---
title: "Poursuite, instance · Cour d&#x27;appel de Gand, 16 décembre 2008"
description: "Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, assujettissement. Cour d'appel de Gand (Belgique), 16 décembre 2008."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-cour-appel-gand-2008-12-16-716f"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, assujettissement · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Gand

**Date**

16 décembre 2008

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

144 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 16.12.2008

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Hof van beroep te Gent - 5****de** **kamer**

**Nr.2005/AR/870** - in de zaak van :

**V. L.**, veehandelaar, wonende te …, …,

**appellant -eiser in gedwongen tussenkomst en gemeenverklaring-**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **B. B.** loco mr. **M. M.**, advocaat te … (…), …

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, FOD Financiën, in de persoon van de Gewestelijk Directeur van het BTW-ontvangkantoor te Brugge, wiens kantoren gevestigd zijn te 8000 Brugge, Katelijnestraat 7,

**geïntimeerde,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door ….. advocaat te …, …

en

1\. **L. P.**, kok, wonende te …, …,

2\. **L. C.**, zelfstandige, wonende te …, …,

3\. **L. L.**, bediende, wonende te …, …,

4\. **L. K.**, pedicure, wonende te …, …,

allen gedagvaard in eigen naam en in hun hoedanigheid van erfgenaam in de nalatenschap van de heer **L. J.-M.**, in leven laatst wonende te …, …, overleden op 4.8.1999,

**verweerders in gedwongen tussenkomst en gemeenverklaring**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **M. J.** loco mr. **V. K. A.**, advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

## 1. Procedure

Bij verzoekschrift van 5 april 2005 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, vierde kamer, op 18 oktober 2004 werd uitgesproken. In het bestreden vonnis werd de vordering van de appellant integraal afgewezen met verwijzing van de appellant in de kosten van het geding. Het bestreden vonnis was op verzoek van de geïntimeerde op 8 maart 2005 betekend.

In de loop van de procedure in hoger beroep, namelijk met een dagvaarding van 14 april 2005 heeft de appellant de verweerders in gedwongen tussenkomst in het geschil betrokken.

De appellant formuleert in graad van beroep vorderingen waarmee hij van het Hof vraagt het volgende toe te kennen :

*De voorziening van concluant ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens.*

*Dienvolgens te zeggen voor recht dat het dwangbevel dat op 18 december 2002 aan concluant werd betekend, nietig is en geen enkel rechtsgevolg kan ressorteren, minstens vast te stellen dat het bestaan van de vermeende belastingschuld niet is bewezen.*

*Dienvolgens geïntimeerde zich te zien en te horen veroordelen tot alle door concluant betaalde bedragen op deze belastingschulden meer de intresten.*

*Kosten lastens geïntimeerde, met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van concluant begroot op … Euro.*

*Arrest uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en met uitsluiting van het vermogen tot borgstelling of kantonnement.*

*Betreffende de dagvaarding in tussenkomst en gemeenverklaring :*

*De vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren.*

*Akte te nemen van de gedwongen tussenkomst van gedaagden in vrijwaring en gemeenverklaring in de zaak gekend bij het Hof (…).*

*Gedaagden zich te zien en te horen veroordelen om verzoeker te vrijwaren voor alle bedragen waartoe zij zou worden veroordeeld om te betalen aan de Belgische Staat, minstens het tussen te komen arrest in de zaak aan gedaagden gemeen en tegenstelbaar te verklaren.*

*Gedaagden zich tevens te zien en horen veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding begroot op … Euro.*

*Het tussen te komen arrest uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad niettegenstaande elke voorziening zonder borgstelling en met uitsluiting van kantonnement.*

De geïntimeerde vordert dat het Hof het hoger beroep als ongegrond zou afwijzen met veroordeling van de appellant tot het betalen van de gerechtskosten, waaronder een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van … euro.

