---
title: "Mentions obligatoires sur la facture · Cour d&#x27;appel de Gand, 24 mai 2016, 2013/AR/3319"
description: "Mentions obligatoires sur la facture. Cour d'appel de Gand (Belgique), 24 mai 2016, 2013/AR/3319."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/mentions-obligatoires-facture-obligations-formelles-cour-appel-gand-2016-05-24-3593"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Mentions obligatoires sur la facture

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Gand

**Numéro de rôle**

2013/AR/3319

**Date**

24 mai 2016

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Sens lu par le SPF**

favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais.

## Texte

93 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la cour d’appel de Gand dd. 24.05.2016 (2013/AR/3319)

WF 710-15-12/005470

\[Favorable à l’administration\]

*Taxe sur la valeur ajoutée – Mentions obligatoires sur la facture – Obligations formelles et matérielles pour le droit à déduction – Amendes fiscales*

## Législation

[Article 5, § 1er, 1°, 2° et 3° de l’arrêté royal n° 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-c6ca) du 29 décembre 1992 relatif aux mesures tendant à assurer le paiement de la taxe sur la valeur ajoutée (transposition de l’[article 226, 2°, 3° et 4°de la directive 2006/112/CE](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-226))

Articles [2](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c#ar3-art2) et [3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-article-historique-e9dd) de l’arrêté royal n° 3 du 10 décembre 1969 relatif aux déductions pour l'application de la taxe sur la valeur ajoutée

## Synthèse

L’assujetti est identifié à la TVA pour une activité économique qui consiste à mettre à disposition du secteur Horeca et des salles de danse un équipement de sonorisation et des enregistrements musicaux. Pour la période courant du 1 er octobre 2007 au 30 septembre 2009, son droit à déduction a été rejeté du chef de la constatation de différentes infractions à l’[article 5 de l’arrêté royal n° 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-c6ca) (et de l’[article 226 de la directive 2006/112/CE](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-226)) : absence de numérotation des factures, numéro d’identification de fournisseurs désactivé et numéro inconnu d’assujettis. Il est évident selon la cour que l’assujetti n’a pas respecté les conditions formelles imposées par la directive. Par conséquent, l’administration n’est pas en mesure d’exercer correctement le contrôle indispensable. Et a contrario l’assujetti ne peut également pas prouver que les opérations facturées ont réellement été exécutées. Par exemple, des paiements en cash ont été effectués mais aucune facture n’a été signée pour acquit. Au vu des constatations susmentionnées, on doit en conclure que la déduction de la TVA a été refusée à juste titre.

Parallèlement aux conditions formelles du droit à déduction, l’existence des conditions matérielles n’étant également pas prouvée, il n’y a dès lors pas de violation du principe de proportionnalité.

En application de l’[article 70, §1erbis, du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70), une amende fiscale a été infligée et a été légalement réduite par l’administration en application de l’arrêté royal n° 41. L’amende infligée par l’administration à l’assujetti est proportionnée à l’infraction commise et est justifiée. Au vu des omissions relevées, l’amende est réduite au minimum requis et elle est également appropriée pour que l’assujetti s’engage à enfin respecter ses obligations fiscales. Le manque de preuve relatif à la réalité des prestations exécutées est une pure question de fait et ne peut pas être considérée comme une question de principe. L’action en remise de l’amende administrative n’est pas fondée.

La cour déclare l’action recevable mais non fondée.

**Texte de l’arrêt**

***L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale***

### Corps de la décision

## Arrest van het Hof van beroep te Gent

**dd. 24.05.2016**

**(2013/AR/3319)**

In de zaak van:

