---
title: "Livraisons intracommunautaires, Preuve · Cour d&#x27;appel de Bruxelles, 12 juin 2018"
description: "Livraisons intracommunautaires, Preuve, Exemptions diplomatiques et preuve, Prescription. Cour d'appel de Bruxelles (Belgique), 12 juin 2018."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/livraisons-intracommunautaires-preuve-exemptions-cour-appel-bruxelles-2018-06-12-0053"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Livraisons intracommunautaires, Preuve, Exemptions diplomatiques et preuve, Prescription

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Bruxelles

**Date**

12 juin 2018

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

**Sens lu par le SPF**

favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

139 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d’appel de Bruxelles du 12.06.2018

WF 712-15-13/004940

\[Favorable à l’Etat belge\]

*Taxe sur la valeur ajoutée - Livraisons intracommunautaires – Preuve – Exemptions diplomatiques et preuve – Prescription – Prolongation du délai de prescription*

## Dispositions légales

[Article 39bis du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-39bis)

[Article 42, § 3, 2°, du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-42)

Article 81bis, § 1, 2ème alinéa, 1°, du Code de la TVA

## Résumé

## 1. Les faits de la cause et les antécédents de la procédure

L’assujetti tient un commerce de détail d’appareils électro-ménagers. Lors d’un contrôle couvrant les années 2009 et 2010, différentes infractions relatives à une application irrégulière des exemptions intracommunautaires et diplomatiques ont été constatées et consignées dans un procès-verbal. Cette enquête s’est opérée dans le cadre d’une demande internationale d’informations concernant la réalité des opérations intracommunautaires effectuées par une firme néerlandaise. Une contrainte reprenant la TVA due et l’amende proportionnelle infligée a été décernée. Une requête en opposition a été déposée au greffe du tribunal de première instance.

Cette juridiction a déclaré la demande en justice de l’assujetti non fondée.

## 2. L’arrêt

L’administration a demandé à la cour d’appel la confirmation complète du jugement rendu en première instance.

Le juge d’appel considère qu’il ne suffit pas de présenter les factures pour démontrer que les biens ont été vendus à un assujetti établi dans un autre Etat membre. L’assujetti doit agir avec prudence et détenir les documents nécessaires sur la base desquels il peut démontrer que les biens ont été transportés dans un autre Etat membre. En l’espèce, il n’y a pas eu de transport et aucune preuve de paiement n’est produite. Il n’existe aucun élément de fait qui emporte la conviction que les conditions de l’[article 39bis du C.TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-39bis) ont été remplies. L’assujetti savait ou aurait dû savoir que les opérations qu’il avait effectuées pouvaient être impliquées dans une fraude organisée par l’acquéreur.

Selon la cour, l’assujetti ne peut pas être considéré comme un fournisseur qui a pris toutes les mesures pouvant être raisonnablement exigées de lui pour prouver la réalité des livraisons intracommunautaires. Les actes d’investigation de l’administration ne violent pas les principes de proportionnalité et d’effectivité parce qu’ils ont été instruits afin d’empêcher la fraude, l’évasion fiscale et les pratiques irrégulières.

Il ressort du procès-verbal que les informations fournies en 2001 par les Pays-Bas, qui établissent que les opérations ont été irrégulièrement exemptées, ont été obtenues conformément à l’article 81bis, § 1er, 2ème alinéa, 1°, du C.TVA. La prolongation du délai de prescription à 7 ans, qui a été publié au Moniteur belge du 29 décembre 2008, est d’application à toutes les actions en recouvrement de la TVA qui n’étaient pas encore prescrites à ce moment-là. L’action relative à la dette est née en 2018. La TVA, exigible en 2008 en raison de la non-fourniture de la preuve de la réalité des livraisons intracommunautaires, consignée dans le procès-verbal n’est donc pas prescrite.

En ce qui concerne les exemptions diplomatiques, le juge estime qu’elles ne sont pas uniquement dépendantes de la présentation du document n° 451 (v. décision administrative n° E.T.111.417 du 1er mars 2007, Fisconetplus) et que l’assujetti n’est pas déchargé automatiquement de sa propre responsabilité. Il relève de sa compétence d’exercer un contrôle sur l’usage régulier des modalités d’obtention de l’exemption. Pour bénéficier de l’exemption prévue à l’[article 42, § 2, 2°, du C.TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-42), un lien est requis entre les biens livrés et leur usage réel. Lorsqu’il ressort de la nature et de la quantité des biens livrés qu’un tel lien n’existe probablement pas, la déclaration mentionnée dans le document n° 451 n’est pas suffisante.

