---
title: "Poursuite, droits et privilèges du Trésor · Cour d&#x27;appel de Gand, 11 mars 2003"
description: "Poursuite, droits et privilèges du Trésor. Cour d'appel de Gand (Belgique), 11 mars 2003."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-droits-privileges-tresor-cour-appel-gand-2003-03-11-a691"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Poursuite, droits et privilèges du Trésor · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Gand

**Date**

11 mars 2003

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

112 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 11.03.2003

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Hof van Beroep te Gent - 5****de** **Kamer**

**Nr.2001/AR/1035**

In de zaak van :

**B. M.**, zaakvoerder, wonende te …, …,

**appellant,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. **D. A.**, advocaat te …, … en loco Mr. **C. C.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon van de heer e.a. Inspecteur van het BTW-controlekantoor Gent 7, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9000 GENT, Ramen 1,

**geïntimeerde,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. **D. V. W.**, advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

1\. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 27.6.1997 dagvaardde de appellant de geïntimeerde voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent, teneinde :

*"*

*de vordering van mijn verzoeker* (d.i. de appellant) *ontvankelijk en gegrond te horen verklaren;*

*dienvolgens, de nietigverklaring te horen uitspreken van het akkoord dat mijn verzoeker* (d.i. de appellant) *op 6 november 1995 heeft ondertekend;*

*en, in hoofdorde gedaagde* (d.i. de geïntimeerde) *te horen veroordelen tot terugbetaling aan mijn verzoeker* (d.i. de appellant) *van een bedrag van … BEF* (thans … EUR)*, overeenkomstig art. 91, § 4 W.BTW. te vermeerderen met de moratoire interesten tegen de rentevoet in burgerlijke zaken, vanaf de datum van de dagvaarding tot op de dag van de effectieve betaling :*

*en, in subsidiaire orde gedaagde* (d.i. de geïntimeerde) *te horen veroordelen tot terugbetaling aan mijn verzoeker* (d i. de appellant) *van een som van … BEF* (thans … EUR)*, zijnde … BEF* (thans … EUR) *verminderd met … BEF* (thans … EUR) *BTW en … BEF* (thans … EUR) *boete, overeenkomstig art. 91, § 4 W.BTW te vermeerderen met de moratoire interesten tegen de rentevoet in burgerlijke zaken, vanaf de datum van de dagvaarding tot op de dag van de effectieve betaling;*

*gedaagde* (d.i. de geïntimeerde) *te horen veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding die heden begroot wordt op … BEF* (thans … EUR)*;*

*dit alles bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borg;”.*

Met deze vordering beoogt de appellant terugbetaling te bekomen van de volgens hem teveel betaalde BTW, boete en intresten, geïnd op grond van de akkoordverklaring die hij op 6.11.1995 ondertekende naar aanleiding van een controle van de BBI.

Bij vonnis van 7.12.2000 van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, derde kamer, werd de vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 26.4.2001 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vermelde vonnis.

Het blijkt niet dat dit vonnis werd betekend of dat de appellant er in zou hebben berust.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

De appellant streeft de vernietiging van het bestreden vonnis na en herneemt zijn oorspronkelijke vordering.

De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis.

2\. Ter gelegenheid van een controle van de BBI Hasselt met betrekking tot de toepassing van de wetgeving inzake directe belastingen en BTW ondertekende de appellant op 6.11.1995 volgende akkoordverklaring (stuk 2 van de geïntimeerde):

*“*

*Ik, ondergetekende,* ***B. M.****, … te … ,·verklaar ingevolge aankopen zonder factuur bij de N.V.* ***O.*** *te …, van allerlei verpakkingsmateriaal voor de periode van 3.4.91 tot en met 3.11.93, goederen te hebben ontvangen voor de totale som van … BEF* (thans … EUR) *en ingevolge de verkoop van deze goederen zonder factuur voor een bedrag van … BEF (thans … EUR), een bedrag van … BEF* (thans … EUR) *(… frank) als BTW niet te hebben aangegeven en niet te hebben betaald aan de Belgische Staat, administratie van de BTW, registratie en domeinen. Gezien de aard en de omvang van de 0vertreding is de verminderde boete, zoals voorzien in het KB 41 van 30.01.87 (later gewijzigd) niet van toepassing. De boete wordt hier bepaald op 40 pct of … BEF* (thans … EUR)*. De intresten, zoals voorzien door artikel 91, van het Wetboek, worden aangerekend aan 0,80 pct per maand over de som van … BEF* (thans … EUR) *vanaf 21.01.94.*