**DJ-M.**, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven met KBO­ nummer …, appellante, *hebbende als raadsman mr. S. J., advocaat te …, …*

tegen

**DE BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN**,

Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door 2de BTW ontvangkantoor te Gent, met kantoren te 9050 GENTBRUGGE, Gasten Crommenlaan 6/108,

geïntimeerde, *hebbende als raadsman mr. D. C., advocaat te …, …*

**wijst het hof het volgend arrest:**

1\. Ingevolge een BTW-controle over de periode 1.10.2007 tot 30.9.2009 kwam de geïntimeerde tot de bevinding dat de appellante aan de geïntimeerde verschuldigd was: … EUR als BTW + … EUR als fiscale geldboete (op grond van artikel 70 § bis BTW-wetboek, 200 % van de verschuldigde rechten, herleid tot 10 % overeenkomstig het KB nr. 41 dd. 30.1.1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde) + de intresten van rechtswege verschuldigd op grond van artikel 91 § BTW-wetboek (0,8 % per maand te rekenen vanaf 21.10.2009). De appellante heeft deze schuld betaald.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Gent op 29.12.2011 vorderde de appellante:

> *"*
>
> *0 de verschuldigde bedragen aan btw, boetes en nalatigheidsintresten zoals vermeld in het proces-verbaal van 21 maart 2011 als ongegrond en dus onverschuldigd te verklaren;*
>
> *0 de terugbetaling te bevelen van alle sommen die op grond van voornoemd proces­ verbaal werden geïnd, verhoogd met de moratoire rente zoals voorzien in* [*artikel 91 § 3 en § 4 van het WBTW*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91)*;*
>
> *0 gedaagden te veroordelen tot de kosten van het geding ..."*.

Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, zesde kamer, dd. 18.9.2013 werd de vordering van de appellante ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 31.12.2013 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het voormelde vonnis.

Het blijkt niet dat dit vonnis werd betekend of dat de appellante er in zou hebben berust (in zover mogelijk).

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

Voor het hof vordert de appellante de toewijzing van haar oorspronkelijke vordering.

De geïntimeerde van zijn kant streeft de bevestiging van het bestreden vonnis na.

2\. De economische activiteit van de appellante is volgens haar registratie, als BTW­belastingplichtige: *"terbeschikkingstelling van installatie van muziek en dragers van muziek aan de horecasector en dansgelegenheden".*

Het hoger vermeld bedrag van … EUR aan BTW is BTW waarvan de aftrek door de geïntimeerde werd verworpen voor de gecontroleerde periode van 1.10.2007 tot 30.9.2009. Deze verworpen BTW is die aangerekend in facturen uitgegeven door **J.-M. D. B.** (handel drijvende onder de naam "Grand Prix Company") en door de **BVBA K.**, en gericht aan de appellante, meer bepaald:

\* Grand Prix Company (totaal van 68 facturen): … EUR

\* De **BVBA K.** (in totaal twee facturen): … EUR

\_\_\_\_\_

…. EUR

3\. De appellante betaalde, met uitwerking op 11.5.2011, het bedrag van … EUR (zie het stuk 4 van de geïntimeerde) en heeft volgens de geïntimeerde hiermee de thans betwiste schuld voldaan. Gezien deze betaling gebeurde zonder voorbehoud, verdedigt de geïntimeerde de stelling dat dit een stilzwijgende schulderkenning uitmaakt, en dat de appellante hierop maar zou kunnen terugkomen indien zij een vergissing in feite of in rechte aantoont, wat te dezen niet het geval is.

In de huidige concrete omstandigheden kan de geïntimeerde in deze stelling niet worden gevolgd.

De appellante heeft ten tijde van de BTW-controle de BTW-schuld betwist. Weliswaar ligt de correctieopgave niet voor (het stuk 13 van de appellante is een correctieopgave op naam van een andere belastingplichtige), maar uit de brief dd. 21.3.2011 van de geïntimeerde blijkt dat de correctieopgave (waarin de BTW-schuld wordt opgenomen) werd betwist, reden waarom op 21.3.2011 nog een proces-verbaal werd opgemaakt (zie het stuk 1 van de appellante en het stuk 3 van de geïntimeerde).

Zeer kort na de brief van 21.3.2011 waarmee het proces-verbaal wordt meegedeeld, nl. op 28.3.2011, stuurt de geïntimeerde een betalingsuitnodiging met overschrijvingsformulier (stuk 11 van de appellante), voor een totaal bedrag van … EUR (hoofdsom, boeten, intresten tot 20.5.2011).

