---
title: "Investissement dans l&#x27;industrie audiovisuelle · Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers, 15 février 2011"
description: "Investissement dans l'industrie audiovisuelle. Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 15 février 2011."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/investissement-industrie-audiovisuelle-cour-appel-anvers-2011-02-15-380e"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Investissement dans l'industrie audiovisuelle · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Date**

15 février 2011

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

84 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 15.02.2011

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft heet volgende arrest uitgesproken :**

Inzake : **2009/AR/434**

Zitting van : **15/2/2011**

EINDARREST - Fiscaal

**M. M.**, wonende te … (…), ….

**appellant,**

tegen het vonnis gewezen op 11 maart 2009 door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen,

vertegenwoordigd door Mr. **M. M.**, advocaat te …, …,

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, FOD FINANCIËN, Gewestelijk Directeur Antwerpen, 2000 ANTWERPEN, Italiëlei 4 bus 2,

**geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door Mr **N. S.** loco Mr. **V. H. M.**, advocaat te …, …;

Gelet op de duur de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 11 maart 2009, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Antwerpen op 20 mei 2009, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

Gelet op de akte van gedinghervatting, neergelegd ter zitting van 3 januari 2011, waarbij de Vlaamse Overheid, Vlaamse belastingdienst, het geding hervat.

## 1. Voorafgaande feiten en procedure

**1.1.** De betwisting heeft betrekking op de belasting op Inverkeerstelling (BIV) met betrekking tot een voertuig Ford S Max.

Op 22 januari 2007 wordt het voertuig Forel S Max met chassisnummer … ingeschreven op naam van appellant onder nummerplaat …. Op 30 januari 2007 wordt de nummerplaat teruggestuurd aan de DIV en op 31 januari 2007 wordt de nummerplaat geschrapt. Op 5 februari 2007 wordt hetzelfde voertuig opnieuw ingeschreven op naam van de EBVBA **M. E. S.** (vennootschap van appellant) onder nummerplaat ….

De administratie richt aan appellant een verzoek tot betaling van een bedrag van € …, waaronder € … als belasting op inverkeerstelling, te betalen, vóór 28 maart 2007.

Op 15 maart 2007 richt APM **S.** NV, verzekeringsmakelaar, een schrijven aan de administratie voorhoudende dat er een vergissing is gebeurd, nl. dat de nummerplaat verkeerdelijk werd aangevraagd op naam van appellant in plaats van op naam van zijn vennootschap, en dat appellant niet akkoord gaat met de gevraagde betaling.

Bij beslissing van 16 mei 2007 van de ambtenaar gedelegeerd door de gewestelijk directeur Antwerpen I wordt het 'bezwaarschrift' afgewezen onder de motivering dat geen ontheffing kan verleend worden aangezien de betwisting buiten de bevoegdheid van de administratie valt; het betreft een fout gemaakt door derden; de BIV blijft verschuldigd.

**1.2.** Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 10 juli 2007, vordert appellant te zeggen voor recht dat de aanslag in de belasting op de Inverkeerstelling voor het aanslagjaar 2007, kohierartikel … nietig is en geen enkel rechtsgevolg kan ressorteren; de administratie te veroordelen tot de terugbetaling van alle ingevorderde bedragen, meer de intresten; kosten ten laste van de administratie.

**1.3**. Bij tussenvonnis van 26 mei 2008 verwijst de rechtbank de zaak naar de bijzondere rol en houdt de beoordeling over de kosten aan. Appellant dient duidelijkheid te verschaffen welke (aanslag inzake welke) belasting hij aanvecht.

De rechtbank stelt dat appellant in het verzoekschrift de vernietiging vordert van de aanslag met artikel … doch dat een aanslag met dit artikel niet voorligt, maar dat wel blijkt dat … het refertenummer vormt van de belastingdienst en dat een aanslag artikel … voorligt die geen belasting op inverkeerstelling behelst maar wel verkeersbelasting.

In conclusie na tussenvonnis bevestigt appellant dat de betwisting betrekking heeft op de belasting op Inverkeerstelling met refertenummer ….

Het bestreden vonnis van 11 maart 2009 verklaart de vordering toelaatbaar maar ongegrond en veroordeelt appellant tot de kosten van het geding. De grieven van appellant berusten volgens de eerste rechter op het dubbele onjuiste uitgangspunt 1° dat het voertuig bij de DIV ingevolge materiële vergissing van appellant werd ingeschreven op zijn naam en 2° dat de inschrijving bij de DIV een fiscale aangifte inhield. De mededeling door de DIV aan de belastingdienst had volop wettelijke grondslag.

**1.4.** Tegen dit vonnis heeft appellant hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 20 mei 2009.

In dit verzoekschrift en in conclusie vordert appellant het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; het bestreden vonnis te vernietigen en dienvolgens te zeggen voor recht dat de aanslag in de belasting op de Inverkeerstelling en verkeersbelasting op naam van appellant met betrekking tot aanslagjaar 2007, refertenummer …, artikel …, nietig is en geen enkel rechtsgevolg kan ressorteren; dienvolgens de administratie te veroordelen tot terugbetaling van alle ingevorderde bedragen ten laste van appellant, meer de intresten; kosten ten laste van de administratie, met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding van € …, zijnde het basisbedrag overeenkomstig de bepalingen van het KB van 25 oktober 2007 voor een vordering tussen € … en € ….