Vu le nombre de factures délivrées par client et vu la quantité d’appareils électro-ménagers vendus par facture, il n’est absolument pas plausible que ces appareils soient utilisés uniquement pour l’usage personnel du personnel diplomatique.

L’assujetti est totalement dans l’illégalité.

**Texte de l’arrêt**

***L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale***

### Corps de la décision

**Arrest van het Hof van beroep te Brussel d.d. 12.06.2018**

Rol: 2014/AF/184

**V. D. E. P**., geboren te … op 09/03/1959, wonende te …, …, ingeschreven met (KBO-nummer …, appellant, vertegenwoordigd door Mr. V. L. (…) loco Mr. D. M. J., advocaat te …, …,

**tegen**

**DE BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, in de persoon van de Minister van Financiën, Wetstraat 12 te 1000 Brussel, vertegenwoordigd door de adviseur-generaal, centrumdirecteur, KMO-centrum Leuven, met kantoor te 3001 Leuven, Philipssite 3Al 6us 1, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. G. E., advocaat te …,

In deze zaak spreekt het hof, na beraad, volgend arrest uit.

## De procedure

Gelet op de processtukken, inzonderheid het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 6 juni 2014, dat niet werd betekend, waartegen hoger beroep werd aangetekend door appellant bij verzoekschrift op de griffie van het hof neergelegd op 8 juli 2014.

Gezien de:

\- de synthesebesluiten in hoger beroep van appellant, neergelegd op de griffie van het hof van beroep op 30 november 2015 en de syntheseconclusie in hoger beroep van geïntimeerde, neergelegd op de griffie van het hof van beroep op 15 Januari 2016

\- de stukken van appellant, neergelegd op de griffie van het hof van beroep op 30 januari 2018.

## Feiten en bestreden beslissing

Appellant heeft een detailhandel in elektrische huishoudapparaten. Hij is als btw-belastingplichtige geregistreerd onder het nummer BE….

Hij werd aan een controle onderworpen teneinde de juiste toepassing van de wetgeving van de belasting over de toegevoegde waarde en ter uitvoering ervan getroffen besluiten betreffende de periode van 1 januari 2009 tot 31 december 2010 na te gaan.

Naar aanleiding hiervan werden overtredingen vastgesteld die werden opgenomen in een proces-verbaal van 19 november 2012 (stuk 1 geïntimeerde).

Dit proces-verbaal verwijst onder meer naar de processen-verbaal van vaststelling van 25 oktober 2011 en 15 december 2011 (stukken 2 en 3 geïntimeerde).

Deze processen-verbaal werden opgesteld in het kader van een internationale vraag om inlichtingen naar de oprechtheid van intracommunautaire leveringen en/of verwervingen door de Nederlandse firma **E. B. NV** (geregistreerd onder btw-nummer NL …). Volgens de opstellers blijkt dat door appellant uitgaande facturen met vrijstelling van btw voor intracommunautaire leveringen werden opgesteld ten name van de voormelde Nederlandse firma zonder dat enig bewijs is geleverd dat de goederen wel degelijk intracommunautair werden geleverd.

De wegens een inbreuk van [artikel 39bis, eerste lid, 1° van het btw-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-39bis) en het Koninklijk Besluit nr. 50 van 29 december 1992 verschuldigde btw wordt voor het jaar 2008 berekend op een bedrag van … euro en voor het jaar 2009 op een bedrag van … euro.

Daarnaast wordt in het proces-verbaal van 19 november 2012 vastgesteld dat uit de voorgelegde boekhouding blijkt dat door appellant voor 2009 en 2010 uitgaande facturen met vrijstelling van btw voor leveringen van elektrotoestellen werden uitgereikt aan leden van het diplomatiek personeel handelend voor hun persoonlijk gebruik. Op deze facturen is de vermelding “Verzoek om vrijstelling van btw op basis van [artikel 42, § 3, 2° van het btw-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-42) voor aankopen in België” aangebracht als verantwoording voor de vrijstelling van btw. Met uitzondering van één factuur is bij deze facturen het ingevulde document 451 “Aanvraag voor btw-vrijstelling in toepassing van [artikel 42, § 3, 2°](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-42) van het Wetboek voor aankopen in België (Persoonlijk gebruik)” gevoegd.

