---
title: "6 novembre 2006 · Poursuite, droits et privilèges du Trésor · Tribunal de première instance de Bruxelles"
description: "Poursuite, droits et privilèges du Trésor, droit à déduction de l’impôt. Tribunal de première instance de Bruxelles (Belgique), 6 novembre 2006."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-droits-privileges-tresor-droit-tribunal-bruxelles-2006-11-06-8658"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Poursuite, droits et privilèges du Trésor · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruxelles

**Date**

6 novembre 2006

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

75 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 06.11.2006

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna ,volgend vonnis verleend :**

In de zaak **03/988/A** Rep. nr. 2006/13960

**de heer C. L.**, zelfstandig schilder-behanger, (ondernemingsnr. …), wonende te …, …,

**eiser,**

voor wie is opgetreden Meester **K. V. D. H.** (balie Brugge) loco Meester **J. D. G.**, advocaat met kantoor te …, …,

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, FOD FINANCIËN, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen. vertegenwoordigd door de Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te BRUGGE, met kantoren te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,

**verweerder**,

voor wie optreedt Meester **L. D. S.**, advocaat met kantoor te …, …,

## I. RECHTSPLEGING

Gelet op het fiscaal verzoekschrift ingediend ter griffie de dato 28 maart 2003.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 2 oktober 2006.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

## II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

**2.1.** Eiser is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer …, ingevolge zijn activiteit van zelfstandig schilder-behanger. Hij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 8 november 2002 werd door **D. D. K.**, verificateur bij het AOIF sector BTW, een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde.

Op 4 december 2002 werd door **D. D. K.** voornoemd een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiser begane overtredingen werden geacteerd.

Op 13 december 2002 werd door de met invordering belaste ontvanger, overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW, een dwangbevel uitgevaardigd.

Voormeld dwangbevel werd op 16 december 2002 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door **R. D.**, de wn. gewestelijke directeur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge en op 5 februari 2003 betekend aan eiser.

Met een tegensprekelijk verzoekschrift de dato 28 maart 2003 werd verzet aangetekend tegen voormeld dwangbevel.

**2.2.** Eiser vraagt dat de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens het bestreden dwangbevel wordt vernietigd. Verder vordert hij dat verweerder wordt veroordeeld tot de gedingkosten, in zijn hoofde begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 174,77 EUR en het rolrecht ten bedrage van 52,00 EUR.

**2.3.** Verweerder vordert dat het verzoekschrift ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiser wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op 349,53 EUR rechtsplegingsvergoeding.

## III. BEOORDELING

### 3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

### 3.2. nopens de grond

#### *3.2.1. nopens de toepassing van artikel 45, § 2 W.BTW*

**3.2.1.1.** Artikel 45, § 2, 1° lid W.BTW bepaalt het volgende : " Ten aanzien van de levering, de invoer en de intracommunautaire verwerving van automobielen voor personenvervoer, daaronder begrepen de voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen, en ten aanzien van goederen en diensten met betrekking tot die voertuigen, mag de aftrek in geen geval hoger zijn dan 50 % van de betaalde belasting".

Verweerder stelt dat de bewuste wagen Mercedes Vito CDI niet kan beschouwd worden als een lichte vrachtwagen. Hij steunt zich hiervoor op de aanschrijving nr. 25 van 11 december 1990 en op de feitelijke vaststellingen. Zo voldoet het bewuste voertuig niet aan de bijzondere voorwaarde voor kwalificatie als lichte vrachtwagen zoals bepaald op pagina 2 van de aanschrijving nr. 25 van 1990. Immers, de wagen heeft een dubbele cabine waarvan de zijwanden van de goederen ruimte uitgerust zijn met normale niet-afgedichte vensters en de scheidingswand tussen de passagiersruimte en de goederenruimte is eveneens uitgerust met een venster.

De 100 % aftrek van voorbelasting op de aankoop van de wagen Mercedes Vito CDl werd dan ook geweigerd en gereduceerd tot 50 %.

