---
title: "30993c15 · 28 juin 2005 · Poursuite, instance · Cour d&#x27;appel de Gand"
description: "Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, disposition pénale, amende administrative. Cour d'appel de Gand (Belgique), 28 juin 2005."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-cour-appel-gand-2005-06-28-3099"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, disposition pénale · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Gand

**Date**

28 juin 2005

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

81 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 28.06.2005

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Hof van beroep te Gent, 5e kamer**

Nr. **2001/AR/280**

in de zaak van :

**M. M.**, handelaarster, wonende. te …, …; ingeschreven in het handelsregister te …, onder het nummer …,

**appellante,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **B. C.** loco mr. **V. H.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, FOD Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor Gent 2, wiens burelen gevestigd zijn te 9000 GENT, Martelaarslaan 23,

**geïntimeerde,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **D. V. W.**, advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

De appellante heeft tijdig en regelmatig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Gent, derde kamer, op 9 november 2000, waarbij haar verzet tegen het dwangbevel uitgevaardigd op 25 november 1996 door de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Gent, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 28 november 1996 en betekend op 13 december 1996 als ongegrond werd afgewezen, met dien verstande dat de opgelegde boete verminderd werd van 200 % naar 50 %.

Het hoger beroep strekt er toe het bestreden vonnis van de eerste rechter te doen vernietigen en dienvolgens de eis van de appellante integraal ontvankelijk en gegrond te verklaren, het dwangbevel te vernietigen en de vordering van de Belgische Staat ongegrond te verklaren, dit alles met veroordeling van de geïntimeerde in de kosten van de beide aanleggen.

De geïntimeerde vordert het bestreden vonnis te willen bevestigen behalve in de mate waarin de opgelegde boete van 200 % van de verschuldigde rechten werd verminderd tot 50 %, waarvoor zij bij conclusies neergelegd op 24 oktober 2001 incidenteel beroep heeft aangetekend.

## Feitelijke gegevens

De appellante baat een kleinhandel in voedingswaren en dagbladen uit.

Naar aanleiding van een controle bij de BVBA **A.**-VOEDING werd op 12 maart 1996 door **D. M.** een PV opgesteld. Bij nazicht van het BTW-dossier was gebleken dat het totale bedrag van de jaarlijkse klantenlijsten beduidend lager lag dan het totale bedrag die dezelfde belastingplichtige had vermeld als verkopen in de periodieke aangiften. Een onderzoek ter plaatse wees uit dat de belastingplichtige over geen inrichting beschikte om aan detailverkoop te doen en dat bij nazicht van de verkoopfacturen vele documenten geen BTW-nummer vermelden alhoewel de zaakvoerder voorhield dat enkel aan andere belastingplichtigen werd geleverd. Onderzoek wees uit dat de verkoopfacturen zonder vermelding van BTW-nummer een naam en adres vermelden van een particulier die niet in de BTW-bestanden gekend is als handelaar.

Bij de ondervraging van de verantwoordelijke zaakvoerder van de BVBA **A.**-VOEDING op 14 november 1995 en 6 februari 1996 werd toegegeven dat klanten bestellingen hadden geplaatst op valse namen en adressen doch dat de bestelde goederen alsook de beide facturen werden afgeleverd aan de werkelijke klant. Door mevr. **N.**, bediende van de BVBA **A.**-VOEDING werd de lijst met de valse benamingen overlopen waarbij zij telkens de werkelijke afnemer heeft vermeld die deze valse naam gebruikt om de goederen niet officieel te verkrijgen.

Zo werd de valse benaming “**V. W. G.**” gelinkt aan de naam van de appellante.

Uit de verkoop facturen en de lijsten werd vastgesteld dat de appellante valse facturen zou hebben laten opstellen op naam van **V. W. G.** onder klantnummer … volgende bedragen :

Jaar 1992 … BEF (… EUR)

BTW … BEF (… EUR)

Jaar 1993 … BEF (… EUR)

BTW … BEF (… EUR)

Jaar 1994 … BEF (… EUR)

BTW … BEF (… EUR)

Jaar 199452 … BEF (… EUR)

BTW … BEF (… EUR)

Bij toepassing van de forfaitaire regeling voor kleinhandelaars in levensmiddelen bedraagt de te weinig aangegeven omzet verhoogd met de onderscheiden BTW-tarieven (zie correctieopgave 20 mei 1996) :

