---
title: "Poursuite, instance · Cour d&#x27;appel de Bruxelles, 27 février 2013"
description: "Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor. Cour d'appel de Bruxelles (Belgique), 27 février 2013."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-cour-appel-bruxelles-2013-02-27-c225"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Bruxelles

**Date**

27 février 2013

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

97 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Bruxelles du 27.02.2013

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**HOF van BEROEP te BRUSSEL, Zesde fiscale kamer - Openbare terechtzitting van 27.02.2013**

Nr. van de zaak : **2005/AR/2799**

IN ZAKE VAN :

**CFD I. L.** (voorheen **E. C. T.** PLC), vennootschap naar Engels recht, Company Nr. …, met maatschappelijke zetel te EClY 2AB London (Verenigd koninkrijk), …, geregistreerd als Britse BTW­belastingplichtige onder nr. GB …, woonstkeuze doende op het adres van haar raadsman,

**appellante op hoofdberoep,**

**geïntimeerde op incidenteel beroep,**

vertegenwoordigd door Meester **F. V.**, advocaat te …, …,

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 14, op vervolging en benaarstiging van de heer gewestelijk directeur van de BTW, registratie en domeinen te Mechelen, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Vilvoorde, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1800 Vilvoorde, Groenstraat 51-57,

**geïntimeerde op hoofdberoep,**

**appellant op incidenteel beroep,**

vertegenwoordigd door Meester **F. S.**, advocaat te …, …,

**R. 2013/1426** **EINDARREST - gegrond**

Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :

Gezien de procedurestukken en meer in het bijzonder :

\- het afschrift van vonnis van de drieëndertigste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op tegenspraak gewezen op 10 oktober 2005 (AR nr. 2002/7935/A) vonnis waarvan geen betekeningakte voorligt;

\- het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof op 3 november 2005.

De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt betwist.

Het vonnis verklaarde de vordering van appellante slechts gedeeltelijk gegrond.

Deze vordering van appellante strekte ertoe haar verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren; het hierna genoemde dwangbevel te vernietigen en de vordering van geïntimeerde ongegrond te verklaren; de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond daarvan werden geïnd, verhoogd met de interesten sedert de datum van betaling; de in conclusie omschreven prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie.

## I. De feiten

Appellante is een vennootschap naar Engels recht. Zij is in Groot­Brittannië geregistreerd als BTW-belastingplichtige voor haar activiteit van groothandel, kleinhandel en televerkoop van GSM­apparatuur. In België is appellante niet ingeschreven als BTW­belastingplichtige.

Appellante stelt dat zij in het kader van haar activiteiten een afnemer in België had, een zekere **P.** en zijn vennootschappen. Voor haar Belgische klant bracht appellante de GSM-toestellen naar België, waar zij deze opgeslagen hield tot de Belgische klant had betaald. Daarop gaf zij de toestellen vrij. Deze leveringen geschiedden als intracommunautaire leveringen met vrijstelling van BTW.

Sinds 21 augustus 1997 huurde appellante volgens een op 1 december 1997 ondertekende "rental agreement” een gebouw te … gelegen, zijnde een opslagruimte voor goederen en een bureel van ongeveer 40 m 2. Zij huurde tevens. een appartement te … blijkens een huurovereenkomst van 25 maart 1998 voor een termijn van 6 maanden, die aanving op 1 april 1998 en eindigde op 30 september 1998 en daarna jaarlijks stilzwijgend werd verlengd.

Op 14 januari 1998 sloot appellante een exclusiviteitovereenkomst met de vennootschap **B. S. and S.**·(BSS).

Op 29 mei 1998 voerde. het Nationaal Controlecentrum ter bestrijding van de BTW-carrousels (NCCC) een controle uit in de opslagruimte van appellante. Nieuwe controles volgden op 9 juli, 18 augustus, 12 november, 7 en 15 december 1998.

Op basis van de gedane vaststellingen ·oordeelden de verbalisanten van het NCCC dat appellante ten onrechte geen BTW had aangerekend over de leveringen van GSM-toestellen aan de Belgische klanten in de periode van juli 1997 tot en met november 1998.

Op 18 december 1998 stelden de verbalisanten van het NCCC een proces-verbaal op, volgens hetwelk appellante de volgende bedragen verschuldigd was :

\- als BTW : 788.596.119 BEF

\- als boete (200 %) : 1.577.192.239 BEF

\- meer interesten sedert 21 december 1998.

Op 18 januari 1999 werd een dwangbevel uitgevaardigd voor deze sommen, dat op 9 april 2002 aan appellante werd betekend.

Op 12 juni 2002 tekende appellante verzet aan tegen dit dwangbevel.

Bij het bestreden vonnis van 10 oktober 2005 verminderde de rechtbank van eerste aanleg te Brussel de opgelegde geldboete tot 100 % van de verschuldigde belasting. Zij bevestigde het dwangbevel voor het overige. De eerste rechter oordeelde dat appellante over een vaste inrichting in België beschikte en dat de goederen werden ingevoerd door en voor appellante en niet voor een exclusieve afnemer. Derhalve waren de voorwaarden voor een intracommunautaire verwerving niet vervuld en was BTW verschuldigd op de goederen die door appellante vanuit België naar een andere Lidstaat werden overgebracht.

