---
title: "Paiement de l&#x27;impôt, preuve · Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers, 3 octobre 1995"
description: "Paiement de l'impôt, preuve, mesure de contrôle, disposition pénale, amende administrative, sanction pénale. Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 3 octobre 1995."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/paiement-impot-preuve-mesure-controle-cour-appel-anvers-1995-10-03-dbc0"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Paiement de l'impôt, preuve, mesure de contrôle, disposition pénale · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Date**

3 octobre 1995

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

107 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 03.10.1995

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, VIJFDE KAMER, rechtdoend in burgerlijke zaken, heeft het volgend arrest gewezen :**

In zake AR **3576/87**

**De BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de Heer Minister van Financiën, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 14, administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, op vervolging en benaarstiging van de rekenplichtige van het derde BTW-Ontvangkantoor te 2000 Antwerpen, Frankrijklei 73;

**appellant**, tegen een vonnis gewezen op tegenspraak op 17 november 1987 door de vijftiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen;

vertegenwoordigd door Meester **L. L.**, advocaat te …, …;

**tegen :**

**H S.**, handelaar, wonende te …, …;

**geïntimeerde,**

in persoon aanwezig, bijgestaan door Meester **H. D.**, advocaat te …, …;

---

Gelet op het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d. d. 17 november 1987 waarbij het verzet van geïntimeerde tegen twee dwangbevelen ter zake van BTW, de betaling beogend door geïntimeerde van geldboeten van … fr. en van … fr. wegens inbreuken op de toenmalige artikels 50, § 1.5 en 61, § 1 W.BTW, gegrond werd verklaard door te zeggen voor recht dat de bij de dwangbevelen gevorderde boeten niet verschuldigd zijn en waarbij appellant werd verwezen in de gedingkosten;

Gelet op het verzoekschrift in hoger beroep neergelegd ter griffie van dit Hof op 18 december 1987;

Gelet op de behandeling van de zaak ter terechtzitting van 8 mei 1995;

---

Overwegende dat geïntimeerde als handelaar in elektronische apparatuur BTW-plichtlge is; dat hij, reeds vanaf 1971, weigert de jaarlijkse opgave te doen van zijn klanten-afnemers bij wijze van de zogenoemde BTW-listing overeenkomstig artikel 50, § 1.5 (oud) W.BTW alsook zijn boekhoudkundige stukken aan de bevoegde belastingsambtenaren conform artikel 61, § 1 (oud) W.BTW ter inzage voor te leggen in zoverre het de gegevens betreft die tot identificatie van klanten kunnen leiden; dat niet betwist is dat geïntimeerde de belastingsambtenaren nooit verhinderd heeft louter mathematische controles door nazicht van zijn boekhouding uit te voeren; dat zijn houding steunt op de vrees dat gegevens, die hij vertrouwelijke bedrijfsinformatie noemt, zouden worden opgeslagen door de belastingsadministratie in haar computerbestand, dat, volgens geïntimeerde onvoldoende waarborgen biedt op geheimhouding;

dat de belastingsdiensten op 26 maart 1975 drie processen-verbaal opstelden lastens geïntimeerde waarbij de inbreuken op voormelde wetsartikels werden vastgesteld voor de jaren 1971, 1972 en 1973; dat op 14 april 1975 een dwangbevel werd uitgevaardigd waarbij een geldboete van … fr. per jaar werd opgelegd; dat geïntimeerde, nadat hem dit dwangbevel op 18 juni 1975 betekend werd, op 23 juli 1976 verzet heeft gedaan;

dat op grond van gelijkaardige inbreuken op 27 juni 1983 een proces-verbaal lastens geïntimeerde werd opgesteld met betrekking tot de jaren 1977 tot 1981; dat een dwangbevel, uitgevaardigd op 14 oktober 1983, geïntimeerde een geldboete oplegde van … fr.; dat dit bevel betekend werd op 21 november 1983 waarna geïntimeerde hiertegen verzet deed op 8 december 1983;