Volgens de opsteller van het proces-verbaal kan uit de hoeveelheden van de geleverde goederen worden afgeleid dat deze niet bestemd zijn voor het persoonlijk gebruik van het ambassadelid dat de aankopen verricht en dat van zijn familieleden die onder hetzelfde dak wonen en ter zijner laste zijn en die in het register van het Protocol zijn ingeschreven.

De wegens inbreuk op [artikel 42, § 3, 2° van het btw-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-42) verschuldigde btw werd bepaald op …. euro.

Op 26 november 2012 werd op basis van het proces-verbaal van 19 november 2012 door de ontvanger van het btw-ontvangkantoor te Tienen een dwangbevel uitgevaardigd. Dit dwangbevel werd op 28 november 2012 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de dienstdoende gewestelijke directeur van de btw te Hasselt en op 7 december 2012 aan appellant betekend.

In dit dwangbevel wordt betaling gevorderd van een bedrag van … euro btw, een boete ingevolge [artikel 70, § 1 van het btw-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) van …. euro alsook de interesten en de kosten.

Appellant legde op 9 april 2013 een verzoekschrift op tegenspraak neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven.

Bij vonnis van 6 juni 2014 werd de vordering van appellant ontvankelijk maar ongegrond verklaard.

Appellant werd veroordeeld tot de kosten. Deze kosten werden voor geïntimeerde vastgesteld op … (…) euro gelet op het feit dat deze vertegenwoordigd werd door een ambtenaar van de belastingadministratie.

Het door appellant neergelegde verzoekschrift in hoger beroep is gericht tegen dit vonnis.

Appellant verzoekt het bestreden dwangbevel (RCIV nr. ….) te vernietigen en appellant te ontslaan van de in dit dwangbevel gevorderde sommen. Hij vraagt geïntimeerde te veroordelen tot integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en dit toegerekend werden op de sommen vermeld in het dwangbevel, vermeerderd met de wettelijke en/of gerechtelijke interesten vanaf de datum van de betalingen, beslagen of inhoudingen. Hij vraagt geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, hierin begrepen de rechtsplegingsvergoeding, begroot op … euro (niet in geld waardeerbare vordering).

Geïntimeerde vraagt het bestreden vonnis integraal te bevestigen en appellant te veroordelen tot de kosten van beide procedures, hierin begrepen de rechtsplegingsvergoeding, begroot op …. euro (hoger beroep).

## Beoordeling

1\. De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist.

Er zijn geen ambtshalve op te werpen gronden van onontvankelijkheid zodat het tijdig en regelmatig ingesteld hoger beroep ontvankelijk is.

2\. Met betrekking tot de intracommunautaire leveringen aan **E. B. BV** merkt appellant op dat hij niet in stond voor het vervoer van de verkochte goederen, maar alle redenen had om aan te nemen dat de goederen door **E. B. BV** zelf naar het buitenland vervoerd werden.

Appellant meent immers dat de documenten die door hem aan de btw-administratie werden overgemaakt voldoende zijn om aan te tonen dat deze goederen wel degelijk verkocht zijn aan een in een andere lidstaat gevestigde belastingplichtige. Bijgevolg waren alle elementen aanwezig om er van uit te gaan dat alle elektrische apparatuur wel degelijk werd geleverd op de zetel van dit bedrijf te Breda.

Het zou volgens appellant trouwens kennelijk onevenredig zijn om appellant aan te spreken voor een tekort aan btw-inkomsten dat is veroorzaakt door het eventueel frauduleus handelen van derden waarop hij geen enkele invloed heeft.

3\. Het hof deelt het standpunt van appellant niet.

