---
title: "Paiement de l&#x27;impôt, preuve · Cour d&#x27;appel de Gand, 14 mai 2005"
description: "Paiement de l'impôt, preuve, mesure de contrôle, remboursement de la taxe. Cour d'appel de Gand (Belgique), 14 mai 2005."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/paiement-impot-preuve-mesure-controle-cour-appel-gand-2005-05-14-0df1"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Paiement de l'impôt, preuve, mesure de contrôle · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Gand

**Date**

14 mai 2005

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

75 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand d.d. 14.05.2005

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Hof van beroep te Gent, 1****e** **Kamer - Terechtzitting van 14-04-2005**

## Beslagzaak

**2004/AR/2482**

in de zaak van :

**T. H. T. P. NV**, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in de Kruispuntbank der Ondernemingen onder nr. …,

**appellante,**

hebbende als raadsman mr. **C. B.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van de BTW, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW­Ontvangkantoor te Roeselare, wiens burelen gevestigd zijn te 8800 ROESELARE, Rondekomstraat 30, woonst kiezende op het kantoor van de e.a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor Brugge, gelegen te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4,

**geïntimeerde,**

hebbende als raadsman mr. **P. M.**, advocaat te …, …

velt het Hof het volgende arrest :

Het Hof nam kennis van de beschikking gewezen op 06 september 2004 door de heer Beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, waartegen door appellante tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep werd aangetekend.

De partijen werden ter openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies; de neergelegde conclusies en de overgelegde stukken werden ingezien.

## I. VOORGAANDEN

Appellante is groothandelaar in motorvoertuigen, inzonderheid vrachtwagens en staat als BTW-belastingplichtinge geregistreerd onder het nummer BE ….

Op 19/03/2004 wordt door geïntimeerde lastens appellante een akte van inhouding opgesteld die geldt als een bewarend beslag onder derden in handen van de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen in de persoon van de e.a. Inspecteur van het BTW­controlekantoor te BTW Roeselare 3, wiens burelen gevestigd zijn te 8800 Roeselare, Rondekomstraat 30.

Het voorwerp van deze inhouding betreft een som van … EUR in het voordeel van appellante (beslagen schuldenaar), die blijkt uit het saldo van de rekening-courant in het voordeel van appellante op datum van 31/01/2004 na verwerking van de periodieke aangifte(n) bedoeld in artikel 53, 1° lid 3° van het BTW-Wetboek, ingediend door de beslagen schuldenaar met betrekking tot de periode van 1/10/2003 tot 31/12/2003.

De akte van inhouding zelf wordt opgesteld overeenkomstig artikel 8, § 3, 5 de lid van het KB nr. 4 van 29/12/1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over toegevoegde waarde, zoals gewijzigd door het KB van 29/12/1992.

Oorzaak voor de inhouding zijn de ernstige vermoedens, vervat in het PV van 08/03/2004 opgesteld door de Heren **E. H.**, Inspecteur, en **P. C.**, e.a. verificateur bij de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, beide ter beschikking gesteld van de 6 de Bijzondere Belastinginspectie van Antwerpen, waaruit moet blijken dat één of meerdere aangiften ingediend door de beslagen schuldenaar onjuiste gegevens bevatten en er uit dien hoofde een belastingschuld in het vooruitzicht wordt gesteld, waarvan de omvang nog niet daadwerkelijk kon bepaald worden. Dit PV van 08/03/2004 werd per aangetekende brief van 10/03/2004 ter kennis gebracht van de beslagen schuldenaar (appellante).

Meer bepaald is n.a.v. een controle van de boekhouding van appellante het vermoeden gerezen dat zij een schakel vormt in een carrouselfraude; zo wordt ernstig getwijfeld aan de waarachtigheid van de leveringen van een aantal vrachtwagens door appellante aan twee Spaanse firma's nl. **E. T.** SL en **T. L.** SI alsook aan de waarachtigheid van de levering van deze vrachtwagens aan appellante door de BVBA R & S **C.** en door de BVBA **M. T.**. Dit is overigens de reden waarom eveneens een strafrechtelijk onderzoek is geopend en voormelde BTW-tegoeden in opdracht van de onderzoeksrechter te Tongeren in beslag zijn genomen. Lastens de zaakvoerder van appellante, de heer **A. H.** werd zelfs een aanhoudingsbevel uitgeschreven dat inmiddels bij beschikking d.d. 28/05/2004 van de Kamer van Inbeschuldigingstelling bij het Hof van Beroep te Antwerpen werd opgeheven. Het gerechtelijk strafonderzoek loopt evenwel nog steeds en tot nader order wordt dhr. **A. H.** verdacht van mededaderschap aan valsheid in geschriften, gebruik van valse stukken, inbreuken BTW-wetgeving, heling, witwas en deelneming aan een criminele organisatie.