Overwegende dat de eerste rechter de middelen van geïntimeerde niet heeft aanvaard in zoverre deze erop steunden dat artikel 50, § 1.5 (oud) W.BTW strijdig zou geweest zijn met artikel 1 van het (eerste) aanvullend protocol bij het EVRM en met artikel 22.8 van de zesde BTW-richtlijn; dat wel de verjaring werd uitgesproken van de boete voor het jaar 1977 in zoverre deze meer dan … fr. bedroeg; dat de eerste rechter tevens heeft aangenomen, zoals door geïntimeerde werd voorgehouden, dat de opgelegde geldboeten een strafrechtelijke sanctie zijn tengevolge waarvan degene die tot betaling ervan vervolgd wordt recht heeft op een behoorlijke rechtsbedeling, zoals beschermd door artikel 6.1 EVRM; dat geïntimeerde overigens tevens artikel 14 IVBPR ten grondslag van zijn verzet had gelegd; dat de eerste rechter aldus besliste met volle rechtsmacht te kunnen oordelen over de feiten, de schuld en de opportuniteit van de straf; dat geïntimeerde niet schuldig werd bevonden en er werd beslist dat hij de in de dwangbevelen gevorderde geldboeten niet verschuldigd is;

Overwegende dat appellant thans vordert dat het verzet van geïntimeerde tegen de dwangbevelen ongegrond zou verklaard worden behoudens wat betreft een som van … fr. met betrekking tot de BTW-listing voor 1977 waarvan de verjaring wordt aanvaard;

dat geïntimeerde zijn oorspronkelijke argumentatie in haar geheel heeft hernomen en de bevestiging vordert van het vonnis a quo;

## I. De verjaring

Overwegende dat er tussen partijen geen betwisting meer blijkt te bestaan dat de verjaringstermijn van 5 jaar, vermeld in artikel 81 W.BTW, verstreken was bij het uitvaardigen van het dwangbevel voor de geldboete opgelegd voor de beweerde inbreuk op de listingplicht voor 1977, behoudens wat betreft een som van … fr. waarvoor geïntimeerde op 13 januari 1983 afstand deed van de verstreken verjaringstermijn;

dat het vonnis a quo in dit onderdeel niet is aangevochten;

## II. De gelding van artikel 50, § 1.5 (oud) W.BTW

### a. Het artikel 50, § 1.5 (oud) W.BTW en artikel 22.8 van de zesde BTW-richtlijn

Overwegende dat geïntimeerde heeft voorgehouden dat de listingplicht, zoals opgelegd door artikel 50, § 1.5 (oud) W.BTW, in strijd is met de verplichtingen die ingevolge de zesde BTW-richtlijn door de Lid-Staten mogen worden opgelegd aan de belastingplichtigen in het kader van het binnenlands verkeer; dat hoogstens, volgens geïntimeerde, een jaarlijkse opgave op basis van de gegevens van de periodieke aangiften zou kunnen geëist worden conform artikel 22.4 en 22.6 van de voormelde richtlijn; dat aldus een afsplitsing en opgave per afnemer niet verenigbaar zou zijn met de communautaire regeling; dat het evenmin noodzakelijk was, nog steeds volgens geïntimeerde, de listingplicht met vermelding van de klanten op te leggen om de fraude te. bestrijden; dat hij deze ,bewering steunt op de praktijk in andere EU-landen;

dat appellant daarentegen voorhoudt dat de listingplicht in overeenstemming is met artikel 22.8 van de voormelde richtlijn; dat de eerste rechter appellant hierin is gevolgd alhoewel hij aannam dat de noodzaak om de listingplicht in te voeren niet wordt aangetoond door de verwijzing naar een efficiënte bestrijding van de belastingfraude;

Overwegende dat artikel 22.8 van de zesde BTW-richtlijn toelaat dat de Lid-Staten andere dan in de richtlijn voorgeschreven verplichtingen opleggen wanneer zij deze noodzakelijk achten ter waarborging van de juiste heffing van de belasting en ter voorkoming van de fraude; dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet inhoudende de invoering van het wetboek van de belasting op de toegevoegde waarde, meer bepaald van het artikel 50, blijkt dat de listingplicht door de wetgever noodzakelijk werd geacht om de heffing van de belasting te verzekeren en om fraude te voorkomen; dat de wet, meer bepaald artikel 50, § 1.5, op die wijze de ruimte tot reglementering, gegeven door voormeld artikel 22.8 van de richtlijn, heeft ingevuld in overeenstemming met het door de richtlijn beoogde doel;

