---
title: "Poursuite, instance · Cour d&#x27;appel de Gand, 12 décembre 2001"
description: "Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor. Cour d'appel de Gand (Belgique), 12 décembre 2001."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-cour-appel-gand-2001-12-506a"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Gand

**Date**

12 décembre 2001

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

Le texte de ce document est en néerlandais.

## Texte

101 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la COur d'Appel de Gand du 12.12.2001

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Hof van beroep te Gent, 13****e** **Kamer, terechtzitting van 12.12.2001**

**1998/AR/1458** - In de zaak van :

**D. M.**, wonende te …, …,

**appellant,**

hebbende als raadsman Mr. **S. J.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**1. BELGISCHE STAAT**, Ministerie van FINANCIEN,

**1.1. De heer BTW-ONTVANGER KORTRIJK 1**, wiens kantorengevestigd zijn te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31,

**1.2. De heer HOOFDCONTROLEUR DER BTW**, wiens kantoren gevestigd zijn te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31,

**geïntimeerden,**

hebbende als raadsman Mr. **D. C.**, advocaat te …, …

velt het Hof het volgend arrest :

Bij verzoekschrift ter griffie van het Hof neergelegd op 19 juni 1998 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis op 5 januari 1998 uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, tweede kamer.

Er wordt geen bewijs van betekening van dit vonnis voorgelegd. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

De geïntimeerde houdt wel voor dat het hoger beroep niet ontvankelijk is wegens gebrek aan consignatie van de verschuldigde sommen.

## De feiten

De feiten werden uitvoerig uiteengezet in het bestreden vonnis. Er kan nuttig naar deze uiteenzetting worden verwezen.

Kort herhaald kan gezegd worden :

dat de appellant kleinhandelaar was in elektrische huishoudtoestellen en tegelijkertijd uitbater van wassalons en zonnebankcentra;

\- dat hij deze handelsactiviteiten heeft stopgezet op 1 maart 1991;

\- dat voor de jaren 1988, 1989 en 1990 een aanslag van ambtswege werd gevestigd omdat de boekhouding door de administratie niet bewijskrachtig werd bevonden;

\- dat een proces-verbaal werd opgesteld op 25 november 1991 en dat, wegens niet akkoord, op 22 december 1992 twee dwangbevelen werden betekend, te weten :

\* een dwangbevel d.d. 3 november 1992 op grond van een ambtshalve aanslag d.d. 26 juni 1992, waarbij betaling werd gevorderd van 1.237.249 BEF BTW, 2.474.498 BEF boete, samen 3.711.747 BEF, vermeerderd met de interesten;

\* en een dwangbevel d.d. 7 december 1992 op grond van de afwijzing van door de appellant toegepaste aftrek van BTW op inkomende handelingen, waarbij betaling werd gevorderd van 200.510 BEF BTW, 49.000 BEF boete en de interesten;

\- dat de appellant op 8 februari 1993 tijdig verzet heeft aangetekend tegen deze beide dwangbevelen, voorhoudende dat de ambtshalve aanslag willekeurig werd gevestigd en dat de aftrek van voorbelasting ten onrechte werd verworpen;

\- dat de beide zaken samen werden behandeld voor de eerste rechter en dat het verzet tegen het eerste dwangbevel werd afgewezen als ongegrond en dat het verzet tegen het tweede dwangbevel slechts in zeer beperkte mate werd ingewilligd.

## Het hoger beroep

Voor het Hof herneemt de appellant de redenen welke hij reeds heeft voorgelegd aan de eerste rechter.

Het verweer van de appellant steunt in hoofdzaak op de navolgende redenen :

\- dat de aanslag inzake de wassalons willekeurig is omwille van een niet toegelaten extrapolatie van één enkele vaststelling omtrent het elektriciteitsverbruik van de droogkasten in één wassalon, terwijl uit vaststellingen van een gerechtsdeurwaarder blijkt dat er geen meetbare correlatie bestaat tussen het verbruik van de externe ventilatoren op de droogkasten (dat in het wassalon te … werd gemeten door de administratie) en de droogkasten zelf, dat er geen gekende verhouding bestaat tussen het gebruik van de droogkasten en dit van de wasmachines, dat een verklaring bestond voor de dalende verkoop van wasproducten, dat een onaangekondigde controle (door de administratie) op de leegmaking van alle automaten in 1996 wees op een juiste aangifte van de ontvangsten en, inzake de elektrozaak, dat ook deze verhoging willekeurig was omdat de omstandigheden niet dezelfde waren de jaren 1988 en 1989 als in het jaar 1990 omdat werd overgegaan tot uitverkoop;

\- dat door de overdreven extrapolatie de ambtshalve aanslag werd gevestigd door een opeenstapeling van vermoedens, wat niet toegelaten is;

\- subsidiair, dat de geldboete niet wettelijk was omdat geen bewijs werd geleverd van het bedrieglijk opzet of het oogmerk te schaden en dat de rechtbank met volle rechtsmacht kan oordelen over de boeten; dat deze minstens moeten verminderd worden tot 50 %, zijnde het percentage dat de administratie zelf in het vooruitzicht had gesteld.

