---
title: "Poursuite · Cour d&#x27;appel de Gand, 21 juin 2000"
description: "Poursuite. Cour d'appel de Gand (Belgique), 21 juin 2000."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-cour-appel-gand-2000-06-21-c681"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Poursuite · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Gand

**Date**

21 juin 2000

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

78 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 21.06.2000

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**HOF VAN BEROEP GENT - 13° Kamer**

**1995/AR/1476** - In de zaak van :

**B. L.**, herbergier, .wonende te …, …,

**appellant,**

ter terechtzitting van 24 mei 2000 niet verschenen, noch vertegenwoordigd

**tegen :**

**BELGISCHE STAAT**, Administratie der Belasting over de Toegevoegde Waarde, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de hoofdcontroleur van het controlekantoor Zottegem A1, Heilig Hartplein 34,

woonplaats kiezend op het PARKET VAN DE PROCUREUR DES KONINGS, 9700 OUDENAARDE, Gerechtsgebouw, Bourgondiëstraat,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman Mr. **D. C.**, advocaat te …, …

Velt het Hof het volgend arrest :

Bij verzoekschrift ter griffie van het Hof neergelegd op maandag 19 juni 1995 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis op 16 januari 1995 uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, dertiende kamer.

Dit vonnis werd aan de appellant betekend op 17 mei 1995.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

Niettegenstaande de appellant, bij toepassing van art. 751 Ger. W., werd opgeroepen voor de terechtzitting, is hij voor het Hof niet verschenen, noch iemand voor hem. De geïntimeerde heeft arrest gevorderd met toepassing van het voormeld artikel.

Het geschil betreft een verzet tegen een dwangbevel inzake de BTW. Dit verzet werd afgewezen door de eerste rechter.

Voor het Hof voert de appellant aan dat de aanslag willekeurig werd gevestigd - wat zou blijken uit steeds wisselende bedragen waarop een aanslag werd aangekondigd - en dat bepaalde aanslagen verjaard zouden zijn.

De geïntimeerde bestrijdt deze bewering o.m. aan de hand van bewijsstukken en van een proces-verbaal.

De eerste rechter heeft de grief inzake de verjaring onderzocht en onjuist bevonden. De appellant voert daartegen geen specifieke argumenten aan, doch beperkt zich tot een herhaling - in vage bewoordingen - van zijn bewering dat de vordering van de BTW op 'bepaalde facturen' (zonder nadere aanduiding) zou verjaard zijn.

Ook de grief welke steunt op de wijziging van de bedragen waarop de BTW werd geheven, werd door de eerste rechter onderzocht en ongegrond verklaard.

Daar de appellant voor het Hof geen stukken voorbrengt en ook geen dienende argumenten aanvoert en zijn vordering derhalve niet staaft, kan ze niet ingewilligd worden.

Het hoger beroep is ongegrond en bestreden vonnis moet bevestigd worden.

Op deze gronden, het Hof, bij arrest dat in toepassing van art. 751 Ger. W. geacht wordt op tegenspraak te zijn uitgesproken,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Ontvangt het hoger beroep doch verklaart het ongegrond en bevestigt dienvolgens het bestreden vonnis.

Veroordeelt de appellant tot de kosten van de aanleg in zijnen hoofde niet te begroten gezien ze eigen blijven en in hoofde. van de geïntimeerde begroot op … fr. rechtsplegingsvergoeding, volgens opgave.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, DERTIENDE KAMER rechtsprekende in burgerlijke zaken, heden 21 JUNI TWEEDUIZEND, door :

alleenrechtsprekend Kamervoorzitter **L. G.**, bijgestaan door griffier **C. S.**.

**C. S.** **L.G.**

A.R. 36.145 - In de zaak van :

B. L., voorheen handelaar in platen en muziekinstrumenten, thans herbergier, wonend te …, …;

eiser, verschijnende door Mr. **J. V. W.**, advokaat te Dendermonde, loco Mr. **M. D. P.**, advokaat te …, …

T E G EN :

**BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, administratie der Belastingen over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, vertegenwoordigd de en op vervolging van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor·te Aalst, wiens kantoor gevestigd is aldaar aan de …; die woonstkeuze heeft gedaan op het parket van de procureur des Konings te Oudenaarde, Gerechtsgebouw aldaar;

verweerder, verschijnende door Mr. **Chr. D. S.**, advokaat te …, loco Mr. **J .P. W.**, advokaat te …, ….

De rechtbank verleent het volgend vonnis nadat de partijen gehoord werden in hun middelen en besluiten en na kennisname der overgelegde stukken;

Gelet op het tussenvonnis van deze kamer dd. 10.5.1994 waaraan werd voldaan;

1\. - Op 5 en 25 oktober 1962 werd bij eiser een controle uitgevoerd betreffende de juiste toepassing van de BTW-reglementering aangaande zijn vroegere activiteit als handelaar in muziekplaten en muziekinstrumenten voor de periode vanaf 1.1.1980 tot de datum der stopzetting 31.12.1981;

Door de controlerende ambtenaar werden een aantal onregelmatigheden vastgesteld en deze werden opgenomen in het proces-verbaal dd. 14.6.1984.

