---
title: "Poursuite, instance · Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers, 30 avril 2001"
description: "Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor. Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 30 avril 2001."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-cour-appel-anvers-2001-04-30-d36d"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Date**

30 avril 2001

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

45 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 30.04.2001

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Het Hof van Beroep zitting houdende te Antwerpen, Vijfde bis Kamer, recht doende in burgerlijke zaken, spreekt het volgende arrest uit :**

Inzake : **1994/AR/1283**

**H. L.**, wonende te …, …,

**appellant** tegen het vonnis uitgesproken op 13 december 1993 door de 16de kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen;

\- vertegenwoordigd door mr. **W. H.**, advocaat te …, …;

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de heer Gewestelijk Directeur van de BTW, Registratie en Domeinen te Antwerpen, in de persoon van de rekenplichtige van het Eerste BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, ltaliëlei 4 bus 4;

**geïntimeerde,**

\- vertegenwoordigd door mr. **J. P.** loco mr. M. **V. H**., advocaat te …, …;

---

Op basis van een ambtshalve opgelegde aanslag inzake BTW vaardigde de bevoegde ambtenaar op 13 oktober 1987 een dwangbevel uit tegen appellant (destijds handelaar in autobanden) voor een bedrag van … BEF aan BTW. en … BEF (200 %) aan geldboete, te vermeerderen met de intresten.

Appellant tekende hiertegen verzet aan hetwelk door de eerste rechter in het bestreden vonnis ongegrond verklaard werd.

In hoger beroep houdt appellant zijn verzet staande terwijl geïntimeerde besluit tot de onontvankelijkheid van het hoger beroep, minstens tot de ongegrondheid ervan (zij deed ter zitting afstand van de door haar in besluiten opgeworpen exceptie van nietigheid van het hoger beroep).

Overwegende dat geïntimeerde te dezen ten onrechte besluit tot de onontvankelijkheid van het hoger beroep om reden dat appellant niet voldeed aan haar verzoek tot consignatie van het bedrag van de verschuldigde sommen overeenkomstig (oud) artikel 92 W.BTW;

Dat zij dit verzoek richtte op een ogenblik dat het hoger beroep reeds ingesteld was en met de wetenschap (zoals zelf aangehaald in het verzoek tot consignatie d.d. 14 maart 1994) dat appellant geen gekende roerende noch onroerende goederen in België bezit en geen handelaar meer was; dat het niet redelijk is om in die omstandigheden aan appellant op dat ogenblik zijn mogelijkheid op toegang tot de rechter in hoger beroep nog afhankelijk te stellen van een zodanige voorwaarde (consignatie van méér dan … frank) waarvan de administratie had kunnen weten dat appellant daaraan niet binnen een termijn van twee maanden zou kunnen voldoen temeer nu geïntimeerde niet voorhoudt dat het hoger beroep een louter dilatoir karakter heeft; dat de overige argumenten van geïntimeerde op dat onderdeel niet van aard zijn anders te moeten beslissen; dat geïntimeerde geen andere redenen vermeldt om te moeten besluiten tot het onontvankelijk zijn van het hoger beroep en dat het hof evenmin ambtshalve enige grond van onontvankelijkheid vaststelt zodat het hoger beroep dat naar vorm en termijn regelmatig is, ontvankelijk dient verklaard;

Overwegende dat het dwangbevel steunt op een ambtshalve gevestigde aanslag; dat appellant ten onrechte deze wijze van aanslag betwist, vermits uit de voorgelegde stukken zoals de briefwisseling en de processen-verbaal (waarvan de rechtsgeldigheid niet ter betwisting is) voldoende blijkt dat appellant niet op de door de wet voorziene wijze geantwoord heeft op de vraag tot inlichtingen;

