---
title: "Poursuite, instance · Cour d&#x27;appel de Gand, 28 septembre 2004"
description: "Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor. Cour d'appel de Gand (Belgique), 28 septembre 2004."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-cour-appel-gand-2004-09-28-5974"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Gand

**Date**

28 septembre 2004

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

125 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 28.09.2004

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Hof van beroep te Gent – 5****e** **kamer - terechtzitting van 28-09-2004**

BELASTINGEN

(verzet dwangbevel BTW)

Nr. **2003/AR/1973**

in de zaak van :

**V. G. E.**, kleinhandelaar in tuingereedschap, wonende te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Aalst onder het nummer … (ondernemingsnummer …)

**appellant,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **D. W.** loco mr. **S. S.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, FOD Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, vertegenwoordigd door de E.a. inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Aalst, wiens kantoor gevestigd is te 9300 Aalst, Graanmarkt 1,

**geïntimeerde,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **D. V. W.**, advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

1\. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 17.6.1999 dagvaardde de appellant de geïntimeerde voor de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde teneinde uitspraak te horen doen over zijn verzet tegen het dwangbevel (RCIV nr. …) uitgevaardigd door **P. D. V.**, eerstaanwezend inspecteur a.i. van het BTW-ontvangkantoor te Aalst op 7.1.1999, en geviseerd en uitvoerbaar verklaard door **F. D. B.**, eerstaanwezend inspecteur­diensthoofd, daartoe gemachtigd door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Gent op 18.1.1999.

In dit dwangbevel wordt in hoofde van de appellant een schuld vastgesteld van … BEF (thans … EUR) BTW, … BEF (thans … EUR) geldboete ingevolge [artikel 70, § 1 BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70), de intrest conform [artikel 91, § 1 BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) over de niet-tijdig betaalde BTW vanaf 21.1.1997, de vervolgingskosten.

Bij vonnis van 5.6.2003 van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, negende kamer, werd het verzet ontvankelijk en deels gegrond verklaard, en werd voor recht gezegd dat aan de eiser ontheffing wordt verleend van de verschuldigde sommen, belastingen, intresten, verhogingen en boeten, met uitzondering van een bedrag van … EUR (… BEF), meer de intresten vanaf 20.5.1998. De geïntimeerde werd tot de kosten veroordeeld.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 28.8.2003 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vermelde vonnis.

Het blijkt niet dat dit vonnis werd betekend of dat de appellant er in zou hebben berust.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

De appellant vordert dat het bestreden vonnis zou worden hervormd, dat het verzet tegen het dwangbevel ontvankelijk en gegrond zou worden verklaard, zou gezegd worden voor recht dat de bedragen er in vermeld ten titel van BTW, geldboeten en intresten niet verschuldigd zijn, en de geïntimeerde zou veroordeeld worden tot terugbetaling van alle sommen die op grond van dit dwangbevel zouden zijn geïnd of ingehouden, verhoogd met de wettelijke intresten.

De geïntimeerde van zijn kant vordert dat het hoger beroep van de appellant ongegrond zou worden verklaard, de appellant in al zijn eisen zou worden afgewezen en zou veroordeeld worden tot het betalen van alle sommen zoals opgenomen in het oorspronkelijk proces-verbaal. De geïntimeerde vordert in ondergeschikte orde de bevestiging van het bestreden vonnis.

De geïntimeerde stelt aldus impliciet incidenteel beroep in en vordert tevens voor het eerst bij wijze van tegenvordering dat de appellant zou worden veroordeeld tot betalen van alle sommen zoals opgenomen in het proces-verbaal.

2\. De appellant stelt dat hij niet gebonden is door de *"minnelijke inregelstelling"* d.d. 20.5.1998 (stuk 4 van de geïntimeerde), door zijn echtgenote ondertekend, nu zijn echtgenote hiertoe niet gemandateerd was.

Er wordt geen schriftelijke volmacht voorgelegd.

De geïntimeerde mag het bestaan en de omvang van dergelijk mandaat wel bewijzen door alle middelen van recht.

De echtgenote van de appellant was volgens mededeling van de appellant in conclusie samen met hun zoon vanaf 1994 de feitelijke uitbaatster van de handelszaak (zie de conclusie van de appellant neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde op 25.3.2002, tweede ongenummerd blad), dan weer pas vanaf 1996 (zie het proces-verbaal van 16.11.1998, stuk 1 van de geïntimeerde en het verzoekschrift hoger beroep p. 2). Het was de echtgenote van de appellant die ter gelegenheid van de controles de nodige inlichtingen verschafte en over de boekhouding beschikte die zij dan ter controle heeft voorgelegd. Hieruit mag afgeleid worden dat zij hiertoe van de appellant mandaat had.