[Artikel 39bis, eerste lid, 1° van het btw-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-39bis) bepaalt :

> *“Van de belastingen zijn vrijgesteld :*
>
> *1° de leveringen van goederen door de verkoper, andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56, § 2, door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige, of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon die als zodanig optreden in een andere Lid-Staat en die er aldaar toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen, voor zover die leveringen van goederen niet onderworpen zijn aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, § 4”*.

[Artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 52](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-52-exemptions-operations-intracommunautaires-assimilees-c238#ar52-art1) van 29 december 1992 bepaalt :

> *“De in* [*artikel 39bis*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-39bis) *van het Wetboek bedoelde vrijstellingen zijn afhankelijk van het bewijs dat de goederen verzonden of vervoerd zijn buiten België maar binnen de Gemeenschap”.*

*“De in* [*artikel 39bis, eerste lid, 1°*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-39bis) *van het Wetboek bedoelde vrijstelling is bovendien afhankelijk van het bewijs dat de levering geschiedt voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor de belasting over de toegevoegde waarde geïdentificeerd is in een andere Lid-Staat” (*[*art. 2 K.B. nr. 52*](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-52-exemptions-operations-intracommunautaires-assimilees-c238#ar52-art2)*).*

[Artikel 3, eerste lid van het koninklijk besluit nr. 52](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-52-exemptions-operations-intracommunautaires-assimilees-c238#ar52-art3) stelt :

> *“De verkoper moet te allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt; hij moet ze op ieder verzoek van de met de controle van de belasting over de toegevoegde waarde belaste ambtenaren overleggen. Die stukken zijn onder meer de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken”*.

Uit de artikelen [39bis, eerste lid, 1°](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-39bis) van het btw-wetboek en 1 en 2 van het koninklijk besluit nr. 52 volgt dat de belastingplichtige die zich op de vrijstelling van [artikel 39bis, eerste lid, 1° van het btw-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-39bis) beroept, dient aan te tonen dat de voorwaarden voor de vrijstelling zijn vervuld (zie ook Cass. 1 maart 2011, AR [P.10.0521.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/infraction-fiscale-dette-impot-droit-cassation-bruxelles-2011-03-01-c5a5)).

Niets belet dat de belastingplichtige de verzamelde bewijsstukken pas na de controle aan de fiscale administratie overhandigd (zie ook HvJ 27 september 2007, nr. … en Cass. 25 september 20029, [F.08.0009.F](https://juriel.be/fr/jurisprudence/operation-intracommunautaire-livraison-preuve-cassation-bruxelles-2009-09-25-a373)).

Deze bewijsvoering is moeilijk indien, zoals appellant in casu voorhoudt, de koper zou hebben ingestaan voor het vervoer.

De beoordeling van het bewijs van de betwiste intracommunautaire leveringen dient nochtans om twee redenen streng te zijn : enerzijds is het een afwijking op de algemene regel1 en dient dus strikt geïnterpreteerd te worden en anderzijds, gelet op het feit dat de grenscontroles werden afgeschaft, het bestaande systeem de deuren opent voor fraude en misbruik.

Het bewijs dient geleverd te worden aan de hand van een geheel van met elkaar overeenstemmende, gebruikelijke handelsdocumenten (zie ook Cass. 20 oktober 2011, [F.10.0063.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/exonerations-livraisons-intracommunautaires-biens-conditions-cassation-bruxelles-2011-10-20-91b6) en [Circ. Nr. AOIF 38/2006](https://juriel.be/fr/circulaires/38-2006-afer-remplacee-droit-deduction-tva-1c7b) van 28 augustus 2006, nr. 25).

In casu vermeldt het proces-verbaal van 19 november 2012 dat uit het nazicht van de boekhouding van de jaren 2009 en 2010 blijkt dat appellant geen enkel stuk kon voorleggen waaruit blijkt de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen naar **E. B. BV** blijkt.