Dat onder andere geen journaal van financiële bewerkingen of vervangende boeken op 3 juli 1996 konden voorgelegd worden niettegenstaande de vraag daarnaar; dat geen afdoend antwoord gegeven werd op de. vraag naar verantwoording voor ongeveer … BEF ontvangsten; dat geen verwijzing kon gegeven worden naar de identiteit van de personen of firma's met betrekking tot uitgaven en ontvangsten in de maand september 1982 met een waarde van boven de … BEF; dat appellant destijds ook mogelijk van zigeuners autobanden opkocht, hem van voormelde verplichting niet vrijstelt; dat de latere bijkomende informatie vanwege de gevolmachtigde boekhouder niet van aard is een afdoend antwoord te vormen; dat het overleggen van documenten waarvan appellant aanvoert dat het om een nadien wedersamengesteld kasboek gaat, evenmin als afdoend antwoord in de zin van de wet kan aangezien worden temeer appellant niet weerlegt dat die documenten onvolledig zijn, dat daaruit geen begin,- eind- of dagsaldo blijkt en evenmin daarin een afdoende verklaring te vinden is omtrent interne kas/bankverrichtingen alhoewel volgens de gevolmachtigde boekhouder aldaar een belangrijke verklaring voor de geldstromen zou liggen; dat het hof enkel kan vaststellen dat, alhoewel appellant destijds fotokopieën inleverde, hij die stukken niet aan de debatten toevoegt en er geen redenen zijn om geïntimeerde daartoe te verplichten;

Overwegende dat niet aangetoond is dat de ambtshalve gevestigde aanslag willekeurig is en/of gevestigd werd op niet dienende gegevens en vermoedens; dat deze niet gebaseerd is op tekenen en indiciën zoals inzake directe belastingen;

Dat appellant niet aantoont dat de aanslag overdreven is; dat een akkoord met de directe belastingen te dezen geen zodanig bewijs inhoudt met betrekking tot de omzet ter zake van BTW temeer dit akkoord gesloten werd voordat de vaststellingen inzake de BTW opgenomen werden in het proces-verbaal; dat de fiscale administratie in casu dan ook niet onbehoorlijk of onredelijk handelde; dat uit de door appellant verstrekte informatie, die onvoldoende antwoord vormde zoals gezegd, evenmin blijkt dat de aanslag overdreven is; dat de aanslag wel degelijk steunde op voldoende vaststaande feitelijkheden die door appellant niet weerlegd worden;

Overwegende dat het aan het hof toekomt de gevorderde boete te beoordelen in functie van de feitelijke gegevens;

Dat uit de feitelijkheden zoals de belangwekkende geldstromen via de bankrekening, de massale contante verwerkingen, de afwezigheid van een ernstig gevoerde boekhouding en de afwezigheid van afdoende verklaringen voldoende blijkt dat appellant handelde met het oogmerk zich onrechtmatig te verrijken ten nadele van geïntimeerde; dat het past daarom de boete te bepalen op 100 % van de ontdoken rechten;

### Dispositif

**OM DIE REDENEN,**

**HET HOF,**

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Rechtende op tegenspraak;

Verklaart het hoger beroep toelaatbaar doch grotendeels ongegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre het verzet ongegrond verklaard werd met betrekking tot de verschuldigde BTW en de intresten;

Wijzigt het vonnis enkel met betrekking tot de geldboete en vermindert deze tot 100 % hetzij tot de som van … frank (…) en verklaart het verzet in die mate gegrond;

Veroordeelt appellant tot drie vierde van de kosten van beide aanleggen en geïntimeerde tot één vierde van deze kosten, in conclusie begroot zijnde tot op heden in hun geheel op:

Aan de zijde van appellant :

\- dagvaarding : … BEF

\- R.P.V. eerste aanleg (ten tijde uitspraak vonnis) : … BEF

\- rolrecht hoger beroep : … BEF

\- R.P.V. hoger beroep : … BEF

Aan de zijde van geïntimeerde :

\- R.P.V. eerste aanleg : … BEF

\- R.P.V. hoger beroep : … BEF

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van de **vijfde bis kamer** van het Hof van beroep te Antwerpen op **DERTIG APRIL TWEEDUIZEND EN ÉÉN**.

Aanwezig :

**P. B.**, Raadsheer

**L. P.**, Griffier

**L. P.** **P. B.**
