd afgebroken en er dus niet meer is.*
>
> *Het behouden oude gedeelte (zijnde gelijkvloers garage en wasplaats en op de verdieping logeerkamer en hobbyruimte) is niet betekenisvol ten aanzien van het nieuwe gedeelte dat de volledige leefruimte, keuken, badkamer en slaapkamers bevat en dus functioneel aanzienlijk belangrijker is. Verder blijkt uit de plannen dat de structuur van de woning grondig werd gewijzigd".*

Op grond van voormelde feitelijke gegevens, die overeenstemmen met de voorgelegde bouwplannen, zijn de hiervoor vermelde verbouwings- en uitbreidingswerken van die aard, dat deze niet als "lichte uitbreidingswerken" kunnen worden aangezien. Deze gegevens dwingen het besluit af dat de werken nog weinig te maken hebben met "omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling met uitsluiting van reiniging", maar eerder een nieuwbouw hebben tot stand gebracht, waarop de geïntimeerde het BTW-tarief van 21 % heeft toegepast en niet het verminderd tarief. Het feit dat daarbij het woordje "verbouwen" al dan niet "uitbreiding" omvat doet aan voorgaande vaststellingen geen afbreuk.

2\. In hun tweede grief geven de appellanten eigenlijk toe dat de verbouwingen substantieel zijn en schrijven dit toe aan het feit dat de woonnormen sinds 1930 enorm gewijzigd zijn ingevolge de thans gestelde kwalitatieve vereisten van comfort en ruimte. De appellanten bestrijden echter het tussengekomen vonnis waar dit stelt dat het oude gedeelte nog slechts bijzaak is en de uitbreidingen een eigen identiteit hebben verworven, omdat het nieuw gedeelte niet afzonderlijk kan functioneren.

Ook hier kunnen de appellanten niet worden bijgetreden. De uitbreidingswerken zijn zodanig volumineus dat het behouden gedeelte ondergeschikt is aan de uitbreidingswerken, terwijl de nieuwe ruimten een eigen identiteit hebben gekregen. Er wordt geenszins vereist door de wet dat het bijgebouw afzonderlijk voor vervreemding vatbaar is.

3\. Voorts voeren de appellanten aan dat teneinde na te gaan of de oude oppervlakte betekenisvol is t.a.v. het nieuwe gedeelte de initiële oppervlakte in aanmerking moet worden genomen en niet de behouden oppervlakte. Terecht laat de Belgische Staat gelden dat alleen de oppervlakte in rekening werd gebracht van het gedeelte dat behouden is gebleven na afbraak. Hoewel het geen wettelijk criterium is, wordt in de rechtspraak aanvaard dat de verdubbeling van de oppervlakte na verbouwing een redelijk en aanvaardbaar criterium is dat bijdraagt tot de besluitvorming bij de beoordeling. De cijfers worden overigens niet ernstig betwist.

4\. Op de opmerking van de appellanten dat de werkzaamheden moeten worden opgesplitst in die zin dat de verbouwing aan het oorspronkelijke gebouw alsook de afbraakwerken aan het verlaagde tarief zouden moeten worden gerekend en de overige werken aan het hoger tarief kan evenmin worden ingegaan bij gebrek aan wettelijke grondslag.

5\. De appellanten vorderen de vermindering of de kwijtschelding van de boete.

De boete hun opgelegd is deze voorzien bij [artikel 70, § 1 BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70), en verminderd overeenkomstig artikel 1, 1°, tabel G, Afdeling I, cijfer IV van het KB nr. 41 van 30.1.1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde.

Deze boete wordt door de wet opgelegd ongeacht de vraag of de overtreder al dan niet te goeder trouw handelde.

De opgelegde administratieve boete is een fiscale sanctie met strafrechtelijk karakter in de zin van artikel 6 EVRM (Verdrag van 1.11.1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrij heden, ondertekend te Rome, goedgekeurd bij wet van 13.5.1955).

Zij wordt opgelegd zonder onderscheid aan eenieder die belastingplichtige is, en strekt ertoe zowel de belastingplichtige aan te zetten zijn verplichtingen na te komen om de geldboete te vermijden als het niet nakomen van zijn verplichtingen te bestraffen om herhaling van deze inbreuken te voorkomen.

