---
title: "Poursuite, instance · Cour d&#x27;appel de Bruxelles, 10 novembre 2011"
description: "Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, preuve, mesure de contrôle. Cour d'appel de Bruxelles (Belgique), 10 novembre 2011."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-cour-appel-bruxelles-2011-11-10-f5cb"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, preuve · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Bruxelles

**Date**

10 novembre 2011

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

73 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Bruxelles du 10.11.2011

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**HOF van BEROEP te BRUSSEL - Zesde fiscale kamer – Openbare terechtzitting van 10 november 2011**

Nr. van de zaak : **2008/AR/2200**

IN ZAKE VAN :

**De BVBA O. F.**, met maatschappelijke zetel te …, …, gekend bij de Kruispuntbank der Ondernemingen onder het nummer …,

**appellante,**

vertegenwoordigd door Meester **V.**, loco Meester **B. C.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de minister van de Federale Overheidsdienst Financiën, administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor Brussel IV, met kantoor gevestigd te 1000 Brussel, Jozef Stevensstraat 7,

**geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door Meester **A. D.**, advocaat te …, …,

---

**R. 2011/7369** **EINDARREST - gegrond**

Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :

Gezien de procedurestukken en meer in het bijzonder het afschrift van het vonnis van de drieëndertigste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op tegenspraak gewezen op 11 juni 2008 (A.R. nr. 2004/6173/A), vonnis waarvan geen betekeningakte voorligt en waartegen door appellante een naar vorm en tijd regelmatig hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 14 augustus 2008.

De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist.

Het vonnis verklaarde de vordering van appellante ontvankelijk, doch ongegrond.

Deze vordering strekte ertoe :

\- het dwangbevel te vernietigen en haar te ontslaan van betaling van de erin gevorderde bedragen;

\- minstens het dwangbevel te vernietigen in de mate dat het een proportionele boete oplegt ten belope van 200 %;

\- geïntimeerde te veroordelen alle ten onrechte door hem ingehouden en/of door hem genotificeerde en/of door haar betaalde bedragen aan haar terug te betalen, meer de interesten overeenkomstig art. 91 W.BTW.

## I. De feiten

Appellante is uitbaatster van een sauna en drankgelegenheid te …, ….

Op 23 oktober en 11 december 2002 werd bij appellante een controle uitgevoerd over de toepassing van de BTW voor de periode van 1 juli 1999 tot en met 31 december 2000.

Uit onderzoek bij de NV **M.** door de inspectie Antwerpen van de Nationale en Internationale Opsporingsdienst (NlOD) was gebleken dat de volgende twee klantenkaarten van de NV **M.** hetzelfde adres hadden :

\- enerzijds klantenkaart met nr. … (hierna genoemd de eerste kaart), op naam van de BVBA **O. F.**, …, …, en

\- anderzijds klantenkaart met nr. … (hierna genoemd de tweede kaart), op naam van personeel **F.**, …, ….

Er werd volgens geïntimeerde door de NIOD vastgesteld dat telkens samen met de eerste kaart gebruik werd gemaakt van de tweede kaart, teneinde aankopen verricht voor de economische activiteit van appellante te verdoezelen. De leveringen gefactureerd aan het personeel van appellante waren immers quasi identiek qua aard, qua producten, in datum en in hoeveelheid als de leveringen gefactureerd aan appellante zelf.

Uit de ongedateerde processen-verbaal, die desbetreffend werden opgesteld voor de jaren 1999 en 2000 bleek dat voor het jaar 1999 de link 19 keren voorkwam en voor het jaar 2000 zelfs 52 keer.

Volgens geïntimeerde bestond het feitelijk vermoeden dat de aankopen met de klantenkaarten als aankopen van handelsgoederen voor rekening van appellante zijn gebeurd.

Dit vermoeden, alsook de berekening van de nog verschuldigde BTW werden opgenomen in een proces-verbaal van 13 november 2003 betreffende de controle bij appellante.

Op 11 februari 2004 werd op grond van dit proces-verbaal een dwangbevel uitgevaardigd. Uit dit dwangbevel bleek dat appellante aan de Belgische staat verschuldigd is, een bedrag van … EUR als BTW, … EUR als geldboete, interesten en vervolgingskosten.

Op 5 mei 2004 legde appellante een tegensprekelijk verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Bij het bestreden vonnis van 11 juni 2008 wees de rechtbank te Brussel de vordering van appellante af.

## II. Discussie

### a) Wat de beweerde onwettige onderzoeksdaden betreft

1\. Appellante doet gelden dat de processen-verbaal, die werden opgesteld naar aanleiding van de controle bij de NV **M.**, niet gedateerd zijn, en dat uit beide processen-verbaal evenmin blijkt op welke datum de controle bij de NV **M.** heeft plaatsgevonden. Daardoor werden de gegevens, naar het oordeel van appellante, onrechtmatig verkregen, hetgeen de nietigheid van het dwangbevel, dat op deze gegevens steunt, tot gevolg heeft.

Verder vermeldt het proces-verbaal van 13 november 2003 betreffende de controle bij appellante niet of de ambtenaren van de belastingadministratie m het bezit waren van hun aanstellingsbewijs, zoals vereist door art. 63 W.BTW. Hetzelfde geldt voor de niet-gedateerde processen-verbaal lastens de NV **M.**. Ook om die reden is het dwangbevel volgens appellante nietig.

