---
title: "25 octobre 2006 · Paiement de l&#x27;impôt, disposition pénale · Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers"
description: "Paiement de l'impôt, disposition pénale, sanction pénale, amende administrative, poursuite, instance. Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 25 octobre 2006."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/paiement-impot-disposition-penale-sanction-cour-appel-anvers-2006-10-25-7fed"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Paiement de l'impôt, disposition pénale, sanction pénale, amende administrative · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Date**

25 octobre 2006

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

158 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 25.10.2006

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

## A R R E S T

**Het Hof van Beroep zitting houdende te Antwerpen, negende kamer, recht doende in correctionele zaken, spreekt het volgende arrest uit :**

Inzake van het **OPENBAAR MINISTERIE**

en van de burgerlijke partij :

**DE BELGISCHE STAAT**, Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie handelend door de Minister van Financiën, die woonplaats kiest ten kantore van zijn raadsman Mr. **F. R.**, advocaat te …, …,

\- vertegenwoordigd door Mr. **A. V. L. d. J.**, advocaat bij de balie te …;

**tegen :**

**S. S.**, zonder gekend beroep, geboren te …, op …, wonende te …, …,

\- beklaagde - vertegenwoordigd door Mr. **E. V.** loco **B. S.**, advocaat bij de balie te …

## BETICHT VAN :

Te … en bij samenhang te …, gerechtelijk arrondissement …, en/of bij samenhang elders in het Rijk tussen 01.01.2000 en 04.09.2001;

Om de misdaad of het wanbedrijf uitgevoerd te hebben of om aan de uitvoering ervan rechtstreeks medegewerkt te hebben, door enige daad, tot de uitvoering zodanige hulp verleend te hebben dat zonder zijn bijstand het misdrijf niet kon gepleegd worden, om, door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, dit misdrijf rechtstreeks uitgelokt te hebben, als dader of mededader zoals voorzien door art. 66 van het Strafwetboek.

I. Bij inbreuk op de artikelen 53 en 73 van het wetboek van BTW, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden als belastingplichtige niet iedere maand, desgevallend niet om de 3 maanden, aangifte te hebben gedaan van de al of niet belastbare handelingen die tijdens de vorige maand of 3 maanden in de uitoefening van zijn economische activiteiten zijn verricht en van alle gegevens die nodig zijn voor het berekenen van de verschuldigde belasting en de toe te passen aftrek en/of de verschuldigde belasting niet te hebben voldaan binnen de termijn van de indiening van de aangifte van de al of niet belastbare handelingen die tijdens de vorige maand, desgevallend 3 maanden in de uitoefening van zijn economische activiteiten zijn verricht, dit is binnen de daarop volgende maand, namelijk :

voor de BVBA **B.**, met maatschappelijke zetel te …, …,

\- voor het jaar 2000, door een onvolledige aangifte te hebben verricht of te hebben laten verrichten van belastbare handelingen inzake handel in groenten en fruit. met name door aangifte voor slechts een bedrag aan verkopen van … euro alwaar een berekende omzet van … euro werd gerealiseerd en er alzo een BTW-bedrag … euro werd ontdoken

\- voor het jaar 2001, door geen aangifte te hebben verricht of te hebben laten verrichten van belastbare handelingen inzake handel in groenten en fruit. alwaar een berekende omzet van … euro werd gerealiseerd en er alzo een BTW-bedrag van … euro werd ontdoken

II. Bij inbreuken op de artikelen 305, 307 en 449 van het wetboek op de inkomstenbelastingen, met bedrieglijk omzet of met het oogmerk om te schaden, als belastingplichtige die aan de personenbelasting, de vennootschapsbelasting.

of aan de rechtspersonenbelasting zijn onderworpen, alsmede de belastingplichtigen die ingevolge de artikelen 232 en 234 aan de belasting van niet-inwoners zijn onderworpen, niet ieder jaar aan de administratie der directe belastingen een aangifte te hebben overlegd of te hebben laten overleggen in de vormen en binnen de termijnen omschreven in de artikelen 307 tot 311, in casu voor de BVBA **B.**, met laatste maatschappelijke zetel te …, …,

\- voor het aanslagjaar 2000 geen aangifte te hebben gedaan van de vennootschapsbelastingen voor een bedrag van … euro

\- voor het aanslagjaar 2001 geen aangifte te hebben gedaan van de vennootschapsbelastingen voor een bedrag van … euro.

---

Gelet op het hoger beroep ingesteld op :

\- 13 januari 2006 door de beklaagde tegen al de beschikkingen van het vonnis,

tegen het vonnis - op verzet tegen het verstekvonnis d.d. 22 november 2005 - op tegenspraak uitgesproken op **10 JANUARI 2006** door de rechtbank van eerste aanleg te **TONGEREN** (1 rechter) dewelke recht doende in correctionele zaken, besliste als volgt :

Verklaart het verzet tijdig en ontvankelijk;

Verklaart het verzet ongegrond;

Verklaart beklaagde plichtig aan de hem ten laste gelegde feiten.