Ter eerbiediging van artikel 6 EVRM dient het Hof bevoegd geacht te worden het opleggen van dergelijke boete te controleren met volle rechtsmacht, en de beslissing daaromtrent op alle punten, zo in feite als in rechte, te hervormen (zie EHRM, 4.3.2004, Silvester's Horeca Service t/ België, www.echr.coe.int/echr ). Het Hof kan onder meer nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen, wat ook inhoudt dat het Hof mag nagaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk en of de administratie naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van de in betwisting zijnde administratieve boete (vergelijk met Cass. 24.01.2002, Pas. 2002, nr. 51 p. 226 en met [Cass. 21.01.2005](https://juriel.be/fr/jurisprudence/sanctions-administratives-caractere-repressif-legalite-cassation-bruxelles-2005-01-21-2739), rolnr. C020572N, www.cass.be ; vergelijk ook met Cass. 16.2.2006, rolnr. C040094N, www.cass.be ). Mocht het Hof van oordeel zijn dat de straf onevenredig is en de administratie niet naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van de betwiste boete, en van de vaste schalen van boeten moet worden afgeweken, dient het aan te geven op welke gronden van deze schalen moet worden afgeweken (vergelijk met Cass. 16.2.2007, rolnr. F.06.0033.N, op heden ongepubliceerd). Het Hof beschikt evenwel niet over de bevoegdheid om op grond van een subjectieve appreciatie van wat het redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in de boete te verminderen of kwijt te schelden (vergelijk met [Cass. 16.2.2007](https://juriel.be/fr/jurisprudence/amendes-fiscales-reduction-remise-pouvoir-cassation-bruxelles-2007-02-16-3ad4), www.cass.be , rolnummer C040390N; Cass. 16.2.20.07, www.cass.be , rolnummer F05001 SN).

Het blijkt te dezen niet dat de opgelegde boete onevenredig is met de begane inbreuk.

6\. Op de vraag om de intresten te verminderen kan niet worden ingegaan. Terecht wijst de Belgische Staat erop dat deze bevoegdheid toebehoort aan de Gewestelijke Directeur ingevolge artikel 84bis W.BTW. De verschuldigdheid van nalatigheidsintresten heeft geen strafrechtelijk karakter zodat artikel 6 EVRM niet toepasselijk is.

7\. Beide partijen hebben de rechtsplegingsvergoeding begroot op … EUR. De appellanten moeten als in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden in de kosten van het hoger beroep.

### Dispositif

**OP DIE GRONDEN,**

**HET HOF,** recht doende op **tegenspraak**,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Ontvangt het hoger beroep doch wijst het af als ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.

Veroordeelt de appellanten tot de kosten van het hoger beroep en begroot deze kosten als volgt :

\- aan de zijde van de appellanten :

\* rechtsplegingsvergoeding hoger beroep … EUR

\- aan de zijde van de geïntimeerde:

\* rechtsplegingsvergoeding hoger beroep … EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, **vijfde kamer**, recht doende in fiscale zaken, op **VIERENTWINTIG NOVEMBER TWEEDUIZEND EN NEGEN**.

Aanwezig de Heren :

**A. D. M.**, Kamervoorzitter, Voorzitter,

**G. T.** en **D. V.**, Raadsheren,

**M. V.**, griffier.

**M. V.** **D. V.** **G. T.** **A. D. M.**

## Textes cités

1

[CTVA art. 70](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Immobilier, Syndicat, Taux de TVA, Transfert de charge](https://juriel.be/fr/jurisprudence/immobilier-syndicat-taux-tva-transfert-tribunal-bruges-2025-06-16-0226) 1 dispositions communes

[Restitution de la taxe suite à l'émission de notes de crédit](https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-namur-2022-09-22-02ac) 1 dispositions communes

[Redevable, Responsabilité solidaire, Report de paiement, Cocontractant](https://juriel.be/fr/jurisprudence/redevable-responsabilite-solidaire-report-paiement-cour-appel-anvers-2022-02-15-073c) 1 dispositions communes

[Inspection spéciale des impôts (ISI), Secteur de l'Horeca](https://juriel.be/fr/jurisprudence/inspection-speciale-impots-isi-secteur-cour-appel-bruxelles-2026-01-13-07d9) 1 dispositions communes

[Droit à déduction, Charge de la preuve](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-charge-preuve-chiffre-tribunal-bruxelles-2025-04-23-0903) 1 dispositions communes

[Services de restauration et de catering](https://juriel.be/fr/jurisprudence/services-restauration-catering-restaurant-entreprise-tribunal-anvers-2022-12-05-0910) 1 dispositions communes

[TVA -Impôt des personnes physiques -Article 4bis du Code d'instruction criminelle -Action](https://juriel.be/fr/jurisprudence/tva-impot-personnes-physiques-article-cour-appel-anvers-2025-04-24-09f5) 1 dispositions communes

[Droit de déduction, Bien immobilier, Usage privé](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-bien-immobilier-usage-cour-appel-gand-2026-04-28-0a2d) 1 dispositions communes
