---
title: "4 mai 2004 · Paiement de l&#x27;impôt · Tribunal de première instance de Bruges"
description: "Paiement de l'impôt. Tribunal de première instance de Bruges (Belgique), 4 mai 2004."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/paiement-impot-tribunal-bruges-2004-05-04-1289"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Paiement de l'impôt · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruges

**Date**

4 mai 2004

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

81 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 04.05.2004

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND**

**AR nr. 03/0891/A** Rep. nr. 2004/6301

in de zaak van :

**de BVBA S.**, met zetel te …, …,

**eiseres,**

vertegenwoordigd door meester **A. C.**, advocaat te ….

**tegen :**

**de BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, in de persoon van de heer Gewestelijk Directeur BTW, Registratie en Domeinen te Brugge, wiens kantoren gevestigd zijn te 8000 Brugge, Katelijnestraat nr. 7, op vervolging en benaarstiging van de Administratie van de BTW, in de persoon van de BTW-Ontvanger te Oostende, wiens kantoor gevestigd is te 8400 Oostende, Administratief Centrum - Vrijhavenstraat nr.1, eerste verdieping,

**verweerder,**

vertegenwoordigd door meester **J. V. D. P.**, advocaat te ….

---

## I. PROCEDURE

Op de zitting van 3 februari 2004 was de zaak opgeroepen in toepassing van artikel 751 Ger. W.. Eiseres was toen vertegenwoordigd, maar had nagelaten conclusies neer te leggen als verweerder voor artikel 751 Ger. W. Op zijn verzoek werd aan verweerder het voordeel van artikel 751 Ger. W. verleend. Omdat de overtuigingsstukken niet beschikbaar waren, werd de zaak verdaagd naar de zitting van 6 april 2004.

De partijen hebben hun middelen en besluiten opnieuw voorgedragen in de openbare terechtzitting van 6 april 2004, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :

1\. het geding inleidend verzoekschrift van 21 maart 2003 en

2\. de conclusie voor verweerder van 11 augustus 2003.

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.

## II. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

*1. De feiten die relevant zijn voor het geschil*

Eiseres is BTW-plichtige voor de exploitatie van een drankgelegenheid.

Omdat eiseres op een zeker ogenblik achterstallig was met de betaling van de door haar aangegeven BTW, werd door verweerder haar rekening-courant op datum van 31 december 2002 op nul gezet. Daarin werd een schuld van 13.244,79 euro vastgesteld, bestaande uit 12.848 euro BTW en 396,61 euro interest.

Voor diezelfde periode werd vervolgens een bijzondere rekening aangelegd waarin, naast de zo even genoemde bedragen ook een verminderde proportionele boete van 1.280 euro verschuldigd werd verklaard. Die bijzondere rekening werd per aangetekende brief van 9 september 2002 ter kennis gebracht aan eiseres.

Op 16 september 2002 werd eiseres kennelijk nog uitgenodigd om de verschuldigde betalingen te voldoen; anders zouden vervolgingen worden ingesteld.

Eiseres voerde wel betalingen uit, namelijk voor 4.350 euro (gerekend tot 3 februari 2003 althans). Vermits daarmee de schuld niet geheel werd afgelost en er ondertussen interesten liepen, ging verweerder op 2 februari 2003 over tot het opmaken van een dwangbevel (RCIV nr. …). Daarin werden de betalingen (4.350 euro) aangerekend op de interest (ondertussen aangegrond tot 1.620,93 euro) en de boete (1.280 euro) en vervolgens voor het saldo op de BTW-schuld. Op die manier werd in het dwangbevel een schuld vastgesteld van 11.399,11 euro meer de interest vanaf 21 februari 2003.

Het dwangbevel werd door eerstaanwezend inspecteur ad interim **P. D. B.**, daartoe aangewezen door de Gewestelijke Directeur van de BTW te Brugge, op 5 februari 2003 geviseerd en uitvoerbaar verklaard.