Aangezien eiser niet overging tot betaling van de door verweerder gevorderde sommen, werd op 26.7.1984 een dwangbevel uitgevaardigd .dat op 6.8.1984 uitvoerbaar werd verklaard door de Gewestelijke Directeur van de BTW, Registratie en Domeinen te Gent;

Dit dwangbevel werd, samen met het proces-verbaal, bij exploot van gerechtsdeurwaarder **D. V.** op 8.8.1984 betekend;

Bij exploot dd. 21.8.1984 heeft eiser verzet aangetekend tegen de uitvoering van het dwangbevel;

2\. - Vooreerst meent eiser dat een aantal vorderingen verjaard zijn;

Vervolgens betwist hij het proces-verbaal dd. 14.6.1984 alsook het dwangbevel, omdat sinds het begin van de besprekingen in november 1982, de Administratie in een nieuw voorstel bereid was de oorspronkelijk rechten t.b.v. … frank te verlagen tot … frank, en omdat wegens het niet-akkoord van eiser de rechten in het proces-verbaal opnieuw verschillend zijn van deze in het laatste voorstel;

3\. - Overwegende dat eiser zich ertoe beperkt in algemene termen en zonder enige specificatie, te stellen dat een aantal vorderingen verjaard zijn;

Dat de vordering van de Administratie zoals die blijkt uit het proces-verbaal van 14.6.1984, kan worden onderverdeeld in zes groepen van overtredingen inzake de toepassing van de BTW-wetgeving;

Dat dient te worden nagegaan of er op datum van het dwangbevel voor bepaalde vorderingen reeds verjaring was ingetreden;

Dat krachtens art. 81 1 eerste lid W.BTW, de vordering tot voldoening van de belasting, van de intresten en de administratieve geldboeten verjaart na verloop van vijf jaar;

Dat deze verjaringstermijn begint te lopen op de dag waarop de vordering is ontstaan,

Overwegende dat het opgestelde proces-verbaal de periode bestrijkt van l januari 1980 tot 31 december 1981;

Dat, indien de belastingplichtige gehouden is tot het indienen van periodieke BTW-aangifte, het uitgangspunt van de verjaringstermijn het tijdstip is gesteld voor de indiening van deze aangifte zoals dit is bepaald krachtens artikel 16 K.B. N° 1 van 23 juli 1969 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde;

Dat in casu, gelet" op de gecontroleerde periode, de vordering, ontstond op 20 april 1980 (aangifte 1ste kwartaal 1980, in te dienen uiterlijk op 20 april 1980);

Dat met betrekking tot de lastens eiser vastgestelde overtredingen, de oudste vordering deze is in verband met de omzetverhoging over het jaar 1980;

Dat betrekkelijk de andere vorderingen, de eisbaarheid ontstaan is na 20 april 1980;

Dat de vordering van de Administratie, waarvan de verjaring gestuit werd door de betekening van het dwangbevel op 8.8.1984, bijgevolg ten vroegste verjaarde op 20 april 1985;

Dat het exploot houdende de betekening van het dwangbevel op 8.8.1984 een nieuwe verjaringstermijn doet lopen welke dezelfde is als de gestuit verjaring, nl. vijf jaar en dit conform art. 83 W.BTW;

Dat eiser op 21 augustus 1984, verzet aantekende tegen de uitvoering van hogervermeld dwangbevel, waardoor de verjaringstermijn niet verder loopt zolang huidig geding hangende is;

Dat van enige verjaring in casu dan ook geen sprake is;

4\. - Overwegende dat door de Administratie, na controle, een eerste voorstel tot minnelijke regeling werd geformuleerd waarbij de verschuldigde rechten werden bepaald op … frank;

Dat eiser op dit voorstel niet is ingegaan en enkel punt II, namelijk "Herziening van BTW" betwistte;

Dat daarom een aanvullend onderzoek werd aangekondigd en in verband met de betwiste post een aantal fakturen werden opgevorderd;

Dat, vooraleer het aanvullend onderzoek kon worden uitgevoerd, de raadsman van eiser liet weten dat hij ook niet akkoord ging met punt IV, namelijk de post “BTW op meeromzet 1981";

Dat na een aanvullend onderzoek door de Administratie een nieuw voorstel werd uitgebracht waarin de verschuldigde belasting werd teruggebracht van … frank naar … frank, meer een verminder e geldboete van … frank;

Dat opnieuw geen akkoord kon worden bereikt zodat de overtredingen werden opgenomen in het proces-verbaal dd. 14 juni 1984;

Dat uit deze chronologie der feiten blijkt dat er. slechts verschillende minnelijke regelingsvoorstellen zijn tot stand gekomen doordat eiser zelf voortdurend veranderde van inzichten en zijn akkoord nooit kon worden bereikt;

Dat eiser weliswaar stelt dat de cijfers die door verweerder worden gehanteerd op niets zijn gesteund en getuigen van grote willekeur, doch dat hij hiervan geen enkel bewijs voorlegt;

Dat eiser zijn verweer beperkt tot het wild om zich heen schoppen met algemene bewoordingen als "louter forfaitair” en "in tegenstrijd met de economische realiteit", doch geen enkel concreet of ondubbelzinnig element naar voor brengt dat zijn stelling bewijst;

Dat het verzet dan ook als ongegrond dient te worden afgewezen;

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK**, rechtdoende op tegenspraak, alle andersluidende, meeromvattende en tegenstrijdige conclusies verwerpend verklaart de vordering ontvankelijk, doch wijst ze af als ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding, aan zijn zijde begroot op … frank; op … frank (opgegeven som) aan de zijde van verweerder, onverminderd de toepassing van art. 1024 Ger. W.;

Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van zestien januari 1900 vijfennegentig van de dertiende kamer, zitting houdende in burgerlijke zaken, der rechtbank van eerste aanleg, zetelend te Dendermonde.

Aanwezig : de heer **M. D.**, rechter, voorzitter van de dertiende kamer;

Mevrouw **M. V. d. B.**, griffier.

**M. V. d. B.** **M. D.**