In deze omstandigheden is de door de appellante uitgevoerde betaling niet te beschouwen als een schulderkenning, gezien de schuld uitdrukkelijk werd betwist, en er derhalve geen zekerheid over bestond dat met de betaling de appellante de schuld heeft erkend (vergelijk bvb. met Cass. 19.11.1996, Pas. 1996, nr. 439 p. 1131). Zo kan aangenomen worden dat de appellante betaalde om de loop der intresten te stoppen. In het betalingsbericht wordt de aandacht trouwens gevestigd op de intresten, nu ze berekend werden tot 20.5.2011, maar meegedeeld wordt dat mits betaling vóór 20.4.2011 de intresten minder bedroegen.

4\. Wat de facturen betreft uitgereikt door Grand Prix Company werden de volgende onregelmatigheden vastgesteld (zie het proces-verbaal dd. 21.3.2011, stuk 3 van de geïntimeerde):

• op de facturen wordt het nummer waaronder ze worden ingeschreven in het uitgaand factuurboek niet vermeld (inbreuk op [artikel 5 § 1, 1° KB nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-c6ca) dd. 29.12.1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde; inbreuk op [artikel 226, 2° van de Richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-226) van de Raad betreffende het gemeenschappelijk stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde, hierna "Zesde Richtlijn" genoemd);

• op de facturen wordt een BTW-nummer van de appellante vermeld dat niet gekend is bij de belastingadministratie (inbreuk op [artikel 5 § 1, 3° KB nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-c6ca) dd. 29.12.1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde; inbreuk op artikel 226, 4° Zesde Richtlijn);

• op de facturen wordt een BTW-identificatienummer van **J.-M. D. B.** (Grand Prix Company) vermeld dat niet meer actief is sinds 1.2.2001, terwijl de betwiste facturen dateren van de periode 1.10.2007 tot 30.9.2009 (inbreuk op [artikel 5 § 1, 2° KB nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-c6ca) dd. 29.12.1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde; inbreuk op artikel 226, 3° Zesde Richtlijn).

Het is duidelijk dat de appellante essentiële formele voorwaarden, opgelegd zowel door de Belgische BTW-wetgeving als door de Zesde Richtlijn heeft miskend. Hierdoor is de administratie ook niet in staat gesteld om de nodige controle naar behoren uit te oefenen. Dit heeft te dezen ook tot gevolg gehad dat de administratie niet heeft kunnen uitmaken of de gefactureerde verrichtingen al dan niet werkelijk hebben plaatsgegrepen, wat normaal wel mogelijk wordt gemaakt bij naleving van de formele verplichtingen.

Ook de appellante levert niet het bewijs van het vervuld zijn van de materiële voorwaarden nodig voor de aftrek van BTW, en met name of de gefactureerde verrichtingen (in zoverre achterhaalbaar) wel hebben plaatsgegrepen. In dit verband moet worden opgemerkt:

• het louter voorleggen van een (dan nog onregelmatige) factuur, zonder dat voldoende andere objectieve gegevens de in de factuur opgenomen prestaties bevestigen, volstaat niet om het bewijs te leveren van die prestaties; ook uit de bijlagen bij de facturen kan niet zomaar afgeleid worden dat de beweerde handelingen werkelijk hebben plaatsgevonden;

• volgens de boekhouding van de appellante zouden de facturen steeds contant betaald zijn geweest (cash of per cheque), maar de facturen worden nooit voor voldaan afgetekend (zie het proces-verbaal dd. 21.3.2011, stuk 3 van de geïntimeerde, p. 2); enig bewijs van effectieve betaling ontbreekt;

• waar volgens de appellante **J.-M. D. B.**, handeldrijvend onder benaming "Grand Prix Company", klanten zou bezocht hebben en ze zou aangebracht hebben aan de appellante, wordt hier niet het minste bewijs van geleverd; enig document waaruit zulks zou kunnen blijken ligt niet voor (zoals contracten, bestelbons, e.d. meer); volgens de bijlagen bij de facturen wordt hierop handgeschreven de naam "**J.**" af en toe vermeld, doch wie dit juist is of nog in welke hoedanigheid hij wordt vermeld, blijkt niet, en men kan niet zomaar aannemen dat hiermee **J.­M. D. B.** wordt bedoeld zoals voorgehouden door de appellante;