Voormelde inhouding wordt verricht om hoger vermeld BTW-tegoed ten bewarende titel te blokkeren tot op het ogenblik dat het bewijs van het voormeld proces-verbaal is weerlegd of tot op het ogenblik dat de waarachtigheid van de handelingen blijkt uit gegevens verkregen overeenkomstig de procedures van de door de Europese Gemeenschappen uitgevaardigde reglementering inzake het uitwisselen van inlichtingen tussen de EEG-lidstaten.

Overeenkomstig [artikel 8, § 3, lid 10 KB nr. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-decembre-restitutions-matiere-taxe-valeur-406b) en artikel 1420 Ger. W. tekent appellante bij exploot d.d. 24/03/2004 verzet aan tegen de inhouding geldend als bewarend derdenbeslag strekkende tot de opheffing van de inhouding op haar belastingtegoeden, de veroordeling van geïntimeerde tot het verlenen van de opheffing van de gedane inhouding binnen de 24 uur na de tussen te komen beschikking, bij gebreke waarvan het tussen te komen bevelschrift als opheffing en lichting zal gelden vanaf de betekening ervan, alsook de veroordeling van geïntimeerde tot onmiddellijke betaling aan appellante van de som van … EUR méér de wettelijke BTW-rente aan 9,6 % vanaf 01/03/2004, de verbeurte van een dwangsom van … EUR per dag vertraging vanaf 14 dagen vanaf de uitvoerbare beschikking alsook tot betaling van een provisionele schadevergoeding wegens onrechtmatig beslag van … EUR méér de moratoire intresten vanaf de dagvaarding en de gedingkosten.

Geïntimeerde besluit tot de ongegrondheid van het verzet; ondergeschikt vraagt zij de eventuele intresten slechts toe te kennen vanaf 01/04/2004.

De eerste rechter besloot, na een uitvoerige uiteenzetting omtrent de wettelijke grondslag van de inhouding en de toetsingsbevoegdheid en beoordelingsmacht van de Beslagrechter, tot de ongegrondheid van het verzet ten aanzien van geïntimeerde en legde de gedingkosten lastens appellante.

Met haar hoger beroep beoogt appellante de toekenning van haar oorspronkelijk verzet en in het kader van dit verzet geformuleerde vorderingen, welke zij overigens integraal herneemt.

Geïntimeerde van haar kant dringt aan op de ongegrondheid van het hoger beroep en de veroordeling van appellante tot de gedingkosten.

## ll. BEOORDELING

1\. Zoals vermeld in de akte van inhouding, gebeurde de inhouding bij toepassing van artikel 8, § 3, 5 de lid van het KB nr. 4 van 29/12/1969 in uitvoering van artikel 76 W.BTW dat voorziet in een teruggaaf van belasting onder de voorwaarden bepaald door de Koning.

De Koning werd aldus gemachtigd door de wetgever om een sui generis instrument uit te werken ten bate van de administratie van de BTW, dat dezelfde gevolgen heeft als een bewarend derdenbeslag, zonder evenwel te beantwoorden aan alle vereisten opgelegd door artikel 1413 en 1415 Ger. W., zulks teneinde de belangen van de Schatkist te vrijwaren in de strijd tegen fraude.

Artikel 8, § 3, 5 de lid van het KB nr. 4 voorziet dat indien ten aanzien van een voor teruggaaf vatbaar overschot dat blijkt uit de aangifte als bedoeld in artikel 53, eerste lid, 3° W.BTW, hetzij ernstige vermoedens, hetzij bewijzen bestaan dat de voormelde aangifte of aangiften voor daaraan voorafgaande perioden gegevens bevatten die onjuist zijn en een belastingschuld in het vooruitzicht stellen zonder dat een daadwerkelijke bepaling ervan vóór het tijdstip van de genoemde ordonnancering of de verrichting gelijkgesteld met een betaling kan geschieden, de ordonnancering van dit overschot of de overbrenging ervan naar het volgend aangiftetijdvak niet plaats vindt en het belastingkrediet wordt ingehouden teneinde de administratie toe te laten de waarachtigheid van de gegevens na te gaan.