2\. Met reden betwist appellante de relevantie van het door geïntimeerde ingeroepen cassatiearrest van 17 september 1998. Het hof verwijst terzake naar de oordeelkundige motieven van appellante, zoals terug te vinden op pagina 4 van haar op 30 april 2009 ter griffie van het hof neergelegde besluiten, motieven die het hof tot de zijne maakt.

De eerste rechter oordeelde dat uit het administratief dossier blijkt dat de processen-verbaal van de NIOD, en die ter kennisname werden verzonden naar de diensten van de AOIF, uittreksels zijn die gegevens en vaststellingen bundelen ten laste van verschillende belastingplichtige klanten van de NV **M.**. Volgens de eerste rechter werden deze ter informatie gevoegd bij het proces-verbaal opgesteld naar aanleiding van de controle bij appellante.

Het hof sluit zich bij de eerste rechter aan, wanneer hij stelt dat de twee processen-verbaal in kwestie uittreksels zijn. Het eerste proces-verbaal vermeldt immers uitdrukkelijk : "eerste blad van zes bladen" en "blad 5 van zes bladen", daar waar het tweede proces-verbaal vermeldt : "eerste blad van tien bladen" en "blad 6 van tien bladen", "blad 7 van tien bladen" en "blad 8 van tien bladen".

Anderzijds gaat het om meer dan een loutere kennisname door de AOIF van de twee processen-verbaal van de NIOD. Zo verwijst het lastens appellante opgestelde proces-verbaal van 13 november 2003 uitdrukkelijk naar de door de NIOD opgestelde processen-verbaal en wordt gesteld dat "als voorbeeld een vijftal voorbeelden worden aangehecht aan het proces-verbaal (bijlage 1 )". Die bijlage l bevindt zich evenwel niet in het administratief dossier.

Voormelde verwijzing houdt in dat de twee processen-verbaal van de NIOD als aangehecht stuk aan het proces-verbaal van 13 november 2003 lastens appellante daarvan integraal deel uitmaken.

In het op 21 februari 2004 lastens appellante uitgevaardigde dwangbevel wordt dan weer vermeld dat het wordt uitgevaardigd op grond van het proces-verbaal van 13 november 2003 en dat een eensluidend afschrift van dit proces-verbaal samen met het dwangbevel zal worden betekend.

Hoewel in het dwangbevel niet rechtstreeks wordt verwezen naar de processen-verbaal van de NIOD, maken deze processen-verbaal als bijlage aan het proces-verbaal van 13 november 2003, toch deel uit van het dwangbevel.

3\. Wat de datum van de bij de NV **M.** uitgevoerde controle betreft, vermelden noch de twee processen-verbaal van de NIOD, noch het lastens appellante opgestelde proces-verbaal deze datum.

Hoewel de twee processen-verbaal van de NIOD slechts in uittreksel terug te vinden zijn in het administratief dossier, ware het logisch geweest dat de verbalisanten op de eerste pagina van deze twee processen-verbaal (net zoals van het lastens appellante opgestelde proces-verbaal) de datum van de bij de NV **M.** doorgevoerde controle zouden vermelden, net omdat er van deze controle sprake was op deze pagina. Dit is evenwel niet gebeurd.

Het is overigens veelbetekenend dat geïntimeerde niet spontaan de integrale tekst van de twee processen-verbaal van de NIOD voorlegt, na geconfronteerd te zijn geweest met de opmerking van appellante terzake.

Derhalve houdt appellante terecht voor dat geenszins vaststaat dat de bij de NV **M.** uitgevoerde onderzoeksdaden overeenkomstig de wet werden uitgevoerd.

Het is terzake naar het oordeel van het hof irrelevant of de controle werd uitgevoerd op basis van art. 61, dan wel van art. 63 W.BTW. Het feit dat het in deze om aangekondigde controles gaat en dat de datum van deze controles wordt vastgelegd bij de aankondiging daarvan, neemt immers niet weg dat de processen-verbaal betreffende deze controles niet werden gedateerd.

Derhalve dient het hoger beroep te worden ingewilligd, en dient het dwangbevel lastens appellante uitgevaardigd te worden vernietigd, zonder dat het nodig is haar overige middelen te onderzoeken.

#### b) Wat de kosten betreft

Op 1 januari 2008 is de Wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en haar uitvoerings-K.B. van 26 oktober 2007 in werking getreden. Deze wet en dit K.B. vinden toepassing op onderhavige zaak.

Ter zitting van het hof van 20 oktober 2011 verklaarden beide partijen de rechtsplegingvergoeding in hoger beroep op het minimumbedrag van … EUR te begroten.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF,** rechtsprekend na **tegenspraak**,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond;

Doet het bestreden vonnis teniet, en opnieuw rechtdoende,

Verklaart de oorspronkelijke vordering van appellante gegrond;

Vernietigt dienvolgens het bestreden dwangbevel van 11 februari 2004 en ontslaat appellante van betaling van de erin gevorderde bedragen;

Verklaart dienvolgens van nul en generlei waarde het lastens appellante opgestelde proces-verbaal van 13 november 2003;

Veroordeelt geïntimeerde tot terugbetaling aan appellante van alle ten onrechte ingehouden en/of door hem genotificeerde en/of door haar betaalde bedragen aan haar terug te betalen, meer de interesten overeenkomstig art. 91 W.BTW.

Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen, begroot in hoger beroep op … EUR voor appellante en op … EUR voor geïntimeerde.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de 6de fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op 10 november 2011.

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

**J. V.,** raadsheer dd. Voorzitter,

**P. V.**, raadsheer,

**C. V.**, raadsheer,

**C. D. N.**, griffier.

**C. D. N.** **C. V.** **P. V.** **J. V.**