Op 3 november 2005 tekende appellante hoger beroep aan tegen dit vonnis.

Op 10 januari 2006 werd door geïntimeerde aan appellante een verzoek tot consignatie voor het bedrag van de gevorderde BTW, de reeds vervallen interesten op de BTW, 20 % van de administratieve geldboete en de gerechtskosten gericht, waaraan appellante, naar eigen zeggen bij gebreke aan financiële middelen, geen gevolg kon geven.

## II. Discussie

### A. WAT HET HOOFDBEROEP BETREFT

#### a) Wat het verzoek tot consignatie en de ontvankelijkheid van het hoger beroep betreft

Met reden doen partijen opmerken dat in deze de versie van art. 92, lid 2 W.BTW van voor de wijziging daarvan ingevolge de Wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen toepassing vindt.

Geïntimeerde doet gelden dat, aangezien appellante de gevraagde sommen tot op heden niet betaald en/of geconsigneerd heeft of vervangen heeft door andere zekerheden in het voordeel van het bevoegde BTW-ontvangkantoor te Vilvoorde en gelet op het feit dat de in art. 92 lid 2 (oud) W.BTW bepaalde termijn van twee maanden inmiddels ruimschoots verstreken is, het hoger beroep van appellante onontvankelijk dient te worden verklaard.

Het verzoek tot consignatie werd gemotiveerd door de overwegingen dat appellante geen activiteiten in België meer ontwikkelde en er evenmin enig actief aanhield. Gelet op de hoegrootheid van de openstaande schuld zou een zekerheidsstelling noodzakelijk zijn.

Met reden doet appellante evenwel gelden dat de consignatieverplichting destijds werd ingevoerd om te vermijden dat door vertragingspogingen van de belastingplichtige de invordering van ontegensprekelijk verschuldigde rechten van BTW zou worden verdaagd. De ratio legis van art. 92, lid 2 W.BTW bestond aldus in het vermijden van louter dilatoire beroepen.

In zijn arrest van 20 januari 2005 (F.J.F. 2005, p. 629) oordeelde het Hof van cassatie dat het verzoek tot consignatie kan worden bevolen zelfs als de belastingschuldige geen vertragingsmanoeuvres aanwendt, mits de rechten van de Schatkist in gevaar zijn of kunnen zijn.

Het hof stelt vast dat in deze het dwangbevel op 18 januari 1999 werd uitgevaardigd en pas op 9 april 2002, d.w.z. meer dan drie jaar na de uitvaardiging ervan, aan appellante werd betekend.

In die omstandigheden kan geïntimeerde bezwaarlijk voorhouden dat de rechten van de Schatkist in gevaar waren of konden zijn.

Daarnaast houdt appellante terecht voor dat haar hoger beroep niet louter werd ingesteld met de bedoeling de eindbeslissing nog bijkomend uit te stellen, en dat zij geen zinledig verweer voert.

Om voormelde redenen dient het hoger beroep van appellante ontvankelijk te worden verklaard.

#### b) Wat de nagevorderde BTW en toebehoren betreft

Geïntimeerde stelt dat appellante leveringen deed die in België plaatsvonden en waarover bijgevolg Belgische BTW verschuldigd was.

Appellante van haar kant verdedigt de stelling dat het in casu gaat om verkopen aan de firma's van de heer **P.** vanuit Groot­Brittannië bij wijze van vrijgestelde intracommunautaire leveringen naar België en dat de Belgische BTW derhalve door de koper van de goederen verschuldigd was.

Dit onderdeel van de betwisting hangt samen met de vraag of appellante al dan niet over een vaste inrichting of vestiging in België beschikte.

Volgens de eerste rechter dient deze vraag bevestigend te worden beantwoord.

Overeenkomstig art. 28quater, a van de Zesde BTW-Richtlijn is er sprake van vrijgestelde intracommunautaire leveringen voor zover aan de volgende voorwaarden is voldaan :

\- de goederen moeten vervoerd of verzonden worden vanuit een Lidstaat naar een andere Lidstaat;

\- het vervoer moet gebeuren door of voor rekening van de verkoper of de koper;

\- de koper moet een belastingplichtige zijn (of een niet­belastingplichtige rechtspersoon) en

\- de koper moet een door een andere Lidstaat toegekend BTW-nummer opgeven dat geldig is.

In deze werd met betrekking tot de respectieve leveringen aan de firma's van de heer **P.** aan voormelde voorwaarden voldaan.

Verder sluit het hof zich aan bij appellante dat zij niet beschikte over een vestiging in België, minstens meent het hof dat geïntimeerde daarvan niet op onomstotelijke wijze het bewijs levert.