*Gelezen en goedgekeurd voor de som van … frank (… BEF* (thans … EUR)*) als BTW en … BEF* (thans … EUR) *als verminderde boeten.*

*St. Denijs Westrem 6/11/1995 (get.)* ***B.****."*

Deze verklaring is handgeschreven, vanaf de woorden "gelezen en goedgekeurd" met een ander handschrift dan het eraan voorafgaande deel.

De appellant heeft de volgens vermelde akkoordverklaring verschuldigde sommen voor een totaal van … BEF (thans … EUR) betaald aan de geïntimeerde (volgens de conclusie, door de geïntimeerde neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 10.8.2001, p. 4, gebeurde dit op 15.1.1996). Dit bedrag is volgens de door de geïntimeerde toegepaste toerekening samengesteld uit … BEF (thans …) BTW + … BEF (thans … EUR) evenredige boete + … BEF (thans … EUR) intresten tot 20.2.1996.

De appellant voert aan dat dit akkoord aangetast is door dwang dan wel niet met de werkelijkheid overeenstemt, en derhalve nietig is zodat de in uitvoering van dit akkoord betaalde bedragen door de geïntimeerde dienen te worden teruggegeven.

a.

Er moet aangenomen worden dat de eigenlijke tekst van de akkoordverklaring - vóór *"gelezen en goedgekeurd"* - werd geschreven door de ambtenaar van de BBI (het handschrift is verschillend en de appellant diende nadien *"gelezen en goedgekeurd"* te schrijven wat aantoont dat hij de tekst niet zelf schreef). Met deze door de ambtenaar van de BBI voorgestelde tekst heeft de appellant vervolgens ingestemd op de hoger geciteerde wijze *("gelezen en goedgekeurd voor... "*) .

Het aldus tot stand gekomen akkoord kan niet beschouwd worden als een dading in de zin van [artikel 84 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84) zoals door de geïntimeerde voorgehouden. Waar dit begrip "dading" niet nader wordt omschreven in de desbetreffende fiscale wetgeving moet het opgevat worden in de betekenis die het burgerlijk recht er aan geeft (artikel 2044 e.v. Burg. W.), met dien verstande, dat zij niet mag leiden tot vrijstelling of vermindering van de belasting volgens [artikel 84 BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84). Dading impliceert evenwel dat de partijen bij de dading wederzijdse toegevingen doen, en te dezen blijkt uit niets dat dergelijke toegevingen, constitutief bestanddeel van de dadingovereenkomst, werden gedaan minstens van de kant van de geïntimeerde.

De akkoordverklaring kan dan ook als niet meer beschouwd worden dan een fiscaal akkoord, waarbij het voor de appellant mogelijk is, ingevolge het karakter van openbare orde van de fiscale wet, aan te tonen dat dit akkoord is aangetast door een dwaling in feite of in rechte dan wel door een ander wilsgebrek.

De eiser verliest deze mogelijkheid niet door het feit dat hij vrijwillig en zonder enig voorbehoud betaalde wat verschuldigd was volgens het akkoord (zie onder meer de conclusie van de geïntimeerde neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 10.8.2001, p. 5 bovenaan - gegeven niet betwist door de appellant) en evenmin door het tijdsverloop tussen de betaling en de dagvaarding in teruggave.

ln beginsel (zie immers de hoger besproken mogelijkheid tot dading uitdrukkelijk voorzien in [artikel 84 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84)) worden de betrekkingen tussen de belastingadministratie en de belastingplichtige, wat de vestiging van de belastingen betreft, niet beheerst door de principes van het civielrechtelijk verbintenissenrecht, maar door de fiscale wet, van openbare orde. Dit karakter van openbare orde van de fiscale wet houdt in dat niet minder belasting dient betaald te worden dan wettelijk verschuldigd, doch ook niet meer.