De gedaagden in gedwongen tussenkomst vragen in hoofdorde de vordering als onontvankelijk af te wijzen. Subsidiair vragen zij de vordering ongegrond te verklaren.

Tevens vragen zij het Hof om het tergend en roekeloos karakter van de vordering tegen hen vast te stellen en de appellant te veroordelen tot het betalen van de gerechtskosten die zij vaststellen op een rechtsplegingsvergoeding van … euro.

De partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies.

## 2. Feitelijke gegevens

De appellant is een veehandelaar en is als zodanig geregistreerd als BTW-belastingplichtige.

Tijdens een BTW-controle van 28 maart 2002 werd de appellant gecontroleerd voor de periode van 1 januari 1997 tot 31 december 2000.

In een proces-verbaal van 3 december 2002 heeft de controleambtenaar vastgesteld dat er volgens hem ten onrechte door de appellant aftrek van BTW was toegepast op grond van aankoopborderellen door de appellant uitgeschreven op naam van de heer **J. L.** vader van de verweerders in gedwongen tussenkomst, overleden op 4 augustus 1999. Wijlen de heer **L.** was een landbouwer, meer bepaald een rundveehouder die tijdens zijn loopbaan een vaste handelsrelatie had met de appellant. Hij was voor de directe belastingen onderworpen aan de forfaitaire landbouwregeling en voor de BTW was op hem de bijzondere landbouwregeling, voorzien in KB nr. 22 van 15 september 1970, toepasselijk, Hij had op 30 september 1986 zijn BTW-registratie laten schrappen.

De overtredingen op de BTW-reglementering die bij het aankopen van runderen aan de hand van aankoopborderellen volgens de controleambtenaar begaan werden, zijn in dat proces-verbaal als volgt omschreven :

*Op geen enkel document werd het BTW-identificatienummer van de verkoper vermeld, noch het feit dat deze onderworpen zou zijn aan de bijzondere landbouwregeling; evenmin heeft de verkoper een exemplaar voor akkoord ondertekend, op uitzondering van het aankoopborderel, ingeschreven in het inkomend factuurboek door de koper onder het nr. 589 van 29 december 1999.*

*Ingevolge inlichtingen bij de Diensten van het Rijksregister der natuurlijke personen blijkt dat de heer* ***L.*** *voornoemd op datum van 4 augustus 1999 overleden is, zodat de handtekening op dit voornoemd document onmogelijk van de heer* ***J. L.*** *kan zijn. Bovendien was de heer* ***L.*** *tijdens de jaren 1998 tot zijn overlijden niet als belastingplichtige bij de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen gekend.*

*In subsidiaire orde kan de belastingplichtige, gezien hij geen enkel financieel dagboek bijhoudt, niet aantonen dat de op de door hem eenzijdig opgemaakte aankoopborderellen vermelde aankoopprijzen met de werkelijkheid overeenstemmen, noch dat ze effectief aan de erop vermelde verkoper uitbetaald werden. Het feit dat op het aankoopborderel door de belastingplichtige de melding “voldaan contant” aangebracht is houdt geen garantie in dat dit effectief zo gebeurde.*

Op die gronden achtte de controleambtenaar de volgende bedragen door de appellant verschuldigd :

\- … euro BTW;

\- … euro verminderde proportionele boete;

\- de wettelijke interest vanaf 21 januari 2001.

Op 6 december 2002 werd voor dezelfde bedragen meer de moratoire interest op de boete en meer de vervolgingskosten een dwangbevel uitgevaardigd dat na visum en uitvoerbaarverklaring op 13 december 2002, per aangetekende zending van 18 december 2002 en daarna met een deurwaardersexploot van 23 januari 2003 aan de appellant werd betekend.

Met een dagvaarding van 19 februari 2003 stelde de appellant zijn vordering in voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge.

De vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge heeft in zijn vonnis van 18 oktober 2004 de vordering van de appellant ongegrond verklaard.

Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.