Veroordeelt hem voor feit I en feit II samen tot een hoofdgevangenisstraf van EEN JAAR en een geldboete van …/… = … euro vermeerderd met 1990 opdeciemen en alzo gebracht op … euro of drie maanden vervangende gevangenisstraf.

Verplicht betichte tevens bij toepassing van artikel 29 van de Wet van 01.08.1985 - gewijzigd bij de Wet van 22.4.2003 en het K.B. van 19.12.2003 en het KB. van 31.10.2005 tot betaling van een bedrag van … euro, verhoogd met 45 opdeciemen en gebracht op … euro, bij wijze van bijdrage tot de financiering van het Bijzonder Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden, ingesteld bij artikel 28 van de Wet van 01.08.1985.

Legt aan beklaagde overeenkomstig artikel 91, 2 e lid van het K.B. van 28.12.1950, houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken, zoals gewijzigd bij K.B. van 11.12.2001, een vergoeding op van … EUR.

Veroordeelt beklaagde tot de strafkosten van de verstekprocedure alsmede tot de kosten van de verzetsprocedure, deze tot op heden in totaal berekend op … EUR.

Verklaart de burgerlijke partijstelling ontvankelijk en gegrond.

Veroordeelt beklaagde tot betaling aan de burgerlijke partij van een schadevergoeding van … euro meer de vergoedende intresten van 1/1/2000 meer de kosten.

… zegt dat er thans geen voldoende redenen meer voorhanden zijn om zijn onmiddellijke aanhouding te bevelen;

---

Gelet op het verstekvonnis d.d. 22 november 2005, zowel op straf- als op burgerlijk gebied en waarbij de Rechtbank als volgt statueerde :

\- Verklaart beklaagde plichtig aan de hem ten laste gelegde feiten.

\- Veroordeelt hem voor feit I en feit II samen tot een hoofdgevangenisstraf van EEN JAAR en een geldboete van …/… = … euro vermeerderd met 1990 opdeciemen en alzo gebracht op … euro of drie maanden vervangende gevangenisstraf.

\- Verplicht beklaagde tevens bij toepassing van artikel 29 van de Wet van 01.08.1985 - gewijzigd bij artikel 3 van de Wet van 24.12.1993 - en artikel 58 van het K.B. van 18.12.1986 tot betaling van een bedrag van … EUR, vermeerderd met 45 opdeciemen en alzo gebracht op … EUR bij wijze van bijdrage tot de financiering van het Bijzonder Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden, ingesteld bij artikel 28 van de Wet van 01.08.1985.

\- Legt aan beklaagde overeenkomstig artikel 91, 2 e lid van het K.B. van 28.12.1950, houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken, zoals gewijzigd bij K.B. van 11.12.2001, een vergoeding op van … EUR.

\- Veroordeelt beklaagde tot de strafkosten, deze tot op heden berekend op … EUR.

\- Verklaart de burgerlijke partijstelling ontvankelijk en gegrond.

\- Veroordeelt beklaagde tot betaling aan de burgerlijke partij van een schadevergoeding van … euro meer de vergoedende intresten van 1/1/2000 meer de kosten.

\- De onmiddellijke aanhouding werd bevolen.

\- Kosten van betekening: tot op heden niet gekend.

## 1. De procedure

Het Hof heeft deze zaak behandeld op de openbare terechtzitting van 6 september 2006.

Het Hof aanhoorde :

\- het Openbaar Ministerie in zijn vordering;

\- de burgerlijke partij De Belgische Staat, Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, in haar vordering voorgedragen door haar raadsman Mr. **A. V. L. d. J.**, advocaat bij de balie te …;

\- de beklaagde in zijn middelen van verdediging ontwikkeld door zijn raadsman Mr. **E. V.** loco mr. **B. S.**, advocaat bij de balie te ….

Het hof nam tevens kennis van de namens de beklaagde neergelegde besluiten.

## 2. De ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hoger beroep van de beklaagde d.d. 13 januari 2006 tegen "*alle schikkingen*" van het op verzet gewezen vonnis d.d. 10 januari 2006 is tijdig en regelmatig naar vorm en derhalve ontvankelijk, behoudens wat betreft de beslissing om diens verzet d.d. 25 november 2005 tegen het verstekvonnis d.d. 22 november 2005 ontvankelijk te verklaren en dit bij gebrek aan belang.

## 3. De ontvankelijkheid van het verzet van de beklaagde

Bij afwezigheid van een hoger beroep van het openbaar ministerie is de ontvankelijkheid van het verzet van de beklaagde tegen het verstekvonnis d.d. 22 november 2005 niet meer aan de orde. Ingevolge het ontvankelijk verklaren van dit verzet is het verstekvonnis d.d. 22 november 2005 (dat door de rechter en de griffier niet werd ondertekend) vervallen.