In het voormelde proces-verbaal van vaststelling van 25 oktober 2011 wordt gesteld dat aan appellant nadere toelichting werd gevraagd aangaande de betreffende leveringen. Naar aanleiding hiervan verklaarde appellant onder meer :

“(…)

-mijn contactpersoon bij de **E. B.** Brabant was de heer **R. M.**;

-ik ken deze man al geruime tijd, ongeveer een 10tal jaar;

-de heer **R.** kwam steeds de goederen zelf ophalen en betaalde deze contant;

-Ik stond op een contante betaling omdat de reputatie van de heer **R.** mij wel bekend was;

-de heer R. deed het transport van de goederen met eigen middelen en het kwam al eens voor dat ik hem mijn voertuig uitleende om het vervoer te verrichten;

(…)

-de woonplaats van de heer R. is mij onbekend, ik ben wel in het verleden eens in Brasschaat en Knokke geweest;

-te Brasschaat heb ik toen wasmachines geleverd in een woonerf met appartementen, de levering te Knokke ligt te ver in mijn geheugen om daar nog de precieze leveringsplaats voor op te geven en ook voor de geleverde goederen moet ik u het antwoord schuldig blijven;

-of de goederen wel degelijk op de Nederlandse markt zijn aangekomen weet ik niet, ik vertrouwde de heer **R.** in zijn verklaringen dat het voor wederverkoop te Nederland was;

(…);

Uit deze verklaring blijkt dat de enige leveringen van verkochte goederen die door appellant zelf werden verricht, plaatsvonden in België;

Het volstaat niet aan de hand van facturen aan te tonen dat de goederen verkocht zijn aan een in een andere lidstaat gevestigde belastingplichtige. Appellant diende daarentegen zorgvuldig te werk te gaan en de nodige documenten te bezitten waaruit hij daadwerkelijk kon afleiden dat de goederen naar het buitenland werden vervoer.

Appellant legt geen vervoerdocumenten noch betalingsbewijzen voor. Er zijn geen andere feitelijke elementen voorhanden die de overtuiging afdwingen dat de voorwaarden van [artikel 39bis van het btw-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-39bis) vervuld zijn.

Appellant kan niet worden gevolgd wanneer hij stelt alle redenen te hebben gehad om aan te nemen dat de goederen naar het buitenland vervoerd werden en dat hij steeds te goeder trouw is geweest.

Het is niet in strijd met het gemeenschapsrecht te eisen dat de leverancier alles doet wat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd om te zorgen dat hij door de handeling die hij verricht, niet betrokken geraakt bij belastingfraude. De omstandigheden dat de leverancier te goeder trouw heeft gehandeld, dat hij alles heeft gedaan wat redelijkerwijs binnen zijn mogelijkheden ligt en dat zijn betrokkenheid bij fraude uitgesloten is, vormen derhalve belangrijke indicatoren om uit te maken of deze leverancier kan worden verplicht tot nabetaling van de belasting over de toegevoegde waarde (zie ook HvJ 27 september 2007, nr. [C-409/04](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-409-04-arret)).

Geïntimeerde wijst op het feit dat appellant reeds bij een vorige controle (voor de jaren 1997 tot 1999) in gebreke bleef om het bewijs van intracommunautaire leveringen te leveren.

Bovendien blijkt uit de inzage van een gerechtsdossier2 dat appellant voor de jaren 2001 tot 2003 valse uitgaande facturen met vrijstelling van btw, o.a. op naam van **R.** Handelsonderneming (een onderneming van de voornoemde **M. R.**), opstelde. De goederen bleken in werkelijkheid in België “in het zwart” te zijn verkocht (stuk 8 geïntimeerde).

Het hof stelt vast dat appellant hierover geen verweer voert.

Appellant wist of had moeten weten dat de door hem verrichte handelingen deel konden uitmaken van fraude door de afnemer. Hij heeft alleszins niet alle hem ter beschikking staande redelijke maatregelen genomen om potentiële fraude te voorkomen (zie ook HvJ 6 september 2012, nr. [C-273/11](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-273-11-arret)).

Het hof is van oordeel dat appellant bijgevolg niet kan beschouwd worden als een leverancier die al het nodige heeft gedaan dat redelijkerwijze kan verwacht worden voor het bewijs van de vrijstelling van de intracommunautaire leveringen zodat hij voor de betaling van de btw dient gevrijwaard te worden. De handelswijze van geïntimeerde in casu is niet strijdig met het evenredigheidsbeginsel, noch met het doeltreffendheidsbeginsel omdat hij handelde om fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen.

Appellant werd volgens geïntimeerde voor deze feiten definitief veroordeeld bij arrest van het hof van beroep te Gent van 5 november 2014.