## 3. Grieven en argumenten van de partijen

3.1. Standpunt van de appellant

3.1.1. Ten aanzien van de geïntimeerde (het hoger beroep)

Volgens de appellant was de bijzondere landbouwregeling zeker toepasselijk op de aankopen die hij bij **J. L.** deed. De heer **L.** zou wel degelijk als landbouwer moeten beschouwd worden vermits hij beroepshalve dieren kweekte voor de verkoop; hij zou 25 jaar lang met de heer **L.** in die hoedanigheid zaken hebben gedaan. Hij stelt niet geweten te hebben dat de heer **L.** zich als BTW-belastingplichtige had laten schrappen. Dat zou verklaren waarom hij de heer **L.** dan ook onder zijn vroegere BTW-nummer bleef vermelden in zijn jaarlijkse leverancierslisting en hij zegt aan te tonen dat ook andere afnemers van de heer **L.** hetzelfde deden. Bovendien, zo stelt de appellant, blijkt uit het aantal aankopen die hij deed bij de heer **L.**, dat deze na de schrapping nog steeds dezelfde beroepsactiviteit behield zodat de geïntimeerde de heer **L.** krachtens de wet (art. 4 W.BTW), als BTW-belastingplichtige had moeten blijven behandelen. Tegen die achtergrond zou het hem niet kunnen verweten worden dat hij zijn aankopen bij de heer **L.** bleef uitvoeren met toepassing van de bijzondere BTW-regeling zodat hij de BTW op de aankoopprijs terecht in aftrek zou hebben gebracht.

De appellant stelt niet te kunnen ontkennen dat bepaalde van de betreffende aankoopborderellen die hij op naam van de heer **J. L.** uitschreef, niet door deze laatste ondertekend waren, maar dat zou niet voor alle het geval zijn. Bovendien zou het ontbreken van die handtekening, van het BTW-nummer van de heer **L.** en van de vermelding van de heer **L.** onderworpen was aan de bijzondere landbouwers regeling, niet tot gevolg kunnen hebben dat hem het recht op aftrek van de BTW wordt ontzegd. De vermelding van het BTW-nummer zou wettelijk niet verplicht zijn. Bovendien zouden deze tekortkomingen de BTW-administratie niet kunnen belet hebben om een effectieve controle uit te voeren.

Er zou ook moeten mee rekening gehouden worden dat de gewoonte bestaat om bij de verkoop van vee de verkoop te sluiten met 'handje-klap'.

Bovendien zou de BTW-administratie de waarachtigheid van de leveringen gemakkelijk kunnen achterhalen door onderzoek van de boekhouding van de heer **L.**

Minstens acht de appellant het zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginsel geschonden doordat de BTW-administratie in de voorbije jaren, spijts herhaalde controles, nooit enige opmerking gemaakt zou hebben bij de werkwijze van de appellant.

3.1.2. Ten aanzien van de gedaagden in tussenkomst

Op de exceptie van onontvankelijkheid van de tussenvordering stelt de appellant dat niets verhindert dat een derde in graad van hoger beroep gedagvaard wordt in gemeenverklaring.

Ten gronde voert de appellant aan dat wijlen **J. L.** hem nooit heeft ingelicht van het feit dat hij bij de BTW-administratie een aangifte van stopzetting van werkzaamheden had ingediend. Daardoor zou het mogelijk zijn geweest dat de appellant tussen 1986 en 1999 verder aankoopborderellen bleef uitschreven voor aankopen van dieren bij de heer **L.**, gevolgd door een aftrek van de forfaitaire compensatie van 6 %. De schrapping op zich zou al volkomen ten onrechte zijn geweest omdat de heer **L.** na 30 september 1986 zijn activiteit van landbouwer gewoon bleef verder zetten. Door dat te verzwijgen zou de heer **J. L.** foutief gehandeld hebben.

