---
title: "c2cef47d · 28 juin 2005 · Poursuite, instance · Cour d&#x27;appel de Gand"
description: "Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, base d'imposition, champ d'application. Cour d'appel de Gand (Belgique), 28 juin 2005."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-cour-appel-gand-2005-06-28-c2ce"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, base d'imposition · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Gand

**Date**

28 juin 2005

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

65 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 28.06.2005

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Hof van beroep te Gent - 5e kamer**

**Nr.2002/AR/766**

in de zaak van :

**DE BELGISCHE STAAT**, FOD Financiën, Sector BTW, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge, met kantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke­Dujardinstraat 4,

**appellant,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **G. I.** loco mr. **V. D. P. J.**, advocaat te …, …

tegen :

**H. K. N.V.**,

met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Brugge, onder het nummer …,

**geïntimeerde**,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **D. S.** loco mr. **D. L.**, advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

De appellant heeft bij verzoekschrift neergelegd op 4 april 2002 tijdig en regelmatig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vierde kamer, van 12 februari 2002 waarbij het verzet van de geïntimeerde tegen het dwangbevel uitgevaardigd op 4 december 1989 door de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Brugge, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 12 december 198 9 en betekend op 11 januari 1990, werd ingewilligd. Bij het bestreden vonnis werd voor recht gezegd dat het dwangbevel geen uitwerking kon krijgen en werd de appellant veroordeeld tot de gerechtskosten, dit alles bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Het hoger beroep strekt er toe het bestreden vonnis van de eerste rechter te doen vernietigen en dienvolgens de eis van de geïntimeerde af te wijzen als ongegrond dit alles met veroordeling van de geïntimeerde in de kosten van de beide aanleggen.

De geïntimeerde vordert in hoofdorde het bestreden vonnis te willen bevestigen en vraagt bij incidenteel beroep haar voor de eerste rechter geformuleerde tegenvordering tot het bekomen van een schadevergoeding van … BEF (… EUR) wegens tergend en roekeloos verweer in te willigen alsmede de appellant te doen veroordelen tot betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos beroep t.b.v. … EUR. Op zijn beurt vordert de appellant de afwijzing van deze tegenvorderingen.

## Feitelijke gegevens

De geïntimeerde is producent en handelaar in kaarsen. In het bedrijf was de praktijk gegroeid dat afnemers de oude was binnen brachten om te laten herwerken. Bij de levering van nieuwe kaarsen gebeurde dan een verrekening *"herwerking van was"*.

Naar aanleiding van een controle op 26 januari 1989 op de naleving van de BTW-Wetgeving werd vastgesteld volgens de administratie dat de BTW op de uitgaande handelingen in de periode van 1 juli 1986 tot en met 31 december 1988 werd berekend over een ontoereikende maatstaf van heffing.

Van voormelde vaststellingen werd een PV opgemaakt op 18 mei 1989 waaruit moest blijken dat de BTW werd berekend op de maatstaf van heffing nadat van de prijs van de levering de overeengekomen waarde voor het herwerken van oude was afgetrokken was. M.a.w. door de geïntimeerde werd geen BTW gerekend op de waarde van de oude was op het moment dat nieuwe kaarsen werden geleverd.

De appellant was het met deze wij ze van berekening niet eens en verwees daartoe naar artikel 10 en art. 32 BTW-Wet en meende dat voor de berekening van de waarde van de tegenprestatie verricht door de afnemers van de BVBA de betaalde geldsom verhoogd moest worden met de overeengekomen waarde van de oude was. De geïntimeerde daarentegen meende dat voor het gedeelte van de geleverde en gefactureerde kaarsen dat overeenstemt met het gewicht van de oude was die haar afnemers teruggeven zij slechts de BTW moest aanrekenen op de diensten voor het maken van de kaarsen.

Bij gebrek aan akkoord tussen de partijen werd een dwangbevel uitgevaardigd op 4 december 1989, dat op 12 december 1989 geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard en op 11 januari 1990 werd betekend.

Aldus werd van de geïntimeerde een bedrag gevorderd van … BEF (… EUR) aan rechten, … BEF (… EUR) boeten meer de intresten zoals bedoeld bij artikel 91,§ 1 BTW-Wet.

Op verzet van de geïntimeerde oordeelde de eerste rechter dat het volstond dat de geïntimeerde voor de kaarsen die zij maakt met de oude was van haar afnemers, BTW aanrekent op de vergoeding van het maakloonwerk en willigde het verzet in die mate in.

De appellant houdt in zijn verzoekschrift tot hoger beroep staande dat het hier wederzijdse leveringen betreft als bedoeld in artikel 10 BTW-Wet waarbij eveneens een geldsom werd betaald aangezien het geen gelijkwaardige leveringen betreft zodat wanneer een levering of een dienst die niet of niet uitsluitend uit een geldsom bestaat als tegenprestatie de belasting moet berekend worden over de normale waarde van de tegenprestatie (art. 32, 1° lid BTW-Wet).

## Beoordeling

De kern van het geschil is de vraag welke maatstaf van heffing er dient gebruikt te worden bij de berekening van de BTW wanneer de geïntimeerde kaarsen verkoopt waarbij de oude was die door haar opdrachtgever werd ter beschikking gesteld wordt verrekend.