Appellant bewijst geenszins dat de verkochte goederen ook effectief België verlaten hebben. Hij blijft volledig in gebreke de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen buiten België te bewijzen.

Uit wat voorafgaat, volgt dat de btw-administratie terecht de vrijstelling in toepassing van [artikel 39bis, eerste lid, 1° van het btw-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-39bis) heeft geweigerd.

Het verwerpen van de vrijstellingsgrond heeft tot gevolg dat de betrokken leveringen aan de belasting onderworpen zijn.

4\. Volgens appellant is de driejarige verjaringstermijn en niet de zevenjarige verjaringstermijn van toepassing. Naar zijn oordeel is artikel 81bis, § 1, 2 de lid, 1° van het btw-wetboek niet van toepassing. Artikel 81bs geldt trouwens pas vanaf 29 december 2008.

5\. Artikel 81bis, § 1, 2 de lid, 1° van het btw-wetboek (vervangen bij artikel 191 van de programmawet van 22 december 2008 bepaalt :

> *“§ 1 Er is verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.*
>
> *In afwijking van het eerste lid is er evenwel verjaring na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer :*
>
> *1° een inlichting, een onderzoek of een controle aantoont dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België, dat er handelingen ten onrechte werden vrijgesteld of dat er onrechtmatige belastingaftrekken werden toegepast en de inlichting werd medegedeeld of verzocht of het onderzoek of de controle werd uitgevoerd of verzocht door, hetzij een andere lidstaat van de Europese Unie, overeenkomstig de regels daartoe bepaald in dit Wetboek of in de regelgeving van deze Unie, hetzij een bevoegde overheid van enig ander land waarmee België een overeenkomst heeft gesloten tot het vermijden van dubbele belasting, in verband met de belasting waarop die overeenkomst van toepassing is”.*

Uit de processen-verbaal van vaststelling van 25 oktober 2011 en 15 december 2011 blijkt dat de dienst Nationale en Internationale Opsporingen bij appellant een onderzoek heeft verricht nadat zij uit een andere lidstaat (i.e. Nederland) een vraag om inlichtingen heeft ontvangen. De vraag om inlichtingen had betrekking op de oprechtheid van intracommunautaire leveringen en/of verwervingen door de Nederlandse firma **E. B. BV**. Het onderzoek dat werd uitgevoerd op verzoek van een andere Lidstaat heeft aangetoond dat handelingen ten onrechte werden vrijgesteld in de zin van artikel 81bis, § 1, 2 de lid, 1° van het btw-wetboek.

In afwijking van het eerste lid is er dan verjaring na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan.

Pas ingevolge de inwerkingtreding van de Programmawet van 28 december 2008 werd uitdrukkelijk in [artikel 81bis, § 1 van het btw-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-81bis) opgenomen dat de zevenjarige verjaringstermijn ook geldt wanneer handelingen ten onrechte werden vrijgesteld.

De wijzigingen aan de verjaringsregels door de Programmawet van 22 december 2008 werden onmiddellijk van toepassing bij de publicatie van de Programmawet in het Belgisch Staatsblad op 29 december 2008 op alle op dat ogenblik nog niet verjaarde vorderingen tot voldoening van de btw, Interesten en administratieve geldboeten (HEYRMAN, K., “Verjaring”, in BTW-Handboek, VANDENBERGH, H., (ed.), Editie 2014, nr. 2912).

De verjaringstermijn van de vordering tot voldoening van de btw gaat in op de datum waarop het belastbaar feit plaatsvindt en de btw opeisbaar wordt.

De vordering met betrekking tot de btw-schuld ontstaan in 2008 was op 29 december 2008 nog niet verjaard, zodat [artikel 81bis van het btw-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-81bis), zoals gewijzigd door de Programmawet van 28 december 2008 erop van toepassing is.

De in het proces-verbaal van 19 november 2012 voor het jaar 2008 opgenomen verschuldigde btw ten bedrage van … euro wegens het ontbreken van het bewijs van de intracommunautaire levering is niet verjaard.

