---
title: "15 février 2005 · Paiement de l&#x27;impôt · Tribunal de première instance de Bruges"
description: "Paiement de l'impôt. Tribunal de première instance de Bruges (Belgique), 15 février 2005."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/paiement-impot-tribunal-bruges-2005-02-15-3786"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Paiement de l'impôt · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruges

**Date**

15 février 2005

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

93 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 15.02.2005

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND :**

**AR nr. 01/2152/A**

in de zaak van :

**de BVBA C. H.**, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Veurne onder nr. …, BTW-nr. …,

**eiseres,**

vertegenwoordigd door meester **C. C.**, advocaat te ….

**tegen :**

**de BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, Controlecentrum Brugge, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor Roeselare, wiens kantoren gevestigd zijn te 8800 Roeselare, Rondekomstraat nr. 30, en in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur-diensthoofd van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, afdeling III, Team 1133, wiens kantoren gevestigd zijn te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4,

**verweerder,**

vertegenwoordigd door meester **L. D. S.**, advocaat te ….

---

## I. PROCEDURE

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 18 januari 2005, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :

1\. de gedinginleidende dagvaarding van 25 juli 2001 met verzet tegen het dwangbevel dat op 19 juni 2001 is uitgevaardigd;

2\. de conclusie voor verweerder van 14 december 2001;

3\. de conclusie voor eiseres van 21 november 2002;

4\. de conclusie voor verweerder van 23 mei 2003;

5\. de conclusie voor eiseres van 22 september 2003;

6\. de conclusie voor verweerder van 17 november 2003 en

7\. de conclusie voor eiseres van 26 juli 2004.

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.

## Il. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

*1. De feiten die relevant zijn voor het geschil*

Eiseres exploiteert een autogarage.

In haar boekhouding van de periodes 1996 tot het tweede kwartaal van 2000 werden facturen aangetroffen op naam van enerzijds de BVBA **J.** (met vermelding van BTW-nummer …), dit tot 19 augustus 1997 en anderzijds de firma **J.**, **J. N.** (met vermelding van BTW-nummer …). Die facturen hadden betrekking op auto-onderdelen.

Naar aanleiding van strafklachten tegen de heer **J. N.**, is gebleken dat laatst genoemde, in een eerste periode onder de naam van de BVBA **J.** en later onder de firma **J.** fictieve facturen uitreikte aan garagisten tegen betaling van het bedrag van de BTW van die facturen. Er is gebleken dat de BVBA **J.** nooit bestaan heeft; het BTW-nummer dat vermeld werd, was dat van de BVBA **J. C.** en **P.**, een vennootschap van **J. N.** die in 1997 failliet verklaard werd. Ook de adressen die op de facturen stonden, waren telkens achterhaald.

De facturen die **N.** aan eiseres uitreikte bevatten geen datum van levering van de goederen. Een aantal van de facturen vermelden ook geen inschrijvingsnummer in het handelsregister.

Er werd geen enkele BTW-aangifte ingediend door **J. N.** voor de facturen die hij in de betrokken periode uitreikte.

Op 7 september 2000 heeft de controledienst een bezoek gebracht aan eiseres om de boekhouding te onderzoeken van de periode van 1 januari 1996 tot 1997. In de loop van het onderzoek is beslist tot verlenging van de onderzoeksperiode tot het tweede kwartaal van 2000.

Vanaf 1996 werden enkele klachten ingediend tegen **J. N.** wegens het niet uitreiken van de factuur voor geleverde en betaalde auto­onderdelen. In de loop van het onderzoek blijkt dat er ook een drietal afnemers van **N.** bekenden dat hij fictieve facturen uitreikte tegen betaling van de BTW.