De vrijwillige betaling door de belastingplichtige of het laten verlopen van tijd om te dagvaarden verhinderen dan ook niet dat de belastingplichtige nog zou aantonen dat hij ten onrechte belast werd, dit zolang de wet hem daartoe de tijd laat. Te dezen heeft de eiser gedagvaard binnen de termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de vordering tot teruggave is ontstaan, bij [artikel 82 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-82) voorzien voor de teruggave van BTW, intresten en administratieve geldboeten (in de versie geldend vóór de wet van 15.3.1999, van toepassing vanaf 6.4.1999).

b.

De akkoordverklaring in kwestie werd ondertekend op 6.11.1995 ter gelegenheid van een BTW-controle op de zetel van de onderneming van de appellant (stuk 1 van de geïntimeerde). Volgens de appellant bestond de dwang hierin, aldus de appellant :

\- zijn fiscaal raadgever was door het aanwenden van listige kunstgrepen toegepast door een van de controleambtenaren van de BBI niet aanwezig bij de fiscale controle en de ondertekening van de akkoordverklaring; hijzelf, die slechts lager onderwijs heeft genoten, zag zich geplaatst tegenover twee ambtenaren met een gespecialiseerde fiscale kennis;

\- de inhoud van de akkoordverklaring stemt niet overeen met de realiteit;

\- het ontbreken van stukken uit het dossier van **O.** die de door de BBI in aanmerking genomen cijfers zouden moeten staven;

\- bij de controle hebben de ambtenaren voorgehouden dat als hij niet tekende het hem twee- of driemaal zoveel zou kunnen kosten; handelend zonder bijstand heeft de appellant, een bedrag van twee- tot driemaal hetgeen hij betaalde (… BEF (thans … EUR)) als onoverkomelijk aangezien en geen andere uitweg gezien dan het akkoord te ondertekenen; hij heeft het akkoord in paniek ondertekend, uit schrik voor erger; de ambtenaren van de BBI hebben geschermd met bedragen van zwarte leveringen die zij beweerdelijk uit de onregelmatige boekhouding van **O.** hadden gehaald en waarvan het onweerlegbare bewijs zou geleverd zijn (zonder daarvan ook maar enig stuk aan de appellant voor te leggen). Voorts werd de appellant onder druk gezet door de dreiging met boetes van 200 %, zodat de te betalen bedragen tot drie maal hoger zouden komen te liggen dan wat ingeval van minnelijke regeling ("slechts" ca. … BEF (thans … EUR)) zou verschuldigd zijn.

\- de aard van het dossier bij een controle bij een leverancier van de appellant, vindt men bepaalde stukken die er zouden kunnen op wijzen dat de appellant aankopen deed bij deze leverancier, zonder dat er een factuur werd opgemaakt wetende dat de rechtspraak meermaals heeft gesteld dat vermeldingen in de boekhouding van de leverancier niet volstaan als bewijs tegen de afnemer, wilden de controlerende ambtenaren kost wat kost een akkoord sluiten waarbij de appellant spontaan zou toegeven dat hij "zwarte" aankopen had verricht. Vanuit dit perspectief valt dan ook te begrijpen dat de ambtenaren van de BBI de boekhouder van de appellant bewust op afstand hebben gehouden. In aanwezigheid van de boekhouder zou er nooit een akkoord getekend zijn zonder grondig onderzoek van de stukken waarop de BBI zich blijkbaar beroept, maar die zij om tactische redenen niet heeft voorgelegd aan de belastingplichtige.