• waar de appellante een aantal documenten voorlegt genaamd "*huurcontract*'' of nog "*afleveringsbon/indienststellingsprotocol*", die zouden zijn opgesteld door **J.­M. D. B.**, is dit uit die documenten niet af te leiden; enkele van die documenten dragen trouwens een verschillende handtekening voor de appellante dan de meeste documenten;

• er blijkt ook geen overeenstemming te zijn tussen de historiek van leveranciers meer bepaald betreffende de leverancier "Grand Prix Company" (stuk 2 van de appellante) en de facturen zelf van die leverancier; dikwijls verschillen de bedragen, of komen in de historiek van de leverancier "Grand Prix Company" vermeldingen voor die in de facturen of de bijlagen erbij niet terug te vinden zijn (zoals bvb. de vermelding "auto" - gevolgd door een maand en jaartal - of "boetes"; uit de historiek van de leverancier "Grand Prix Company" is niet af te leiden dat de gefactureerde prestaties zich werkelijk zouden hebben voorgedaan;

• volgens bepaalde bijlagen bij facturen zouden de gefactureerde commissies betrekking hebben op als volgt beschreven handelingen: van DJM naar VJM, van Encore naar **DJ M.**, … euro borg, aankoop pc, … euro borg; de appellante geeft evenwel geen enkele aanvaardbare uitleg over de vraag waarom een borg of een aankoop van een computer tot gevolg zouden hebben dat een commissie zou moeten betaald worden;

• ook al is dit op zich geen voorwaarde voor het uitoefenen van het recht op aftrek, blijkt **J.-M. D. B.** (Grand Prix Company) de door hem verschuldigde belasting nooit te hebben voldaan via een periodieke BTW-aangifte (zoals hoger aangehaald was op de facturen een onjuist BTW-identificatienummer van **J.­M. D. B.** opgegeven) (zie het proces-verbaal dd. 21.3.2011, stuk 3 van de geïntimeerde, p. 2);

Gelet op de voormelde vaststellingen moet men tot het besluit komen dat de appellante niet bewijst dat de in de facturen vermelde handelingen werkelijk hebben plaatsgevonden, zodat de BTW-aftrek terecht door de geïntimeerde werd geweigerd.

Voor zoveel als nodig moet ook worden opgemerkt dat uit het enkel feit dat volgens de appellante de gefactureerde beweerde commissies als beroepskosten in mindering werden gebracht van het belastbaar inkomen inzake inkomstenbelastingen, niet is af te leiden dat de geïntimeerde de realiteit van de beweerde prestaties heeft onderzocht en aanvaard.

Volledigheidshalve moet ook worden opgemerkt dat de verbalisanten in het proces-verbaal duidelijk laten verstaan dat zij de realiteit van de gefactureerde prestaties betwijfelen, reden waarom zij vermelden dat de facturen niet voor voldaan werden afgetekend, terwijl ze cash of per cheque zouden zijn betaald, en ook dat een niet-actief BTW-identificatienummer van de leverancier werd gebruikt. Hierbij moet ook opgemerkt worden dat de formele gebreken te dezen verhinderen dat de werkelijkheid van de prestaties op diverse wijzen zou kunnen worden nagegaan.