Vast te stellen is dat de beklaagde geen aanvaardbare reden kan naar voren brengen voor zijn afwezigheid op de openbare terechtzitting van 25 oktober 2005, die aanleiding gaf tot het verstekvonnis d.d. 22 november 2005. De daarmee samenhangende kosten zijn dan ook te zijnen laste.

## 4. Verjaring van de strafvordering

De verjaring van de strafvordering voor de feiten der tenlasteleggingen I en II, die voor zover bewezen werden gepleegd met eenzelfde misdadig opzet en derhalve één strafbare gedraging uitmaken, werd gestuit door het kantschrift d.d. 17 februari 2006 van de Procureur des Konings waarbij het strafdossier werd overgemaakt aan de Hoofdgriffier van dit Hof.

Onverminderd periodes van schorsing is de verjaring van de strafvordering derhalve niet aan de orde.

## 5. De gegrondheid van de tenlasteleggingen

### *5.1. De aanpassing der tenlastelegging Il*

Het openbaar ministerie heeft op de openbare terechtzitting van 6 september 2006 gevorderd dat in de tenlastelegging II de woorden "*voor het aanslagjaar*" telkens zouden worden vervangen door "*voor het inkomstenjaar*". De partijen werden ingelicht omtrent deze aanpassing. Op deze vordering tot aanpassing dient te worden ingegaan. De beklaagde wordt na deze aanpassing nog steeds voor dezelfde feiten vervolgd.

### *5.2. De schuld van de beklaagde*

*- De niet aangegeven omzet en de verschuldigde BTW*

Uit het door de BBl-ambtenaren opgestelde proces-verbaal blijkt dat voor **B.** BVBA voor het jaar 2000 in de BTW-aangiften slechts voor een bedrag van … EUR verkopen werden aangegeven, terwijl voor het jaar 2001 geen verkopen werden aangegeven (st. 65).

Nochtans blijkt volgens de BTW-listing van leveranciers van deze vennootschap en informatie ingewonnen bij die leveranciers dat in 2000 voor … EUR en in 2001 voor … EUR (telkens exclusief BTW) groenten en fruit werden aangekocht (st. 65).

Rekening houdend met de winst die door de vennootschap in 1999 werd behaald (32 %, wat onder het forfaitair winstpercentage van 36,5 % ligt) werd door de BBl-ambtenaren de omzet voor 2000 en 2001 bepaald op respectievelijk … EUR en … EUR, zodat rekening houdend met de reeds verrichte BTW-aangiften voor 2000 (… EUR), voor de jaren 2000 en 2001 respectievelijk … EUR en … EUR BTW verschuldigd was, meer een boete van … EUR (st. 64).

De gegevens waarop de BBl-ambtenaren zich voor hun berekeningen m.b.t. **B.** BVBA hebben gesteund (BTW-listing leveranciers, BTW-aangiften, boekhouding inclusief facturatie) zijn niet bij het dossier gevoegd, zoals wordt opgemerkt door de beklaagde (beroepsbesluiten, p. 3 en p. 7), doch het Hof ziet geen enkele reden om te twijfelen aan de juistheid van de door de BBl­ambtenaren vermelde informatie.

Het Hof treedt dan ook de door de fiscale ambtenaren gemaakte berekeningen bij. De door beklaagde eerst gegeven uitleg dat het in 2000 slecht ging (st. 107) en dat dit het laag aangegeven omzetcijfer verklaart is niet geloofwaardig. Het aangeven omzetcijfer maakt immers nog geen 5 % uit van de totale aankopen die uit de listing leveranciers van **B.** BVBA blijkt (… EUR in vergelijking met … EUR), zodat de beklaagde uiteindelijk diende toe te geven dat indien werd aangekocht voor meer dan … EUR er minstens voor een vergelijkbaar bedrag zou moeten verkocht zijn (st. 105).

Meer algemeen moet bovendien worden gesteld dat de beklaagde tegenover de federale politie uiteindelijk heeft ingestemd met de door de administratie gemaakte berekeningen (st. 105).

*- De niet aangegeven omzet en de verschuldigde vennootschapsbelasting*

Door **B.** BVBA werd voor de boekjaren per 31 december 2000 (inkomstenjaar 2000, aanslagjaar 2001) en per 31 december 2001 (inkomstenjaar 2001, aanslagjaar 2002) geen aangifte in de vennootschapsbelasting ingediend (st. 54 en st. 57).

Op basis van de BTW-listing leveranciers en informatie ingewonnen bij sommige leveranciers werd voor het boekjaar per 31 december 2000 (inkomstenjaar 2000, aanslagjaar 2001) rekening houdend met de winst van het boekjaar per 31 december 1999, de verrichte aankopen, de niet doorgestorte BTW, de kosten volgens leverancierslisting en de afschrijvingen, de netto niet aangegeven winst bepaald op … EUR. De administratie was van oordeel dat op dit bedrag de door artikel 219 WIB-92 bedoelde aanslag van 300 % diende te worden geheven (st. 53).