Op 10 februari 2003, nadat eiseres alweer een afbetaling had gedaan van 500 euro, liet verweerder het genoemde dwangbevel aan eiseres betekenen, met bevel tot betaling van 10.899,11 euro BTW, de kosten van het exploot van betekening met bevel en de interest.

Met een verzoekschrift van 21 maart 2003 stelde eiseres haar huidige vordering in.

*2. De vorderingen van de partijen*

**Eiseres** vordert dat de rechtbank het genoemde dwangbevel zou nietig en van nul en generlei waarde verklaren, minstens de boete verminderen tot hoogstens een tiende.

Eiseres vordert ook dat de rechtbank zou zeggen voor recht dat de betalingen eerst op de hoofdsommen en daarna op de boeten en interest moeten toegerekend worden.

Eiseres vordert ook dat de rechtbank zou vaststellen dat de bedragen bovenmatig en onverschuldigd zijn.

**Verweerder** vordert dat de vordering van eiseres door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eiseres zou verwezen worden in de gerechtskosten.

## III. BEOORDELING

*1. Toepassing artikel 751 Ger. W.*

Vermits eiseres binnen de termijn van artikel 751 Ger. W. geen conclusies heeft neergelegd, hoewel zij daartoe een gerechtsbrief van 22 oktober 2003 ontvangen had, werd aan verweerder, die om toepassing van artikel 751 Ger. W. verzocht heeft, reeds op de zitting van 3 februari 2004 het voordeel van dat artikel toegekend. Dat betekent dat dit vonnis een vonnis op tegenspraak is. Eiseres is overigens op de terechtzitting verschenen.

*2. De ontvankelijkheid van de vordering*

Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.

*3. De grond van de vordering*

De rechtbank overloopt de diverse argumenten van eiseres.

3.1.

Eiseres voert aan dat er geen proces-verbaal was aangehecht aan het bestreden dwangbevel waardoor dat dwangbevel zou nietig zijn.

Terecht stelt verweerder dat het dwangbevel niet werd uitgevaardigd op basis van een proces-verbaal maar op basis van de gegevens in de bijzondere rekening die op haar beurt op niets anders gebaseerd zijn dan enerzijds de cijfers die eiseres zelf in haar BTW-aangiften voor de betreffende kwartalen had ingevuld en anderzijds het feit dat eiseres naliet die bedragen (tijdig en volledig) te betalen.

3.2.

Eiseres stelt dat uit het dwangbevel niet zou blijken dat de visering gebeurd is door een gemachtigd ambtenaar.

Deze argumentatie mist feitelijke grondslag : het dwangbevel bevat letterlijk de vermelding dat de heer **P. D. B.** door de Gewestelijke Directeur van de BTW te Brugge aangewezen is om dwangbevelen te viseren en uitvoerbaar te verklaren. Dat volstaat. Verweerder legt verder een stuk voor waaruit de machtiging van de heer **D. B.** blijkt.

3.3.

Eiseres meent dat er materiële vergissingen zijn begaan, in het bijzonder door de vaststelling dat er sprake is van zowel 12.848,18 euro, 13.244,80 euro als 10.899,11 euro en dat ook geen rekening zou gehouden zijn met de betaling van 5.000 euro sedert 27 januari 2003.

Ook dat argument wordt door verweerder weerlegt. Er kan verwezen worden naar de bovenstaande weergave van de feiten. De verschillende bedragen verschillen naar gelang wordt rekening gehouden met de interest of niet op 2 februari 2003 en naar gelang de datum en de betalingen die ondertussen waren gebeurd en eerst op de kosten, vervolgens op de interest en pas daarna op de hoofdsom werden aangerekend.

De cijfers blijken in die zin correct te zijn.

3.4.

Eiseres stelt dat een boete van 1.280 euro werd opgelegd zonder motivatie voor de omvang van die boete; minstens zou de boete overdreven zijn en dus moeten verminderd worden.