6\. Wat betreft de leveringen aan leden van diplomatiek personeel handelend voor hun persoonlijk gebruik merkt appellant op dat door de ondertekening van het document nr. 451 “Aanvraag voor btw-vrijstelling in toepassing van artikel 42, § “, 2° van het Wetboek voor aankopen in België (Persoonlijk gebruik)” de begunstigde persoon er zich toe verbindt de verschuldigde btw te betalen ingeval de goederen niet de bestemming zouden krijgen om van de vrijstelling te genieten, dan wel niet zouden voldoen aan de voorwaarden waaraan deze vrijstelling is onderworpen.

Aangezien bij elke factuur (behoudens één) dit document nr. 451 ondertekend door de begunstigde persoon, werd gevoegd, is appellant van oordeel niet aansprakelijk te zijn voor de btw.

Appellant roept daarnaast een schending van het rechtszekerheidsbeginsel in. Hij stelt immers reeds sedert 2000 goederen aan ambassades te leveren en al deze jaren zijn vrijstelling op dezelfde manier te bewijzen. Hij stelt meerdere controles te hebben gehad waarbij nooit enige opmerking omtrent zijn werkwijze werd geformuleerd.

7\. [Artikel 42, § 3, 2° van het btw-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-42) bepaalt :

> *“Van de belasting zijn vrijgesteld :*
>
> *2° de leveringen van roerende goederen en diensten, met uitzondering van werk in onroerende staat, aan, alsook de invoeren door de volgende personen, handelend voor hun persoonlijk gebruik en gehecht aan de zendingen en posten bedoeld onder 1° : de leden van het diplomatiek personeel, de leden van het administratief en technisch personeel, de consulaire beroepsambtenaren en de consulaire bedienden”.*

Het voormeld artikel stelt slechts die leveringen van roerende goederen aan leden van het diplomatiek personeel in België vrij van btw in zover deze goederen besteld zijn voor het persoonlijk gebruik van leden van het diplomatiek personeel en de familieleden die onder hetzelfde dak wonen en ter zijner laste zijn en die in het register van het Protocol zijn ingeschreven.

In tegenstelling tot datgene wat appellant voorhoudt, is de vrijstelling niet louter afhankelijk van een document nr. 451. Het voorleggen van het document nr. 451 betekent niet dat appellant automatisch ontlast is van enige verantwoordelijkheid. Het behoort immers tot de bevoegdheden van geïntimeerde om controle uit te oefenen op het correct gebruik van de vrijstellingsmogelijkheid. Het document nr. 451 is in dit opzicht dan ook niet meer dan een feitelijk element waarvan de bewijswaarde volgens de eigenheid van de zaak dient te worden beoordeeld.

Om de vrijstelling van btw te bekomen is een verban vereist tussen de geleverde goederen en het werkelijk gebruik ervan. Indien uit de aard en de omvang van de geleverde goederen blijkt dat dergelijk verband niet waarschijnlijk voorkomt, volstaat de verklaring van de betrokken ambassade niet om de btw-vrijstelling van bedoeld artikel in te roepen.

Gelet op het aantal uitgereikte facturen per klant en de hoeveelheid verkochte toestellen per factuur is het totaal niet aannemelijk dat deze toestellen enkel aangewend werden voor het persoonlijk gebruik van het lid van het diplomatiek personeel en zijn inwonende gezinsleden (zie stuk 1 en 12 geïntimeerde).

Naar aanleiding van een plaatsbezoek op 14 februari 2013, dat onder meer plaatsvond in het kader van het bezwaarschrift dat appellant ingevolge de controle over de jaren 2009 en 2010 en het naar aanleiding daarvan ontvangen proces-verbaal had ingediend, antwoordde appellant op de opmerking dat het aantal toestellen per factuur en het aantal facturen per jaar per klant niet voor persoonlijk gebruik konden zijn :

*“Ik weet dat ook wel, die toestellen worden in containers naar Afrika verscheept maar ik heb niets te maken met wat er gebeurt nadat die toestellen geleverd zijn”* (stuk 4 geïntimeerde).

Appellant was zich derhalve bewust dat in beginsel btw verschuldigd was op de leveringen maar maakte desalniettemin aanspraak op vrijstelling.

Wat de ingeroepen schending van het vertrouwensbeginsel betreft, stelt het hof vast dat appellant geen enkel bewijs bijbrengt over welke leveringen in het verleden na controle door de btw-administratie met kennis van zaken zouden zijn aanvaard.