Op basis van de BTW-listing leveranciers en informatie ingewonnen bij sommige leveranciers werd voor het boekjaar per 31 december 2001 (inkomstenjaar 2001, aanslagjaar 2002) rekening houdend met de winst van het boekjaar per 31 december 1999, de verrichte aankopen, de niet doorgestorte BTW, de kosten volgens leverancierslisting en de afschrijvingen, de netto niet aangegeven winst bepaald op … EUR. De administratie was van oordeel dat op dit bedrag de door artikel 219 WIB 92 bedoelde aanslag van 300 % diende te worden geheven (st. 56).

Ook wat betreft de vennootschapsbelasting kan het Hof de door de administratie gemaakte berekeningen van niet aangegeven winst en verschuldigde belasting bijtreden. Er is evenmin een noodzaak om op dit vlak alsnog stukken te laten voegen.

*- De toerekening van de feiten der tenlasteleggingen I en II (zoals aangepast) aan de beklaagde*

**B.** BVBA werd bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Kortrijk d.d. 24 september 2001 failliet verklaard. De aangifte in de vennootschapsbelasting voor deze vennootschap voor het aanslagjaar 2002 (boekjaar per 31 december 2001, inkomstenjaar 2001) diende bij toepassing van artikel 310 van het wetboek der inkomstenbelasting (hierna afgekort als WIB-92) ten laatste op 30 juni 2002 bij de administratie te zijn ingeleverd. Aangezien de beklaagde op dat tijdstip geen zeggenschap meer had over de vennootschap - die lag bij de curator - kunnen de feiten der (aangepaste) tenlastelegging II wat betreft het inkomstenjaar 2001 (of m.a.w. voor het boekjaar per 31 december 2001 of het aanslagjaar 2002), niet aan de beklaagde worden toegerekend. Hij dient dan ook voor deze feiten te worden vrijgesproken.

Wat betreft de overige feiten {het onvolledig aangeven van de belastbare handelingen inzake BTW voor het jaar 2000, het niet indienen van BTW-aangiften voor het jaar 2001 (tot 24 september 2001) en het niet indienen van een aangifte in de vennootschapsbelasting per 30 juni 2001 voor het boekjaar per 31 december 2000 (aanslagjaar 2001)} kan de beklaagde wel degelijk strafrechtelijk worden aangesproken.

De strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor het verzuim om namens een rechtspersoon en in casu **B.** BVBA tijdig en correct belastingaangiften in te dienen rust op de natuurlijke persoon, orgaan of aangestelde, die voor rekening van de rechtspersoon moest optreden en zulks niet heeft gedaan.

De beklaagde was volgens de vennootschapsdocumenten in 2000 en tot 1 februari 2001 zaakvoerder in rechte van de vennootschap. Vanaf die datum zou een nieuwe zaakvoerder zijn aangesteld (st. 96). Uit de samenlezing van de door de fiscale administratie ingediende klacht *("... en werd een stroman aangesteld ...”* - st. 70), de telefonische mededeling van **A. B.** dat hij nooit werkelijk zaakvoerder is geweest van **B.** BVBA (st. 118), het gegeven dat de beklaagde omtrent de overdracht aan **B.** geen concrete informatie kon verstrekken (*"Op Uw vraag of ik nog in het bezit ben van documenten van overdracht van de zaak plus materiaal aan* ***B.*** *kan ik geen juist antwoord geven ...”* - st. 106), zijn verklaring dat hij zich niet goed meer kon herinneren hoelang hij voor **B.** BVBA aankopen en verkopen heeft verricht (*"... Ik kan mij echt niet meer herinneren wat voor activiteiten ik in januari 2001 in de BVBA* ***B.*** *nog heb gehad ...”* - st. 105 ; *"... dat ik vermoed dat ik nog aangekocht en verkocht heb tot einde januari 2001. Maar ik herinner mij dat niet meer zo juist"* - st. 106) en het feit dat er blijkens de leverancierslisting in de loop van 2001 nog aankopen werden verricht door **B.** BVBA valt af te leiden dat ook na 1 februari 2001 (en tot de datum van faillietverklaring per 24 september 2001) door de vennootschap nog goederen werden aangekocht en verkocht en derhalve ook dat na 1 februari 2001 de beklaagde als feitelijk zaakvoerder is opgetreden.

Het kwam derhalve de beklaagde toe om als zaakvoerder in rechte (voor de periode tot en met 31 januari 2001) en vervolgens als zaakvoerder in feite (voor de periode vanaf 1 februari 2001 tot en met 23 september 2001) toe te zien op de naleving van de fiscale verplichtingen van de door hem bestuurde vennootschap.