Het door de appellant ingeroepen geweld wordt niet bewezen. De door hem aangehaalde omstandigheden worden door de geïntimeerde grotendeels betwist (zie ook de brief dd. 18.4.1996 van de BBI, stuk 14 van de geïntimeerde) en zijn slechts beweringen door de appellant geuit. Er moet vastgesteld worden dat de appellant de mogelijkheid had om beroep te doen op zijn fiscaal raadgever zowel vóór de controle (zij greep plaats op 6.11.1995 en werd aangekondigd op 23.10.1995, zie stuk I van de geïntimeerde) als tijdens de controle (telefonisch). Er blijken ook geen omstandigheden die de appellant zouden belet hebben de nodige informatie in te winnen voor ondertekening van de akkoordverklaring of zelfs enig uitstel te vragen. Uit het feit dat er telefonisch contact was met de fiscale raadgever van de appellant (feit dat door geen van de partijen wordt betwist) blijkt trouwens dat de fiscale raadgever op de hoogte was van het plaatsgrijpen van de controle. Verder kan ook niet voorbijgegaan worden aan het gegeven dat de appellant, die ten tijde van de controle handelaar was en thans volgens zijn conclusie zaakvoerder is, beroepshalve diende te weten wat het plaatsen van een handtekening op enig document betekent (onder meer het vastleggen van verbintenissen/verplichtingen/bewijs lastens de ondertekenaar) en derhalve moet geacht worden de nodige omzichtigheid hierbij in acht te nemen. Zulks geldt des te meer wanneer de ondertekenaar, zoals te dezen, zijn handtekening nog eens laat voorafgaan door de vermelding *"gelezen en goedgekeurd voor de som van …”*, wat nog eens bijzonder de aandacht vestigt op het belang van het te ondertekenen document en de in het spel zijnde bedragen.

Dat de controleambtenaren listige kunstgrepen zouden hebben aangewend blijkt uit niets. Volgens de brief dd. 18.4.1996 van de BBl gericht aan één van de raadslieden van de appellant (stuk 14 van de geïntimeerde) verliepen de contacten met de accountant van de appellant als volgt : *" Op de vraag van dhr.* ***B.*** *of de aanwezigheid van zijn accountant nodig was heb ik voorgesteld om de onregelmatigheden die er gebeurd waren met de leverancier* ***O.*** *samen te bespreken en dat hij daarna, indien hij dat wenste, zijn accountant kon contacteren om alsnog bij de controle aanwezig te zijn Uw cliënt ging met deze werkwijze akkoord Dit onderhoud heeft geleid tot een bekentenis vanwege uw cliënt zonder dat hij de bijstand van zijn accountant heeft gevraagd, niettegenstaande er in de loop van de voormiddag één of tweemaal telefonisch contact met hem is geweest om enkele boekhoudkundige vragen op te lossen. Ik wil er dus duidelijk de nadruk op leggen dat het dhr.* ***B.*** *nooit werd geweigerd zich door zijn accountant te laten bijstaan."* Hieruit blijken wel contacten van de BBI-controle met de accountant van de appellant, maar niet de door de appellant voorgehouden listige kunstgrepen.

Geweld blijkt niet, ook niet ingevolge hetgeen hierna volgt met betrekking tot de werkelijkheid van de in het akkoord opgenomen bedragen.

3\. De appellant stelt dat de listings afkomstig uit de boekhouding van de N.V. **O.** (stuk 14 van de appellant) en die door de BTW-administratie werden gebruikt om de belastbare basis te bepalen (zogenaamde P-leveringen), niet alleen leveringen zonder factuur bevatten zoals door de BTW-administratie aangenomen, maar ook gefactureerde aankopen. Hieruit volgt volgens de appellant onder meer dat het akkoord van 6.11.1995 niet met de werkelijkheid overeenstemt.

Aldus bevinden zich volgens de appellant in de bedoelde listings gefactureerde leveringen voor een totaalbedrag van … BEF (thans … EUR) voor het boekjaar 1991, … BEF (thans … EUR) voor het boekjaar 1992 en … BEF (thans … EUR) voor het boekjaar 1993.

De geïntimeerde van haar kant stelt dat het door de leverancier van de appellant gehanteerde fraudesysteem er in bestond dat op zelfde datum dat een officiële levering werd uitgevoerd en gefactureerd, voor soortgelijke producten een "zwarte" levering werd verricht, die vanzelfsprekend niet werd gefactureerd, maar wel vergezeld ging van een verzendnota. De bedoelde listing bevat, aldus de geïntimeerde, wel degelijk enkel de niet-officiële leveringen terwijl daarnaast ook facturen van zelfde datum als van de "zwarte" leveringen kunnen worden voorgelegd.

De appellant verwijst immers naar facturen waarvan de datum overeenstemt met de datum opgenomen in de listing, zijnde de leveringsdatum.

