---
title: "Non-paiement de la TVA, amende fiscale proportionnelle · Tribunal de première instance de Hasselt, 26 mars 2026"
description: "Non-paiement de la TVA, amende fiscale proportionnelle, compte spécial. Tribunal de première instance de Hasselt (Belgique), 26 mars 2026."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/non-paiement-tva-amende-fiscale-tribunal-hasselt-2026-03-26-223a"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Non-paiement de la TVA, amende fiscale proportionnelle, compte spécial

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Hasselt

**Date**

26 mars 2026

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

112 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Hasselt du 26.03.2026 - 24/135/A

WF 711-15-24/000193 - Finaliti 55077098/01

\[ Jugement mixte \]

*Taxe sur la valeur ajoutée – Non-paiement – Compte spécial – Amende proportionnelle*

Dispositions légales

[Article 70, § 1er, du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70)

Tableau G, section I, rubrique I, 2), A, de l'annexe à l'arrêté royal n° 41

## Résumé du jugement

1\. Faits

La requérante est assujettie à la TVA pour les activités de « commerce de gros d'articles ménagers non électriques » et de « commerce de détail de meubles de maison en magasin spécialisé ». Elle est tenue de déposer ses déclarations de TVA sur une base mensuelle.

D'avril à septembre 2022, la requérante a rencontré des difficultés de paiement. Bien que les déclarations de TVA concernées aient été déposées dans les délais, la TVA due n'a pas été acquittée. L'administration fiscale a par la suite émis deux avis de paiement spécifiques imposant une amende proportionnelle de 15 %.

La requérante a alors introduit une demande en vertu de l'article 9 de l'arrêté du Régent du 18 mars 1831, sollicitant la remise des amendes et des intérêts de retard.

Le 26 octobre 2023, la demande de remise a été rejetée par deux décisions administratives distinctes.

Contestant cette issue, la requérante a engagé une procédure judiciaire en déposant une requête au greffe le 19 janvier 2024.

2\. Le jugement

À titre principal, la demanderesse a sollicité du tribunal une remise totale des amendes imposées ou, à tout le moins, une réduction du taux appliqué à un maximum de 5 %. À titre subsidiaire, elle a demandé le bénéfice d'un sursis pour une durée de trois ans.

Le tribunal reconnaît que les amendes ont été légalement infligées en vertu de l'[article 70, § 1er, du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) et que, conformément au tableau G, section I, point 2(A), de l'annexe à l'arrêté royal n° 41, elles ont été ramenées à 15 % de la taxe due.

Le tribunal juge qu'une remise totale ne peut être accordée, dès lors qu'il est établi que la demanderesse a enfreint la législation relative à la TVA. Il estime en outre que la situation de la demanderesse ne peut être assimilée à un cas de force majeure. Toutefois, il reconnaît que la hausse significative des coûts de transport, les retards de commande et l'augmentation des acomptes exigés par les fournisseurs étrangers — conséquences de la pandémie de coronavirus — constituent des circonstances exceptionnelles rendant les amendes imposées disproportionnées en l'espèce. Le tribunal conclut que ces circonstances justifient l'octroi d'un sursis partiel à la demanderesse, portant sur les deux tiers du montant des amendes. Par conséquent, le tribunal ramène le montant effectif de l'amende à un tiers de l'amende initialement imposée.

Le tribunal déclare la demande recevable et partiellement fondée.

**Texte intégral:**

### Corps de la décision

*Ce jugement n'est disponible que dans la langue originale.*

**Vonnis rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt dd. 26.03.2026 - 24/135/A**

## NZAKE

**cie1,** KBO ..., met zetel te ... ..., ...

\- eiseres -

Tijdens de zitting vertegenwoordigd door mr. VERBEEK TOON, advocaat te 3920 Lommel, Michiel Jansplein 25

tegen :

**DE BELGISCHE STAAT,** FOD Financiën (ondernemingsnummer Belgische staat ... en ondernemingsnummer FOD Financiën ...), in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de adviseur-generaal centrumdirecteur van het KMO Centrum Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43, postbus 106.

Verweerder, tijdens de zitting vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigde mevrouw K.S., attaché bij een fiscaal bestuur, verbonden aan de afdeling expertise van het KMO-Centrum Hasselt

**VOLGT HET VONNIS**

De zaak werd ingeleid via een verzoekschrift op tegenspraak in fiscale zaken neergelegd op 19 januari 2024.