Het verweer van de beklaagde dat hij ingevolge een regelmatige delegatie een boekhouder met de fiscale aangelegenheden heeft belast, zodat niet hij maar die boekhouder op fiscaalrechtelijk vlak alle verantwoordelijkheid - inclusief de strafrechtelijke - zou dragen kan het Hof niet bijtreden.

Vooreerst maakt de beklaagde de stelling van een reële delegatie aan een persoon met voldoende bekwaamheid en middelen niet geloofwaardig. De beklaagde kon immers bij zijn verhoor door de federale politie niet meer aangeven wie zijn boekhouder was (*"Ik weet ook niet meer wie toen juist mijn boekhouder was"* - st. 105, ook al had hij het in dezelfde verklaring eerder over een zekere **S.** - st. 106) en enig bewijs van een schriftelijke volmacht of welomschreven delegatie op fiscaal vlak aan deze boekhouder ligt niet voor. Het is niet omdat boekhouder **S.** toegaf de boekhouding te hebben verzorgd (beroepsbesluiten, p. 2) dat ook vaststaat dat hij gedelegeerd werd op fiscaal vlak en vooral dat hij van de beklaagde op dit punt voldoende en betrouwbare informatie ontving om zijn taak naar behoren te vervullen. De beklaagde heeft volgens zijn eigen verklaring klaarblijkelijk aan zijn boekhouder niet alle noodzakelijke stukken bezorgd om deze in staat te stellen de aangiften inzake BTW en directe belastingen op een correcte manier in te vullen (*"Ik denk dat ik mogelijk niet alle boekhoudkundige stukken heb bijgehouden zoals het hoort ... Ik deed soms ook markten en verkocht dan ook aan particulieren en het bijhouden van die verkopen liep nogal eens mis"* - st. 104). Het gegeven dat de boekhouder de beklaagde op dit punt nooit heeft aangeschreven (beroepsbesluiten, p. 6) doet geen afbreuk aan de strafrechtelijke aansprakelijkheid van deze laatste.

Bovendien ontsloeg het beroep doen op een boekhouder de beklaagde niet van de verplichting op de uitvoering van diens mandaat een afdoende toezicht te houden. Uit de feitelijke elementen van het strafdossier blijkt onmiskenbaar dat de beklaagde als zaakvoerder in rechte (tot 1 februari 2001) en in feite (vanaf 1 februari 2001 tot en met 23 september 2001) op dit punt is tekortgeschoten.

Anders dan door de beklaagde in beroepsbesluiten (o.m. p. 2 en 5) wordt gesuggereerd, heeft de beklaagde bij zijn politioneel verhoor op 18 maart 2004 de materialiteit van de hem ten laste gelegde feiten wel degelijk bekend. Hij gaf uitdrukkelijk toe dat voor het jaar 2000 BTW werd ontdoken (*"U deelt mij nu mede dat ... de BVBA ... aan BTW ontdoken heeft en dat ik als zaakvoerder daarvoor strafrechtelijk verantwoordelijk ben. Dat klopt. Ik ben daarmee akkoord"* - st. 105) en dat ook de aangifte inzake de vennootschapsbelasting niet correct was geschied (*"U deelt verder mede dat ik bijgevolg in de vennootschapsbelasting ook minder inkomsten heb kunnen aangeven ... Ook daarmee ben ik het eens"* - st. 105) en meer algemeen dat hij zich schuldig had gemaakt aan het ontduiken van BTW en vennootschapsbelasting (st. 104).

Ten slotte kan de stelling van de beklaagde, zowel tegenover de politie (*"Ik wil wel aanhalen dat ik dat echt niet met opzet gedaan heb"* - st. 104) als ontwikkeld in beroepsbesluiten (p. 7), als zou hij niet hebben gehandeld met bedrieglijk opzet het Hof niet overtuigen. Zelfs als wordt aanvaard dat de beklaagde weinig benul had van zaken (beroepsbesluiten, p. 3 en 7), moet worden aangenomen dat hij de elementaire verplichting kende om zowel inzake BTW als directe belastingen correcte verkoopcijfers op te geven en aangiften in te dienen. Het is niet geloofwaardig dat de boekhouder van de beklaagde zonder medeweten van deze laatste slechts een minimaal percentage van de reële omzet zou hebben vermeld in de BTW­aangiften (voor 2000) en dat hij eveneens wat betreft het niet indienen van de aangifte in de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 2001 op eigen initiatief zou hebben gehandeld. Er is immers de vaststelling dat voor het boekjaar per 31 december 1999 (inkomsten 1999, aanslagjaar 2000) de BTW-aangiften blijkbaar wel correct gebeurden, zodat moet worden aangenomen - zoals terecht door de raadsman van de burgerlijke partij werd geargumenteerd - dat de onvoldoende of niet-aangifte in 2000 en 2001 (voor de BTW) en in 2001 (voor de vennootschapsbelasting, aanslagjaar 2001) wel degelijk gebeurden met de intentie om geen of minder BTW en vennootschapsbelastingen te moeten betalen.