Overeenkomstig artikel 8, § 3, 7 de lid van voormeld KB nr. 4 geldt deze inhouding (als bedoeld in het vierde lid en het vijfde lid) als een bewarend beslag onder derden en wordt voor de toepassing van de inhouding de voorwaarde vereist door artikel 1413 Ger. W. (hoogdringendheid) geacht te zijn vervuld.

Conform artikel 8, § 3, 10 de lid kan de belastingplichtige enkel verzet doen tegen de inhouding bedoeld in het vierde en vijfde lid door toepassing te maken van artikel 1420 Ger. W en er wordt uitdrukkelijk bepaald dat de beslagrechter de opheffing van het beslag niet kan gelasten zolang het door de processen-verbaal geleverde bewijs niet is weerlegd, zolang de gegevens overeenkomstig de procedures van de door de Europese Gemeenschappen uitgevaardigde reglementering inzake het uitwisselen van inlichtingen tussen de Lid-Staten van de Gemeenschap niet werden bekomen of gedurende een opsporingsonderzoek van het Parket of een gerechtelijk onderzoek van de onderzoeksrechter.

Deze regeling maakt het voorwerp uit van diverse prejudiciële vraagstellingen voor het Arbitragehof alsook van een procedure voor het Hof van Justitie.

Uit de rechtspraak van het Arbitragehof, inzonderheid de arresten nr. 78/98 van 07/047/1998 (BS 29/09/1998) en nr. 119/98 van 18/11/1998 (BS 20/01/1999), en van het Hof van Justitie (arrest van 18/12/1997) volgt dat het stelsel van de inhoudingen in principe grondwettelijk wordt geacht en derhalve niet strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet behalve op die punten waar aan de belastingplichtige het recht wordt ontzegd op een daadwerkelijke jurisdictionele controle op de wettigheid en de geldigheid van een inhouding die afwijkt van het gemeen recht inzake de bewarende beslagen. Inzonderheid worden hiermede geviseerd lid 7 en lid 10 van [artikel 8, § 3 KB nr. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-decembre-restitutions-matiere-taxe-valeur-406b) van 29/12/1969 in zoverre de voorwaarde van hoogdringendheid voorzien in artikel 1413 Ger. W. op onweerlegbare wijze wordt vermoed te zijn vervuld (lid 7) en in zoverre de beslagrechter de handlichting niet mag bevelen zolang het bewijs geleverd door de processen-verbaal opgesteld overeenkomstig artikel 59 W.BTW niet is weerlegd of in zoverre de gegevens opgeleverd door de uitwisseling van inlichtingen door de lidstaten van de Gemeenschap niet verkregen zijn of gedurende de periode van een onderzoek door het parket of door de onderzoeksrechter (lid 10). Deze aspecten die een daadwerkelijke toezicht in de weg staan mogen derhalve ingevolge hun niet-grondwettelijkheid overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet geen toepassing vinden. Met betrekking tot het wettelijk vermoeden van de hoogdringendheid dient conform de inhoud van voormelde arresten van het Arbitragehof en van het Hof van Justitie te worden gesteld dat het communautair evenredigheidsbeginsel nog het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel zich verzet tegen een weerlegbaar vermoeden van urgentie (juris tantum) nu dit een effectief rechterlijk toezicht op de inhouding niet in de wet staat.

Wat betreft de overige bepalingen van heet Besluit heeft de Koning volkomen wettig gebruik gemaakt van zijn reglementaire bevoegdheid om uitvoering te geven aan artikel 76, § 1, lid 3 W.BTW dat niet is aangetast door de ongrondwettigheid in de interpretatie die eraan gegeven worden door het arrest Arbitragehof nr. 78/98 van 07/07/1998 en die aanvaard moet worden als beantwoordend aan de wil van de wetgever, zodat die bepalingen welke niet ongrondwettelijk zijn bevonden, toepassing moeten vinden.

Zulks betekent dat :

\- het vermoeden van urgentie omkeerbaar is want vatbaar voor tegenbewijs;

\- het tot de taak van de beslagrechter behoort te toetsen of de schuldvordering van de Administratie, hoewel betwist, prima facie een zekere en vaststaande vordering uitmaakt in de zin van artikel 1415 Ger. W., en inzonderheid of de bewijselementen of aanwijzingen van fraude aangevoerd in de processen-verbaal van de BTW-administratie de houdingsmaatreel kunnen rechtvaardigen, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak, de noodzaak om de belangen van de Schatkist te beschermen en de noodzakelijke proportionaliteit tussen de aangegeven middelen en het nagestreefde doel (Cass. 06/11/2003, F.J.F. 2004, afl. 4, 381).