De BTW-controle bij eiseres leidde tot een correctieopgave, eerst voor de periode van 1 januari 1996 tot 31 december 1998, later voor de uitgebreide periode, namelijk van 1 januari 1996 tot 21 april 2000. In die laatste correctieopgave werd de BTW verschuldigd geacht die door eiseres was afgetrokken aan de hand van de facturen op naam van BVBA **J.** en de firma **J.**; Het betrof een bedrag van 206.698 frank (5.123,91 euro) BTW, waarop een boete van 10 % werd toegepast.

Bij gebrek aan akkoord van eiseres, werd op 14 juni 2001 een proces-verbaal opgesteld waarin ten nadele van eiseres voor 206.698 frank (5.123,91 euro) BTW, 10.000 frank (247.89 euro) boete en de interest op de BTW verschuldigd verklaard werden.

Vermits eiseres niet inging op de uitnodiging tot betaling, werd op 19 juni 2001 een dwangbevel uitgevaardigd tegen eiseres voor dezelfde bedragen als hierboven vermeld, meer de wettelijke interest op de boete en de kosten. Het dwangbevel werd op 20 juni 2001 geviseerd en uitvoerbaar verklaard om op 27 juni 2001 met een deurwaardersexploot aan eiseres betekend te worden.

Met haar exploten van 25 en 27 juli 2001, stelde eiseres haar huidige vordering in.

Bij vonnis van 25 maart 2002 werd de heer **J. N.** door de Correctionele Rechtbank van Dendermonde strafrechtelijk veroordeeld wegens inbreuk op tal van fiscale bepalingen, waaronder het niet-betalen van BTW, het uitreiken van valse documenten en het uitreiken van fictieve facturen. Eiseres stelde zich (als enige) burgerlijke partij. Haar vordering werd (bij verstek) toegekend.

*2. De vorderingen van de partijen*

**Eiseres** vordert dat de rechtbank zou zeggen voor recht dat zij de in het bestreden dwangbevel gevorderde bedragen niet verschuldigd is en dat verweerder zou veroordeeld worden tot terugbetaling van alle onverschuldigde sommen, vermeerderd met de moratoire interest.

Eiseres vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten en dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar zou verklaren bij voorraad, zelfs wanneer een rechtsmiddel zou worden aangewend, zonder dat de uitvoering afhankelijk kan gesteld worden van een borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement.

**Verweerder** vordert dat de vordering van eiseres door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eiseres zou verwezen worden in de gerechtskosten.

## III. BESPREKING

*1. De ontvankelijkheid van de vordering*

Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.

*2. De grond van de vordering*

2.1. Stelling van eiseres

Eiseres stelt dat alle facturen die zij van **J. N.** ontving, beantwoorden aan werkelijke leveringen. Zij stelt dat het bewijs daarvan blijkt uit het feit dat **N.** dat zelf zo verklaarde, dat anders niet kan uitgelegd worden hoe zij haar klanten (met een wagen Ford) kon bedienen vermits zij geen andere leveranciers van Ford-onderdelen zou hebben gehad in de betrokken periode, dat uit het strafdossier blijkt dat **N.** voor miljoenen franken onderdelen kocht zodat hij deze toch ook moet hebben verkocht, dat alle gefactureerde onderdelen in de voorgelegde inventarissen vermeld staan, dat onmiddellijk nadat de zaak haar bekend geworden is, zij weer ging aankopen bij een officiële Ford concessiehouder en dat zij geen nood had aan fictieve facturen vermits zij toch al geen winst boekte.

Vanuit dat opzicht benadrukt eiseres dat de houding van verweerder al te formalistisch is, met name doordat hij de aftrek van BTW weigert om de reden dat de datum van de levering niet vermeld staat op de facturen. Volgens eiseres blijkt uit alles dat de datum van levering steeds de datum van uitreiken van de factuur en zelfs van betaling was. De eis van verweerder dat de datum van levering nog eens zou moeten vermeld zijn, is volgens eiseres in strijd met het Europees recht. Die (bijkomende) vermelding zou niet noodzakelijk zijn om de inning van de BTW en de controle daarvan door de belastingadministratie te verzekeren.