**3.2.1.2.** Eiser stelt in hoofd orde dat hij in de mening was dat hij de BTW integraal in aftrek kon brengen omdat in het najaar van 1999 de integrale BTW-aftrek werd gecontroleerd en aanvaard. Verder stelt hij dat de vordering op grond van artikel 45, § 2 W.BTW onwettig is aangezien voormeld artikel in strijd is met het EG-recht en meer bepaald met de zesde richtlijn van de Raad van de Europese Economische Gemeenschappen.

Tenslotte houdt eiser nog voor dat het kwestieus voertuig door het Ministerie van Verkeerswezen wel degelijk als lichte vrachtwagen was behandeld zodat de BTW-administratie het vertrouwensbeginsel schendt door thans het voertuig te omschrijven als een voertuig bestemd voor het vervoer van personen en goederen.

**3.2.1.3.** Volgens artikel 17, 6° lid van de zesde BTW-richtlijn (in werking getreden op 1 januari 1978) mogen de lidstaten geen nieuwe aftrekbeperkingen invoeren met dien verstande dat de bestaande aftrekbeperkingen die bestonden op het ogenblik van de inwerkingtreding van de zesde richtlijn behouden blijven (de zogenaamde standstilI-bepaling).

De aftrekbeperking van artikel 45, § 2 W.BTW dateert van voor 1 januari 1978 zodat zij als overgangsbepaling van toepassing blijft.

Aangezien de wet inzake aftrek van voorbelasting op voertuigen de aftrekbeperkingen sinds de inwerkingtreding van de zesde BTW-richtlijn niet heeft verruimd, heeft artikel 45, § 2 W.BTW het EG-recht niet geschonden.

Verder is het duidelijk dat de door de administratie gehanteerde aanschrijving en mededeling geen andere bedoelingen draagwijdte hebben dan de bestaande wetgeving en reglementering in herinnering te brengen en/of toe te lichten, en daaraan eventueel ,aanbevelingen vast te knopen. Zij hebben met andere woorden niet de bedoeling de erin vervatte interpretaties of richtlijnen verplichtend te stellen, aan wie dan ook. Volgens een vaste rechtspraak van de Raad van State en van het Hof van Cassatie hebben dergelijke interpretatieve omzendbrieven geen bindend karakter.

**3.2.1.4.** In het W.BTW wordt nergens een omschrijving gegeven van “een lichte vrachtwagen" en van “een auto voor dubbel gebruik”.

In het KB de dato 15 maart 1968 betreffende het algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen wordt wel een omschrijving teruggevonden van lichte vrachtwagen en van auto voor dubbel gebruik. Artikel 1, § 2, 5° van voormeld KB van 15.03.1968 omschrijft een lichte vrachtwagen als u elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan de maximale toegelaten massa 3.500 kg. niet overschrijdt". Artikel 1, § 2, 3° van het KB d.d. 15.03.1968 definieert een auto voor dubbel gebruik als zijnde “elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van personen en zaken die bij het gebruik voor het bezoldigde vervoer van personen ten hoogste 8 plaatsen mag bevatten, zonder die van de bestuurder”.

**3.2.1.5.** Het onderscheid tussen een voertuig dat opgevat en gebouwd is voor het vervoer van goederen en een wagen voor dubbel gebruik (goederen- en personenvervoer) waarop, de beperking van aftrekbare BTW. conform artikel 45, § 2 W.BTW van toepassing is, is een feitenkwestie die geval per geval moet beoordeeld worden.

De elementen die hierbij van belang zijn om de aard van het voertuig te bepalen zijn o.m. de structuur van het voertuig, de aanwezigheid van één of meerdere rijen zetels, de oppervlakte van de laadvloer, de onmogelijkheid om zetels en gordels in de laadruimte te voorzien en de afscheiding van passagiers- en laadruimte.