Met toepassing van artikel 747 Gerechtelijk Wetboek werden conclusietermijnen bepaald en een pleitdatum vastgelegd.

Beide partijen hebben conclusies en een bundel met overtuigingsstukken neergelegd.

De zaak werd behandeld op de openbare zitting van 19 februari 2026 waarop de advocaat van eiseres en de gevolmachtigde van verweerder hebben gepleit.

De Wet van 15 juni 1935 inzake het gebruik van talen in gerechtszaken - in het bijzonder de artikelen 2, 30 tot en met 37 en 41 - werd nageleefd.

## 1. Feiten en procedurele voorgaanden

Huidige betwisting betreft de btw-geldboetes ten bedrage van een totaalbedrag van 60.960,00 euro (39.860,00 euro + 21.100,00 euro) in hoofde van eiseres opgenomen in het innings- en invorderingsregister met schuldnummers 500.259.966.743 en 500.263.988.102.

Eiseres is sinds 1 november 2007 geregistreerd als btw-belastingplichtige onder het btw-nummer ... voor de activiteiten van *"Groothandel in niet-elektrische huishoudelijke artikelen"* en *"Detailhandel in huismeubilair in gespecialiseerde winkels".* Eiseres dient maandelijks een btw-aangifte in te dienen.

Vanaf april tot en met september 2022 ondervond eiseres betalingsmoeilijkheden. De betreffende btw-aangiftes werden wel tijdig ingediend, maar niet tijdig betaald.

De belastingadministratie stelde een bijzondere rekening op voor enerzijds de periode van 30 april 2022 tot en met 31 juli 2022 (hierna: eerste bijzondere rekening) en anderzijds voor de periode van 31 juli 2022 tot en met 31 oktober 2022 (hierna: tweede bijzondere rekening) (stukken 2-3 en 6-7 AD). Eiseres werd hiervan in kennis gesteld.

Uit de bijzondere rekeningen bleek dat eiseres volgende sommen verschuldigd was aan de

belastingadministratie:

eerste bijzondere rekening:

265.741,28 euro aan btw;

39.860,00 euro aan geldboete bij toepassing van [artikel 70, §1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) en tabel G van de bijlage bij het KB nr. 41;

•meer de intresten op grond van [artikel 91, §1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) vanaf 21 augustus 2022. tweede bijzondere rekening:

140.732,53 euro aan btw;

21.100,00 euro aan geldboete bij toepassing van [artikel 70, §1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) en tabel G van de bijlage bij het KB nr. 41;

•meer de intresten op grond van [artikel 91, §1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) vanaf 21 november 2022.

De btw-schulden in hoofde van eiseres werden vervolgens opgenomen in het innings- en invorderingsregister met schuldnummers 500.259.966.743 en 500.263.988.102 (deze stukken worden niet bijgebracht, maar staan niet ter discussie).

Op 12 oktober 2023 diende eiseres een verzoekschrift in op grond van artikel 9 van het regentbesluit van 18 maart 1831 waarin een kwijtschelding van de boetes en nalatigheidsinteresten werd verzocht (stuk 10 AD).

Op 26 oktober 2023 werd het verzoek tot kwijtschelding middels twee afzonderlijke beslissingen afgewezen (stukken 11 en 12 AD).

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 19 januari 2024 stelde eiseres een vordering in rechte in. Afschrift van de beslissingen zijn aan het gedinginleidend verzoekschrift gehecht.

## 2. Vorderingen van partijen

Eiseres verzoekt de rechtbank:

 haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;

 dienvolgens de bestreden beslissingen van 26 oktober 2023 te niet te doen;

 In hoofdorde de aan eiseres opgelegde vermelde geldboetes en de nalatigheidsinteresten hierop te herleiden tot 0,00 euro, minstens het percentage dat bij de berekening van de boete

 voor laattijdige betaling van de verschuldigde belasting, thans bepaalt op 15%, te verminderen tot maximum 5 %;

 in ondergeschikte orde eiseres het voordeel van het uitstel toe te kennen gedurende een periode van drie jaar;

 In ieder geval de belastingadministratie te veroordelen tot de kosten van het geding in hoofde

van eiseres begroot op een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 4.500,00 euro.