Met een schrijven d.d. 30 november 1998 vorderde de ontvanger consignatie van 1.421.614 BEF BTW, 2.531.498 BEF geldboete, 1.079.960 BEF wettelijke interest tot 20 december 1998, 1.124.409 BEF moratoire interest tot 20 december 1998 en 13.539 BEF kosten, hetzij samen 6.201.020 BEF.

Deze vraag werd gemotiveerd met de navolgende overwegingen:

\- dat in het verzoekschrift van hoger beroep geen nieuwe argumenten werden aangevoerd welke niet reeds door de administratie werden weerlegd, "zodat dit hoger beroep een dilatoir karakter heeft";

\- dat, ondanks het feit dat bepaalde posten van het invorderingsorder, samen voor een bedrag van 41.788 BEF, niet meer werden betwist, toch geen enkele betaling werd verricht, ook niet onder voorbehoud;

\- dat de appellant zijn beroepswerkzaamheid als BTW-plichtige had stopgezet op 1 maart 1991;

\- dat de hypothecaire inschrijvingen op onroerende goederen gelegen te …, … en …, overeenkomstig art. 86 BTW-wet, slechts tot zekerheid konden dienen voor de invordering van de belasting, de interest en van de kosten, met uitsluiting van de geldboeten.

Om deze redenen oordeelde de ambtenaar dat de rechten van de Schatkist op geen enkele andere manier en in dezelfde mate veilig konden gesteld worden dan door de toepassing van art. 92, tweede lid BTW-wet.

De appellant heeft geen gevolg gegeven aan het verzoek tot consignatie.

De administratie houdt voor dat het hoger beroep niet ontvankelijk dient verklaard te worden wegens het ontbreken van de consignatie zoals was gevraagd.

Inzake de ambtelijke aanslag stelt de administratie dat de boekhouding niet bewijskrachtig was, dat de aanslag niet willekeurig werd gevestigd, dat (inzake de omzetverhoging van de wassalons) de vaststellingen van de gerechtsdeurwaarder geen bewijs leveren tegen de bevindingen van de controlerende ambtenaar (proces-verbaal d.d. 25 november 1991) o.m. omdat het verschil in de meterstand na de geldinworp niet werd geacteerd, dat ook het toezicht op de lediging van de automaten geen sluitend bewijs levert omdat de aanwezigheid van de ambtenaar niet zo onaangekondigd was als de appellant wil doen geloven, dat de extrapolatie van de vermoedens gerechtvaardigd was en dat de boete wettig was en alleen kan verminderd worden door de Minister of de door hem aangewezen ambtenaar.

Verder wordt beweerd dat de appellant niet alle rekeninguittreksels voorlegt, dat hij (inzake de omzetverhoging van de elektrozaak) niet bewijst dat hij in 1988 nog bedragen zou hebben ontvangen voor verkopen in 1987.

Inzake de aftrekbeperking vraagt de administratie eveneens de bevestiging van het bestreden vonnis.

In een conclusie neergelegd op 14 oktober 2000 stelt de administratie nog dat de appellant het juiste bedrag van zijn omzet dient te bewijzen ofwel dient te bewijzen dat de ambtshalve aanslag overdreven is en dat het gebruik van 'meerdere vermoedens' op zich de ambtshalve aanslag niet overdreven maakt. Zij beweert : "Het besluit van de appellant dat hij *opnieuw alleen aantoont dat de ambtelijke aanslag van de administratie willekeurig is en niet verantwoord aan de hand van objectieve gegevens, wat op zich voldoende is om de aanslag te laten vernietigen*, is ongegrond".

De appellant beweert dat de vraag tot consignatie steunt op een gebonden bevoegdheid van de ontvanger en dat daarom de consignatie geen voorwaarde kan zijn voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep. Wanneer zou geoordeeld worden dat de bevoegdheid van de ontvanger een discretionaire bevoegdheid zou zijn, dan moet (volgens de appellant) geoordeeld worden dat de vraag niet voldoende gemotiveerd was en ze ook niet redelijkerwijze verantwoord was, rekening houdend met de doelstelling van de wetgever.