dat de wijze waarop andere Lid-Staten gereglementeerd hebben er niet aan in de weg staat dat de beweegredenen van de wetgever deze zijn die ten grondslag liggen van voormeld artikel 22.8; dat de kwestie of de listingplicht wel noodzakelijk is om tot een doeltreffende belastingheffing en fraudebestrijding te komen tot de opportuniteitsafweging van de wetgever behoort; dat hierbij wordt vastgesteld dat de regeling van artikel 50, § 1.5 (oud) W.BTW niet dermate onredelijk noch hinderend voorkomt dat zij de beroepswerkzaamheden van de BTW-plichtige, in het algemeen, zou onmogelijk maken of dat zij tot onverenigbaarheid met de werking van het BTW-stelsel, zoals door de zesde BTW-richtlijn voorgeschreven, zou leiden;

dat de zesde BTW-richtlijn de gelding van artikel 50, § 1.5 (oud) W.BTW dan ook niet in de weg staat;

### b. Het artikel 50, § 1.5 (oud) .BTW en artikel 1, 1° lid van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM

Overwegende dat geïntimeerde heeft aangevoerd dat de lijst van zijn klanten met het bedrag van hun aankopen per jaar een vermogensobject is in het kader van zijn handelszaak; dat hij laat gelden dat hij met toepassing van artikel 1, 1° lid van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM het recht op ongestoord genot hiervan heeft; dat hij de listingplicht, voorgeschreven door artikel 50, § 1.5 (oud) W.BTW, hiermee in strijd acht; dat de eerste rechter deze stellingname niet is gevolgd steunend op artikel 1, 2° lid van het protocol;

Overwegende dat appellant aanvoert dat de jaarlijkse opgave van de BTW-plichtige klanten slechts een geschreven inlichting is, uitsluitend bestemd voor de fiscale diensten en niet behorend tot de eigendom van geïntimeerde; dat het vermogensbestanddeel, zoals door geïntimeerde omschreven, niet het geschreven document met de namen van de klanten en de zakencijfers als dusdanig betreft maar wel de kennis van deze gegevens; dat deze kennis als immaterieel goed wel degelijk voorwerp kan zijn van eigendomsrecht; dat het ongestoord uitoefenen van dit eigendomsrecht er dan o.m. in kan bestaan vrij te beslissen deze kennis aan een ander mede te delen of dit niet te doen; dat de verplichting deze mededeling te doen op straffe van een geldboete het ongestoord genot van het eigendomsrecht aantast;

dat de eigendomsbeperking in kwestie echter de heffing van de belasting en de controle erop beoogt; dat dergelijke aantasting van eigendom ingevolge artikel 1, 2° lid van het protocol niet in de weg gestaan wordt door de eigendomsbescherming vermeld in artikel 1, 1° lid van dit protocol;

dat geïntimeerde nog aanvoert dat, indien het voormelde artikel 1, 2° lid van het protocol de verplichting inhoudt de belastingen te betalen en in het kader daarvan eigendomsbeperkingen met het oog op de belastingheffing verenigbaar zijn met het verdrag, deze beperkingen geen miskenning van de door het verdrag beschermde rechten mogen inhouden; dat geïntimeerde echter in gebreke blijft aan te tonen dat artikel 50, § 1.5 (oud) W.BTW het EVRM zelf, en meer bepaald van het artikel 6 zoals beweerd, zou miskennen;

dat niet is aangetoond dat de gelding van artikel 50, § 1.5 (oud) W.BTW in de weg gestaan wordt door artikel 1, 1° lid van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM;

### c. Het artikel 50, § 1.5 (oud) W.BTW en artikel 7 van de wet d'Allarde

Overwegende dat geïntimeerde beweert dat het artikel 50, § 1.5 (oud) W.BTW strijdig is met de vrijheid van handel zoals omschreven in artikel 7 van het decreet van 2-17 maart 1791; dat geïntimeerde laat gelden dat een aspect van die vrijheid gelegen is in het recht op cliënteel en de bescherming ervan tegen onrechtmatig optreden van anderen; dat appellant echter betwist dat de listingplicht economische beperkingen impliceert;