2\. Hoogdringendheid impliceert dat de solvabiliteit van de beslagen schuldenaar dusdanig in het gedrang komt dat een latere uitwinning gevaar loopt.

In tegenstelling tot het gemeenrechtelijk bewarend beslag, waar de bewijslast omtrent de urgentie op de beslaglegger rust, behoort het terzake aan appellante om het vermoeden van de hoogdringendheid te ontkrachten.

Zonder afbreuk te doen aan het vermoeden van onschuld in hoofde van de zaakvoerder, kan niet worden genegeerd dat de handelszaak van appellante het voorwerp is van een gerechtelijk strafonderzoek inzake internationale carrouselfraude, onderzoek dat pas in de loop van 2004 is opgestart. De financiële gegevens die appellante voorlegt, inzonderheid de goedgekeurde jaarrekeningen, dateren evenwel alle van de voorgaande jaren 2002 en 2003, zodat moeilijk kan nagegaan worden in hoeverre deze, althans schijnbare, gezonde financiële situatie, hoewel tegengesproken door geïntimeerde, nog bestond ten tijde van de inhouding en nog steeds bestaat op heden.

Appellante ontkracht derhalve geenszins met bewijskrachtige gegevens het gevaar voor insolventie of minstens het gevaar voor het zich onvermogend maken met het oog op het onttrekken van het onderpand aan de schuldeiser(s), gevaar dat door de eerste rechter terecht reëel werd geacht gelet juist op het lopende strafonderzoek en de mogelijke financiële gevolgen hiervan voor appellante.

De vrijspraak van dhr. **A. H.** in september 2004 in een gelijkaardige strafzaak is niet van aard aan het voormelde afbreuk te doen nu het huidig fiscaal- en strafonderzoek totaal andere periodes betreft en dus met de vorige strafzaak geen uitstaans heeft. De betrokkenheid van de zaakvoerder in deze beide onderzoeken, ook al leidde dit tot een vrijspraak in zijne hoofde, is hoe dan ook niet van aard geïntimeerde gerust te stemmen voor de toekomst, integendeel.

Er bestond derhalve urgentie op het ogenblik van de inhouding en deze urgentie bestaat op heden nog steeds, spijts de beweringen van appellante.

3\. In het licht van de rechtspraak van het Arbitragehof heeft de beslagrechter een marginale appreciatiebevoegdheid wat betreft de grond van de vordering.

3.1. Hierbij moet rekening gehouden worden met het proces-verbaal d.d. 08/03/2004 opgesteld overeenkomstig artikel 59, § 1, eerste lid W.BTW, en dat op grond van artikel 59, § 1, tweede lid W.BTW bewijs oplevert tot bewijs van het tegendeel.

Welnu blijkens dit proces-verbaal blijken er inderdaad ernstige twijfels te bestaan omtrent de waarachtigheid van de leveringen van vrachtwagens van zowel appellante aan twee Spaanse afnemers als van de leveringen van diezelfde vrachtwagens door twee Belgische leveranciers aan appellante. Deze twijfels worden exact verwoord in het bestreden vonnis (tweede en derde blad), waarnaar kortheidshalve wordt verwezen. De feitelijke gegevens en vaststellingen van de BTW-administratie worden op heden niet afdoende ontkracht door de door appellante overgelegde overtuigingsstukken noch laten prima facie toe de hierin vervatte aanwijzingen van fiscale inbreuken op de BTW-wetgeving en de eruit voortvloeiende belastingschuld te neutraliseren. Er mag overigens redelijkerwijze aangenomen worden dat de onder de stukken 4 t/m 10 ressorterende documenten door appellante in fotokopie overgelegd ter staving van de waarachtigheid van de (door geïntimeerde betwiste) leveringen in het kader van het gerechtelijk strafonderzoek aan een nader onderzoek zullen worden onderworpen, waarbij de inlichtingen van de Spaanse administratie ongetwijfeld een belangrijke rol zullen spelen.

Op heden slaagt appellante er niet in aan te tonen dat haar betwistingen dienaangaande een redelijke slaagkans hebben derwijze dat de schuldvordering van geïntimeerde zoals deze blijkt uit het proces­verbaal van 09/03/2004, dat geldt tot bewijs van het tegendeel, een voldoende schijn van gegrondheid heeft en zodoende als zeker te aanzien is.