Bovendien voert eiseres aan dat zij op basis van artikel 51bis, § 2 W.BTW ontslagen is van de hoofdelijke gehoudenheid tot het betalen van de BTW die **N.** verschuldigd was doordat zij de identiteit van **N.** aantoont.

Minstens acht eiseres de houding van verweerder in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur. In het bijzonder hekelt eiseres de vaststelling dat er tegen **J. N.** al sinds februari 1996 klachten werden neergelegd en gegrond bevonden, terwijl het tot februari 2000 geduurd heeft alvorens verweerder eiseres verwittigde. Ook stelt eiseres dat de houding van verweerder ongepast is omdat hij weet dat eiseres volledig te goeder trouw was.

*2.2. Stelling van verweerder*

Verweerder stelt dat de facturen waarop eiseres haar recht op aftrek heeft uitgeoefend onregelmatig zijn. Ten eerste zou dat zo zijn omdat niet voldaan is aan de vereiste van [artikel 5, § 1, 5 a) van KB nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-c6ca) van 29 december 1992, dat stelt dat de factuur moet vermelden 'de datum van de levering van het goed of van de voltooiing van de dienst en, in de gevallen bedoeld in artikel 1, eerste lid, 2°, de datum waarop de belasting verschuldigd wordt'. Die datum mag volgens verweerder niet verward worden met de datum van het uitreiken van de factuur. De beide datums zouden hun eigen belang hebben met het oog op de opeisbaarheid van de belasting en het tijdstip ervan en dus noodzakelijk zijn voor een doeltreffende controle op de heffing en de inning van de BTW.

Verweerder stelt dat het om een aanvullende vermelding gaat, waarvan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen de lidstaten toestaat om ze als vermelding op de factuur te vereisen omdat ze noodzakelijk zou zijn om de inning van de BTW en de controle daarvan te verzekeren, zonder dat het opnemen van die vermelding, samen met de andere, zo talrijk of technisch zou zijn, dat de uitoefening van het recht op aftrek nagenoeg onmogelijk of overdreven moeilijk zou worden. Verweerder beroept zich daartoe op enkele arresten van het Hof van Cassatie waaruit zou kunnen afgeleid worden dat het niet vermelden van de datum van levering in strijd is met de wettelijke vereisten die toelaat het recht op aftrek van BTW te weigeren. Hoewel het standpunt formalistisch kan overkomen, stelt zij dat de rechtspraak zeer formeel is.

Verweerder benadrukt verder dat het aan eiseres is om te bewijzen dat zij het recht op aftrek zou mogen uitoefenen. Verweerder stelt dat de bewijzen die eiseres voorbrengt, niet volstaan. Volgens verweerder moet eiseres daadwerkelijk het bewijs leveren dat de leveringen gedaan werden. Daarin speelt naar het oordeel van verweerder een rol dat er in het dossier van **N.** sprake is van fictieve facturen, zoals door enkele afnemers van hem bekend werd.

Voorts stelt verweerder dat artikel 51bis W.BTW betrekking heeft op de voldoening van de belasting en niet op de aftrek van belasting. Hij benadrukt dat het recht op aftrek veronderstelt dat het bewijs geleverd wordt van de effectieve levering van de goederen en de bestemming voor BTW-activiteiten.

Verweerder ontkent dat hij te lang zou gewacht hebben om op te treden. Hij benadrukt dat er in het begin alleen sprake was van een vermoeden en dat er een uitgebreid onderzoek nodig was, terwijl één en ander complex was doordat **N.** het BTW-nummer gebruikte van een failliet verklaarde vennootschap en voortdurend van woonplaats wisselde.

Verweerder laat nog opmerken dat eiseres zich voor de Correctionele Rechtbank van Dendermonde burgerlijke partij gesteld heeft voor een bedrag van 5.916,04 euro, terwijl de bestreden vordering met interest en kosten op een bedrag betrekking heeft van 6.144,54 euro. Verweerder ziet dat als een argument om te stellen dat er geen schending was van de beginselen van behoorlijk bestuur.