5\. Wat de facturen uitgereikt door de **BVBA K.** betreft (stukken 2 van de geïntimeerde), moet worden opgemerkt:

• het nummer waaronder de facturen werden ingeschreven in het boek van uitgaande facturen wordt niet vermeld (inbreuk op [artikel 5 § 1, 1° KB nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-c6ca) dd. 29.12.1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde; inbreuk op artikel 226, 2° van Zesde Richtlijn);

• op een van de facturen wordt de datum van uitreiking niet vermeld;

• op de twee facturen wordt een BTW-identificatienummer van de **BVBA K.** vermeld, terwijl dit nummer niet actief was vóór 1.10.2008 (datum van aanvang van de activiteit van de **BVBA K.**), en dit BTW-nummer vermeld wordt op de factuur met datum 14.1.2008 (zie het proces-verbaal dd. 21.3.2011, stuk 3 van de geïntimeerde, p. 4);

Naast deze formele onregelmatigheden, die tot gevolg hebben dat de administratie niet in staat wordt gesteld uit te maken of de gefactureerde verrichtingen al dan niet werkelijk hebben plaatsgegrepen, moet worden vastgesteld dat ook de appellante niet bewijst dat de gefactureerde verrichtingen (in zoverre achterhaalbaar) wel hebben plaatsgegrepen. In dat verband moet worden vastgesteld:

• er wordt gefactureerd "*evenement Horecabeurs Amsterdam 2008*" en "*Evenement Horecabeurs Maastricht*", wat vage omschrijvingen zijn, waaruit het voor de administratie niet mogelijk is uit te maken welke de aangerekende prestaties juist waren; uit geen enkel document blijkt dit; ook niet uit de door de appellante als haar stuk 12 voorgelegde foto's, waaruit niet kan afgeleid worden wie wie is, en wanneer ze genomen werden, te welker gelegenheid;

• ook al is dit op zich geen voorwaarde voor het uitoefenen van het recht op aftrek, blijkt de **BVBA K.** de door haar verschuldigde belasting nooit te hebben voldaan via een periodieke BTW-aangifte of BTW afgedragen aan de Schatkist; controle of bewijs langs die weg wordt op die wijze ook uitgesloten;

• de factuur dd. 14.1.2008, die cash zou zijn betaald volgens de boekhouding van de appellante, wordt niet afgetekend voor voldaan; enig spoor van effectieve betaling ontbreekt;

Volledigheidshalve moet ook worden opgemerkt dat de verbalisanten in het proces-verbaal duidelijk laten verstaan dat zij de realiteit van de gefactureerde prestaties betwijfelen, reden waarom zij vermelden dat een van de facturen niet voor voldaan werden afgetekend, terwijl ze cash zou zijn betaald, op de andere factuur geen datum wordt vermeld, en ook dat een niet-actief BTW-identificatienummer van de leverancier werd gebruikt. Hierbij moet ook opgemerkt worden dat de formele gebreken te dezen verhinderen dat de werkelijkheid van de prestaties op diverse wijzen zou kunnen worden nagegaan.

Voor zoveel als nodig moet ook worden opgemerkt dat uit het enkel feit dat volgens de appellante de gefactureerde beweerde commissies als beroepskosten in mindering werden gebracht van het belastbaar inkomen inzake inkomstenbelastingen, niet is af te leiden dat de geïntimeerde de realiteit van de beweerde prestaties heeft onderzocht en aanvaard.

Gelet op de voormelde vaststellingen moet men tot het besluit komen dat de appellante niet bewijst dat de in de facturen vermelde handelingen werkelijk hebben plaatsgevonden, zodat de BTW-aftrek terecht door de geïntimeerde werd geweigerd. Nu naast de formele voorwaarden voor de aftrek ook het bestaan van de materiële voorwaarden niet bewezen is, kan geen sprake zijn van schending van het evenredigheidsbeginsel.

6\. Aan de appellante werd door de administratie een boete opgelegd van … EUR in toepassing van het [artikel 70 § 1 bis BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) dat voorziet in een boete van 200 %, herleid tot 10 % in toepassing van het KB nr. 41 dd. 30.1.1987 tot vaststelling van de verminderde boeten inzake BTW (tabel H, *verkeerdelijk in aftrek gebrachte belasting voor een controleperiode van één jaar, meer dan … EUR*).

