---
title: "Poursuite, instance · Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers, 2 décembre 1997"
description: "Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor. Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 2 décembre 1997."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-cour-appel-anvers-1997-12-02-c867"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Date**

2 décembre 1997

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

85 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 02.12.1997

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, ZESDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft het volgend arrest gewezen :**

In zake :**1992/AR/2469**

**…**, thans zonder beroep, voorheen handeldrijvende onder de benaming **I. I.**, destijds wonende te …, …, en thans te…, …;

**appellante,**

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 30 september 1991;

vertegenwoordigd door Meester **C.** loco Meester **H. C.**, advocaat te …, …;

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van de belastingen over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Rekenplichtige van het eerste BTW-Ontvangkantoor te Hasselt, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Boudewijnlaan 4;

**geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door Meester **A. v. L. d. J.**, advocaat te …, …;

---

Gelet op de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het vonnis waartegen hoger beroep, waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, ingediend ter griffie van dit Hof op 1 juli 1992, waardoor een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd ingesteld;

Overwegende dat appellante de hervorming nastreeft van het bestreden vonnis, op 30 september 1991 gewezen door de vijfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, teneinde haar verzet tegen het dwangbevel, haar betekend op 31 januari 1980, ontvankelijk en gegrond te horen verklaren, dienvolgens de vordering van geïntimeerde te horen afwijzen en hem te horen veroordelen tot de kosten van de beide instanties;

Overwegende dat geïntimeerde het Hof verzoekt het hoger beroep nietig, of minstens onontvankelijk te verklaren;

Dat hij voor het overige geen grieven aanvoert tegen het bestreden vonnis, dienvolgens de bevestiging ervan nastreeft en het Hof verzoekt appellante te veroordelen tot de kosten van hoger beroep;

---

## 1) Betreffende de nietigheid van het hoger beroep

Overwegende dat geïntimeerde in de eerste plaats aanvoert dat het hoger beroep nietig is, aangezien het verzoekschrift tot hoger beroep niet voldoet aan door art. 1057 Ger. W. gestelde vereisten met betrekking tot de vermeldingen inzake plaats, dag en uur van verschijning voor de rechter in hoger beroep;

Overwegende dat art. 1057, 6° en 8°·Ger. W. voorschrijft dat, op straffe van nietigheid, de akte van hoger beroep zowel de plaats waar gedaagde in hoger beroep akte van zijn verklaring van verschijning moet laten nemen, als de plaats, dag en uur van deze verschijning dient te vermelden;

Dat weliswaar een akte, die de voornoemde vermeldingen niet bevat, in beginsel door nietigheid is aangetast, doch dat het ontbreken van deze vermeldingen geen verzuim is noch een onregelmatigheid betreffende een op straffe van verval of nietigheid voorgeschreven termijn; dat immers dit verzuim niet wordt beoogd door art. 862 Ger. W., zodat de kwestieuze proceshandeling slechts kan worden nietig verklaard indien het ingeroepen verzuim de belangen schaadt van de partij die zich op deze exceptie beroept;

(cfr. Cass. 23 mei 1975, Arr. Cass. 1975, 1011;

Cass. 8 febn1ari 1985, R.W. 1985 - '86, 1292);

Overwegende dat in casu uit het onderzoek van de overgelegde gegevens blijkt dat het afschrift der akte van hoger beroep aan huidige geïntimeerde inderdaad geen melding maakt van de kwestieuze gegevens (cfr. stuk 7 van dossier van geïntimeerde), doch dat hij niettemin bij schrijven van zijn raadsman, op 8 juli 1992 ter griffie van het Hof ingediend, op geldige wijze verklaring van verschijning overeenkomstig art. 729 Ger. W. heeft gedaan; (cfr. stuk 5 van dossier van rechtspleging);

Dat derhalve huidige geïntimeerde door het ontbreken van de kwestieuze vermeldingen niet in de onmogelijkheid werd gesteld op regelmatige en tijdige wijze verklaring van verschijning te doen;

Dat hij evenmin op enige wijze aantoont in zijn rechtmatige belangen te zijn geschaad, zodat er dan ook te dezen geen redenen aanwijsbaar zijn om het hoger beroep nietig te verklaren;