3.2. Het kan evenmin betwist worden dat de schuldvordering van geïntimeerde een vaststaand karakter heeft, nu zij ongetwijfeld vatbaar is voor een voorlopige raming, raming die ten andere reeds werd opgenomen in het proces-verbaal d.d. 08/03/2004 op grond van cijfermatige gegevens omtrent ten onrechte ingeroepen vrijstellingen van BTW (wat betreft de leveringen aan de Spaanse afnemers) en ten onrechte in rekening gebrachte aftrekken BTW met betrekking tot de facturen uitgaande van de leveranciers aan appellante.

3.3. Aan het opeisbaar karakter van de schuldvordering van geïntimeerde kan evenmin getwijfeld worden.

Een schuldvordering is immers eisbaar wanneer de schuldeiser gerechtigd is de nakoming van zijn schuldvordering te vorderen. Krachtens artikel 1415, tweede lid Ger. W. kan bewarend beslag ook worden gelegd tot zekerheid van schuldvorderingen inzake te vervallen periode inkomsten. Deze bepaling wordt ook uitgebreid tot die gevallen waar een nog niet opeisbare schuldvordering in de toekomst werkelijk gevaar loopt alsook voor voorwaardelijke en zelfs eventuele vorderingen.

In casu dient in het bijzonder rekening te worden gehouden met de specifieke aard van de procedure tot inhouding op grond van artikel 8, § 3, 5 de lid KB nr. 4 van 29/12/1969 die er juist toe strekt om in gevallen waar er ernstige vermoedens van onjuiste aangiften zijn, de Schatkist een middel sui generis te verschaffen om de BTW-tegoeden (vooralsnog) in te houden juist met het doel de administratie toe te laten de waarachtigheid van die gegevens te onderzoeken, zodat de schuldvordering hoe dan ook nog geen onmiddellijk opeisbaar karakter kan hebben en zulks ook niet hoeft; zulks temeer artikel 8, § 3, 5 de lid van voormeld KB nr. 4 niet ongrondwettelijk werd geacht en zodoende ten volle toepassing kan vinden. Een dwangbevel is bijgevolg geenszins noodzakelijk in het kader van een inhouding op grond van voormeld wetsartikel en in het licht van de specifieke aard en doelstelling van deze vorm van inhouding zelfs materieel onmogelijk.

Er is, in tegenstelling tot hetgeen appellante voorhoudt, evenmin sprake van een disproportionaIiteit tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel, gelet juist op de grote omvang van de mogelijke belastingschuld en het belang van de Schatkist dat een collectief belang vertegenwoordigt, zijnde het belang van de gemeenschap ten bate van wie de belastingschuld moet worden geïnd en aangewend.

4\. In het licht van alle voorgaande overwegingen is het Hof van oordeel dat de eerste rechter terecht besloot tot de ongegrondheid van het ver­ zet tegen de inhouding geldend als bewarend derdenbeslag.

Het hoger beroep komt derhalve ongegrond voor en appellante dient veroordeeld tot de gedingkosten van het hoger beroep.

De eerste rechter oordeelde op gepaste wijze omtrent de gedingkosten van de eerste aanlegprocedure.

### Dispositif

**OP DEZE GRONDEN,**

**HET HOF**, recht doende op **tegenspraak**,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Alle strijdige en/of meer omvattende besluiten verwerpend als niet ter­ zake dienend en/of overbodig,

Ontvangt het hoger beroep doch verklaart het ongegrond.

Bevestigt dienvolgens de bestreden beschikking.

Verwijst appellante in de gedingkosten van het hoger beroep aan haar zijde niet te begroten vermits deze toch ten hare laste blijven en aan de zijde van geïntimeerde te begroten op … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, **EERSTE KAMER**, zitting houdende in burgerlijke zaken, van **VEERTIEN APRIL TWEEDUIZEND EN VIJF**.

Aanwezig :

**G. B.**, Kamervoorzitter,

**A. V. d. P.**, Raadsheer,

**G. J.**, Raadsheer,

**B. C.**, Griffier.

**B. C.** **G. J.** **A. V. d. P.** **G. B.**

## Textes cités

1

[AR no 4 art. 8](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-decembre-restitutions-matiere-taxe-valeur-406b) 2 occurrences