Meteen moet worden opgemerkt dat het feit dat de administratie niet de boete van 200 % heeft opgelegd, en hierbij noodzakelijkerwijze de concrete omstandigheden heeft beoordeeld, niet impliceert dat de appellante geen fraude zou kunnen hebben begaan (vergelijk bvb. met Cass. 18.10.2007, Pas. 2007, nr. 492, p. 1821). Feit blijft, zoals hoger uiteengezet, dat de appellante niet bewijst dat de gefactureerde prestaties zich werkelijk hebben voorgedaan, en aan de appellante daarom het recht op aftrek moet worden geweigerd, wat op zich geen sanctie is. Dit laatste zou trouwens veronderstellen dat vaststaat dat de appellante recht heeft op de aftrek, wat juist niet wordt aangetoond.

De door de geïntimeerde opgelegde boete is evenredig met de begane inbreuk en in redelijkheid op te leggen aan de appellante. Deze boete is, hoewel minimaal in acht genomen de door de appellante begane nalatigheden, toch geschikt om de appellante ertoe aan te zetten haar fiscale verplichtingen, anders dan voorheen, nauwgezet te vervullen, en om de begane inbreuken te bestraffen.

Het te dezen ontbrekend bewijs van de realiteit van de voorgehouden prestaties is een loutere feitenkwestie, en kan niet beschouwd worden als een princiepskwestie.

De vordering van de appellante strekkende tot kwijtschelding van de administratieve boete is ongegrond.

### Dispositif

## OP DEZE GRONDEN

**HET HOF**, rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Ontvangt het hoger beroep doch verklaart het ongegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis;

Veroordeelt de appellante tot de kosten van het hoger beroep, in hun geheel begroot als volgt:

• aan de zijde van de appellante: op … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;

• aan de zijde van de geïntimeerde: op … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;

Aldus gewezen door de **VIJFDE KAMER**, van het Hof van beroep te Gent, recht doende in fiscale zaken, samengesteld uit:

**G. T.**, kamervoorzitter,

**D. V.**, raadsheer,

**S. R.**, raadsheer,

en uitgesproken door de Kamervoorzitter van de kamer in openbare terechtzitting van 24 mei 2016, bijgestaan door **J. D.**, griffier.

Ondertekeningen

## Textes cités

7

[AR no 1 art. 5](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-c6ca) 6 occurrences

6e directive 77/388 art. 226 3 occurrences

[directive TVA 2006/112 art. 226](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-226) 3 occurrences

[CTVA art. 70](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) 2 occurrences

[AR no 3 art. 2](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c) 1 occurrence

[AR no 3 art. 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-article-historique-e9dd) 1 occurrence

[CTVA art. 91](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Droit à déduction, Frais de nourriture et de boissons](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-frais-nourriture-boissons-cour-appel-liege-2020-09-07-73e3) 5 dispositions communes

[Carrousel TVA, Participation, Refus de déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/carrousel-tva-participation-refus-deduction-cour-appel-bruxelles-2020-09-10-0c67) 4 dispositions communes

[Obligations de l’assujetti, Dépôt de déclarations périodiques](https://juriel.be/fr/jurisprudence/obligations-assujetti-depot-declarations-periodiques-tribunal-2024-06-10-7a5c) 4 dispositions communes

[Indices de fraude, Relevé de régularisation, Procès-verbal](https://juriel.be/fr/jurisprudence/indices-fraude-releve-regularisation-proces-tribunal-nivelles-2024-01-08-9601) 4 dispositions communes

[Facture régulière, Régime de la marge bénéficiaire, Preuve](https://juriel.be/fr/jurisprudence/facture-reguliere-regime-marge-beneficiaire-cour-appel-gand-2023-11-28-b627) 4 dispositions communes

[Nullité du procès-verbal, Droit à déduction, Fraude](https://juriel.be/fr/jurisprudence/nullite-proces-verbal-droit-deduction-cour-appel-gand-2024-03-05-cbc5) 4 dispositions communes

[Droit à déduction, Factures de sous-traitance, Mentions obligatoires](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-factures-sous-traitance-tribunal-mons-2020-10-27-ed7b) 4 dispositions communes

[Droit à déduction, Rejet de déductions opérées](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-rejet-deductions-operees-cassation-bruxelles-2020-05-22-1815) 4 dispositions communes