## 2) Betreffende de ontvankelijkheid van het hoger beroep

Overwegende dat geïntimeerde tevens concludeert tot de onontvankelijkheid van het hoger beroep, aanvoerende enerzijds dat appellante in net bestreden vonnis heeft berust ingevolge de vrijwillige betaling der gerechtskosten waartoe zij werd veroordeeld, en anderzijds dat het hoger beroep in toepassing van art. 92, 2° W.BTW niet kan worden toegelaten daar appellante verzuimde de gevorderde sommen in consignatie te geven binnen de door de wet voorgeschreven termijn;

Dat appellante enerzijds ten stelligste betwist de proceskosten te hebben betaald en dienvolgens in het bestreden vonnis te hebben berust, en anderzijds inroept dat de verplichting bedragen te consigneren een schending van de rechten van verdediging en de schending van het grondwettelijk beginsel van gelijkheid uitmaakt, zodat uit de afwezigheid ervan geen middelen van onontvankelijkheid of ontoelaatbaarheid van vordering kunnen worden geput;

Overwegende dat geïntimeerde weliswaar een afschrift van een overschrijvingsformulier d.d. 20 januari 1992 ten bedrage van … F. overlegt, dat uitwijst dat huidige appellante de proceskosten, gevallen in eerste aanleg, zou hebben betaald;

Dat evenwel dit document op geen enkele wijze aantoont dat de rekening van appellante met voornoemd bedrag werd gedebiteerd, noch dat geïntimeerdes rekening werd gecrediteerd; dat bovendien het kwestieuze formulier niet door appellante is getekend, zodat het dan ook geen opdracht tot betaling kan uitmaken;

Overwegende dat derhalve te dezen niet ontegensprekelijk vaststaat dat huidige appellante de proceskosten heeft betaald, zodat hieruit geen onbetwistbare berusting in het uitgesproken vonnis kan worden afgeleid;

Dat evenmin enige andere daad van duidelijke berusting wordt aangevoerd, zodat appellante dan ook een toelaatbaar hoger beroep vermocht in te stellen;

Overwegende dat art. 92, al. 2 W.BTW bepaalt dat tegen de rechterlijke beslissing, die het verzet tegen het dwangbevel afwijst, niet op geldige wijze enig rechtsmiddel kan worden aangewend indien het bedrag van de verschuldigde sommen niet in consignatie is gegeven binnen de 2 maanden na-het verzoek dat de bevoegde ambtenaar bij aangetekend schrijven tot de belastingschuldige richt;

Dat uit de overgelegde gegevens blijkt dat de Heer ontvanger van het Eerste ontvangkantoor van de BTW te Hasselt bij aangetekend schrijven d.d. 19 augustus 1992 aan appellante het verzoek tot consignatie van de in het haar betekende dwangbevel gevorderde sommen richtte, en dat appellante hieraan geen gevolg heeft gegeven, wat zij trouwens toegeeft;

Overwegende dat de voornoemde bepaling is ingeschreven in een wet sensu stricto, waarvan het Hof niet vermag deze aan de Grondwet te toetsen; dat immers art. 107 G. W. (art. 159 Gecoörd. G. W. van 17 februari 1994) aan de rechterlijke macht deze bevoegdheid slechts verleent met betrekking tot de algemene, provinciale besluiten en verordeningen;

Dat bovendien de in art. 6 G. W. (art. 10 Gecoörd. G. W.) vervatte regel van de gelijkheid der Belgen voor de wet slechts inhoudt dat allen die in dezelfde toestand verkeren op dezelfde wijze worden behandeld, maar sluit niet uit dat een onderscheid wordt gemaakt voor bepaalde categorieën, mits dit onderscheid niet willekeurig is, of met andere woorden mits dit kan worden verantwoord;

(cfr. Cass. 6 februari 1987, Arr. Cass. 1986 - '87, 757);

Overwegende dat de invoering van de consignatieverplichting door de wetgever wordt verantwoord door de bezorgdheid dilatoire beroepen te vermijden en de vrijwaring van de rechten van de Schatkist; dat bovendien de Ontvanger rekening kan houden met de vermogenstoestand van de belastingplichtige, zodat derhalve de wetgever in casu geen machtiging heeft gegeven van een onderscheiden behandeling waarvoor geen objectieve en redelijke verantwoording zou bestaan; dat dan ook de kwestieuze bepaling geen schending van het gelijkheidsbeginsel inhoudt;

(cfr. Arbitragehof, 18 november 1992, R.W. 1992 – ’93, 1054);

(cfr. Arbitragehof, 6 juni 1995, R.W. 1995 - '96, 336);