Inzake de ambtelijke aanslag houdt de appellant in het bijzonder voor :

\- dat zijn boekhouding wel bewijskrachtig was;

\- dat de ambtelijke aanslag willekeurig was omdat hij werd gestoeld op een opeenstapeling van vermoedens;

\- dat de deducties van de administratie (bijgetreden door de eerste rechter) geen logische gevolgtrekkingen zijn;

\- dat de extrapolatie naar andere wassalons en voor andere jaren onwettig is;

\- dat de administratie ten onrechte beweert dat de vermoedens worden bevestigd door de wanverhouding op het credit van zijn bankrekening omdat daarbij geen rekening wordt gehouden met andere factoren zoals het bekomen van een lening en de opname van gelden van een spaarboekje;

\- dat de brutowinst van de elektrozaak in 1988 en 1989 niet kan bepaald worden op 22,2 % zoals voor het jaar 1990 omdat de omstandigheden anders waren;

\- dat geen bedrieglijk opzet bewezen is zodat geen boete gelijk aan 200 % van de verschuldigde BTW kan opgelegd worden;

\- dat de boete een strafrechtelijk karakter heeft;

\- dat deze boete minstens moet verminderd worden tot 50 % zoals door de administratie zelf in het vooruitzicht was gesteld.

Inzake het tweede dwangbevel (wegens beperking van de aftrek van voorbelasting) herhaalt de appellant de grieven welke hij heeft aangevoerd voor de eerste rechter en o.m. dat een redeneringsfout werd gemaakt voor een bedrag van 300.000 BEF.

## Beoordeling

1\. Inzake de ontvankelijkheid van het hoger beroep :

De ontvanger heeft consignatie gevraagd op grond van een discretionaire bevoegdheid. De vraag werd ook gemotiveerd, maar de gegrondheid van de motieven wordt betwist.

De afwezigheid van 'nieuwe argumenten' in de beroepsakte laat op zich niet toe te besluiten tot het dilatoir karakter van het hoger beroep wanneer de argumenten niet 'manifest' ongegrond zijn. De omstandigheid dat op deze argumenten reeds werd geantwoord door de administratie (d.i. de tegenpartij) doet daaraan niet af.

Uit de motivering van de vraag tot consignatie moet afgeleid worden dat de hypothecaire inschrijving een voldoende zekerheid biedt voor de invordering van de verschuldigde belasting, van de interest en van de kosten.

Er waren te dezen geen redenen om consignatie te vragen van de bedragen waarvoor een hypothecaire inschrijving was genomen: de rechten van de Schatkist waren op een afdoende wijze veilig gesteld door deze hypothecaire inschrijving.

Aan het feit dat een klein bedrag - dat niet meer betwist werd - toch niet werd betaald kan, gelet op de hypothecaire inschrijving, geen overwegend belang worden gehecht.

Dat de appellant zijn beroepswerkzaamheid als BTW-plichtige had stopgezet, had geen invloed op de bestaande zekerheid ingevolge de hypothecaire inschrijving.

Uit het feit dat art. 86 BTW-wet geen hypothecaire inschrijving toelaat voor de invordering van de geldboete, moet worden afgeleid dat de wetgever deze invordering van ondergeschikt belang heeft geacht.

Wanneer toch consignatie wordt gevraagd voor de geldboete - want alleen daarvoor zou de vraag, te dezen, enig nut kunnen hebben - wordt aan de invordering van de geldboete een prioriteit gegeven welke geenszins verenigbaar is met het ondergeschikt belang spruitend uit art. 86 BTW-wet. Het kan niet aangenomen worden dat het bedrag van de boete zou moeten geconsigneerd worden als voorwaarde voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep terwijl het bedrag van de belasting zelf slechts onder dwang kan opgevorderd worden na het beëindigen van de procedure, bij voorbeeld door realisatie van de goederen waarop een hypothecaire inschrijving werd genomen.

De vraag tot consignatie kan om deze redenen geen beletsel vormen voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep.

## 2. Inzake de gegrondheid

**2.1** De ambtelijke aanslag, voorwerp van het dwangbevel d.d. 3 december 1992 :

Ten onrechte beweert de appellant dat zijn boekhouding bewijskrachtig was. De eerste rechter heeft - met een omstandige motivering welke door het Hof wordt bijgetreden - terecht geoordeeld dat de boekhouding elke bewijskracht mist.

De appellant baatte drie wassalons uit, een te …, een te … en een te …, waarvan alle toestellen werkten door middel van geldautomaten.

Op 20 september 1991 werden door de controlediensten vaststellingen gedaan in het wassalon te … : de vier droogkasten waren voorzien van een meter en op basis van het verschil tussen de meterstand op 4 maart 1988 (een eerdere opname) en deze op 20 september 1991, werd de gemiddelde maandelijkse omzet berekend per droogkast. De berekening van de ambtenaar toonde een omzet aan welke het dubbele was van de door de appellant aangegeven omzet. Omdat er (volgens de administratie) een logische verhouding bestaat tussen het gebruik van de droogkasten en het gebruik van de wasmachines en droogzwierders, werd ook de aangegeven omzet voor deze toestellen verdubbeld. Deze verdubbeling werd toegepast voor alle vestigingen en voor alle jaren.