Jaar 1992 … BEF (… EUR)

BTW … BEF (… EUR)

Jaar 1993 … BEF (… EUR)

BTW. … BEF (… EUR)

Jaar 1994 … BEF (… EUR)

BTW. … BEF (… EUR)

Jaar 1995 … BEF (… EUR)

BTW. … BEF (… EUR)

… BEF (… EUR)

Daar de appellante liet weten niet akkoord te kunnen gaan met de correctieopgave werd op 14 juni 1996 proces-verbaal opgesteld waarbij de belasting bepaald werd op … BEF (… EUR), een boete gelijk aan tweemaal de verschuldigde rechten of … BEF (… EUR) (geen vermindering in toepassing van [artikel 1, laatste al., KB nr. 41](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958#ar41-art1) van 30 januari 1987 t.a.v. overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken) en de intresten op grond van artikel 91, § 1 BTW-Wet vanaf 21 januari 1996.

Bij gebrek aan betaling werd op 25 november 1996 een dwangbevel uitgevaardigd dat vervolgens geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard op 28 november 1996 en op 13 december 1996 werd betekend.

Op verzet van de appellante oordeelde de eerste rechter dat de door hem weerhouden feitelijke gegevens de gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens vormen die het bewijs leveren van de zwarte leveringen aan de appellante. De boete werd echter verminderd tot 50 %.

In haar verzoekschrift tot hoger beroep stelt de appellante dat artikel 59 BTW-wet werd geschonden omdat de stukken die bij een derde werden aangetroffen slechts eenzijdige gegevens uitmaken die op hun juistheid moeten worden gecontroleerd, dat er twijfel bestaat omdat de administratie geen sluitend bewijs kan leveren van de "vermeende zwarte aankopen” en dat een opgelegde boete van 50 % nog overdreven hoog is.

## Beoordeling

1\. Volgens de appellante zijn de door de eerste rechter weerhouden elementen niet te beschouwen als een geheel van gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens, terwijl de geïntimeerde staande houdt dat de bewijsvoering steunt op een combinatie van vaststaande feiten en een geheel van vaststaande, ernstige en met elkaar overeenstemmende vermoedens die de betrokkenheid van de appellante bij de zwartleveringen aantonen.

Op grond van de vaststellingen in het hierboven geciteerd PV van 12 maart 1996 en dit van 14 juni 1996 opgesteld door de BTW-verbalisanten kunnen een aantal vaste feiten worden gerelateerd die het karakter hebben van persoonlijke vaststellingen die de bewijskracht hebben zoals bedoeld in [artikel 59, § 1 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59).

Zo stelde de controleagent persoonlijk vast bij het onderzoek van de boekhouding dat het totale bedrag van de klantenlistings ingediend door de BVBA **A.** beduidend lager lag dan het totale bedrag van de verkopen in de periodieke BTW-aangiften. Zo stelde de controleagent bij het bezoek ter plaatse vast dat de vennootschap niet beschikte over een inrichting om aan detailverkoop te doen. Zo verklaarde de zaakvoerder van de BVBA **A.** aan de controleagent dat enkel werd geleverd aan belastingplichtigen, hetgeen bevestigd werd bij het onderzoek van de facturen door de controleagent waaruit bleek dat de verkoopfacturen waarop geen BTW-nummer vermeld stond een naam en een adres vermelden van een particulier die niet in de BTW-bestanden is gekend als handelaar. Verder stelde de controleagent vast dat de factuur zonder BTW-nummer meestal onmiddellijk volgt op deze van de handelaar (ster) met BTW-nummer.

Geconfronteerd met deze vaststellingen vermoedde de controleagent dat éénzelfde levering werd gesplitst in één officiële en één officieuze levering. Dit vermoeden werd bevestigd door de verklaringen van de zaakvoerder van de BVBA **A.** aan de verbalisanten op 14 november 1995 :

> *"Het gebeurt dat klanten bestellingen plaatsen op valse namen en adressen. (...). De bestelde goederen alsook de beide facturen worden afgeleverd aan de werkelijke klant. Mevr.* ***N.*** *(n.b. : de persoon die de bestellingen in de computer brengt) overloopt met U de lijsten met de valse benamingen en zij vermeldt de werkelijke afnemer die deze benaming gebruikt om de goederen niet officieel te verkrijgen. Deze lijst gaat in bijlage hierbij. De facturen met de valse gegevens worden door de werkelijke klant kontant betaald”*.