Uit de vaststellingen van het PV van 18 december 1998 blijkt immers dat de opslagplaats in **B.** er volledig op gericht was om de goederen louter nog fysiek ter beschikking te stellen van de Belgische klanten. Er werd geenszins vastgesteld dat er op **B.** een belastbare handeling werd gesteld. De goederen werden op **B.** ondergebracht tot de koper de goederen had goedgekeurd en betaald. Appellante ontwikkelde aldaar geen exploitatie. De gehuurde ruimte had louter als doel de materiële terbeschikkingstelling van de goederen aan de afnemer mogelijk te maken. Ten slotte wijst appellante er met reden op dat in België geen boekhouding werd gevoerd, geen uitbetaling van lonen gebeurde of bedrijfsbeslissingen werden genomen. Deze activiteiten werden niet in België, doch volledig in Groot-Brittannië uitgeoefend.

Evenmin kan et gesproken worden van een vaste inrichting in België, minstens meent het hof dat geïntimeerde daarvan niet op onomstotelijke wijze het bewijs levert.'

Eén van de voorwaarden om van een dergelijke vaste inrichting te kunnen spreken, is dat de inrichting wordt beheerd door een persoon die bekwaam is om de buitenlandse belastingplichtige te verbinden tegenover de leveranciers en de klanten.

De eerste rechter was terzake van oordeel dat de heer **L.** de bevoegdheid had om de goederen te ontvangen van de leveranciers en over te dragen aan de klanten van appellante, zodoende dat hij over de bevoegdheid beschikte om appellante te verbinden tegenover leveranciers en klanten.

Met reden doet appellante gelden dat de afgifte van goederen aan bepaalde personen of het doorsturen van goederen nog niet bewijst dat de heer **L.** deze beslissingen nam, a fortiori niet dat hij daartoe gemachtigd zou zijn.

Uit het reeds aangehaalde PV blijkt dat de heer **L.** een lagere bediende·was met een beperkte administratieve opleiding, die uitsluitend moest toezien op en nazicht moest doen van de leveringen die toekwamen in de opslagruimte. Hij diende over de goederen te waken totdat zij konden worden afgeleverd aan de klant.

Geïntimeerde toont niet op ondubbelzinnige wijze aan dat de heer **L.** - of iemand anders - in naam van appellante inkomende of uitgaande transacties mocht afsluiten. De loutere omstandigheid dat de heer **L.** in naam van appellante een huurcontract ondertekende op 1 december 1997 (zie bewijsstuk 7 van geïntimeerde) houdt dit bewijs niet in. Overigens dateert dit stuk van voor de detachering van de heer **L.** naar België en zegt het uiteraard niets over de bevoegdheden van de heer **L.** na deze detachering.

Ter zitting van het hof van 12 december 2012 verklaarde appellante, zonder daarin te zijn tegengesproken door geïntimeerde, dat de heer **L.** pas vanaf januari 1998 naar België werd gedetacheerd (in deze betreft het handelingen in de periode van juli 1997 tot en met november 1998).

Op grond van hetgeen voorafgaat, dient het hoger beroep van appellante te worden ingewilligd, zonder dat het nodig is de overige middelen van partijen te onderzoeken.

### B. WAT HET INCIDENTEEL BEROEP BETREFT

Bij wijze van incidenteel beroep vraagt geïntimeerde de geldboete te bepalen op 200 % van de verschuldigde BTW.

Gelet op hetgeen hiervoor onder A werd gezegd, dient het incidenteel beroep van geïntimeerde te worden afgewezen.

### C. WAT DE KOSTEN BETREFT

Op 1 januari 2008 zijn de Wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en haar uitvoerings-K.B. van 26 oktober 2007 in werking getreden. Deze wet en dit KB vinden in beginsel toepassing op onderhavige zaak.

Op de openbare zitting van het hof van 12 december 2012 verklaarden beide partijen de rechtsplegingvergoeding in hoger beroep op het basisbedrag van 16.500,00 EUR te bepalen.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF,** rechtsprekend na **tegenspraak**,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond;

Verleent geïntimeerde akte van het instellen van zijn incidenteel beroep;

Verklaart dit ontvankelijk, doch ongegrond;

Doet het bestreden vonnis teniet en, opnieuw rechtdoende,

Verklaart het dwangbevel, gekend onder Reg. 36.269 (RCIV …), uitgevaardigd op 18 januari 1999, integraal van nul en generlei waarde;

Ontslaat appellante van de in het dwangbevel gevorderde sommen;

Veroordeelt geïntimeerde tot integrale terugbetaling van alle bedragen die ten onrechte werden betaald of ingehouden en die werden toegerekend op de sommen vermeld in het hiervoor aangehaalde dwangbevel, bedragen die moeten worden vermeerderd met de wettelijke en gerechtelijke interesten vanaf de datum van betaling en/of inhouding;

Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen, begroot op een rechtsplegingvergoeding in eerste aanleg ten bedrage van 356,97 EUR en op een rechtsplegingvergoeding in hoger beroep ten bedrage van 16.500,00 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de **6****de** **fiscale kamer** van het hof van beroep te Brussel, op **27.2.2013**.

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

**J. V.**, raadsheer, dd. Voorzitter,

**P. V.**, raadsheer,

**C. V.**, raadsheer,

**C. D. N.**, griffier.

**C. D. N.** **C. V.** **P. V.** **J. V.**