Overwegende dat geïntimeerde wel poneert dat het indienen van de BTW-listings zijn werkzaamheid onherstelbaar in het gedrang zou brengen en het onmogelijk zou maken nog verder te werken, doch meteen moet toegeven dat deze beweerde gevolgen zich niet kunnen voordoen zolang van de verstrekte informatie geen onrechtmatig gebruik gemaakt wordt; dat de listingplicht enkel een fiscale reglementering is die geenszins beoogt de vrijheid van handel en nijverheid te beperken, laat staan teniet te doen, en hiertoe ook geen aanleiding kan geven zonder het foutief gebruik ervan;

dat, overigens, de ingeroepen vrijheid van handel, het moge dan de juridische grondslag van de economische ordening zijn en de openbare orde raken, steunt op de wet en niets belet dat een andere wet, te dezen de fiscale wet die eveneens de openbare orde raakt, hieraan enige beperking zou opleggen; dat de eventuele beperking die het gevolg zou zijn van artikel 50, § 1.5 (oud) W.BTW bovendien niet de beweerde schadelijke gevolgen opwekt; dat deze niet het gevolg zijn van de toepassing van de wet maar van het misbruik ervan;

## III. Toepassing van artikel 6.1 EVRM en artikel 14 IVBPR

### a. Tijdens de administratieve fase

Overwegende dat geïntimeerde heeft aangeklaagd dat hij tijdens de administratieve fase geen beoordeling heeft gekregen van een onafhankelijke en onpartijdige rechter na een openbare en eerlijke behandeling van het geschil; dat hij tevens het gebrek aan redengeving van de beslissingen, die hem de betwiste boeten hebben opgelegd, heeft ingeroepen;

Overwegende dat het artikel 6 EVRM er niet aan in de weg staat dat een verdragsluitende staat, om goede redenen die hem eigen zijn, de beteugeling van een wetsovertreding toevertrouwt aan een administratieve overheid op voorwaarde dat de betrokkene achteraf zijn zaak ter beoordeling kan voorleggen aan een rechterlijke instantie die alle waarborgen van het verdrag biedt; dat het beroep op de rechter te dezen mogelijk is gemaakt door artikel 89, 2° lid W.BTW; dat het opleggen van de geldboeten en het invorderbaar stellen van de schuld door middel van een dwangbevel door de met invordering gelaste ambtenaar (artikel 85, § 1 W.BTW) alsook de tussenkomst van de minister van financiën met het oog op het oplossen van moeilijkheden (artikel 84 W.BTW)het rechtsgeding, in de zin van het beroep op de rechter, voorafgaan en de mogelijkheid van de betrokkene om zich tot de rechter te wenden onverlet laten; dat geïntimeerde niet heeft bewezen dat de administratieve behandeling vóór het rechtsgeding een inbreuk zou zijn op zijn recht van verdediging of op zijn recht op een behoorlijke rechtsbedeling;

### b. Bij de behandeling voor de rechter

Overwegende dat appellant, in strijd met wat de eerste rechter heeft aangenomen, voorhoudt dat de geldboeten, opgelegd met toepassing van artikel 70, § 4 (oud) en 61, § 4 (oud) W.BTW, geen straffen zijn en dat het opleggen, invorderen en het betwisten voor de rechter van deze boeten buiten de toepassing van artikel 6 EVRM blijven; dat appellant hieruit afleidt dat deze boeten van rechtswege verschuldigd zijn door het enkele feit van de overtreding van de wetsbepaling waarop de boeten van toepassing zijn en dat de taak van de rechter ertoe beperkt is zich te vergewissen of deze overtreding bestaat en of de boeten naar wettelijke norm werden opgelegd; dat appellant voorhoudt dat het recht van geïntimeerde op een behoorlijke rechtsbedeling hierdoor niet is gekrenkt;

Overwegende dat partijen niet betwist hebben dat artikel 6 EVRM tot het Belgisch positief recht behoort en een directe werking heeft in de Belgische nationale rechtsorde;

Overwegende dat appellant aanvoert dat het artikel 6.1 EVRM rechtsbescherming biedt ten aanzien van burgerlijke rechten en verplichtingen doch de rechten en de plichten die hun oorsprong vinden in het fiscaal recht hiertoe niet behoren;

Dat appellant hierin bijgetreden wordt omdat het ius tributi een politiek recht is en de betwistingen te dezen hierin hun oorsprong vinden;

Overwegende dat geïntimeerde echter op dezelfde rechtsbescherming aanspraak heeft gemaakt ter zake van de strafvervolging waarvan hij meent het voorwerp te zijn;

dat artikel 6 EVRM wel van toepassing is in fiscale zaken in zoverre de fiscale procedure uitmondt of kan uitmonden in een strafrechtelijke sanctie; dat op die·wijze door geïntimeerde de betwisting is opgeworpen of er te dezen al dan niet sprake is van een strafvervolging; dat deze betwisting terug te brengen is tot de kwestie of de administratieve geldboeten, voorgeschreven door artikel 61, § 4 (oud) en artikel 70, § 4 (oud) W.BTW, een straf zijn in de betekenis die daaraan door het EVRM gegeven wordt;