In bijlage bij het proces-verbaal worden de vermelde lijsten gevoegd waarop vermeld worden : *"VALSE BENAMING Klantnummer …* ***V. W. G.****, …, …" en "WERKELIJKE AFNEMER Klantnummer …,* ***M.****, …, …"*.

Op 6 februari 1996 verklaarde diezelfde zaakvoerder : *"Ik bevestig mijn verklaring van 14 november 1995. (...). Ik machtig mijn bediende, mevrouw* ***N.****, om u alle gegevens te verstrekken omtrent de relatie valse en officiële benaming. Ik neem er samen met u kennis van dat de valse namen en adressen die voorkomen op de lijst door u opgesteld in overeenstemming staan met de werkelijke benaming van de klant die ernaast vermeld zijn"*.

Treffend is tevens dat het fraudesysteem stopgezet werd na het eerste controleonderzoek op 25 september 1995 aan de BVBA **A.**.

Voorgaande gegevens, nog verder gestaafd door de verklaringen van **L. A.** (zijnde de zaakvoerder) en **D. N.** (zijnde de bediende) in het kader van het gerechtelijk onderzoek bevestigen het bestaan van niet officiële leveringen bij de BVBA **A.**.

**D. N.** verklaart o.m. aan de gerechtelijke politie op 21 november 1996 :

> *"Op uw vraag hoeveel klanten dergelijk systeem toepasten, moet ik antwoorden dat het slechts een minderheid is van onze klanten. Ik kan daar echt geen getal op plaatsen, temeer daar het systeem na de BBl-controle in september van 1995 werd stopgezet. Het systeem werd toegepast wanneer een klant er om vroeg en werd gebruikt uit klantvriendelijkheid. Wanneer het systeem werd stopgezet, zijn een aantal klanten gewoon weggebleven, wat toch bewijst dat zij vragende partij waren in deze ... "*.

Er zijn geen redenen om te twijfelen aan de oprechtheid en de juistheid van deze verklaringen.

2\. De bewijslevering van aankopen zonder factuur dient noodgedwongen gepaard te gaan met feitelijke vermoedens hetgeen eigen is aan zwartleveringen. Documenten die bij een derde worden aangetroffen gecombineerd met andere elementen en gegevens die aanwijzingen geven in dezelfde zin vormen een geldig vermoeden om te besluiten dat de klant de veronderstelde levering van goederen heeft ontvangen.

Desbetreffend kan worden vastgesteld dat de belangen tussen de BVBA **A.** en de afnemers tegenstrijdig zijn. Immers het wordt niet betwist dat de BVBA **A.** de volledige omzet heeft aangegeven. Het fraudesysteem gaf aan de klanten wel de mogelijkheid aan ontduiking te doen van de inkomstenbelasting en aan BTW-ontduiking op de winstmarge. Aan de leverancier werd wel een hoge BTW-boete van … BEF opgelegd wegens het opstellen van facturen met vermelding van een verkeerde identiteit van de afnemer. De leverancier had er geen belang bij verkeerde personen te vermelden aangezien de boete verhoogde naargelang het aantal betrokken afnemers.

Anderzijds hadden noch de verantwoordelijken van de BVBA **A.**, noch de personeelsleden er belang bij verkeerdelijk klanten aan te wijzen gelet op het mogelijk verlies van ten onrechte beschuldigde klanten en het niet denkbeeldig gevaar dat de personeelsleden zelf werden ontslagen wegens belastende verklaringen. In dit verband merkt de eerste rechter terecht op dat geen klacht neergelegd werd wegens valse verklaringen tegen **D. N.**, zodat deze verklaring geheel geloofwaardig overkomt.

Komt daarbij dat niet toevallig werd vastgesteld (zie o.m. de bijgevoegde lijst bij het PV van 12 maart 1996) dat het volgnummer van de fictieve factuur onmiddellijk volgt op het volgnummer van de factuur op naam van de werkelijke afnemer (appellante), dat beide facturen op dezelfde datum werden opgesteld, dat er geregelde handelsbetrekkingen waren tussen de appellante en de BVBA **A.**, dat de aangekochte hoeveelheden niet dienstig zijn voor particulier gebruik en dat niet wordt weerlegd dat **V. W.** onbekend is in het rijksregister en zelfs niet bestaat.