Dat tenslotte de categorieën van gedingvoerende partijen - te weten de Belgische Staat en de belastingplichtige - niet vergelijkbaar zijn zodat het verschil in behandeling het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel niet schendt;

Overwegende dat, rekening houdende met vorenstaande vaststellingen, de thans door appellante geformuleerde opmerkingen inzake schending van de rechten van verdediging en van het gelijkheidsbeginsel niet van aard zijn de toepassing van de voorschriften van art. 92, al. 2 W.BTW uit te sluiten;

Dat derhalve, gelet op het gebrek aan tijdige consignatie van de gevorderde bedragen, het hoger beroep van appellante niet kan worden toegelaten en zodoende ontoelaatbaar is;

Dat het gepast is in toepassing van art. 1017 Ger. W. appellante te verwijzen in de kosten van hoger beroep zoals hierna begroot;

---

### Dispositif

**OM DIE REDENEN,**

**HET HOF**,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Recht doende op tegenspraak;

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend;

Verklaart het hoger beroep ontoelaatbaar;

Verwijst appellante in de kosten van hoger beroep tot op heden in hun geheel begroot aan de zijde van geïntimeerde op … fr. rechtsplegingsvergoeding, dit volgens opgave in conclusie.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Antwerpen van **TWEE DECEMBER NEGENTIENHONDERDZEVENENNEGENTIG**,

Waar aanwezig waren :

de heer **R. T.**, Raadsheer wd. Voorzitter;

de heren **J.-M. W.** en **S. B.**, Raadsheren;

de heer A. v. L., Griffier.

**A. V.L.** **S. B.** **J.-M. W.** **R. T.**

### Décision jointe par le SPF

**DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, VIJFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :**

AR NR. : **80/B/412**

**…**, zonde beroep, voorheen handeldrijvende onder de benaming **I. N.**, uitzendbureau, gedomicilieerd en woonachtig …, … voorheen ingeschreven in het handelsregister te Hasselt onder het nr. …

**eiseres,**

vertegenwoordigd door Mr. **S.**, advocaat te …, …, en hebbende als raadsman Mr. **W. Z.**, advocaat te …, …;

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, in de persoon van de Rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Haaselt, wiens burelen gevestigd zijn te Hasselt, Elfde Liniestraat, 4,

**verweerder,**

vertegenwoordigd door Mr. **V. M**. advocaat te …, …,

**VOLGT HET VONNIS :**

Bij geregistreerd exploot van gerechtsdeurwaarder **J. W.** te … d.d. 20.2.1980 tekende eiseres verzet aan tegen de uitvoering van een dwangbevel door verweerder uitgevaardigd op 10.1.1980.

In haar eerste besluiten verklaarde eiseres zich naar recht te gedragen betreffende het door haar ingestelde verzet. De ongegrondheid van dit laatste blijkt trouwens afdoende uit de door verweerder voorgelegde stukken.

In aanvullende besluiten beriep eiseres zich op de vijfjarige verjaring van art. 81 van de BTW-wet om te stellen dat de vordering van verweeder voor zover gesteund op facturen van 1974 onontvankelijk is wegens de ingetreden verjaring.

Terzake verwijst verweerder terecht naar het feit dat de verjaringstermijn tot 31.12.1977 zes jaar bedroeg zodat enkel de facturen van 1973 door verjaring getroffen zijn. Dientengevolge verminderde verweerder haar vordering met … fr.

De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

## OM DEZE REDENEN :

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak, gehoord de heer **J. D.**, Eerste Substituut-Procureur des Konings in zijn advies gegeven ter zitting van 2.9.1991;

Geeft akte aan verweerder dat de vordering zoals opgenomen in voornoemd dwangbevel herleid wordt tot … fr.

Verklaart het verzet ontvankelijk en ongegrond na voornoemde herleiding der vordering.

Verwijst eiseres tot de kosten van het geding, deze in haren hoofde begroot op de som van … fr (… fr dagvaardingskosten, … fr. Rechtsplegingsvergoeding) en begroot in hoofde van verweerder op de som van … fr rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de **vijfde kamer**, op het gerechtshof te Hasselt, op **30 SEPTEMBER 1991**,

alwaar zetelden de Heren :

**R. S.**, Ondervoorzitter;

**J. D.**, Eerste Substituut-Procureur des Konings en

**R. D.**, Griffier.

**D.** **S.**