Overwegende dat de uitlegging van het begrip “straf”, zoals dat op autonome wijze op grond van het verdrag moet gegeven worden leidt tot de toetsing aan volgende criteria :

\- de inbreuk, waarop de straf wordt toegepast, behoort volgens het recht van de verdragsluitende staat tot het strafrecht,

\- de aard van de overtreden norm,

\- de aard en de zwaarte van de sanctie;

dat hierbij in acht moet genomen worden dat het eerste criterium alleen geen uitsluitsel kan geven; dat de nationale wetgever immers niet zou vermogen de werking van het verdrag uit te sluiten door een straf eenvoudig als niet-strafrechtelijk te rangschikken; dat een globale beoordeling noodzakelijk is zonder dat vereist is dat de toetsing van ieder criterium tot hetzelfde resultaat leidt;

Overwegende dat er geen twijfel kan bestaan dat de geldboeten in kwestie door de BTW-wet zelf als niet-strafrechtelijk worden aangezien; dat deze wet immers onder Hoofdstuk XI. Strafbepalingen een onderscheid maakt tussen "Afdeling 1. Administratieve geldboeten”, waarvan artikel 70, § 4 (oud) W.BTW deel uitmaakt, en "Afdeling 2. Strafrechtelijke sancties"; dat artikel 72 W.BTW bovendien uitdrukkelijk vermeldt dat alle bij het wetboek ingestelde geldboeten, behalve die welke de artikelen 73, 73bis en 73quater opleggen, administratieve geldboeten zijn; dat dan ook duidelijk is dat ook artikel 61, § 4 (oud) W.BTW naar nationaal recht niet bij de strafrechtelijke sancties is gerangschikt; dat verder het strafwetboek slechts van toepassing is, naar luid van artikel 73quinquies, op de als strafrechtelijk gerangschikte sancties; dat de geldboeten in kwestie worden opgelegd door de administratie zelf terwijl de vervolging van de inbreuken waarop strafrechtelijke sancties zijn gesteld, slechts aan het Openbaar Ministerie behoort (artikel 74, § 1 W.BTW); dat deze strafvervolging wordt benaarstigd voor de strafrechter terwijl het verzet tegen de geldboeten in kwestie op initiatief van degene lastens dewelke het dwangbevel is uitgevaardigd met toepassing van artikel 89 W.BTW voor de burgerlijke rechter wordt gebracht;

Overwegende dat ten aanzien van de aard van de inbreuk, met name het verzuim de jaarlijkse BTW-listing in te dienen en bij de belastingscontrole alle vereiste documenten ter inzage voor te leggen, wordt vastgesteld dat de overtreden verplichtingen een algemene draagwijdte hebben door .geldend te zijn voor alle burgers die een BTW-plichtige activiteit uitoefenen; dat de inbreuken in kwestie de openbare orde raken; dat zij deze eigenschappen in de eerste plaats ontlenen aan het fiscaal recht; dat de overtreden verplichtingen, die kaderen in de belastingscontrole, zowel de juiste heffing van de belasting als de bestrijding van de fiscale fraude beogen; dat slechts deze laatste doelstelling traditioneel in België en ook in andere verdragsluitende landen op het terrein van het strafrecht ligt; dat meer bepaald de overtredingen in kwestie naar luid van artikel 73 W.BTW slechts dan als misdrijven worden aangezien wanneer deze gepleegd zijn met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden; dat er zonder dit bijzonder opzet te dezen geen misdrijf bestaat; dat hieraan niet in de weg wordt gestaan dat de wetsovertreding, die ook zonder elementen van fraude het doel van de wet met name de juiste heffing van de belasting bedreigen, kunnen gesanctioneerd worden met administratieve geldboeten; dat deze trouwens worden opgelegd ongeacht de strafvervolging en, in geval van een misdrijf, boven en naast de strafrechtelijke sancties; dat de normen, meer bepaald artikel 50, § 1.5 (oud) en 61, § 1 (oud) W.BTW, in zoverre deze zonder bijzonder opzet overtreden worden, niet van strafrechtelijke aard zijn;