Uit deze gegevens, en ook uit andere, blijkt echter niet dat zij mandaat had om een voor de appellant, die de BTW-belastingplichtige is, bindende minnelijke inregelstelling te ondertekenen.

De minnelijke inregelstelling is dan ook niet bindend voor de appellant.

3\. De volgens het dwangbevel verschuldigde BTW, nl. … BEF (thans … EUR), werd berekend in het proces-verbaal van 16.11.1998 (stuk 1 van de geïntimeerde).

Hiervan is een bedrag van … BEF (thans … EUR) (meer boete en intresten) niet betwist (totaal van de bedragen berekend in het proces-verbaal van 16.11.1998 onder de punten I t/m III), en reeds betaald. Volgens opgave door de geïntimeerde gebeurde deze betaling op 28.11.1998 (zie o.m. de conclusie neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 11.5.2004, tweede ongenummerd blad), zodat nadien geen dwangbevel meer moest worden uitgevaardigd voor deze bedragen.

Wat de BTW betreft berekend in punt IV van het proces-verbaal over de jaren 1994, 1995 en 1996, hetzij voor een bedrag van … BEF (thans … EUR), werd als volgt te werk gegaan door de administratie:

• verkoop van machines

\- aan de hand van de aankoop- en verkoopfacturen van het jaar 1995 en rekening houdend met de kortingen werd per verkoop de winstmarge berekend;

\- vervolgens werd het gemiddelde genomen van al deze winstmarges op verkopen per merk van machine om de gemiddelde winstmarge per merk te bekomen over 1995;

\- vervolgens werd het gemiddelde berekend van deze gemiddelde per merk, wat tot een resultaat leidde van 39,77 %;

• verkoop wisselstukken

\- de kortingen per merk volgens de aankoopfacturen van wisselstukken worden weergegeven;

\- er wordt gesteld dat dit resulteert in een gewogen gemiddelde korting van 26,9 %;

\- er wordt gesteld dat dit overeenstemt met een brutowinst van 36,79 %;

• aankopen gereedschappen

\- de kortingen per merk volgens de aankoopfacturen van gereedschap worden weergegeven;

\- er wordt gesteld dat dit resulteert in een gewogen gemiddelde korting van 32,6 %;

\- er wordt gesteld dat dit overeenstemt met een brutowinst van 48,36 %;

• op basis van het aankoopfactuurboek wordt berekend dat in het totaal aankoopcijfer dit van de machines 82,5 % vertegenwoordigt, dat van de wisselstukken 13,1 % en dat van de gereedschappen 4,4 %;

• loon van de zoon

er wordt uitgegaan van een uurloon van … BEF (thans … EUR), dat als volgt wordt gerechtvaardigd : *"Het loon van de zoon wordt eveneens als gedeeltelijk niet-productief weerhouden aangezien hij voor het totaal van zijn gepresteerde uren naast de herstellingen die hij uitvoert in samenwerking en met hulp van de uitbater, eveneens tijd besteedt aan de verkoop en de verhuur van machines. Het niet-productief gedeelte van de gepresteerde uren wordt weerhouden op 20 % van de totaal gepresteerde uren. De normaal te weerhouden bruto winst op het loon bedraagt 240 % rekening houdend met de normale patronale bijdragen en de normale winst op de uurlonen. Dit resulteert in een aan te rekenen uurloon aan de klant van … BEF per uur"*.

• voor elk van de jaren 1994, 1995 en 1996 worden voor de machines, het gereedschap en de wisselstukken de verkochte/verwerkte aankopen berekend door van de beginvoorraad vermeerderd met de aankopen de eindvoorraad af te trekken; de beginvoorraad en de eindvoorraad worden bepaald door op het globaal bedrag van de voorraad de hoger vermelde percentages van 82,5 %, 13,1 % en 4,4 % toe te passen.

• het bedrag van deze verkochte/verwerkte aankopen wordt dan verhoogd met de hoger berekende brutowinstpercentages om alzo de omzet te berekenen voor de machines, het gereedschap en de wisselstukken;

• voor elk van de jaren 1994, 1995 en 1996 wordt weerhouden als *"uitbetaalde lonen"* voor de zoon : "… F x 2,40 = … F x 80 % = …F. ".

• de verschuldigde BTW wordt berekend op de meeromzet (uitgevoerde berekeningen min aangegeven omzet) voor machines, gereedschap, wisselstukken, lonen en ontvangsten (volgens dagboek van ontvangsten en verkoopfactuurboek).