Verweerder verzoekt de rechtbank het verzoekschrift van eiseres ontvankelijk maar ongegrond te verklaren, de boetes, zoals opgenomen in inning- en invorderingsregister onder referte 500.259.966.743 en 500.263.988.102, te bevestigen, voor recht te zeggen dat er geen reden is om uitstel te verlenen, zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien en eiseres te veroordelen tot de kosten van het geding.

Ter zitting verduidelijkt de raadsman van eiseres dat de vordering enkel nog gericht is tegen de geldboetes en niet langer wordt aangedrongen op kwijtschelding van de nalatigheidsinteresten.

## 3. Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van de vordering van eiseres wordt door verweerder niet betwist. Er zijn evenmin ambtshalve aan te voeren bezwaren betreffende de ontvankelijkheid.

De vordering van eiseres is dan ook ontvankelijk.

## 4. Beoordeling

### Betreffende de evenredigheid van de boetes en de oplegging ervan met uitstel

Eiseres kreeg twee geldboetes opgelegd voor een totaalbedrag van 60.960,00 euro wegens laattijdige betaling van btw.

Dat de geldboetes rechtsgeldig werden opgelegd, staat niet ter discussie.

Eiseres is wel van oordeel dat de opgelegde geldboetes disproportioneel zijn met de door haar begane inbreuk. Eiseres argumenteert dat ze te goeder trouw was en door omstandigheden buiten haar wil een tijdelijk liquiditeitsprobleem had wat heeft geleid tot het laattijdig voldoen van de verschuldigde btw. Eiseres verzoekt de rechtbank de opgelegde boete volledig kwijt te schelden, minstens te matigen tot 5%. Tevens is eiseres van mening dat er in voorliggend geval redenen zijn om uitstel te verlenen voor de haar opgelegde boete.

De belastingadministratie argumenteert dat de boete wel degelijk proportioneel is en er reeds rekening werd gehouden met de goede trouw van eiseres. Verder ziet de belastingadministratie geen bijzondere omstandigheden of overmacht die een kwijtschelding, vermindering en/of uitstel zouden verantwoorden.

Krachtens [artikel 70, §1, eerste lid WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) wordt iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, bestraft met een geldboete gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. De boete werd in casu verminderd in overeenstemming met tabel G, V. van het KB nr. 41 en gebracht op 15% van de verschuldigde btw.

Het staat vast en wordt evenmin betwist dat een administratieve geldboete die 15% van de verschuldigde btw bedraagt een strafrechtelijk karakter heeft.

De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken. Dit toetsingsrecht moet de rechter in het bijzonder toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk. Bijgevolg moet de rechter onderzoeken of de belastingadministratie naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Hij mag hierbij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar hij moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (zie bv. Cass. 24 maart 2023, AR [F.21.0056.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/amende-fiscale-proportionnalite-droit-grace-cassation-bruxelles-2023-03-24-d9b4), www.juportal.be).

De fiscale rechter kan een btw-geldboete in toepassing van het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel verminderen tot beneden de in dit koninklijk besluit bepaalde vaste boetetarieven, rekening houdend met de aard en de ernst van de inbreuk en de concrete omstandigheden van de zaak (Cass. 12 februari 2026, [F.24.0026.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/prestation-service-sens-code-tva-cassation-bruxelles-2026-02-12-74bf)).

Uit de gegevens van het dossier blijkt dat het de eerste keer was dat eiseres in gebreke bleef om te voldoen aan haar fiscale verplichtingen en het een overtreding betrof die er louter in bestond tijdens een beperkte periode van april-oktober 2022 niet tijdig een bedrag aan btw te voldoen wegens een tijdelijk liquiditeitsprobleem (zie infra).

In tegenstelling tot wat de belastingadministratie beweert, betreffen dit wel degelijk argumenten die de belastingplichtige volgens het btw-boetebeleid in bepaalde omstandigheden in zijn voordeel kan inroepen (zie richtlijnen voor de toepassing van de proportionele en niet-proportionele btw-

geldboeten, randnummer 123, raadpleegbaar op

https://financien.belgium.be/sites/default/files/downloads/123-boetebeleid-btw-20180730.pdf).

Van zodra de liquiditeitsproblemen opklaarden, werd de btw-schuld, inclusief boetes en nalatigheidsinteresten voldaan. De belastingadministratie werd dus vergoed voor de laattijdige betalingen van eiseres.