Dat de heer **J. L.** en de appellant dezelfde boekhouder hadden, zou daaraan niets veranderden. Dat zou voor de appellant nog niet duidelijk gemaakt hebben welk BTW-statuut de heer **L.** had.

De appellant ontkent dat de door. hem voorgelegde aankoopborderellen vervalst zouden zijn. De toevoegingen op de borderellen zouden naderhand door iemand die ze boekhoudkundig verwerkte zijn opgeschreven. Het zou gaan om de becijfering van het bedrag dat als BTW aftrekbaar was.

De appellant ontkent verder dat zijn vordering tegen de gedaagden in tussenkomst tergend en roekeloos zou zijn. Volgens de appellant heeft hij alle belang bij de vordering tot gemeenverklaring.

3.2. Standpunt van de geïntimeerde

De geïntimeerde stelt dat de heer **J. L.** in de periode waarin de aankoopborderellen werden opgemaakt, geen BTW-belastingplichtige meer was. Op basis van die niet-ondertekende aankoopborderellen, die slechts eenzijdige stukken zouden zijn, zou niet zonder meer kunnen afgeleid worden dat de heer **L.** een landbouwondernemer was. Die stukken zouden zelfs geen garantie bieden dat de dieren waarop die borderellen betrekking hebben, van de heer **J. L.** afkomstig waren.

De geïntimeerde voert aan dat zijn vordering hoe dan ook gesteund is op de vaststelling dat de aankoopborderellen niet de nodige vermeldingen bevatten wat betreft de identificatie van de verkoper-landbouwer, met name zijn BTW-nummer, de vermelding dat hij aan de bijzondere landbouwregeling onderworpen is en dit bevestigd door zijn handtekening. Zelfs als de vermelding van het BTW-nummer strikt genomen volgens de wettekst niet vereist is, zou dat toch behoren tot de identificatie van de verkoper en bijdragen tot de controle, namelijk te weten of de verkoper wel degelijk onder de bijzondere landbouwregeling valt en er aldus recht op aftrek van de BTW bestaat. Zonder die vermeldingen zou een efficiënte controle niet mogelijk zijn. De bordereIlen zonder handtekening van de verkoper zouden geen enkele waarborg bieden aangaande de aard, de hoeveelheid van de verkoop en van de overeengekomen prijs.

Dat de gewoonte bestaat om runderen te verkopen via de techniek van 'handje klap' zou niet beletten dat de afnemer zichzelf van een correct ingevuld aankoopborderel moet voorzien om het recht op aftrek van BTW te kunnen uitoefenen.

De geïntimeerde laat gelden dat de enige verkoopborderellen waarop een handtekening van de verkoper staat, alle dateren van na het overlijden van de heer **J. L.**. De geïntimeerde leidt daar ook uit af dat de appellant wel degelijk wist dat de handtekening nodig was. Bovendien, zo stelt de geïntimeerde, was dat ook af te leiden uit de voorgedrukte tekst op de aankoopborderellen die de appellant gebruikt zodat hij zich er niet kan op beroepen dat de BTW-administratie hem in de waan zou gelaten hebben dat het afleveren van aankoopborderellen zonder BTW-nummer, zonder vermelding van het feit dat de verkoper aan de bijzondere landbouwregeling onderworpen was en zonder handtekening toch in orde was. Bovendien zouden de vorige controles op dat aspect geen betrekking hebben gehad. Pas in 1996 zou voor het eerst zijn opgemerkt dat een aantal afnemers van de heer **J. L.** op hun listing bleven melding maken van zijn geschrapt BTW-nummer waarop ze de betrokkenen zou hebben aangeschreven. Dat verschijnsel zou zich regelmatig voordoen maar er kunnen volgens de geïntimeerde verschillende redenen zijn en de BTW-administratie zou geen systematische controle in dat verband moeten uitvoeren.