Overwegende dat appellant laat gelden dat de administratieve boeten in kwestie de gepaste vergoeding zijn ter vrijwaring van de rechten van de schatkist; dat geïntimeerde daarentegen inroept dat deze geldboeten een leed willen opleggen voor een niet-conform gedrag en nieuwe inbreuken willen voorkomen, dat ze een pecuniair karakter hebben zoals een klassieke strafrechtelijke boete waarvoor zij ook wat betreft de zwaarte niet moeten onderdoen;

dat de administratieve geldboeten ongetwijfeld op strafrechtelijke sancties gelijken waar zij een persoon een leed opleggen omwille van een met de wet strijdig gedrag, dat aldus wordt beteugeld en voor de toekomst wordt ontraden; dat deze gelijkenis voortkomt uit het feit dat het om “sancties” gaat wat niet noodzakelijk impliceert dat het tevens “straffen” zou betreffen; dat de administratieve geldboeten rechtstreeks als vergoeding ten goede komen van degene die de gepleegde onregelmatigheid heeft ondergaan, namelijk de Belgische staat; dat deze geldboeten, zoals reeds vermeld, verschuldigd blijven wanneer tevens strafrechtelijke sancties worden opgelegd; dat zij door het overlijden van de persoon, die ze opgelegd heeft gekregen, niet uitdoven; dat zij zijn nalatenschap bezwaren; dat ze ook kunnen worden opgelegd aan rechtspersonen tegen dewelke naar Belgisch recht geen strafvervolging kan worden ingesteld; dat de uitvoering ervan niet kan vervangen worden door een gevangenisstraf; dat zij niet in het openbaar worden opgelegd; dat zij niet door de strafrechter worden uitgesproken; dat zij geen weerslag hebben op het strafregister van de betrokkene; dat zij buiten de samenvoeging van straffen blijven en niet in aanmerking komen om herhaling in strafzaken vast te stellen; dat het genaderecht, aan de Koning verleend conform artikel 110 G.W., zonder uitwerking blijft op de geldboeten in kwestie;

Overwegende dat uit het geheel van de voormelde elementen moet besloten worden dat de administratieve geldboeten, voorgeschreven door artikel 61, § 4 (oud) en 70, § 4 (oud) W.BTW, geen straffen zijn in de zin van artikel 6.1 EVRM;

Overwegende dat geïntimeerde zijn aanspraken betreffende de behoorlijke rechtsbedeling ook heeft laten steunen op artikel 14 IVBPR; dat appellant ten onrechte de directe werking van deze verdragsregel, die wel degelijk een voldoende duidelijke en toepasbare rechtsnorm heeft uitgedrukt, in twijfel heeft getrokken; dat de bedoelde rechtsbescherming evenwel ook de strafvervolging betreft en niet is aangetoond dat hieraan een andere betekenis moet gegeven worden in het kader van het IVBPR dan van het EVRM, zoals voormeld;

Overwegende dat dan ook slechts de werkelijkheid van de overtreding en de wettelijkheid van de opgelegde boeten ter beoordeling van de rechter staan; dat deze niet vermag zich uit te spreken over de opportuniteit van de administratieve geldboeten noch over de rechtvaardigingsgronden die geïntimeerde heeft ingeroepen;

## IV. De inbreuk op artikel 50, § 1.5 (oud) W.BTW

Overwegende dat geïntimeerde niet betwist heeft dat hij de listingplicht (artikel 50, § 1.5-oud-W.BTW) heeft overtreden; dat hij wel inroept dat de administratieve geldboeten niet wettelijk werden vastgesteld en opgelegd;

### a. De wijze waarop de geldboeten werden vastgesteld

Overwegende dat geïntimeerde voorhoudt dat de. administratieve geldboeten conform artikel 72, 2° lid (oud) W.BTW en artikel 1, 1° lid van het Koninklijk Besluit nr. 11 d.d. 12 maart 1970 moeten worden vastgesteld door het hoofd van het controlekantoor waaronder de belastingplichtige ressorteert; dat dit, naar zijn mening, te dezen niet zou gebeurd zijn; dat de boete van … fr. voor 1972 zou vastgesteld zijn door de minister van financiën en voor 1973 door de gewestelijke directeur te Mechelen; dat appellant deze beweringen betwist;

Overwegende dat geïntimeerde met betrekking tot de boete voor 1972 verwijst naar de brief van de hoofdcontroleur van de BTW te Lier d.d. 13 april 1973; dat blijkt dat deze brief de verplichting voor het jaar 1971 i.p.v. 1972 betreft; dat de inhoud ervan geen vaststelling van geldboeten in strijd met voormelde wetsbepalingen aantoont; dat uit de briefwisseling, door appellant voorgebracht, blijkt dat de hoofdcontroleur de geldboeten zelf vaststelde overeenkomstig zijn aanvankelijk voornemen na raadpleging van zijn hiërarchische oversten hierin begrepen de minister van financiën.

