---
title: "Poursuite, instance · Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers, 21 février 2006"
description: "Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, disposition pénale, amende administrative. Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 21 février 2006."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-cour-appel-anvers-2006-02-21-4879"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, disposition pénale · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Date**

21 février 2006

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

72 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 21.02.2006

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE TER KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :**

Inzake : **2004/AR/919**

**de BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie der Belastingen over de Toegevoegde Waarde, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, in de persoon van de Gewestelijke Directeur Directie BTW, met kantoor gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Frankrijklei 73;

**appellant,**

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 24 november 2003;

vertegenwoordigd door Meester **L. A.**, advocaat te …, …;

**tegen :**

**NV P.**, BTW-nummer …, H.R. te Antwerpen nr. …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …, rechtsopvolger ten algemene titel ingevolge fusie door onderneming van de NV **G. I.**, met BTW-nummer …, H.R. te Antwerpen nr. …, met maatschappelijke zetel gevestigd ter …, …;

**geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door Meester **K. H.** loco Meester **H. D.**, advocaat te … (…), …;

---

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 24 november 2003, betekend op 6 maart 2004 doch waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Antwerpen op 26 maart 2004, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

## Voorafgaande feiten en procedure

De NV **G. I.** heeft voor het derde kwartaal 2000 een BTW-aangifte ingediend, doch heeft de ingevolge deze aangifte verschuldigde BTW (… BEF of … euro) niet tijdig doorgestort.

Bij schrijven van 18 december 2000 wordt aan de NV **G. I.** meegedeeld dat voor het tijdvak van 31 augustus 2000 tot 30 november 2000 een bijzondere rekening werd geopend en wordt tevens de oplegging van een geldboete aangekondigd.

Op 19 december 2000 geeft NV **G. I.** opdracht aan haar bankinstelling tot betaling van het bedrag van … BEF (… euro) en op 20 december 2000 wordt haar rekening met dit bedrag gedebiteerd.

Dit bedrag wordt betaald op de gebruikelijke rekening van de BTW-ontvangsten te Brussel, doch niet op de bijzondere rekening die werd geopend bij de BTW-ontvangsten Mechelen.

Bij schrijven van 21 december 2000 verzoekt de gevolmachtigd Q accountant van de N.V. GERLACHE INVEST aan de BTW - ontvanger om het be<:lragte willen overboeken naar de bijzondere rekening.

Bij schrijven van 23 januari 2001 aan de gewestelijk directeur verzoekt de NV **G. I.** om bij toepassing van artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 en van [artikel 84bis van het BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84bis) om de toegepaste verhoging van 10 % en de nalatigheidsintresten te herleiden, omdat volgens haar de totale verhoging van boete en intresten niet in verhouding staat met de vastgestelde overtreding.

Bij beslissing van de gewestelijk directeur van 8 maart 2001 wordt dit verzoek afgewezen onder de redengeving dat er inzake de boete geen wettelijke of feitelijke rechtvaardigingsgrond bestaat om in toepassing van artikel 9 van voormeld Regentsbesluit van 18 maart 1831 de opgelegde boete kwijt te schelden.

Bij schrijven van haar raadsman van 18 juli 2001 verzoekt de NV **G. I.** nogmaals om kwijtschelding van de boete wegens miskenning van de verplichte motivering van de oplegging van de boete en schending van het beginsel van de proportionaliteit.

Bij beslissing van de gewestelijk directeur van 25 juli 2001 wordt dit verzoek opnieuw afgewezen onder de redengeving dat het vaststellen en het opleggen van de geldboete voldoende gemotiveerd is en het beginsel van proportionaliteit niet geschonden is.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 15 oktober 2001 vordert de NV **G. I.** de beslissing van 25 juli 2001 te vernietigen; het bezwaarschrift gegrond te verklaren; de opgelegde boete kwijt te schelden, minstens in belangrijke mate te verminderen; de terugbetaling te bevelen van alle ten onrechte betaalde of geïnde sommen, te verhogen met de moratoire intresten en appellant te veroordelen tot de kosten van het geding.

Op 31 augustus 2001 was evenwel besloten tot een fusie door overneming van de NV **G. I.** door huidig geïntimeerde, de NV **P.**.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 6 december 2001 heeft geïntimeerde op haar beurt een vordering ingesteld teneinde de beslissing van 25 juli 2001 te vernietigen; het bezwaarschrift van de NV **G. I.** ontvankelijk en gegrond te verklaren; de opgelegde boete onwettig te verklaren, minstens in belangrijke mate te verminderen; de terugbetaling te bevelen van alle ten onrechte betaalde of geïnde sommen, te verhogen met de moratoire intresten en appellant te veroordelen tot de kosten.