Waar de belastingadministratie terecht opmerkt dat financieel onvermogen of het tijdelijk ondervinden van liquiditeitsproblemen en de coronapandemie op zich geen redenen kunnen vormen om een geldboete kwijt te schelden, is er volgens de rechtbank in dit dossier toch sprake van uitzonderlijke omstandigheden.

Eiseres is namelijk een vennootschap die zich toelegt op de verkoop van meubelen die veelal vanuit het buitenland worden geïmporteerd. Het is een gekend feit dat de coronapandemie de internationale transportkosten van containers deed stijgen. Eiseres wordt evenmin tegengesproken in haar bewering dat naast een aanzienlijke stijging van transportkosten, bestellingen ook regelmatig vertraging opliepen en buitenlandse leveranciers hun voorschotten serieus verhoogden. De rechtbank heeft evenmin redenen om aan deze beweringen te twijfelen en is er van overtuigd dat eiseres dit verder, desgevallend in een beroepsprocedure, kan staven met stukken.

De rechtbank wijst er wel op dat het in casu gaat om btw-schulden die voortvloeien uit de gerealiseerde omzet van eiseres met daarop van klanten geïncasseerde btw. Het betrof een eigen keuze van eiseres om de door haar ontvangen btw te gaan gebruiken voor het dempen van een andere put. Bovendien ontbreekt een financiële tijdslijn met detail die de rechtbank zou toelaten de exacte oorzaak en het gevolg na te gaan van de liquiditeitsproblemen van eiseres. Ook hier is de rechtbank evenwel overtuigd dat deze stukken door eiseres zouden kunnen aangeleverd worden.

De situatie van eiseres kan volgens de rechtbank dus niet gelijkgesteld worden met overmacht, maar getuigt wel van uitzonderlijke omstandigheden die ertoe leiden dat de door de belastingadministratie opgelegde administratieve sancties met strafrechtelijk karakter in concreto disproportioneel zijn.

Om een gepaste straf te bepalen herinnert de rechtbank er aan dat de tijdige betaling van de belasting een essentiële en fundamentele verplichting van de belastingplichtige vormt.

Het laattijdig doorstorten van btw kan de Schatkist in gevaar brengen en werkt verstorend voor de belastingadministratie, die een algemeen belang dient en wiens functie er niet in bestaat om leningen te verstrekken aan vennootschappen in financieel noodweer.

Een volledige kwijtschelding is volgens de rechtbank dan ook niet aan de orde.

De rechtbank komt wel tot het besluit dat bovenstaande, uitzonderlijke omstandigheden een gegronde reden zijn om een gedeeltelijk uitstel te verlenen aan eiseres, namelijk een uitstel op twee derde van de geldboetes. Het verlenen van uitstel kan de belastingplichtige er immers toe aanzetten zijn gedrag te wijzigen, door dreiging, om indien hij zou recidiveren, de veroordeling tot de betaling van een geldboete alsnog uit te voeren (GwH 6 november 2008, 157/2008, www.const-court.be, zie o.a. B.4.1.).

De rechtbank stelt evenwel vast dat de btw-wetgeving niet in de mogelijkheid voorziet om de opgelegde geldboete ex [artikel 70, §1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) met uitstel uit te spreken en dit ondanks het feit dat het Grondwettelijk Hof reeds in 2008 oordeelde dat [artikel 70, §1, eerste lid WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) ongrondwettelijk is en een schending inhoudt van artikel 6 EVRM in zoverre het de rechtbank niet mogelijk maakt de geldboete gepaard te laten gaan met uitstel (GwH 6 november 2008, 157/2008, www.const-court.be).

Het Hof van Cassatie oordeelde dat wanneer de wet niet in die mogelijkheid voorziet en indien de rechtbank van oordeel is dat uitstel moet worden verleend, hij de belastingplichtige het passende herstel dient te bieden door de toepassing van het artikel dat de sanctie oplegde te weigeren (Cass. 12 januari 2018, [F.16.0127.F](https://juriel.be/fr/jurisprudence/taxe-valeur-ajoutee-amendes-fiscales-cassation-bruxelles-2018-01-12-abd3), www.juportal.be, inzake [artikel 70, §2, eerste lid WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70)).