Overwegende dat geïntimeerde zijn bewering ten aanzien van de geldboeten voor 1973 laat steunen op de brief van de hoofdcontroleur van de BTW te Lier d.d. 11 april 1974; dat deze brief de verplichtingen voor het jaar 1972 i.p.v. 1973 betreft; dat de hoofdcontroleur, blijkens de door appellant voorgebrachte briefwisseling, ook in dit geval zelf de geldboeten vaststelde; dat de raadpleging van zijn hiërarchische oversten noch de formulering van de brief van 11 april 1974 hieraan in de weg staan;

Overwegende dat geïntimeerde tevens inroept dat de geldboeten ten bedrage van … fr., zoals gevorderd in het dwangbevel van 14 oktober 1983, evenmin geldig zouden zijn vastgesteld; dat hij aanvoert dat·de hoofdcontroleur de boeten blijkens zijn brief van 15 september 1982 zou vastgesteld hebben op slechts … fr.; dat de hoofdcontroleur in deze brief slechts zijn voornemen heeft kenbaar gemaakt boeten ten belope van … fr. te zullen vorderen en tevens liet weten dat de zaak, gezien het verzoek van geïntimeerde zelf tot vermindering van de boeten, te onderwerpen aan de directeur van de BTW te Antwerpen; dat deze brief niet de vaststelling van de boeten zelf aantoont en aldus geen tegenbewijs levert van de vermeldingen omtrent deze vaststelling in het proces-verbaal van 27 juni 1983;

### b. De wijze waarop de geldboeten van … fr. werden opgelegd

Overwegende dat geïntimeerde voorhoudt dat het niet-indienen van de kennisgeving (listing), die per afnemer de wettelijk vereiste gegevens dient te bevatten, slechts één overtreding is en hem derhalve ten onrechte een boete werd opgelegd van … fr. per afnemer per jaar waarbij het aantal afnemers dan nog forfaitair werd geraamd op 10 per jaar; dat appellant daarentegen aanvoert dat de belastingplichtige jaarlijks per afnemer de opgave dient te doen van de geleverde goederen en verstrekte diensten en de niet-nakoming van deze verplichting aanleiding geeft tot het opleggen van een administratieve geldboete per overtreding, t.t.z. per belastingplichtige-afnemer waarvan de kennisgeving niet werd gedaan;

Overwegende dat artikel 50, § 1.5 (oud) W.BTW een kennisgevingsplicht heeft opgelegd aan de belastingplichtige door hem te verplichten de administratie, vóór 31 maart van ieder jaar, in kennis te stellen van de totale bedragen van leveringen en diensten alsmede van het totale bedrag van de in rekening gebrachte belasting voor iedere belastingplichtige afnemer waaraan goederen werden geleverd en diensten werden verstrekt gedurende het vorige jaar; dat deze overtreding dan ook werd begaan ongeacht of de kennisgevingsplicht met betrekking tot één of meerdere belastingplichtige afnemers niet werd nagekomen; dat de belastingplichtige gehouden is de kennisgevingsplicht na te komen door het stellen van één handeling, met name het indienen van de wel ingevulde opgave overeenkomstig het Koninklijk Besluit nr. 23 d.d. 19 oktober 1970 en het hieraan gehechte model; dat de overtreding van het wetsartikel dan ook meteen voltrokken is van zodra deze opgave niet tijdig en niet volledig is gedaan; dat de wetgever geen afzonderlijke opgave per afnemer-belastingplichtige heeft opgelegd; dat in artikel 50, § 1.5 (oud) W.BTW geen wettelijke grondslag wordt gevonden om de geldboete op te leggen per belastingplichtige-afnemer;