Het bestreden vonnis voegt beide zaken samen wegens samenhang; verklaart beide vorderingen toelaatbaar; stelt de onwettigheid vast van het per 18 december 2000 door de controle naar NV **G. I.** gestuurde bericht, incluis de er deel van uitmakende beslissing van 18 december 2000 en verbiedt de uitvoering ervan; veroordeelt appellant tot terugbetaling aan geïntimeerde van elke tengevolge het onwettig bevonden bericht betaalde boete en intrest daarop, het geheel vermeerderd met moratoire intrest vanaf 15 oktober 2001, datum van het vroegst inleidend verzoekschrift waarmee voor het eerst om terugbetaling werd verzocht en veroordeelt appellant tot de kosten van het geding.

De eerste rechter oordeelt dat het bericht van 18 december 2000 waarbij de oplegging van een boete werd aangekondigd, niet voldoende gemotiveerd was.

Het hoger beroep van appellant strekt ertoe het bestreden vonnis te vernietigen, de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ongegrond te verklaren en geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding.

Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en de bevestiging van het bestreden vonnis, met de veroordeling van appellant tot de kosten.

## In rechte

Volgens appellant wordt niet het opleggen van de boete betwist, doch wel het niet kwijtschelden en/of verminderen van de opgelegde boete en heeft dit zijn belang, aangezien de administratie bij het opleggen van een boete een gebonden bevoegdheid heeft in tegenstelling tot de beoordelingsvrijheid die zij heeft bij de kwijtschelding of vermindering van de opgelegde boete.

Uit de door de NV **G. I.** en huidig geïntimeerde neergelegde verzoekschriften blijkt dat de vordering gericht is zowel tegen de beslissing waarbij het bezwaar tegen de opgelegde boete wordt afgewezen als tegen de oplegging van de geldboete zelf, nu de vordering er in hoofdorde toe strekt de opgelegde boete onwettig te horen verklaren en in ondergeschikte orde om deze boete te horen kwijtschelden, minstens in belangrijke mate te horen verminderen.

Volgens geïntimeerde is de beslissing tot opleggen van de boete niet gemotiveerd en is er dus sprake van schending van artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986.

Voormeld artikel 109 bepaalt : *"Telkens wanneer een belastingadministratie aan een belastingplichtige een bericht zendt, waarbij hem een administratieve geldboete wordt opgelegd, vermeldt dit bericht de feiten die de overtreding opleveren en de verwijzing naar de toegepaste wet- of verordeningsteksten, en geeft de motieven op die gediend hebben om het bedrag van de boete vast te stellen."*

De beslissing van 18 december 2000 tot opening van een bijzondere rekening en tot oplegging van de boete motiveert deze boete als volgt : *"Verminderde proportionele geldboete : Ingevolge de bepalingen van artikel 1, 1° en van het punt I, 2, A van de eerste afdeling van tabel G, gevoegd bij het Koninklijk Besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW, genomen ter uitvoering van de artikelen* [*70*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70)*,* [*71*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-71) *en* [*84*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84) *van het BTW-wetboek, wordt er over het als BTW verschuldigde saldo een boete geheven van … BEF"*.

In de beslissing wordt geen melding gemaakt van de feiten die de overtreding opleveren noch van de motieven die gediend hebben om het bedrag van de boete vast te stellen.

Een loutere verwijzing naar de bijlage van het K.B. nr. 41 volstaat niet.

Appellant verwijst ten onrechte naar de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en de rechtspraak van de Raad van State om te besluiten dat de opgelegde geldboete te dezen wel degelijk voldoende gemotiveerd zou zijn.

Volgens artikel 6.van de wet van 29 juli 1991 vindt deze wet slechts toepassing op bijzondere regelingen die zelf voorzien in een uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen in zoverre deze bijzondere regelingen voorzien in een minder strenge motiveringsverplichting dan deze opgelegd door de wet van 29 juli 1991. Indien de bijzondere regeling voorziet in een even strenge, dan wel strengere motiveringsverplichting, is deze bijzondere regeling van toepassing en niet de wet van 29 juli 1991.

Artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen legt minstens een even strenge motiveringsverplichting op, zodat de wet van 29 juli 1991 niet van toepassing is.

Gelet op het voorgaande dienen het argument van appellant dat het opleggen van een boete naar aanleiding van het opmaken van een bijzondere rekening een gebonden bevoegdheid is, niet nader onderzocht te worden.

Appellant kan ook niet voorhouden dat uit de kennisgeving van het opmaken van een bijzondere rekening duidelijk blijkt waarom een geldboete wordt opgelegd.

Bij laattijdige betaling van de BTW is in beginsel geen boete verschuldigd, doch wel nalatigheidsintresten.