Vraag is of er een verschil is in maatstaf van heffing bij verkoop van nieuwe kaarsen, waarbij grondstof en werk wordt geleverd en bij de herwerking van oude was tot nieuwe kaarsen waarbij enkel het werk werd geleverd. In deze laatste hypothese worden kaarsen geleverd tegen betaling door de klant van een geldsom en de levering van oude was waaraan conventioneel een waarde wordt toegekend.

Met de appellant dient te worden aangenomen dat er alsdan sprake is van wederzijdse leveringen. Het alsdan toepasselijke artikel 10 BTW-Wet luidde toen : *"Levering is het feit waarbij een goed ter beschikking wordt gesteld van de verkrijger of de overnemer ingevolge een contract onder bezwarende titel tot overdracht of aanwijzing van eigendom of vruchtgebruik"*.

In tegenstelling tot de beslissing van de eerste rechter is er wel sprake van eigendomsoverdracht wanneer door de opdrachtgevers oude was ter beschikking wordt gesteld. Er is geen individualisering van de oude was mogelijk daar alle restjes in één bak gaan om te worden gezuiverd van restjes wiek en roet. De bedoeling van de afnemers is duidelijk de oude was te recycleren zodat de nieuwe kaarsen goedkoper konden worden aangekocht.

Evenmin is er sprake van maakloonwerk omdat het niet gaat om de vervaardiging door de geïntimeerde van een bepaalde hoeveelheid goederen met specifiek voor die vervaardiging door de klant ter beschikking gestelde stoffen. Maakloonwerk veronderstelt dat de geïntimeerde een nieuw goed maakt uit materialen die de opdrachtgever hem had verstrekt en die werden geïndividualiseerd. Door het zuiveren van de oude was krijgt de oude was zijn vroegere functie terug en is er sprake van levering niet van een dienst.

Derhalve is artikel 32 BTW-Wet toepasselijk. Dit artikel luidde als volgt :

> *"Bij ruil, en meer in het algemeen, wanneer de tegenprestatie niet uitsluitend uit een geldsom bestaat, wordt die prestatie voor de berekening van de belasting op haar normale waarde gerekend. Onder normale waarde wordt verstaan de prijs die hier te lande, op het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt, in dezelfde handelsfase voor iedere van de prestaties kan worden verkregen onder vrije mededinging van twee van elkaar onafhankelijke partijen".*

Vermits de wederzijdse leveringen te dezen niet gelijkwaardig zijn is de laatstbedoelde maatstaf van heffing gelijk aan de conventionele waarde van de oude was verhoogd met de betaalde geldsom of zoals de wet het zelf stelt wanneer de prestatie niet uitsluitend uit een geldsom bestaat wordt die prestatie voor de berekening van de belasting op haar normale waarde gerekend. Dit heeft voor gevolg dat de BTW ook verschuldigd is op het gedeelte van de leveringen dat samenvalt met de waarde van de oude was.

De omstandigheid dat de BTW mogelijks anders berekend wordt bij andere kaarsenfabrikanten doet geen afbreuk aan de toepassing van voormelde wettelijke principes.

Het hoger beroep van de appellant is derhalve gegrond.

Gelet op wat hiervoor werd gesteld komt het incidenteel beroep van de geïntimeerde ongegrond voor. Immers niet alleen bewijst de geïntimeerde geen fout in hoofde van de appellant. Het feit dat de appellant niet inging op de tussenvonnissen werd door hem verantwoord en het Hof moet op de feiten van het recht toepassen ongeacht de behandeling op fiscaal vlak van de concurrenten.

Anderzijds blijkt op geen enkele wijze dat het hoger beroep door de appellant werd ingesteld in omstandigheden die een grove fout of de kwade trouw verraadt.

Gelet op het feit dat de geïntimeerde volledig in het ongelijk wordt gesteld-dient zij ook verwezen te worden in de kosten van de beide aanleggen.

### Dispositif

**OP DIE GRONDEN,**

**HET HOF**, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik dei talen in gerechtszaken.

Gehoord in openbare terechtzitting de partijen in hun middelen en conclusies.

Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep toelaatbaar, het eerste gegrond, het incidenteel beroep ongegrond.

Doet het bestreden vonnis teniet en opnieuw wijzende wijst het oorspronkelijk verzet van de geïntimeerde tegen het dwangbevel af als ongegrond.

Veroordeelt de geïntimeerde in de kosten van de beide aanleggen en begroot deze kosten als volgt :

\- aan de zijde van de appellant :

\* rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg … EUR

\* 2 x aanvullende rechtsplegingsvergoeding (heropening debatten) … EUR

\* rechtsplegingsvergoeding hoger beroep … EUR

\* uitgavenvergoeding hoger beroep … EUR

\- aan de zijde van de geïntimeerde:

\* dagvaardingskosten … EUR

\* rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg … EUR

\* 2 x aanvullende rechtsplegingsvergoeding (heropening debatten) … EUR

\* rechtsplegingsvergoeding hoger beroep … EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, **vijfde kamer**, op **ACHTENTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN VIJF**.

Aanwezig :

Mevrouw **N. v. I.**, Voorzitter,

De Heren **M.** **D. M.** en **G. T.**, Raadsheren,

**M. V.**, griffier.

**M. V.** **G. T.** **A. D. M.** **N. V. I.**