Bij onderzoek en vergelijking van de door beide partijen voorgelegde stukken blijkt onder meer het volgende :

\- op de listing van de P-leveringen wordt telkens naast elke levering een ("factuur")nummer vermeld, dat niet terug te vinden is op de facturen die volgens de appellant met die leveringen moet overeenstemmen (bvb. volgens stuk 15a van de appellant zou het factuurnummer 000413 moeten zijn, doch de door de appellant voorgelegde factuur draagt het nummer 007099); bij een aantal facturen, hierna vermeld is dit echter wel het geval;

\- verschillende van de door de appellant voorgelegde facturen bevatten niet alleen een aantal goederen die terug te vinden zijn op de listing met P­leveringen maar ook andere goederen die er niet op voorkomen (bvb. op de factuur, bij lage bij stuk 15a, wordt melding gemaakt van schalen à 1850.00 en draagtassen à 300.00, maar deze goederen worden niet vermeld op stuk 15a van de appellant bij de groep goederen met hetzelfde factuurnummer die wel op de listing staan); omgekeerd komt het ook voor dat goederen die op de listing voorkomen als betrekking hebbende op een zelfde zending met zelfde nummer slechts voor een deel voorkomen op de door de appellant voorgelegde factuur;

\- er is volledige overeenstemming tussen de vermeldingen op de verzendnota nr. 011045 (stuk 10 van de geïntimeerde) en de vermeldingen op de listing (stuk 69a van de appellant), nl. qua nummer, datum, bedragen, goederen, hierbij valt op dat de listing voor de levering met het nummer 011045 enkel twee soorten goederen vermeldt en de verzendnota ook enkel deze twee soorten goederen; de door de appellant ingeroepen factuur vermeldt veel meer goederen en maakt geen melding van *"rechth. deksel, helder, 125-500 cc type 6”* dat volgens de listing nochtans op zelfde datum zou geleverd zijn;

\- er is volledige overeenstemming tussen de vermeldingen op de verzend nota nr. 0I0910 (stuk 9 van de geïntimeerde) en de vermeldingen op de listing (stuk 14 van de appellant); de appellant legt geen factuur voor;

\- er is volledige overeenstemming tussen de vermeldingen op de verzendnota nr. 010872 (stuk 8 van de geïntimeerde) en de vermeldingen op de listing (stuk 14 van de appellant); de appellant legt geen factuur voor;

\- er is volledige overeenstemming tussen de vermeldingen op de verzendnota nr. 010905 (stuk 7 van de geïntimeerde) en de vermeldingen op de listing (stuk 68a van de appellant); de door de appellant voorgelegde factuur bevat twee soorten goederen, nl. deze vermeld op de listing (er is overeenstemming qua hoeveelheid en bedrag met de factuur) en een andere soort, niet vermeld op de listing;

\- er is volledige overeenstemming tussen de vermeldingen op de verzendnota nr. 004203 (stuk 6 van de geïntimeerde) en de vermeldingen op de listing (stuk 14 van de appellant); de appellant legt geen factuur voor;

\- er is volledige overeenstemming tussen de vermeldingen op de verzendnota nr. 004382 (stuk 5 van de geïntimeerde) en de vermeldingen op de listing (stuk 14 van de appellant); de appellant legt geen factuur voor;

\- er is volledige overeenstemming tussen de vermeldingen op de verzendnota nr. 004377 (stuk 4 van de geïntimeerde) en de vermeldingen op de listing (stuk 14 van de appellant), met betrekking tot een groot aantal soorten goederen (25), die allen (niet meer - niet minder) terug te vinden zijn zowel op de listing als op de verzendnota; de appellant legt geen factuur voor;

\- er is volledige overeenstemming tussen de vermeldingen op de verzendnota nr. 006779 (stuk 3 van de geïntimeerde) en de vermeldingen op de listing (stuk 14 van de appellant); de appellant legt geen factuur voor;

\- er is volledige overeenstemming tussen de vermeldingen op de verzendnota nr. 010870 (stuk 11 van de geïntimeerde) en de vermeldingen op de listing (stuk 14 van de appellant); de appellant legt geen factuur voor;