De overige argumenten van de beklaagde in beroepsbesluiten moeten als niet ter zake dienend worden verworpen hetzij omdat ze betrekking hebben op feiten m.b.t. de firma **M.** waaromtrent geen vervolgingen werden ingesteld (bijv. het ondertekenen door de boekhouder van de correctieopgave, beroepsbesluiten p. 3; de betrokkenheid van deze boekhouder bij **M.**, beroepsbesluiten p. 4) hetzij omdat ze geen afbreuk kunnen doen aan de voormelde overwegingen (bijv. het gerechtelijk onderzoek waarin **A. B.** en **C. V.** betrokken zouden zijn, beroepsbesluiten p. 4) hetzij omdat ze niet duidelijk zijn (de alinea i.v.m. de handtekeningen die anders zouden zijn dan die van de beklaagde, zonder dat wordt verduidelijkt om welke handtekening(en) het gaat, beroepsbesluiten p. 6). Enig verder onderzoek zoals gevraagd door de beklaagde is dan ook niet noodzakelijk.

## 6. De straftoemeting

De bewezen geachte feiten der tenlastelegging I en de (aangepaste) tenlastelegging II (doch enkel wat betreft het inkomstenjaar 2000, aanslagjaar 2001) zijn in hoofde van de beklaagde de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van een en hetzelfde misdadig opzet, zodat bij toepassing van artikel 65 van het strafwetboek voor al deze feiten samen slechts één straf moet worden opgelegd.

Rekening houdend met de ernst der feiten, het veroorzaakte nadeel, het concurrentievoordeel dat werd gerealiseerd ten opzichte van ondernemingen die zich wel houden aan de fiscale regelgeving, de strafrechtelijke antecedenten van de beklaagde die zich eveneens in de sociaal-economische sfeer situeren (inbreuken van sociaal strafrecht, valsheid, verduistering van actief en de uitgifte van een cheque zonder dekking) en het tijdsverloop sinds de feiten, is het Hof van oordeel dat aan de beklaagde zowel een hoofdgevangenisstraf als een geldboete dient te worden opgelegd. Op te merken is dat het Hof de overweging van de eerste rechter (vierde blad bestreden vonnis) dat de beklaagde zich ophoudt bij en handelt met personen van verdacht allooi zonder relevantie acht wat betreft de straftoemeting.

De door de eerste rechter opgelegde hoofdgevangenisstraf en geldboete zijn gelet op de voormelde overwegingen iets te streng en dan ook te milderen zoals aangegeven in het beschikkend gedeelte van dit arrest. Het bedrag van de thans opgelegde geldboete is verantwoord door de nagestreefde winst en de omvang van het veroorzaakte nadeel.

Teneinde de resocialiseringsmogelijkheden van de beklaagde niet al te zeer te belemmeren dient aan de beklaagde uitstel van tenuitvoerlegging te worden verleend gedurende een termijn van drie jaar voor het geheel van de opgelegde hoofdgevangenisstraf. Hij bevindt zich daartoe in de wettelijke voorwaarden aangezien hij nog niet werd veroordeeld tot een criminele straf of een hoofdgevangenisstraf van meer dan 12 maanden, de thans opgelegde straf de vijf jaar niet overschrijdt en er bovendien mag worden aangenomen dat hij zich niet meer aan dergelijke feiten of aan andere misdrijven zal schuldig maken.

Een vervangende gevangenisstraf aangepast aan de opgelegde geldboete moet worden opgelegd zoals hierna nader aangegeven.

De eerste rechter heeft oordeelkundig beslist omtrent de bijdrage aan het Fonds tot hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan occasionele redders en de door artikel 91 van het koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken bedoelde vergoeding.

## 7. De burgerlijke vordering

*- Algemeen*

De burgerlijke partij heeft de bevestiging gevraagd van het bestreden vonnis. De beklaagde heeft geconcludeerd tot de afwijzing van de vordering, ondergeschikt tot de inwilliging ervan voor ten hoogste … euro provisioneel.

De eerste rechter had de vordering van de burgerlijke partij integraal ingewilligd en de beklaagde veroordeeld tot de betaling van het bedrag van de ontdoken belastingen (zowel inzake BTW als inzake vennootschapsbelasting) en de boeten (inzake BTW) doch zonder de aangekondigde belastingverhoging inzake de vennootschapsbelasting van 50 % (st. 53).

Gelet op de voor de (aangepaste) tenlastelegging II m.b.t. het inkomstenjaar 2001 (aanslagjaar 2002) verleende vrijspraak dient het Hof zich onbevoegd te verklaren om kennis te nemen van de daarop geënte burgerlijke vordering (ten bedrage van … EUR aan vennootschapsbelasting inclusief de crisisbelasting).