2.3. Beoordeling

2.3.1.

Vooreerst kan duidelijk gemaakt worden dat eiseres zich niet kan beroepen op artikel 51bis, § 1, 1° W.BTW. Dat artikel gaat inderdaad slechts om de hoofdelijke gehoudenheid van de afnemer voor de BTW die de leverancier had moet betalen. Nu blijkt wel dat de leverancier (**J. N.**) de betreffende BTW nooit betaald heeft aan de Belgische Schatkist, maar de vordering van verweerder is niet op die hoofdelijkheid gesteund, maar op de onregelmatigheid van de facturen en de mogelijkheid dat de leveringen fictief waren, waardoor het recht op aftrek ten onrechte door eiseres zou zijn uitgeoefend. Bovendien blijkt dat het betreffende artikel alleen betrekking heeft op het geval van ontbreken van vermeldingen die met de identiteit van de leverancier te maken hebben. De onregelmatigheid van de facturen waarop verweerder zich beroept, slaat op het ontbreken van de datum van de levering; dat heeft met de identiteit van de leverancier geen uitstaans.

2.3.2.

Er kan niet ontkend worden dat de houding van verweerder zeer formalistisch is, althans bekeken van uit het standpunt van de afnemer, eiseres, in de veronderstelling dat deze te goeder trouw was.

Eiseres kan niet ontkennen dat uit het strafdossier en uit het proces-verbaal van 14 juni 2001 blijkt dat **J. N.** ook facturen uitreikte die niet beantwoordden aan effectieve leveringen en dat tegen de prijs van de BTW. Hoewel er kennelijk slechts 3 van de 18 afnemers letterlijk in die zin een verklaring aflegden, bevestigt dit in elk geval dat de verklaring van **J. N.** als zou steeds alles wat gefactureerd werd, geleverd zijn, gelogen is. Voorts is het ook opmerkelijk dat alle andere afnemers toch vrijwillig bereid waren om de BTW terug te betalen die zij in aftrek genomen hadden aan de hand van de facturen die zij van **N.** ontvangen hadden. In de veronderstelling dat zij werkelijk de volledige factuurbedragen zouden hebben betaald (en er dus steeds een werkelijke levering was), zou dat betekenen dat zij zonder meer bereid waren om tweemaal de BTW (én een boete) te betalen. Dat laat het vermoeden ontstaan dat al deze afnemers, ook al verklaarden zij dat alle gefactureerde goederen steeds geleverd waren, ooit van **N.** fictieve facturen gekocht hadden. Tegen die achtergrond moet niet zonder meer geloof gehecht worden aan de enkele verklaring van eiseres dat zij steeds alle gefactureerde goederen ontving. Dat zou betekenen dat eiseres zou kunnen verstaan met het voorleggen van facturen. Dat is niet zo : zij moet het uitvoeren van de leveringen bewijzen. Eiseres roept een aantal argumenten in waarmee zij rechtstreeks en zelf willen bewijzen dat alles steeds effectief geleverd werd. Die argumentatie kan de rechtbank nochtans niet overtuigen.

Terecht laat verweerder gelden dat uit de jaarrekeningen van eiseres voor de betreffende jaren (die eiseres overigens zelf overlegt), blijkt dat eiseres veel meer wisselstukken aankocht om te kunnen aannemen dat **N.** de enige leverancier van wisselstukken was. Dat het alleen om onderdelen voor Ford voertuigen zou gaan, terwijl de andere aankopen voor andere merken bedoeld waren, kan ook niet overtuigen : uit de stukken en argumentatie van eiseres zelf blijkt immers dat eiseres hoofdzakelijk klanten met wagens van het merk Ford moet gehad hebben, ook nadat zij sinds 1995 niet langer een erkend lokaal agent van dat merk was. De totale kostprijs voor de wisselstukken in de betreffende jaren is telkens veel groter dan dat van het bedrag van de facturen die **N.** aan eiseres uitreikte (in het totaal werden van het 2de kwartaal 1996 tot het 1ste kwartaal van 2000, slechts voor (984.270 - 25.515 =) 958.755 frank (excl. BTW) facturen door **N.** aan eiseres uitgereikt, terwijl voor de jaren 1996 tot 1999 in de jaarrekeningen van eiseres melding gemaakt wordt van aankoop van wisselstukken voor 6.984.205 frank). Om de stelling van eiseres te kunnen bijtreden, zou al moeten aanvaard worden dat eiseres na 1995 in verhouding plots veel meer andere merken deed dan Ford, wat ongeloofwaardig is.