Uit de kem1Îsgeving houdende de opening van een bijzondere rekening kan de belastingplichtige derhalve niet afleiden dat een boete wordt opgelegd wegens laattijdige betaling van de BTW.

Appellant voert aan dat geïntimeerde de schending van de formele motiveringsverplichting niet kan inroepen omdat de motieven van de beslissing om een geldboete op te leggen haar op een andere wijze zouden bekend zijn en verwijst hiervoor naar documenten (drukwerken 671, 675 en 676) die aan geïntimeerde zouden toegezonden zijn.

Aan de formele motiveringsplicht wordt evenwel niet voldaan door achteraf te verwijzen naar voorafgaande briefwisseling.

Bovendien stelt geïntimeerde dat zij enkel een bericht 675 heeft ontvangen, waarin geen melding wordt gemaakt van de oplegging van een boete bij de opening van een bijzondere rekening.

Appellant verwijst ten onrechte naar artikel 861 van het Gerechtelijk Wetboek, nu dit artikel enkel van toepassing is op een proceshandeling.

De stelling van appellant dat de administratie de afwezigheid van kwade rouw niet dient te motiveren, houdt niet in dat de administratie niet dient te motiveren waarom zij een boete van 10 % oplegt.

Appellant verwijst ook ten onrechte naar de vereisten die gelden voor de motivering van een dwangbevel.

Onderhavige betwisting heeft geen betrekking op een dwangbevel, doch betreft de beslissing tot het opleggen van een geldboete.

Tenslotte voert appellant aan dat wanneer een administratieve rechtshandeling nietig wordt verklaard wegens vormgebreken, het aan de rechter toekomt zich in de plaats te stellen van het administratief bestuur dat de nietige rechtshandeling heeft uitgevaardigd.

Dit geldt weliswaar voor bepaalde administratieve beslissingen, doch niet voor beslissingen waarbij een fiscale boete wordt opgelegd.

De eerste rechter heeft derhalve terecht de beslissing van 18 december 2000 waarbij de boete wordt opgelegd nietig verklaard.

Het bestreden vonnis is op juiste en oordeelkundige gronden gesteund en dient bevestigd te worden.

Appellant dient veroordeeld te worden tot de kosten van het hoger beroep, zoals hierna begroot.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF,** recht doende op **tegenspraak**,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt appellant tot de kosten van het hoger beroep, begroot aan de zijde van geïntimeerde op … EUR, volgens opgave in de 2° aanvullende conclusie.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van **EENENTWINTIG FEBRUARI TWEEDUIZENDENZES**,

waar aanwezig waren :

**D. W.**, Raadsheer wd. Voorzitter;

**M. G.** en

**A. H.**, Plaatsvervangende Raadsheren;

**A. V. L.**, Griffier.

**A. V. L.** **A. H.** **M. G.** **D. W.**

## Textes cités

4

[CTVA art. 70](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) 1 occurrence

[CTVA art. 71](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-71) 1 occurrence

[CTVA art. 84](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84) 1 occurrence

[CTVA art. 84bis](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84bis) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Pouvoir de pleine juridiction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/pouvoir-pleine-juridiction-cour-constitutionnelle-all-2008-05-15-1998) 4 dispositions communes

[Arrêté du Régent du 18 mars 1831](https://juriel.be/fr/jurisprudence/regent-mars-exclusion-pouvoir-examiner-cour-constitutionnelle-all-2008-05-15-f6ba) 4 dispositions communes

[Compte spécial, Légalité formelle de la notification](https://juriel.be/fr/jurisprudence/compte-special-legalite-formelle-notification-tribunal-namur-2020-04-30-2252) 3 dispositions communes

[Amendes, Remise des amendes à titre gracieux, Sursis](https://juriel.be/fr/jurisprudence/amendes-remise-titre-gracieux-sursis-cour-appel-liege-2021-10-26-700b) 3 dispositions communes

[Notification d’indices de fraude, Achats non comptabilisés](https://juriel.be/fr/jurisprudence/notification-indices-fraude-achats-non-tribunal-namur-2020-04-02-7968) 3 dispositions communes

[Comptes spéciaux, Taxe non déclarée ou non payée](https://juriel.be/fr/jurisprudence/comptes-speciaux-taxe-non-declaree-tribunal-liege-2024-06-03-a2ac) 3 dispositions communes

[Reconstitution du chiffre d’affaires, Révision des déductions, Caractère arbitraire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/reconstitution-chiffre-affaires-revision-deductions-tribunal-2024-05-16-a62c) 3 dispositions communes

[Amende, Intention frauduleuse](https://juriel.be/fr/jurisprudence/amende-intention-frauduleuse-tribunal-namur-2025-09-04-d1aa) 3 dispositions communes