Er moet toegegeven worden dat de motivering voor de boete summier is in die zin dat verweerder in zijn bijzondere rekening die op 9 september 2002 werd opgemaakt, zich beperkt heeft tot het verwijzen naar de wetgeving die hij heeft toegepast. Opdat een beslissing voldoende door de motivering zou worden gedragen, moeten de motieven toelaten de precieze draagwijdte van de beslissing te achterhalen. Nu vermeldt de bijzondere rekening heel expliciet de wetsartikelen en de onderdelen ervan op grond waarvan de boete door verweerder werd vastgelegd. Op die manier kon dus voldoende achterhaald worden dat eiseres gewoon 10 % van de verschuldigde BTW genomen heeft en dat bedrag heeft afgerond naar beneden. Dat volstaat als motiveringsplicht.

Verder is een boete wel degelijk gerechtvaardigd. Zoals verweerder aanvoert, moest eiseres zich maar al te goed bewust zijn van het feit dat ze BTW moest betalen : niet alleen omdat ze dagelijks in haar drankgelegenheid betalingen ontvangt waarin BTW vervat zit, maar ook omdat ze per kwartaal aangifte doet van de BTW en dus telkens zelf bevestigt dat ze de daarin opgenomen bedragen moet betalen. Het spreekt voor zich dat eiseres moet weten dat de niet-betaling een administratief apparaat in gang zet waardoor er kosten gemaakt worden die konden vermeden worden door stipte betaling.

In het geheel van de omstandigheden van het dossier is een boete van 10 % overigens aangepast en in verhouding en dus niet overdreven.

3.5.

Eiseres stelt dat in het dwangbevel vermeld wordt dat betalingen voor een bedrag van 4.350 euro eerst op de kosten, dan op de interesten en dan pas op de BTW aangerekend werden, terwijl het volgens eiseres vanzelfsprekend is dat de aanrekening in het belang van de belastingplichtige eerst op de BTW wordt aangerekend en dit conform de artikelen 1253 tot 1256 B.W. Verweerder laat op dat punt terecht gelden dat de aanrekening eerst op de kosten, vervolgens op de interest en dan pas op de BTW beantwoordt aan het voorschrift van [artikel 19 van KB nr. 24](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-24-decembre-paiement-taxe-valeur-ajoutee-6f3f#ar24-art19) van 29 december 1992 en dit in uitvoering van artikel 53 W.BTW, zoals voorzien in artikel 53octies W.BTW.

3.6.

Tenslotte stelt eiseres dat het dwangbevel in het algemeen niet gemotiveerd is.

Het volstaat om de tekst van het dwangbevel en de daaraan gehechte bijlagen te lezen om vast te stellen dat daarin de verschillende feiten en wettelijke bepalingen in vermeld zijn die tot de conclusie leiden dat eiseres voor de betrokken periode de BTW, interest en boete verschuldigd was zoals in dat dwangbevel vermeld staat.

Het dwangbevel is dus geldig en afdoende gemotiveerd.

3.7.

De conclusie is dat de vordering van eiseres volledig ongegrond is.

*4. De gerechtskosten*

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1 ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moet zij de gerechtskosten dragen.

### Dispositif

## IV. UITSPRAAK

**De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.**

**Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk maar wijst ze af als ongegrond.**

De rechtbank verwijst eiseres in de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast :

aan de zijde van verweerder :

\- rechtsplegingsvergoeding : 342,09 euro

terwijl de kosten aan de zijde van eiseres niet moeten vastgesteld worden vermits ze door haar zelf moeten gedragen worden.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de **vierde kamer** van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op **vier mei tweeduizend en vier**.

Zijn aanwezig :

**D. V.**, alleenrechtsprekend rechter,

**A. V.**, griffier.

**A. V.** **D. V.**

## Textes cités

1

[AR no 24 art. 19](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-24-decembre-paiement-taxe-valeur-ajoutee-6f3f) 1 occurrence