**3.2.1.6.** Door de controleagent werden de volgende feitelijke vaststellingen gedaan (proces-verbaal d.d. 4.12.2002 - stuk 4 van verweerder) :

\- de wagen heeft een dubbele cabine waarvan de zijwanden van de goederenruimte uitgerust zijn met normale niet-afgedichte vensters;

\- de scheidingswand tussen de passagiersruimte en de laadruimte is eveneens uitgerust met een venster;

**3.2.1.7.** Op grond van de feitelijke vaststellingen is het duidelijk dat het hier een voertuig betreft dat zowel geschikt is voor personenvervoer als voor goederenvervoer. Het voertuig heeft duidelijk een dubbele functie aangezien het geschikt is voor de schilder- en behang activiteit, hetgeen impliceert dat men zowel materiaal als personeel kan ter plaatse brengen. De oppervlakte van de passagiersruimte is vrij aanzienlijk. Verder is de passagiersruimte ook niet ontstaan uit de verbouwing van een gesloten bestelwagen. Het kwestieus voertuig is m.a.w. niet hoofdzakelijk opgevat en gebouwd voor het vervoer van goederen.

De omstandigheid dat de laadruimte in de zijwanden is uitgerust met niet afgedekte ruiten is enkel een bijkomend element ter appreciatie doch geenszins determinerend.

Op grond van artikel 45, § 2 W.BTW is de aftrek van BTW op facturaties beperkt tot 50 %.

**3.2.1.8.** Het feit dat de DIV van het Ministerie van Verkeerswezen het kwestieus voertuig als lichte vrachtwagen heeft ingeschreven, kan niet toegerekend worden aan de BTW-administratie.

Verder is het ook zo dat de overheid niet gebonden kan zijn door een eventuele nalatigheid of onoplettendheid van een controlerende ambtenaar die, zonder een standpunt in te nemen of een interpretatie te geven, bepaalde overtredingen van de wetgeving over het hoofd zou hebben gezien of niet zou hebben gesanctioneerd. De vroegere houding van bepaalde geledingen van het Ministerie van Financiën kan niet verhinderen dat de wet thans strikt wordt toegepast.

Bovendien is het duidelijk, op grond van de voorliggende stukken, dat de BTW-administratie in het verleden geen enkele verkeerde inlichting heeft gegeven, geen uitdrukkelijk andersluidend standpunt heeft ingenomen en geen interpretatie heeft gegeven die bij eiser het vertrouwen zou kunnen gewekt hebben dat het kwestieuze voertuig als een lichte vrachtwagen diende behandeld te worden.

Verweerder heeft derhalve het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur van het opgewekt vertrouwen niet geschonden.

#### *3.2.2. nopens de boete*

Op grond van artikel 70, § 1bis W.BTW is een evenredige fiscale geldboete verschuldigd wegens de onrechtmatig genoten aftrek van tweemaal het bedrag van de verschuldigde rechten. Deze geldboete werd verminderd overeenkomstig de schalen in bijlage aan het KB nr. 41·van 30 januari 1987, hetzij tot 5 % van de teveel afgetrokken BTW.

Gelet op de hiervoor aangehaalde specifieke omstandigheden komt het opleggen van een boete niet opportuun voor derwijze dat deze moet worden kwijtgescholden.

### 3.3. nopens de kosten

Eiser wordt voor de eigenlijke betwisting in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1 ste lid van het gerechtelijk wetboek moet hij de gerechtskosten dragen.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Wijzende in eerste aanleg en op **tegenspraak**.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart het verzoekschrift ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.

Zegt dienvolgens voor recht dat de door verweerder gevorderde BTW ten bedrage van 2.436,30 EUR gegrond is.

Zegt dienvolgens voor recht dat de door verweerder opgelegde boete van 121,00 EUR ongegrond is.

Beveelt dienvolgens verweerder om over te gaan tot terugbetaling aan eiser van elk bedrag dat werd geïnd boven het gedeelte dat gegrond werd bevonden, te vermeerderen met de verwijlsinterest aan de wettelijke rentevoet vanaf de inning of de inhouding, daarin begrepen zijnde de gerechtelijke rente vanaf datum dagvaarding tot op datum van volledige betaling.

Wijst eiser van het overige af.

Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op 364,40 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op **maandag zes november tweeduizend en zes**.

Aanwezig zijn :

**H. N.**, alleenrechtsprekend rechter;

**L. N.**, griffier.

**N. L.** **N. H.**