\- de appellant legt een aantal (volgens inventaris) niet gedateerde leveringsbons voor (stukken 73 tot 79) waarop soms een met de hand bijgeschreven datum wordt vermeld, uit deze stukken kan niet opgemaakt worden of de listing met P-leveringen al dan niet officiële leveringen bevat; hetzelfde geldt voor de reeds voorheen aan de geïntimeerde meegedeelde bons (bijlagen bij stuk 15 van de geïntimeerde);

Dit alles gaat eerder in de zin van de door de geïntimeerde voorgehouden stelling volgens welke officiële en niet-officiële leveringen op dezelfde dag gebeurden en over het algemeen met betrekking tot dezelfde of gelijkaardige goederen, waarbij het ook voorkwam dat officiële en niet-officiële levering precies dezelfde producten in dezelfde hoeveelheden bevatten.

Dit houdt in dat aan de hand van de voorliggende documenten en door de appellant gevoerde argumentatie niet het bewijs wordt geleverd van de onjuistheid van de listing met betrekking tot de P-leveringen en meer bepaald van de bewering dat deze naast niet-officiële leveringen ook officiële leveringen bevatten, met uitzondering van wat hierna wordt uiteengezet.

De voorgelegde factuur met nummer 953285 (stuk 71 d van de appellant) verwijst uitdrukkelijk naar een verzendnota, nl. verzendnota nr. 011241 (stuk 71c van de appellant). Er is hierbij volledige overeenstemming (behoudens wat de datum betreft) tussen de listing, de verzendnota en de factuur (wat niet het geval is met de factuur nr. 953215 voorgelegd onder stuk nr. 71b van de geïntimeerde). Gezien de uitdrukkelijke verwijzing naar de verzendnota en de overeenstemming, dient aangenomen te worden dat het dezelfde levering betreft en moeten de er op betrekking hebbende bedragen (… BEF (thans … EUR) in totaal) geweerd worden uit de listing met de P-leveringen ingevolge dwaling. Hierbij is niet uitgesloten dat de met verzendnota nr. 011241 geleverde goederen oorspronkelijk niet officieel geleverd zouden worden, en derhalve op de listing met P-leveringen werden opgenomen, maar de bestemmeling vervolgens wenste dat die goederen officieel zouden geleverd worden en er factuur voor moest worden opgemaakt. Op de verzendnota in kwestie, gedateerd 15.10.1993, werd immers met de hand geschreven *“faktuur maken”*, waarna dan de factuur nr. 95328 5 gedateerd 19. 10.1993 (stuk 71d van de appellant) gevolgd is.

Ook de factuur nr. 952982 dd. 12.10.1993 (stuk 70b van de appellant) maakt uitdrukkelijk melding van verzendnota nr. 011138, zodat ook het bedrag van … BEF (thans … EUR) uit de listing moet geweerd worden ingevolge dwaling.

De appellant voert verder aan dat bij het berekenen van de ontdoken BTW ten onrechte een winstmarge van 30 % in acht werd genomen terwijl dit slechts 25 % moest zijn, zodat ook wat dit aspect betreft de akkoordverklaring niet met de werkelijkheid zou overeenstemmen. De appellant bewijst echter niet dat een lagere winstmarge moet gehanteerd worden, zodat het bij een bewering blijft die niet van aard is afbreuk te doen aan de akkoordverklaring.

4\. Rekening houdend met hetgeen voorafgaat dient het bedrag aan verschuldigde BTW in de akkoordverklaring van …6.11.1995 als volgt te worden herleid :

verschuldigd volgens akkoordverklaring : … BEF (… EUR)

factuur nr. 953285:

… BEF (… EUR) x 19,50 % BTW = - … BEF (… EUR)

factuur nr. 952982

… BEF (… EUR) x 19,50 % BTW = - … BEF (… EUR)

*(per vergissing wordt door de geïntimeerde*

*in conclusie … BEF (thans … EUR) in*

*aanmerking genomen in plaats van … BEF*

*(thans … EUR)*

\_\_\_\_\_\_\_\_\_\_\_

… BEF (… EUR)

De appellant heeft derhalve … BEF (thans … EUR) teveel aan BTW betaald.

De appellant betaalde tevens een teveel aan intrest op deze teveel betaalde BTW gelijk aan … BEF (thans … EUR) (nl. … BEF (thans … EUR)/ … BEF (thans … EUR) x … BEF (thans … EUR)).