Er kan slechts sprake zijn van een gewettigd vertrouwen in hoofde van de belastingplichtige indien deze te goeder trouw de mening kon zijn toegedaan dat zijn handelswijze in overeenstemming met de wet was.

Terecht oordeelde de eerste rechter dat eiser niet bewijst dat de btw-administratie zich zo gedragen heeft dat hij te goeder trouw de mening kon zijn toegedaan dat de leveringen vrijgesteld waren en dat het trouwens zo duidelijk is dat de leveringen niet voor persoonlijk gebruik van de personen die deze goederen aankochten konden bestemd zijn, zodat eiser niet te goeder trouw van mening kon zijn dat de leveringen vrijgesteld waren.

De verwerping van de toepasselijkheid va de vrijstellingsgrond heeft impliciet tot gevolg dat appellant btw verschuldigd is.

8\. Appellant wordt in het ongelijk gesteld. Hij wordt veroordeeld tot het betalen aan geïntimeerde van de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep, begroot op … euro, zijnde het geïndexeerd basistarief zoals vastgesteld bij K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Ger. W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat, dit rekening houdend met de omvang van de bestreden heffing.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF,**

Rechtdoende na tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 jun 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken,

Verklaart het hoger beroep van **P. V. D E.** ontvankelijk, maar ongegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis;

Veroordeelt **P. V. D E.** tot de kosten van het hoger beroep, begroot op … euro rechtsplegingsvergoeding.

Dit arrest werd gewezen door de **6N kamer** van het hof van beroep te Brussel, samengesteld uit

Die alle zittingen hebben bijgewoond en de over de zaak hebben beraadslaagd.

Het werd uitgesproken op **12 juni 2018** door

Ondertekeningen

## Textes cités

9

[CTVA art. 39bis](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-39bis) 11 occurrences

[CTVA art. 42](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-42) 7 occurrences

[CTVA art. 81bis](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-81bis) 2 occurrences

[AR no 52 art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-52-exemptions-operations-intracommunautaires-assimilees-c238) 1 occurrence

[AR no 52 art. 2](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-52-exemptions-operations-intracommunautaires-assimilees-c238) 1 occurrence

[AR no 52 art. 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-52-exemptions-operations-intracommunautaires-assimilees-c238) 1 occurrence

[CTVA art. 70](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) 1 occurrence

[C-273/11, arrêt du 6 septembre 2012](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-273-11-arret) 1 occurrence

[C-409/04, arrêt du 27 septembre 2007](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-409-04-arret) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Exportation, Voyageur, Exemption, exonération](https://juriel.be/fr/jurisprudence/exportation-voyageur-exemption-exoneration-tribunal-bruxelles-2023-12-07-a09a) 4 dispositions communes

[Prolongation du délai de prescription, Présomption de fraude fiscale](https://juriel.be/fr/jurisprudence/prolongation-delai-prescription-presomption-fraude-cour-appel-gand-2026-02-17-6712) 3 dispositions communes

[Commissionnaire en douane, Société de droit français, Importation/Transfert](https://juriel.be/fr/jurisprudence/commissionnaire-douane-societe-droit-francais-cour-appel-bruxelles-2026-03-24-d88c) 3 dispositions communes

[Contrôle, Coopération administrative](https://juriel.be/fr/jurisprudence/controle-cooperation-administrative-tribunal-mons-2008-03-06-3071) 3 dispositions communes

[Abus fiscal, délai de prescription prolongé](https://juriel.be/fr/jurisprudence/abus-fiscal-delai-prescription-prolonge-tribunal-anvers-2023-10-20-09f9) 2 dispositions communes

[Finalité, Lieu d'établissement, Principe de neutralité](https://juriel.be/fr/jurisprudence/finalite-lieu-etablissement-principe-neutralite-cour-appel-bruxelles-2026-05-13-12b2) 2 dispositions communes

[Séquestre, fraude au domicile, visite domiciliaire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/sequestre-fraude-domicile-visite-domiciliaire-tribunal-gand-2024-10-02-1508) 2 dispositions communes

[Droit de déduction, Charge de la preuve](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-charge-preuve-developpement-cour-appel-anvers-2026-01-06-1ac3) 2 dispositions communes