Te onderstrepen is dat door de burgerlijke partij geen vergoeding wordt gevraagd voor andere schade dan de ontdoken belastingen en de boeten of m.a.w. voor andere schade dan die waarin het WIB 92 of het van het wetboek der BTW. (hierna afgekort als W.BTW) niet voorziet.

De burgerlijke partij heeft haar vordering gesteund op artikel 1382 van het burgerlijk wetboek (B.W.) en op de artikelen 458 WIB 92 en 73sexies W.BTW. Deze laatste twee bepalingen hebben betrekking op de van rechtswege geldende hoofdelijke gehoudenheid tot betaling van de ontdoken belastingen van personen die als dader of als medeplichtige zijn veroordeeld voor fiscale misdrijven. Zij kunnen dan ook geen veroordeling tot betaling van de ontdoken belastingen (meer boeten) door de strafrechter schragen.

Derhalve is slechts te onderzoeken of de vordering van de burgerlijke partij tot betaling van de ontdoken belastingen en de boeten inzake BTW kan worden toegekend op basis van artikel 1382 B.W. en of deze bedragen vergoedbare schade uitmaken, die werd veroorzaakt door de bewezen geachte feiten.

*- Inzake de BTW*

De fiscale administratie kan inzake BTW de verschuldigde belastingen invorderen door een burgerlijke partijstelling. De BTW­belastingschuld ontstaat door het verenigd zijn van de door de wet gestelde voorwaarden. De omstandigheid dat de administratie de verschuldigde belastingen bij wijze van een dwangbevel kan invorderen, doet daaraan geen afbreuk. Het BTW-dwangbevel doet immers de belastingschuld niet ontstaan maar heeft slechts een declaratief karakter. Er blijkt niet dat de administratie reeds een dwangbevel heeft uitgevaardigd voor de bedragen waarvoor zij thans betaling vordert van de beklaagde.

Uit de bewezen geachte tenlastelegging I blijkt dat de beklaagde als zaakvoerder (in rechte en vervolgens in feite) van de belastingplichtige **B.** BVBA geen of niet-correcte BTW-aangiften heeft ingediend of laten indienen zodat BTW werd ontdoken ten bedrage van … EUR (2000) en … EUR (2001). Het niet kunnen invorderen door de fiscale administratie van deze belastingen is een rechtstreeks gevolg van de in hoofde van de beklaagde onder de tenlastelegging I bewezen geachte feiten, zodat de vordering van de burgerlijke partij voor deze bedragen (samen … EUR) lastens de beklaagde is in te willigen.

Op deze som zijn vergoedende interesten verschuldigd aan de wettelijke interestvoet vanaf de door het Hof bepaalde gemiddelde aanvangsdatum van 1 september 2000 tot op heden, meer gerechtelijke interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf heden tot de dag van algehele betaling.

Ingevolge artikel 70, § 1 W.BTW wordt voor iedere overtreding van de verplichting de BTW te voldoen een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Volgens artikel 84 W.BTW kunnen de fiscale geldboeten onder meer bedoeld door artikel 70 W.BTW worden verminderd volgens een door de Koning vastgestelde schaal (koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987).

Precies deze mogelijkheid tot vermindering van de geldboete door de administratie duidt aan dat deze laatste geen schade is, doch een administratief-fiscale sanctie. Artikel 70 W.BTW werd ten andere onder het "Hoofdstuk XI Strafbepalingen - Afdeling 1. Administratieve geldboeten" opgenomen. Correlatief hiermee is de bepaling in artikel 84 W.BTW die deze mogelijkheid om de geldboete te verminderen - een dading te treffen - beperkt, nl. "voor zover deze niet leiden tot vrijstelling of vermindering van de belasting", dit laatste de enige schade overeenkomstig artikel 1382 B.W. zijnde, een schade waarover - in tegenstelling tot de administratieve sancties - geen transactie mogelijk is.

*- Inzake de vennootschapsbelasting voor het inkomstenjaar 2000 (aanslagjaar 2001)*

Uit de burgerlijke partijstelling voor de eerste rechter is af te leiden dat de fiscale administratie de belasting die zij thans van de beklaagde vordert (nog) niet heeft ingekohierd. Er wordt immers enkel melding gemaakt van een kennisgeving van een aanslag van ambtswege, die bij het dossier werd gevoegd (st. 52-54).

Inzake de inkomstenbelastingen (zoals de vennootschapsbelasting) is een burgerlijke partijstelling door de fiscale administratie slechts mogelijk voor die schade waarvoor de belastingwetgeving zelf niet een eigen herstelmogelijkheid bevat. Het WIB 92 voorziet wel degelijk in de mogelijkheid om de betaling te vorderen van de belasting waarvan in de voorliggende procedure van de beklaagde de betaling wordt gevraagd.

De burgerlijke partij kan voor het Hof geen betaling vorderen van niet ingekohierde belastingen. Aangezien geen andere schade wordt geëist, moet de vordering als ongegrond worden afgewezen.