Deze berekeningswijze dient verworpen te worden.

Het berekenen van een gemiddeld percentage per merk van machine geeft reeds een vertekend beeld van de winstmarge. Uit het overzicht van de winstpercentages voor het merk Honda (blijkbaar het belangrijkste qua omzet), opgenomen in het proces-verbaal van 16.11.1998 (stuk 1 van de geïntimeerde), blijkt dat deze winstmarges schommelen van een uiterst laag percentage (laagste = 1 %) tot een aanzienlijk hoger percentage (hoogste = 67,7 %), met een grote hoeveelheid verschillende percentages tussen deze twee uitersten in.

Nog twijfelachtiger wordt een zelfs benaderende juistheid van de berekening wanneer van de gemiddelde winstpercentages van alle merken nog eens het gemiddelde wordt genomen.

De wijze waarop het gemiddelde winstpercentage, waarbij dan weer rekening werd gehouden met een gemiddelde korting, werd berekend voor de aankopen van wisselstukken en van gereedschappen, blijkt niet duidelijk.

Zowel de percentages van machines, wisselstukken en gereedschappen aangewend ter berekening van elk van deze goederen in de begin- en eindvoorraad, als de gehanteerde brutowinstpercentages, zijn berekend op de cijfers voor het jaar 1995, maar worden toegepast op de jaren 1994 en 1996. Er wordt aldus van de niet gestaafde veronderstelling uitgegaan dat al deze percentages gedurende drie jaar gelijk gebleven zijn (1994, 1995 en 1996), wat zeer onwaarschijnlijk is. De loutere bewering dat *"de uitbatingsvoorwaarden ongewijzigd zijn gedurende het volledig gecontroleerd tijdperk"* (zie het proces-verbaal p. 9) laat ook niet toe hiertoe te besluiten.

Wat het loon van de zoon betreft, worden geen concrete gegevens naar voren gebracht die zouden toelaten te doen aannemen dat dit voor 20 % niet productief is en 80 % productief De raming van dit loon op 240 % van … BEF (thans … EUR) wordt evenmin concreet gestaafd (voor de verhoging tot 240 % wordt enkel gesteld dat rekening moet gehouden worden met de *"normale"* patronale bijdragen en de *"normale"* winst op uurloon). Het betreft ongestaafde gissingen.

Het is dan ook niet bewezen dat de onder punt IV van het proces-verbaal van 16.11.1998 berekende BTW (en de accessoria) verschuldigd is.

### Dispositif

**OP DEZE GRONDEN,**

**HET HOF**, recht doende op **tegenspraak**,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 193 5 op het gebruik der talen.

Ontvangt het hoger beroep en verklaart het grotendeels gegrond.

Ontvangt het incidenteel beroep en de tegenvordering van de geïntimeerde, en verklaart beide ongegrond.

Doet het bestreden vonnis teniet, behoudens waar dit het verzet van de appellant ontvankelijk verklaart, en opnieuw wijzende,

Vernietigt het dwangbevel (RCIV nr. …) uitgevaardigd door **P. D. V.**, eerstaanwezend inspecteur a.i. van het BTW-ontvangkantoor te Aalst op 7.1.1999, en geviseerd en uitvoerbaar verklaard door **F. D. B.**, eerstaanwezend inspecteur-diensthoofd, daartoe gemachtigd door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Gent op 18.1.1999.

Veroordeelt de geïntimeerde tot terugbetaling van alle sommen die op grond van dit dwangbevel zouden zijn geïnd of ingehouden, verhoogd met de wettelijke intresten.

Verstaat dat niet dient terugbetaald te worden de som van … BEF (thans … EUR) door de appellant betaald ter voldoening van het hoger vermeld bedrag van … BEF (thans … EUR) aan BTW meer accessoria, welke verschuldigd waren.

Veroordeelt de geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen, begroot als volgt :

• aan de zijde van de appellant : op … EUR dagvaarding + … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR;

• aan de zijde van de geïntimeerde : op … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, **vijfde kamer**, op **ACHTENTWINTIG SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN VIER**.

Aanwezig :

Mevrouw **N. V. I.**, Voorzitter,

De Heren **A. D. M.** en **G. T.**, Raadsheren,

**M. V.**, griffier.

**M. V.** **G. T.** **A. D. M.** **N. . I.**

**ZITTING VAN : 5 JUNI 2003 – 9****e** **Kamer-B. Z.**

A.R. **99/1558/A**

IN DE ZAAK VAN :

**V. G. E.**, kleinhandelaar in tuingereedschap, wonende te …, …, BTW-nummer BE …, ingeschreven in het handelsregister te Aalst onder het nummer …;

**eiser,**

verschijnende door Mr. **W. D. B.**, advocaat te …, …;

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Administratie der Belasting over de Toegevoegde Waarde. Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer E.a. Inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Aalst, waarvan de burelen gevestigd zijn te 9300 Aalst, Graanmarkt 1-3;

**verweerster,**

verschijnende door Mr. **J.-P. W.**, advocaat te …, …;

werden op de openbare terechtzitting van 4 april 2003, partijen gehoord in hun middelen en besluiten, de debatten gesloten en werd de zaak in beraad genomen.