5\. De appellant vraagt de herleiding van de boete van 40 % naar 10 % van de BTW.

Er zijn echter geen redenen voorhanden om hierop in te gaan, mede gezien moet aangenomen worden dat de appellant met de niet-officiële leveringen het oogmerk had om de belasting te ontduiken.

De boete moet echter herberekend worden in acht genomen hetgeen voorafgaat op 40 % van … BEF (thans … EUR), hetzij … BEF (thans … EUR), afgerond … BEF (thans … EUR). De appellant heeft derhalve … BEF (thans … EUR) teveel aan geldboete betaald.

6\. In acht genomen hetgeen voorafgaat, dient aan de appellant te worden terugbetaald : … BEF (thans … EUR) BTW + … BEF (thans … EUR) intrest + … BEF (thans … EUR) boete = … BEF (thans … EUR), meer intresten zoals hierna bepaald.

### Dispositif

**OP DEZE GRONDEN,**

**HET HOF,** rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 193 5 op het gebruik der talen.

Ontvangt het hoger beroep doch verklaart het slechts in geringe mate gegrond.

Doet het bestreden vonnis teniet, behoudens waar het de vordering van de appellant ontvankelijk verklaart.

Opnieuw wijzende, verklaart de vordering van de appellant slechts in geringe mate gegrond.

Veroordeelt de geïntimeerde om te betalen aan de appellant de som van … EUR, meer de verwijlintresten aan de wettelijke rentevoet vanaf de datum van dagvaarding, zijnde 27.6.1997 en de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet.

Veroordeelt de appellant tot 9/10 van de kosten en de geïntimeerde tot 1/10 van de kosten;

Begroot deze kosten als volgt :

aan de zijde van de appellant : op … EUR dagvaarding + … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR;

aan de zijde van de geïntimeerde : op … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR;

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, **vijfde kamer**, op **ELF MAART TWEEDUIZEND EN DRIE**.

Aanwezig :

Mevrouw **N. v. I.**, Voorzitter,

De heren **A. D. M.** en **G. T.**, Raadsheren,

**M. V.**, griffier.

**M. V.** **G. T.** **A. D. M.** **N. v. I.**

## Textes cités

2

[CTVA art. 84](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84) 3 occurrences

[CTVA art. 82](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-82) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Déclaration de régularisation, Activité d'ostéopathe, Exonération de TVA](https://juriel.be/fr/jurisprudence/declaration-regularisation-activite-osteopathe-exoneration-tribunal-bruxelles-2025-10-06-2068) 2 dispositions communes

[Procès-verbal, Force probante d’un procès-verbal, Présomptions de fait](https://juriel.be/fr/jurisprudence/proces-verbal-force-probante-presomptions-cour-appel-gand-2016-11-29-a3c0) 2 dispositions communes

[Faillite d'un cocontractant, Droit à la restitution](https://juriel.be/fr/jurisprudence/faillite-cocontractant-droit-restitution-perte-cassation-bruxelles-2024-06-20-053d) 1 dispositions communes

[Redevable, Responsabilité solidaire, Report de paiement, Cocontractant](https://juriel.be/fr/jurisprudence/redevable-responsabilite-solidaire-report-paiement-cour-appel-anvers-2022-02-15-073c) 1 dispositions communes

[Taux réduit, Principe de la confiance légitime](https://juriel.be/fr/jurisprudence/taux-reduit-principe-confiance-legitime-tribunal-gand-2022-06-13-0a74) 1 dispositions communes

[Carrousel TVA, Participation, Refus de déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/carrousel-tva-participation-refus-deduction-cour-appel-bruxelles-2020-09-10-0c67) 1 dispositions communes

[Taux réduit, Immeubles neufs, Travaux immobiliers, Travaux de construction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/taux-reduit-immeubles-neufs-travaux-tribunal-bruxelles-2023-05-31-0d52) 1 dispositions communes

[Reconstitution du chiffres d’affaires, Preuve par présomptions](https://juriel.be/fr/jurisprudence/reconstitution-chiffres-affaires-preuve-presomptions-cour-appel-bruxelles-2023-02-0e22) 1 dispositions communes