Bovendien, zo laat de geïntimeerde gelden, heeft de appellant nog aankoopborderellen uitgeschreven op naam van **J. L.** nadat hem al op 11 juni 1999 de brief was toegestuurd dat het BTW-nummer van deze persoon geschrapt was.

Zelfs wanneer het zou waar zijn dat de heer **L.** zijn landbouwers activiteit na 30 september 1986 bleef verder zetten en zich dus ten onrechte liet schrappen als BTW-belastingplichtige, dan nog zou dat volgens de geïntimeerde niet tot gevolg hebben dat de appellant recht op aftrek kan genieten; daarmee zouden de tekortkomingen aan de aankoopborderellen niet verdwijnen. De geïntimeerde stelt dat de appellant de gevolgen moet dragen van zijn eigen nalatigheid, met name doordat hij aan zijn medecontractant niet gevraagd heeft om de door hem opgemaakte aankoopborderellen te ondertekenen en te vervolledigen met de vermelding dat hij een belastingplichtige was die aan de bijzondere landbouwregeling onderworpen was.

3.3. Standpunt van de verweerders in tussenkomst

In hoofdorde stellen de verweerders in tussenkomst dat de appellant tegen hen wel degelijk een vordering in vrijwaring en lot veroordeling stelt. De vordering zou op grond van artikel 812 Ger.W. onontvankelijk zijn.

Subsidiair, voor zover de appellant alleen de gemeenverklaring zou vorderen,·steIlen de verweerders in tussenkomst dat de appellant te kwader trouw is. Zij laten gelden dat hun vader landbouwer was en dat hij bovendien dezelfde boekhouder had als de appellant zodat het geen argument zou zijn voor de appellant dat hij de mening was toegedaan dat hun vader zijn BTW-nummer bleef gebruiken. Voor hun vader zou het zonder belang geweest zijn dat de appellant na de schrapping van het BTW-nummer aankoopborderellen bleef uitschrijven omdat dit voor hem nog slechts een bewijs van de koop-verkoop zou geweest zijn.

De verweerders in tussenkomst stellen dat op basis van niet ondertekende aankoopborderellen geen enkele controle mogelijk is op de correctheid ervan.

Ze roepen ook in dat uit vergelijking met originele borderellen die ze tussen de documenten van hun vader vonden, blijkt dat de aankoopborderellen die de appellant voorlegt, vervalst zijn. Er zou achteraf een terugberekening zijn gemaakt waarbij een bedrag aan BTW werd ingevuld.

De verweerders in tussenkomst stellen dat hun vader geen valse voorstelling van zijn statuut heeft gedaan en dat, vermits ze dezelfde boekhouder hadden, de appellant perfect wist wat het statuut van de heer **J. L.** was.

De vordering van de appellant zou tergend en roekeloos zijn en zij begroten hun schade daarom op … euro die ze vorderen onder de vorm van de rechtsplegingsvergoeding.

## 4. Beoordeling

4.1. Het hoger beroep

De geïntimeerde beroept zich op de schending van [artikel 4, § 1 KB nr. 22](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-22-article-a2a5) van 15 september 1970 met betrekking tot de bijzondere regeling voor landbouwondernemers inzake belasting over de toegevoegde waarde. In het bijzonder vereist dat artikel (onder andere) dat op het aan de verkopende landbouwondernemer uit te reiken aankoopborderel de vermelding wordt opgenomen dat die landbouwondernemer onderworpen is aan de forfaitaire regeling voor landbouwproducten en dat diezelfde verkoper minstens één exemplaar moet ondertekenen en aan de koper-belastingplichtige moet terugbezorgen.

Onderzoek van de overgelegde aankoopborderellen leert dat die documenten in de periode waarop de betwiste sommen betrekking hebben geen enkele keer voldeden aan die voorwaarden. Terecht laat de geïntimeerde opmerken dat de aankoopborderellen die een handtekening van de verkoper bevatten, dateren van na het overlijden van de heer **J. L.**.·Die aankoopborderellen kunnen dus niet correct zijn.