Het enige vaststaand feit was het elektriciteitsverbruik van de droogkasten te …. Daarbij werd dan nog uitgegaan van een vermoeden dat het verbruik niet was gewijzigd nadat de appellant zelf de uitbating had stopgezet : de vaststelling van de meterstand gebeurde immers pas op 20 september 1991 terwijl de appellant (maar blijkbaar wel zijn echtgenote) de zaak niet meer uitbaatte na de maand februari 1991.

Aangenomen dat het elektriciteitsverbruik van de droogkasten te … een 'bekend feit' uitmaakte, dan was de verdubbeling van de omzet van de droogkasten voor de uitbating te … een eerste (en toegelaten) vermoeden.

Wanneer daaruit wordt afgeleid dat ook de omzet van de wasmachines en van de droogzwierders te … het dubbele bedraagt, dan wordt dit (tweede) vermoeden niet meer gesteund op een 'bekend feit', maar wel op een vermoeden, te weten op het eerste vermoeden.

En wanneer vervolgens wordt gesteld dat de gehele omzet ook voor andere vestigingen en voor elk jaar dient verdubbeld te worden, dan wordt evenmin gesteund op 'bekende feiten' maar wel op het eerste en tweede vermoeden.

De berekening van de globale omzet is derhalve gestoeld op een opeenstapeling van vermoedens. Dat maakt de ambtelijke aanslag willekeurig.

In strijd met wat door de administratie wordt beweerd, volstaat de vaststelling van de willekeurigheid om de ambtelijke aanslag nietig te verklaren : het is niet nodig dat de belastingplichtige bovendien zou bewijzen dat deze aanslag overdreven is.

Daar het Hof de ambtelijke aanslag niet kan wijzigen of verbeteren, moet hij nietig geacht worden voor het geheel. Het is dan ook niet dienend de andere grieven van de appellant te onderzoeken daar ze niet kunnen leiden tot een andere beslissing.

Het verzet tegen het dwangbevel d.d. 3 november 1992 moet daarom gegrond verklaard worden.

**2.2** De verwerping van aftrek van voorbelasting, voorwerp van het dwangbevel d.d. 7 december 1991;

De appellant herneemt voor het Hof de argumenten welke hij reeds had aangevoerd in eerste aanleg.

Met een uitvoerige motivering heeft de eerste rechter de vordering van de appellant grotendeels afgewezen en slechts gedeeltelijk ingewilligd.

De appellant herhaalt zijn argumenten voor het Hof maar toont niet aan dat in het bestreden vonnis onjuist zou zijn geoordeeld. Het Hof treedt de motieven van de eerste rechter bij en maakt ze tot de zijne.

Er zijn dan ook geen redenen om het bestreden vonnis te wijzigen waar het oordeelt over het dwangbevel d.d. 7 december 1992.

### Dispositif

**OP DEZE GRONDEN,**

**HET HOF,**

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Ontvangt het hoger beroep en verklaart het ten dele gegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis waar het oordeelt over het verzet tegen het dwangbevel d.d. 7 december 1992, doet het teniet waar het oordeelt over het verzet tegen het dwangbevel d.d. 3 november 1992 en daaromtrent opnieuw beslissend;

Verklaart het verzet ontvankelijk en gegrond, verklaart dit dwangbevel nietig en zonder waarde en beveelt de terugbetaling van alle sommen welke uit hoofde van dit dwangbevel reeds werden betaald of ingehouden, vermeerderd met de moratoire interest vanaf de datum van betaling of inhouding.

Veroordeelt de geïntimeerde tot ¾ van alle kosten en de appellant tot ¼ ervan; begroot de kosten in hoofde van de appellant op 4.322 BEF dagvaarding, 12.300 BEF rechtsplegingvergoeding eerste aanleg en 17.600 BEF rechtsplegingvergoeding hoger beroep, en deze in hoofde van de geïntimeerde op 12.300 BEF rechtsplegingvergoeding eerste aanleg en 17.600 BEF rechtsplegingvergoeding hoger beroep, dit alles volgens opgave, waar nodig verbeterd.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, **dertiende kamer**, recht doende in burgerlijke zaken van **twaalf december tweeduizend en één**.

Aanwezig: de heer **L. G.**, Kamervoorzitter, alleenrechtsprekend en

mevrouw M**. V.**, griffier.

**M. V.** **L. G.**