**OM DIE REDENEN,**

**HET HOF,** recht doende op **tegenspraak**;

Gelet op de artikelen :

2, 11, 12, 14, 24, 31 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935;

3, 4 en 21 tot 25 van de wet van 17 april 1878 houdende voorafgaande titel bij het wetboek van strafvordering;

66, 162, 185, 190, 194, 210, 211, 212, 226 en 227 van het Wetboek van Strafvordering;

1, 2, 3, 7, 25, 38, 40, 44, 45, 65 en 66 van het Strafwetboek;

305, 307 en 449 van het wetboek der inkomstenbelasting 1992;

53 en 73 van het BTW-wetboek;

1 van de wet van 5 maart 1952 ;

1 en 8 van de wet van 29 juni i 964;

2, 3 en 4 van de wet van 26 juni 2000;

28 en 29 van de wet van 1 augustus 1985;

91 van het K.B. van 28 december 1950 zoals laatst gewijzigd door artikel 1 van het K.B. van 11 december 2001;

1382 burgerlijk wetboek.

Ontvangt het hoger beroep van de beklaagde, behoudens voor zover gericht tegen de beschikkingen van het bestreden vonnis waarbij het verzet tegen het verstekvonnis d.d. 22 november 2005 werd ontvankelijk verklaard.

Wijzigt in de tenlastelegging II de woorden "*voor het aanslagjaar*" door "*voor het inkomstenjaar*".

***- Op strafgebied***

Stuit de verjaring van de strafvordering zoals voormeld.

Hervormt deels het bestreden vonnis en opnieuw recht doende in zijn geheel.

Verklaart de beklaagde niet schuldig aan het feit der (aangepaste) tenlastelegging II doch enkel wat betreft het inkomstenjaar 2001 (aanslagjaar 2002) en spreekt hem hiervoor vrij.

Verklaart de beklaagde schuldig aan de feiten der tenlastelegging I (zowel voor het jaar 2000 als voor het jaar 2001) en de (aangepaste) tenlastelegging II doch enkel wat betreft het inkomstenjaar 2000 (aanslagjaar 2001) en veroordeelt hem voor deze vermengde feiten tot een hoofdgevangenisstraf van **ZES MAANDEN** en een fiscale geldboete van … BEF omgezet in euro zijnde **… EUR**.

Verleent uitstel van tenuitvoerlegging gedurende een termijn van drie jaar voor deze hoofdgevangenisstraf.

Zegt dat bij niet betaling binnen de wettelijk voorziene termijn de uitgesproken geldboete kan worden vervangen door een gevangenisstraf van 45 dagen.

Veroordeelt de beklaagde tot betaling van een bijdrage aan het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan occasionele redders, … euro groot, door verhoging met 45 opdeciemen, gebracht op … euro.

Legt aan de beklaagde de vergoeding op van … euro bedoeld door artikel 91 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken.

Veroordeelt de beklaagde in de kosten van de strafvordering in beide aanleggen in zijn totaliteit begroot op **€ …**, hierin niet begrepen de kosten van het eensluidend verklaard afschrift alsmede de kosten van betekening van het verstekvonnis d.d. 22 november 2005, en hierin wel begrepen de kosten van het verzet, het verstek aan beklaagde te wijten zijnde.

Stelt vast dat deze kosten ondeelbaar veroorzaakt zijn door de thans nog aangehouden misdrijven.

***- Op burgerlijk gebied***

Hervormt het bestreden vonnis.

Verklaart zich gelet op de voor de (aangepaste) tenlastelegging II m.b.t. het inkomstenjaar 2001 (aanslagjaar 2002) verleende vrijspraak onbevoegd om kennis te nemen van de daarop geënte burgerlijke vordering.

Verklaart de vordering van de burgerlijke partij voor het overige deels en in de volgende mate gegrond en veroordeelt beklaagde om te betalen aan de Belgische Staat, Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, de som van **… EUR**, te vermeerderen met de vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 1 september 2000 tot op heden en te vermeerderen met de gerechtelijke interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf heden tot de dag van algehele betaling.

Wijst de vordering van deze burgerlijke partij voor het meer- en anders gevorderde af als ongegrond.

Veroordeelt beklaagde in de kosten van de burgerlijke vordering in beide aanleggen, deze voorgeschoten door de openbare partij begroot op **€ …**.

De Nederlandse taal werd uitsluitend gebruikt.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van de **negende kamer** van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN op **VIJFENTWINTIG OKTOBER TWEEDUIZEND EN ZES**,

waar aanwezig waren :

**L. M.**, Voorzitter

**S. B.**, Raadsheer

**F. V. V.**, Raadsheer

**M. S.**, Advocaat-generaal

**J. V. D.**, Griffier

**J. V. D.** **F. V. V.** **S. B.** **L. M.**