Verder legt eiseres slechts enkele (15) facturen voor van verkopen aan klanten in de betrokken jaren (stuk 7 eiseres). Niet alleen kunnen dit beperkt aantal facturen en de beperkte bedragen en leveringen waarvan ze melding maken, de verkoop van alle onderdelen die door **N.** zouden geleverd zijn, onmogelijk verantwoorden. Bovendien bevatten die facturen geen referenties of codes van onderdelen die identificatie ervan toelaten én is zelfs nergens vermeld voor welk voertuig (merk, type, zelfs de nummerplaat en de kilometerstand enz.) de gefactureerde leveringen en diensten gebeurden.

Dat eiseres geen behoefte had aan fictieve facturen gelet op haar beperkte bedrijfsresultaten, is niet bewezen. Niet alleen helpen fictieve facturen op kunstmatige wijze verliezen creëren, maar er waren ook jaren van winst waarmee de eventuele overgedragen verliezen gecompenseerd konden worden.

Tegen die achtergrond, met name dat er een vermoeden van fictieve leveringen bestaat, terwijl eiseres geen bewijs levert van daadwerkelijke leveringen, heeft verweerder met reden geoordeeld dat het ontbreken op de betreffende facturen van de datum van levering, een onregelmatigheid is die toelaat aan eiseres het recht op aftrek van de gefactureerde BTW te ontzeggen. De datum van levering is, wanneer de controle bij uitstek moet toelaten na te gaan of een levering werkelijk is uitgevoerd, een essentieel gegeven. In de veronderstelling dat eiseres met meer concrete gegevens zou trachten een verband te leggen tussen enerzijds de gefactureerde wisselstukken en anderzijds de door haar doorverkochte of nog in voorraad zijnde wisselstukken, zou voor dat onderzoek de datum van de levering een determinerende factor zijn. Om elke discussie uit te sluiten (die bijvoorbeeld er zou kunnen in bestaan dat een levering later gebeurde of, omgekeerd, eens een factuur pas na de levering volgde), is een afzonderlijke vermelding van de datum van de levering en de datum van de factuur belangrijk. Uit de stukken van het dossier blijkt overigens dat bepaalde afnemers niet steeds een factuur kregen (zelfs) bij levering en op de facturatie moesten aandringen. Overigens is de datum van de levering een factor die de BTW opeisbaar maakt, onafhankelijk van de datum van de facturatie, wat voor de inning, in het bijzonder de verjaring ervan, niet zonder belang is.

2.3.3.

Ten onrechte beroept eiseres zich verder op een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur.

Er kan niet ontkend worden dat er vier jaar verliep tussen de eerste geregistreerde klacht tegen de (onbestaande) BVBA **J.** (en dus tegen **J. N.**), maar deze klachten blijken steeds betrekking te hebben gehad op het feit dat **J.** geen facturen uitreikte. Het is slechts in de loop van het onderzoek, met name bij de afnemers – pas nadat **N.** daarover gegevens had verstrekt – dat bepaalde afnemers verklaarden dat er sprake was van fictieve facturen (eerste proces-verbaal in dat verband dateerde van 19 maart 1999). Door de BTW-controlediensten moest niet beseft worden dat er dringend op zoek moest gegaan worden naar “slachtoffers” van de praktijken van **N.**, wanneer de aangeklaagde wanpraktijken slechts bestonden uit het niet uitreiken van facturen voor gedane leveringen. In dat geval kan de afnemers immer zelf zijn conclusies trekken.