In elk geval staat vast dat de heer **J. L.** vanaf zijn schrapping als BTW-belastingplichtige, niet meer formeel kon beschouwd worden als een landbouwondernemer die aan de forfaitaire regeling voor landbouwproducten onderworpen is (zoals bedoeld in art. 57, W.BTW).

Het klopt dat de wettelijk voorziene regeling niet letterlijk voorschrijft dat het BTW-nummer van de verkoper moet vermeld staan. Niettemin kan deze vermelding als deelelement worden beschouwd van de vermelding dat de verkoper een landbouwondernemer is die aan de forfaitaire regeling voor landbouwproducten onderworpen is; die onderwerping is immers een strikte vereiste zodat het BTW-nummer tot nadere identificatie van de verkoper strekt en als zodanig de controleambtenaar toelaat na te gaan of terecht toepassing wordt gemaakt van de specifieke regeling. Immers, alleen wanneer de verkoper in werkelijkheid de juiste hoedanigheid heeft om de bijzondere regeling voor landbouwondernemers toe te passen, is de koper-BTW-belastingplichtige gerechtigd om het bedrag dat bovenop de overeengekomen koopprijs als BTW aan de landbouwondernemer wordt betaald als aftrekbare BTW in de periodieke aangifte af te trekken ([art. 5 KB nr. 22](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-22-article-historique-0310)).

Zelfs wanneer de heer **J. L.** nog na de schrapping van zijn BTW-nummer in 1986 feitelijk zijn activiteiten als landbouwer-rundveehouder bleef verderzetten (zodat naar buiten uit niets deed uitschijnen dat hij niet meer de hoedanigheid had om onder de bijzondere landbouwregeling te vallen), dan nog staat vast dat de uitreiking door de appellant van de betreffende aankoopborderellen formeel niet in orde was om een recht van aftrek van BTW te kunnen laten ontstaan. Een uitdrukkelijke vermelding, zoals wettelijk voorgeschreven, dat de verkoper een landbouwondernemer is die aan de forfaitaire regeling voor landbouwproducten onderworpen is, had de heer **L.** ongetwijfeld geappelleerd aan zijn verantwoordelijkheid om duidelijk te maken dat zijn BTW-nummer geschrapt was. Door noch de specifieke vermelding over het landbouwersregime, noch het BTW-nummer te vermelden op de aankoopborderellen, verwerden de aankoopborderellen in wezen tot gewone documenten die een koop-verkoop met vermelding van de datum het verkochte goed, de prijs en de vermeldingen van koper en verkoper bevatten.

Nu blijkt ook dat de aankoopborderellen die de appellant vanaf 1997 uitschreef op naam van de heer **J. L.** en zoals hij ze aan de verkoper uitreikte geen enkele keer een afzonderlijk bedrag aan BTW vermelden, de totale verkoopprijs was de overeengekomen prijs zonder verhoging van BTW. Pas naderhand werd door de appellant (of diens boekhouder, zijnde zijn mandataris) een berekening gemaakt om de verkoopprijs uit te splitsen als ware deze samengesteld uit een nettoprijs die met 6 % BTW werd verhoogd. De appellant trok die vermeende BTW af in zijn periodieke aangiften en het zijn die bedragen waarvoor de geïntimeerde voor de jaren 1998 en 1999 een dwangbevel heeft uitgevaardigd.