### Décision jointe par le SPF

In deze zaak verleent de Rechtbank, na beraad, volgend vonnis :

Gezien de stukken waaronder de verzetsakte van 17 juni 1999, welke ertoe strekt te horen zeggen voor recht dat het dwangbevel van 7 januari 1999, uitvoerbaar verklaard op 18 januari 1999, aan eiser ter kennis gebracht op 26 januari 1999, naar rechte niet verantwoord is en dient vernietigd, te zeggen voor recht dat aan eiser ontheffing wordt verleend van alle verschuldigde sommen, belastingen, intresten, verhogingen en boetes, terugbetaling te bevelen van alle reeds betaalde of ingehouden sommen, meer de verwijlintresten of moratoire intresten en verweerder te veroordelen tot de gedingskosten, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding voorzien bij art. 1022 Ger. Wet. en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te horen verklaren, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling of kantonnement.

Op 1 april 1998 werd bij **V. G. E.** op het adres … te …, kleinhandelaar in tuingereedschap, een fiscaal toezicht uitgeoefend inzake de toepassing van de wetgeving en reglementering inzake de BTW over de periode van 1 januari 1994 tot 31 december 1996.

De activiteiten van belastingplichtige bestaan in verkoop van machines, verkoop van gereedschap, verhuur van machines en herstelling en onderhoud van machines.

De handelszaak werd opgestart door **V. G. E.**, nadien hielp zijn echtgenote mee, doch vanaf 1996 was het ingevolge ziekte van **V. G. E.** enkel nog zijn echtgenote en zoon die de handel uitbaatten.

In conclusies van 25 maart 2002 argumenteert **V. G. E.** dat de facto de handelszaak sedert 1994 niet meer door hem zelf werd uitgebaat, gelet op het feit dat in de periode 1994-1995 door hem veel arbeid werd verricht aan zijn woonhuis. Vanaf juni 1996 kon hij niets meer in de zaak doen wegens ziekte en vanaf dan werd de uitbating volledig verricht door zijn echtgenote en zoon.

Mevrouw **B.** was aanwezig bij de controles en vermits de facto de uitbating sedert 1994 op haar schouders rustte, is zij bij uitstek degene die het reilen en zeilen in de zaak bijzonder goed moet hebben gekend.

Uit de overgelegde stukken blijkt eveneens dat zijzelf ook instond voor het voeren van de boekhouding. Pas vanaf 22 mei 1998 werd door de belastingplichtige een beroep gedaan op een accountant om hem te vertegenwoordigen tegenover de administratie.

Bij het controlebezoek door de BTW-administratie op 1 april 1998 diende de inspecteur vast te stellen :

\- dat de boekhouding niet volledig aanwezig was op het uitbatingsadres, maar wel op het privéadres,

\- er was een "kladboek" aanwezig, dat door de inspecteur bij zijn onaangekondigd plaatsbezoek werd geviseerd op 1 april 1998 en waaromtrent mevrouw **B.** verklaarde dat het kladboek nadien werd overgeschreven in een "proper" register,

\- voor wat de herstellingen betreft, werd op 1 april 1998 door de administratie vastgesteld dat betreffende het onderhoud en de herstelling van de machines "werkfiches" werden opgesteld met detail van aangerekend uurloon en kostprijs onderdeel, doch uit de verklaring van mevrouw **B.** blijkt dat deze werkfiches of werden weggegooid of werden overhandigd aan de klant en dus geen exemplaar werd bewaard ter staving van de inschrijvingen in het dagboek,

\- er werden een aantal onregelmatigheden vastgesteld waar BTW ten onrechte werd afgetrokken bij afwezigheid van een regelmatige factuur, of waar er een beperking van de aftrekregeling niet werd nageleefd of waar ten onrechte BTW werd afgetrokken bij een transactie waarop geen BTW verschuldigd was.

De belastingplichtige stelt dat de verklaringen door mevrouw **B.** en door mevrouw **H.** gedaan, dienen te worden "gerelativeerd" en derhalve ook de bewijswaarde en betrouwbaarheid van de elementen van het proces-verbaal moeten worden gerelativeerd.