Ook het -onmiskenbare – feit dat de BTW-controlediensten al in 1996 wisten of moesten weten dat **N.** facturen uitreikte zonder er de BTW op te voldoen, liet niet onmiddellijk toe om te vermoeden dat het recht op aftrek van de BTW door de afnemers in het gedrang kwam. Dat veronderstelt een onderzoek naar de facturen. Nu blijkt dat **N.** niet gemakkelijk aan te treffen was en dat hij in het begin zijn facturen niet moest voorleggen vermits het alleen ging over niet uitgereikte, dus nog te maken facturen. Terecht laat verweerder gelden dat het onderzoek in het algemeen ingewikkeld was. Overigens komt het aan elke afnemers toe om correcte facturen te vragen van zijn leveranciers en is hoger al gebleken dat te betwijfelen valt of eiseres wel volledig te goeder trouw was.

2.3.4.

De conclusie is dat eiseres faalt in haar bewijslast omtrent haar recht op aftrek, zodat haar vordering ongegrond is.

*3. De gerechtskosten*

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1 ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moet zij de gerechtskosten dragen.

*4. Uitvoerbaarheid bij voorraad*

Nu de vordering van eiseres niet kan ingewilligd worden, heeft een voorlopige tenuitvoerlegging voor haar geen nut. Ook dat deel van de vordering is dus ongegrond.

### Dispositif

## IV. UITSPRAAK

**De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.**

**Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk maar wijst ze af als ongegrond.**

De rechtbank verwijst eiseres in de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast :

aan de zijde van verweerder :

\- rechtsplegingsvergoeding : 349,53 euro

terwijl de kosten aan de zijde van eiseres niet moeten vastgesteld worden vermits ze door haar zelf moeten gedragen worden.

De rechtbank wijst de vordering met betrekking tot de voorlopige tenuitvoerlegging af als ongegrond.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de **vierde kamer** van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op **vijftien februari tweeduizend en vijf**.

De rechtbank is als volgt samengesteld :

**D. V.**, alleenrechtsprekend rechter

**N. L.**, e.a. adjunct-griffier

**N. L.** **D. V.**

## Textes cités

1

[AR no 1 art. 5](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-c6ca) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Droit à déduction, Charge de la preuve](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-charge-preuve-chiffre-tribunal-bruxelles-2025-04-23-0903) 1 dispositions communes

[Carrousel TVA, Participation, Refus de déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/carrousel-tva-participation-refus-deduction-cour-appel-bruxelles-2020-09-10-0c67) 1 dispositions communes

[Principe de neutralité, Amende proportionnelle, Intérêts, Notification préalable](https://juriel.be/fr/jurisprudence/principe-neutralite-amende-proportionnelle-interets-cour-appel-anvers-2026-01-20-1005) 1 dispositions communes

[Droit à déduction, Amende](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-amende-tva-amont-cour-appel-anvers-2021-01-19-2323) 1 dispositions communes

[Droit à déduction, Factures de sous-traitance imprécises et irrégulières](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-factures-sous-traitance-tribunal-bruxelles-2023-06-09-23dd) 1 dispositions communes

[Nouveau bâtiment, Rénovation, Travail immobilier, Taux de TVA](https://juriel.be/fr/jurisprudence/nouveau-batiment-renovation-travail-immobilier-cour-appel-gand-2019-01-08-2f4a) 1 dispositions communes

[Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-conditions-formelles-materielles-tribunal-2023-05-19-3638) 1 dispositions communes

[Droit à déduction, Dépenses sans caractère professionnel, Immeuble](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-depenses-caractere-professionnel-cour-appel-liege-2020-09-04-3c80) 1 dispositions communes