Overwegende dat de geldboeten van … fr., ingevorderd bij dwangbevel d.d. 14 oktober 1983, niet conform de wet, meer bepaald artikel 50, § 1.5 (oud) W.BTW, werden opgelegd; dat het verzet van geïntimeerde tegen dit dwangbevel in zoverre gegrond is;

## V. De inbreuk op artikel 61, § 1 en § 3 (oud) W.BTW

Overwegende dat geïntimeerde voorhoudt dat hij steeds alle vereiste boekhoudkundige stukken heeft voorgebracht en alle inlichtingen heeft verstrekt om mathematische controles mogelijk te maken; dat hij aanvoert dat hem bij dwangbevelen d.d. 14 april 1975 en 14 oktober 1983 ten onrechte geldboeten ten belope van 4 maal … fr. werden opgelegd met toepassing van artikel 61, § 1, § 3 en § 4 (oud) W.BTW;

Overwegende dat geïntimeerde ten onrechte aanhaalt dat de boeten zouden opgelegd zijn ingevolge een beweerde overtreding van artikel 61, § 3 (oud) W.BTW; dat in de processen-verbaal van 26 maart 1975 en van 27 juni 1983 geen feiten zijn omschreven noch ten grondslag van de boeten werden gelegd die de weigering van het verstrekken van de gevraagde inlichtingen betreffen; dat hierin aan geïntimeerde slechts de weigering wordt ten laste gelegd de in artikel 61, § 1 (oud) W.BTW vermelde stukken ter inzage voor te leggen;

Overwegende dat geïntimeerde nog beweert dat hij steeds alle vereiste stukken ter inzage heeft voorgelegd; dat uit de processen-verbaal van 26 maart 1975 blijkt dat geïntimeerde op 16 november 1972, 18 februari 1974 en 27 januari 1976 geweigerd heeft de dubbels van de uitgaande facturen van 1971, 1972 en 1973 ter inzage voor te leggen; dat uit het proces-verbaal van 27 juni 1983 blijkt dat geïntimeerde op 18 januari 1983 weigerde de boeken en stukken betreffende de jaren 1977 tot 1981 ter inzage voor te leggen; dat de processen-verbaal met betrekking tot deze vastgestelde feiten met toepassing van artikel 59, § 1 W.BTW bewijs opleveren zolang het tegendeel niet bewezen is; dat de beweringen van geïntimeerde de bewijswaarde van de processen-verbaal niet hebben weerlegd; dat deze overtredingen zich onderscheiden van de inbreuken op artikel 50, § 1.5 (oud) W.BTW, voormeld, en de opgelegde sanctie geen feiten bestraffen die tevens als een inbreuk op laatstgenoemd wetsartikel zouden kunnen beschouwd worden;

### Dispositif

## OM DIE REDENEN

**HET HOF,**

Recht doende op tegenspraak;

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep in de volgende mate gegrond;

Wijzigt het beroepen vonnis;

Verklaart het verzet van geïntimeerde, ingesteld tegen de dwangbevelen d.d. 14 april 1975 ongegrond;

Verklaart het verzet van geïntimeerde tegen het dwangbevel d.d. 14 oktober 1983 gedeeltelijk gegrond;

Vernietigt dit dwangbevel in zoverre hierbij lastens geïntimeerde een schuld aan appellant werd vastgesteld ingevolge administratieve geldboeten ten belope van … fr. en deze invorderbaar werd gemaakt;

Verklaart het verzet voor het overige ongegrond;

Verwijst appellant tot 4/5 en geïntimeerde tot 1/5 van de gedingkosten van beide aanleggen, deze begroot als volgt :

aan de zijde van appellant :

\* kosten eerste aanleg (zoals herleid) :

\- rechtsplegingsvergoeding : … fr.

\* kosten hoger beroep (volgens opgave in conclusie) :

\- rechtsplegingsvergoeding : … fr.

aan de zijde van geïntimeerde :

\* kosten eerste aanleg :

\- niet begroot bij gebrek aan opgave,

\* kosten hoger beroep (volgens opgave in conclusie) :

\- rechtsplegingsvergoeding : … fr.;

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van **DRIE OKTOBER NEGENTIENHONDERD VIJFENNEGENTIG** waar aanwezig waren :

**L. J.**, Voorzitter,

**F. P.**, Raadsheer;

**K. T.**, Raasheer;

**S. C.**, Griffier.

**S. C.** **K. T.** **F. P.** **L. J.**