3\. De eerste rechter oordeelde derhalve terecht dat al deze feitelijke gegevens de gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens vormen die het bewijs leveren van zwarte leveringen aan de appellante.

4\. De boete aan de appellante opgelegd in toepassing van [artikel 70, § 1 BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) is een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM (Verdrag van 1.11.1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome, goedgekeurd bij wet van 13.5.1955). Ter eerbiediging van artikel 6 EVRM dient het Hof bevoegd geacht te worden het opleggen van dergelijke boete te controleren met volle rechtsmacht, en de beslissing daaromtrent op alle punten, zo in feite als in rechte, te hervormen (zie EHRM, 4.3.2004, *Silvester's Horeca Service t/ België,* *www.echr.coe.int* ) .

Te dezen moet worden vastgesteld dat een boete van 200 % onevenredig is met de door de appellante begane inbreuken, en dient te worden herleid tot redelijke proporties. In dit verband dient er op gewezen dat de appellante zich toch bewust schuldig gemaakt heeft aan fraudepraktijken, dit over een periode van vier jaar. Het bedrag van de ontdoken BTW bedraagt … BEF (… EUR). Een boete van … BEF (… EUR), hetzij 50 % van de ontdoken rechten is in redelijkheid gerechtvaardigd.

5\. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep en het incidenteel beroep ongegrond is.

### Dispositif

**OP DIE GRONDEN,**

**HET HOF,** recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Ontvangt het hoger en het incidenteel hoger beroep, doch wijst beide af als ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis met dien verstande dat de gerechtskosten in EURO moeten worden begroot, hetzij … EUR rechtsplegingsvergoeding en … EUR dagvaardingskosten.

Verwijst beide partijen in de helft van de kosten van het hoger beroep begroot als volgt :

\- aan de zijde van de appellante : … EUR rechtsplegingvergoeding hoger beroep, uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep … EUR;

\- aan de zijde rechtsplegingvergoeding van de geïntimeerde : … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, **vijfde kamer**, op **ACHTENTWINTIG JUNI TWEEDUIZENEDN VIJF**.

Aanwezig :

Mevrouw **N. v. I.**, Voorzitter,

De Heren **A. D. M.** en **G. T.**, Raadsheren,

**M. V.**, griffier.

**M. V.** **G. T.** **A. D. M.** **N. v. I.**

## Textes cités

3

[AR no 41 art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958) 1 occurrence

[CTVA art. 59](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59) 1 occurrence

[CTVA art. 70](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Droit de déduction, Bien immobilier, Usage privé](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-bien-immobilier-usage-cour-appel-gand-2026-04-28-0a2d) 2 dispositions communes

[Sous-traitance, amende](https://juriel.be/fr/jurisprudence/sous-traitance-amende-tribunal-bruxelles-2026-07-17-0a85) 2 dispositions communes

[Reconstitution du chiffres d’affaires, Preuve par présomptions](https://juriel.be/fr/jurisprudence/reconstitution-chiffres-affaires-preuve-presomptions-cour-appel-bruxelles-2023-02-0e22) 2 dispositions communes

[Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-lien-direct-immediat-tribunal-luxembourg-2022-10-12-162a) 2 dispositions communes

[Secteur Horeca, Système de caisse enregistreuse, Non détention](https://juriel.be/fr/jurisprudence/secteur-horeca-systeme-caisse-enregistreuse-tribunal-namur-2020-12-10-2dfc) 2 dispositions communes

[Chiffre d'affaires non déclaré, Présomption légale](https://juriel.be/fr/jurisprudence/chiffre-affaires-non-declare-presomption-tribunal-anvers-2025-10-13-32f4) 2 dispositions communes

[Echange, Contrepartie, Base imposable, Valeur normale, échange, base d'imposition](https://juriel.be/fr/jurisprudence/echange-contrepartie-base-imposable-valeur-cour-appel-gand-2023-10-24-34d7) 2 dispositions communes

[Horeca, Système de caisse enregistreuse, Amendes fiscales non proportionnelles](https://juriel.be/fr/jurisprudence/horeca-systeme-caisse-enregistreuse-amendes-cour-appel-gand-2024-03-05-35f5) 2 dispositions communes