Een vergelijking met de aankoopborderellen van vóór 1997 die door de appellant worden voorgelegd, leert dat het niet is uitgesloten dat de appellant nog enige tijd in de overtuiging kan geleefd hebben dat de heer **J. L.** nog steeds een landbouwondernemer was die aan de forfaitaire regeling voor landbouwproducten onderworpen was. In de periode van 1985 tot 1989 werd immers iedere keer melding gemaakt van het BTW-nummer van de heer **L.** en werd de verkoopprijs telkens verhoogd met een afzonderlijk vermeld BTW-bedrag van 6 %. In de periode vanaf 1990 tot 1996 zijn er aankoopborderellen volgens dat oude patroon naast aankoopborderellen waarop geen BTW-nummer vermeld staat en/of geen BTW-bedrag wordt aangerekend. Zoals hoger al vermeld, ontbrak vanaf 997 telkens het BTW-nummer en werd geen enkele keer een BTW-bedrag op de aankoopborderellen vermeld (naast het ontbreken van de handtekening van de verkoper en zijn hoedanigheid als forfaitair landbouwondernemer).

Deze evolutie toont aan dat de appellant minstens vanaf 1997 zeer goed moet beseft hebben dat de heer **L.** niet langer de hoedanigheid had van landbouwondernemer die aan de forfaitaire regeling voor landbouwproducten onderworpen is (uit de dagvaarding in gedwongen tussenkomst blijkt trouwens dat de heer **J. L.** toen al 70 jaar was). De appellant kwam derhalve met de heer **J. L.** een prijs overeen en de partijen wisten dat de heer **L.** niet gerechtigd was op enige recuperatie van BTW die hij voor het kweken van de dieren zelf gedragen had. Tegen die achtergrond werd de prijs niet met een forfaitair BTW-bedrag verhoogd : het betaalde bedrag bleef beperkt tot de prijs die was overeengekomen voor de dieren.

De bovenstaande overwegingen leiden tot het besluit dat op basis van de aankoopborderellen die aan de heer **J. L.** in 1998 en 1999 werden uitgereikt, door de appellant geen BTW kon worden afgetrokken. Het bedrag dat de appellant betaalde, bestond niet voor een deel uit BTW; er was dus geen reden om (achteraf) een uitsplitsing te maken.

Vermits blijkt dat de appellant in de betreffende periode wist dat de heer **J. L.** geen landbouwondernemer meer was, onderworpen aan de forfaitaire regeling voor landbouwproducten, doet hij vergeefs beroep op de beweerde schending door de geïntimeerde van het zorgvuldigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel.

Ook de beweerde misleiding door de heer **J. L.** zelf, ingevolge de verzwijging van zijn schrapping als BTW-belastingplichtige, is tegen die achtergrond totaal irrelevant.

Het hoger beroep is dus ongegrond.

4.2. De vordering tegen de gedwongen tussenkomende partijen

4.2.1. De ontvankelijkheid van de gedwongen tussenkomst

Volgens de laatste libellering van de vordering van de appellant (in zijn syntheseconclusie van 27 februari 2008), wordt niet alleen (subsidiair) de gemeenverklaring gevorderd maar ook de veroordeling van de verweerders in gedwongen tussenkomst *tot vrijwaring voor alle bedragen waartoe zij (d.i. de appellant) zou worden veroordeeld om te betalen aan de Belgische Staat*.

Deze vordering in vrijwaring strekt tot veroordeling en is als zodanig op grond van artikel 812, 2de lid Ger.W. onontvankelijk.

Alleen de (subsidiaire) vordering tot gemeenverklaring is ontvankelijk.

4.2.2. De grond van de gedwongen tussenkomst

In zoverre de gedwongen tussenkomst er toe strekt het arrest gemeen te verklaren aan de partijen in gedwongen tussenkomst, is die vordering gegrond. De verweerders in gedwongen tussenkomst zijn immers de erfgenamen van wijlen de heer **J. L.**, terwijl de appellant in zijn stelling tegen de geïntimeerde argumenten heeft aangebracht die verband houden met de wijze waarop wijlen **J. L.** handelde.

## 5. De gerechtskosten

5.1. Wat de hoofdvordering aangaat

In het geschil tussen de appellant en de geïntimeerde wordt de appellant in het ongelijk gesteld. Hij moet daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen.

Voor de vaststelling van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moeten, bij gebrek aan verzoek tot afwijking ervan, de basisbedragen gehanteerd worden.

Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 10.000,01 tot 20.000.00 euro bevindt, is het basisbedrag van … euro toepasselijk.

De betwisting omtrent de kosten voor de dagvaarding in eerste aanleg komt, gelet op het feit dat het bestreden vonnis bevestigd wordt, niet aan de orde.

5.2. Wat de vordering in gedwongen tussenkomst aangaat

Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van de partijen, moeten zij elk hun eigen gerechtskosten dragen. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de vordering van de appellant tergend en roekeloos was; de vordering in gemeenverklaring is immers gegrond; de verweerders in gedwongen tussenkomst kunnen niet inroepen dat hun vader geheel buiten het verhaal stond zodat er geen enkele aanleiding zou toe bestaan hebben om ze in het geding te betrekken.

Voor de vaststelling van de gerechtskosten moet het Hof zich baseren op de vordering in vrijwaring die dezelfde waarde heeft als de hoofdvordering. De rechtsplegingsvergoeding bedraagt dus ook … euro.

## 6. Uitvoerbaarheid bij voorraad

Artikel 92bis W.BTW luidt als volgt : *De termijnen van verzet, hoger beroepen cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie schorsen de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing.* De bepaling verzet zich tegen de door de appellant gevraagde uitvoerbaarheid bij voorraad.

Wat de toegekende gemeenverklaring aangaat is er – gelet op de aard ervan en de regeling van de gerechtskosten – geen reden tot uitvoerbaarheid bij voorraad.

### Dispositif

**OP DIE GRONDEN,**

**HET HOF,**

recht doende op tegenspraak;

gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar wijst het af als ongegrond; bevestigt het bestreden vonnis;

veroordeelt de appellant tot het betalen van de gerechtskosten van deze aanleg, vastgesteld als volgt :

\- aan de kant van de appellant :

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : … EUR

\- aan de kant van de geïntimeerdev:

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : … EUR

neemt akte van de gedwongen tussenkomst;

verklaart de vordering in gedwongen tussenkomst onontvankelijk in zoverre ze strekt tot veroordeling tot vrijwaring;

verklaart de vordering in gedwongen tussenkomst ontvankelijk en gegrond in zoverre ze strekt tot gemeenverklaring en verklaart bijgevolg dit arrest gemeen aan de verweerders in gedwongen tussenkomst;

veroordeelt de appelant en de verweerders in gedwongen tussenkomst elk tot het betalen van hun eigen gerechtskosten van de vordering in gedwongen tussenkomst, vastgesteld als volgt :

\- aan de kant van de appellant :

• dagvaarding en rolstelling : … EUR

• rechtsplegingsvergoeding : … EUR

\- aan de kant van de verweerders in gedwongen tussenkomst :

• rechtsplegingsvergoeding : … EUR

wijst de vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad en tot uitsluiting van de borgstelling en het kantonnement af.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, **vijfde kamer**, recht doende in fiscale zaken, op **ZESTIEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN ACHT**.

Aanwezig de Heren :

**A.D. M.**, Kamervoorzitter, Voorzitter

**A.G. T.** en **D. V.**, Raadsheren

**A.M. V.**, griffier.

**M. V.** **D. V.** **G. T.** **A. D. M.**

## Textes cités

2

[AR no 22 art. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-22-article-a2a5) 1 occurrence

[AR no 22 art. 5](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-22-article-historique-0310) 1 occurrence

## Décisions similaires

2

[Régime particulier, entreprise agricole, poursuite, instance](https://juriel.be/fr/jurisprudence/regime-particulier-entreprise-agricole-poursuite-tribunal-bruges-2004-10-18-5774) 2 dispositions communes

[Exonération, exportation, opération intracommunautaire, preuve, mesure de contrôle](https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-exportation-operation-intracommunautaire-preuve-tribunal-bruxelles-1997-11-24-cd71) 1 dispositions communes