Tevens is de belastingplichtige van oordeel dat de administratie in boekhouding onmogelijk als niet-bewijskrachtig zou kunnen verwerpen, omdat de werkfiches niet werden bijgehouden en de omzet door de administratie op onrechtmatige en volstrekt arbitraire wijze werd vastgesteld.

Dit alles is niet relevant.

Wel blijkt dat mevrouw **B.** toegeeft de facto sedert 1994 de handelszaak te runnen; zijzelf stond ook in voor het opvolgen van de boekhouding.

Op het ogenblik der controle bleek dat in onderling overleg, met de BTW-administratie tussen haar en de inspecteur een omzetverhoging van € … BEF voor 1994 werd goedgekeurd, € … (… BEF) voor 1995 werd goedgekeurd en € … (… BEF) voor 1996 werd goedgekeurd.

Het akkoord dat op 20 mei 1998 tussen haar en de belastingadministratie werd gesloten vormt derhalve een buitengerechtelijke bekentenis, zodat eiser gebonden is met betrekking tot deze omzetverhoging.

De administratie heeft naar aanleiding van de controle de met de BTW belastbare output exclusief BTW, berekend op basis van de input, rekening houdend met de brutowinst en/of rendementsnormen en/of eigen productieve prestaties, exclusief BTW, zodat berekening zoals geformuleerd in het document "minnelijke inregelstelling" bindend is voor de administratie.

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Rechtdoende op **tegenspraak**;

Met inachtneming van de beschikkingen van de wet van 15 juni 1935 en de aanvullende wetten op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het verzet tegen het dwangbevel van 7 januari 1999 ontvankelijk en deels gegrond;

Zegt voor recht dat eiser ontheffing wordt verleend van de verschuldigde sommen, belastingen, intresten, verhogingen en boeten, met uitzondering tot een bedrag van € … (… BEF), meer de intresten vanaf 20 mei 1998;

Wijst het anders of meergevorderde af als ongegrond;

Veroordeelt verweerster als "in het ongelijk gestelde partij" in de zin van art. 1017 Ger. W. tot de kosten van het geding;

Begroot de kosten aan de zijde van eiser tot heden op de som van € … ongerekend de rechten van registratie op minuut, de kosten van uitgifte van onderhavig vonnis en van verdere uitvoering;

Verklaart huidig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling;

Aldus gewezen en uitgesproken ter buitengewone openbare terechtzitting van **VIJF JUNI TWEEDUIZEND EN DRIE** van de **negende kamer** zitting houdende in burgerlijke zaken, der rechtbank van eerste aanleg, zetelend te Dendermonde.

Aanwezig :

**M. D. P.**, rechter, voorzitter van de negende kamer;

**K. W.**, e.a. adj.-griffier.

**K. W.** **M. D. P.**

## Textes cités

2

[CTVA art. 70](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) 1 occurrence

[CTVA art. 91](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[TVA -Impôt des personnes physiques -Article 4bis du Code d'instruction criminelle -Action](https://juriel.be/fr/jurisprudence/tva-impot-personnes-physiques-article-cour-appel-anvers-2025-04-24-09f5) 2 dispositions communes

[Carrousel TVA, Participation, Refus de déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/carrousel-tva-participation-refus-deduction-cour-appel-bruxelles-2020-09-10-0c67) 2 dispositions communes

[Taux réduit, Immeubles neufs, Travaux immobiliers, Travaux de construction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/taux-reduit-immeubles-neufs-travaux-tribunal-bruxelles-2023-05-31-0d52) 2 dispositions communes

[Reconstitution du chiffres d’affaires, Preuve par présomptions](https://juriel.be/fr/jurisprudence/reconstitution-chiffres-affaires-preuve-presomptions-cour-appel-bruxelles-2023-02-0e22) 2 dispositions communes

[Droit de déduction, Révision, Participation à une unité TVA](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-revision-participation-unite-tribunal-hasselt-2026-03-11-110c) 2 dispositions communes

[Registre de perception et recouvrement, Titre exécutoire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/registre-perception-recouvrement-titre-executoire-cour-appel-gand-2024-03-12-1183) 2 dispositions communes

[Finalité, Lieu d'établissement, Principe de neutralité](https://juriel.be/fr/jurisprudence/finalite-lieu-etablissement-principe-neutralite-cour-appel-bruxelles-2026-05-13-12b2) 2 dispositions communes

[Assujettissement, Exercice d’une activité économique, Déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/assujettissement-exercice-activite-economique-deduction-tribunal-bruxelles-2021-09-03-130a) 2 dispositions communes