De rechtbank heeft in deze zaak dan ook geen andere mogelijkheid dan [artikel 70, § 1, lid 1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) gedeeltelijk buiten toepassing te laten, waardoor de rechtbank vaststelt dat de geldboetes in casu gedeeltelijk onwettig werden opgelegd en deze dienen te worden vernietigd voor zover ze meer bedragen dan wat effectief wordt opgelegd (vergelijk Gent 19 september 2023, 2022/AR/767, *Fisc. Koer.* 2023/17, 434 e.v.; Luik 18 december 2020, 2016/RG/1334, www.taxwin.be).

Hierdoor dienen de geldboetes herleid te worden tot respectievelijk 13.286,67 euro (namelijk een derde van 39.860,00 euro) en 7.033,33 euro (namelijk een derde van 21.100,00 euro) of een totaalbedrag van 20.320,00 euro.

De rechtbank herleidt de geldboetes dus zoals hiervoor bepaald.

De vordering van eiseres is in die zin gegrond.

## 5. Kosten van het geding

De rechtbank vindt het passend, nu partijen elk gedeeltelijk in het gelijk en ongelijk zijn gesteld, de kosten van het geding, in toepassing van artikel 1017, lid 4 Ger. W., om te slaan, zodat elke partij instaat voor zijn eigen kosten.

De bijdrage voor het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand blijft dus ten laste van eiseres.

Er zijn tot slot geen rolrechten verschuldigd in fiscale zaken.

### Dispositif

## OM DEZE REDENEN

**DE RECHTBANK**

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en als volgt gegrond.

Zegt voor recht dat de vordering van eiseres met betrekking tot de btw-schulden met schuldnummers 500.259.966.743 en 500.263.988.102 gegrond is en deze btw-schulden vernietigd worden in de mate dat de opgelegde btw-boetes meer bedragen dan respectievelijk 13.286,67 euro en 7.033,33 euro.

Beveelt de terugbetaling van alle ten onrechte ingehouden of betaalde bedragen, te vermeerderen met de wettelijke moratoriuminteresten overeenkomstig [artikel 91 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91).

Wijst het meer en/of anders gevorderde af als ongegrond.

Veroordeelt elke partij tot de eigen kosten.

Verklaart aldus de bijdrage voor het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, die werd gestort door eiseres definitief verworven voor het fonds.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de 11A kamer, op het gerechtshof te Hasselt, op **26 maart 2026** alwaar zetelden:

G. BRUSSELAERS CLERCK

## Textes cités

2

[CTVA art. 70](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) 10 occurrences

[CTVA art. 91](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) 3 occurrences

## Décisions similaires

8

[TVA -Impôt des personnes physiques -Article 4bis du Code d'instruction criminelle -Action](https://juriel.be/fr/jurisprudence/tva-impot-personnes-physiques-article-cour-appel-anvers-2025-04-24-09f5) 2 dispositions communes

[Carrousel TVA, Participation, Refus de déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/carrousel-tva-participation-refus-deduction-cour-appel-bruxelles-2020-09-10-0c67) 2 dispositions communes

[Taux réduit, Immeubles neufs, Travaux immobiliers, Travaux de construction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/taux-reduit-immeubles-neufs-travaux-tribunal-bruxelles-2023-05-31-0d52) 2 dispositions communes

[Reconstitution du chiffres d’affaires, Preuve par présomptions](https://juriel.be/fr/jurisprudence/reconstitution-chiffres-affaires-preuve-presomptions-cour-appel-bruxelles-2023-02-0e22) 2 dispositions communes

[Droit de déduction, Révision, Participation à une unité TVA](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-revision-participation-unite-tribunal-hasselt-2026-03-11-110c) 2 dispositions communes

[Registre de perception et recouvrement, Titre exécutoire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/registre-perception-recouvrement-titre-executoire-cour-appel-gand-2024-03-12-1183) 2 dispositions communes

[Finalité, Lieu d'établissement, Principe de neutralité](https://juriel.be/fr/jurisprudence/finalite-lieu-etablissement-principe-neutralite-cour-appel-bruxelles-2026-05-13-12b2) 2 dispositions communes

[Assujettissement, Exercice d’une activité économique, Déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/assujettissement-exercice-activite-economique-deduction-tribunal-bruxelles-2021-09-03-130a) 2 dispositions communes