Appellant houdt voor dat de aanslag nietig is wegens :

\- de miskenning van het vermoeden van juistheid van de aangifte : dit vermoeden is een weerlegbaar vermoeden en dit zowel voor de belastingplichtige als voor de fiscus; appellant heeft dus alle recht om terug te komen op de verkeerde aangifte op zijn persoonlijke naam; de dubbele inschrijving is het gevolg geweest van een materiële vergissing; het feit dat de vergissing werd begaan door een derde doet hieraan geen afbreuk;

\- de schending van artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM omdat de fiscale wetgeving aan de belastingplichtige niet toelaat om een verkeerde inschrijving ongedaan te maken, dan wel in een teruggave van belasting voorziet wanneer een voertuig binnen het aanslagjaar wordt afgeschreven;

\- de onrechtmatige gegevensuitwisseling tussen de Dienst voor de inschrijving van Voertuigen en de fiscale administratie : er bestaat een georganiseerde "automatische" gegevensuitwisseling, waarvoor geen enkele rechtsgrond bestaat, die derhalve onrechtmatig is en de nietigheid van de aanslag tot gevolg heeft.

**1.5.** Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep, de bevestiging van het bestreden vonnis en de veroordeling van appellant tot de kosten van het geding.

Geïntimeerde voert aan dat de inschrijving die later gebeurde op naam van de vennootschap niet kan worden beschouwd als een 'rechtzetting', maar wel als een 'nieuwe opvolgende inschrijving'. Appellant ontkent niet dat het voertuig intussen effectief door hem is gebruikt. Het wettelijk vermoeden van artikel 99, § 1 en 100 WIGB wordt door geen enkel positief en controleerbaar gegeven weerlegd. Voor de belasting op Inverkeerstelling bestaat geen fiscale aangifte; deze belasting volgt rechtstreeks uit de wet ingevolge een belastbaar feit dat aan appellant wordt toegerekend. De aanvraag tot inschrijving is niet gelijk k stellen met een fiscale aangifte. Het belastbaar feit is niet de inschrijving maar het in gebruik nemen op de openbare weg. Artikel 99, § 1 WIGB knoopt aan de inschrijving enkel het vermoeden vast van het bestaan van dit feit en op basis van artikel 100 wordt het toegeschreven aan de persoon die is vermeld op de inschrijving. Er is geen sprake van onrechtmatige gegevensuitwisseling tussen de DIV en de fiscale administratie, de wet van 28 juli 1938 biedt een wettelijke basis voor deze gegevensuitwisseling.

## 2. Beoordeling

**2.1.** De betwisting betreft uitsluitend de van appellant gevorderde belasting op inverkeerstelling met betrekking tot het voertuig Ford S Max dat op 22 januari 2007 op zijn naam werd ingeschreven bij de DIV.

Krachtens artikel 94, 1° WIGB wordt de belasting op inverkeerstelling geheven op de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik, minibussen en motorfietsen. zoals deze voertuigen omschreven zijn in de reglementering van de inschrijving van de motorvoertuigen en de aanhangwagens en zoals zij worden verstaan in de zin van artikel 4, § 3, voor zover deze voertuigen voorzien zijn of moeten zijn van een andere nummerplaat dan een in het kader van de bedoelde regeling uitgereikte “proefritten”, “handelaars” of tijdelijke plaat andere dan een internationale kentekenplaat. wanneer deze wegvoertuigen op de openbare weg in het verkeer worden gesteld of gebruikt in België.

Deze voertuigen worden geacht op de openbare weg in gebruik te zijn genomen, wanneer zij in het repertorium van de Dienst van het Wegverkeer zijn ingeschreven of moeten zijn (artikel 99, § 1 WIGB). De inschrijving doet een onweerlegbaar vermoeden ontstaan dat het voertuig op de openbare weg in gebruik is genomen.

De belasting op de inverkeerstelling is verschuldigd telkens een natuurlijke persoon of een rechtspersoon een voertuig op zijn naam laat inschrijven bij de Dienst van het Wegverkeer, ongeacht de duur van de inschrijving.

Ingevolge artikel 100 WIGB is de belasting op inverkeerstelling verschuldigd door de natuurlijke of rechtspersoon die vermeld is op het inschrijvingsbewijs op het ogenblik van de eerste inverkeerstelling op de openbare weg van het voertuig door voormelde natuurlijke of rechtspersoon.

Bij elke wijziging van de eigenaar is de belasting op inverkeerstelling verschuldigd door de nieuwe eigenaar van het voertuig.

Het wordt niet betwist dat te dezen het kwestieuze voertuig op 22 januari 2007 werd ingeschreven op naam van appellant en dat het op de openbare weg in het verkeer werd gesteld en gebruikt, zodat ingevolge voormelde bepalingen een belasting op inverkeerstelling verschuldigd is.

Dat het voertuig ingevolge een materiële vergissing ten onrechte op naam van appellant zou zijn ingeschreven, is niet bewezen. Het feit dat hetzelfde voertuig op 5 februari 2007, na terugzending en schrapping van de nummerplaat opnieuw werd ingeschreven, doch ditmaal op naam van de vennootschap van appellant, doet hieraan geen afbreuk.

**2.2.** In tegenstelling tot hetgeen appellant voorhoudt, bestaat voor de belasting op inverkeerstelling geen fiscale aangifte.

Het belastbaar feit is het op de openbare weg in gebruik nemen van het voertuig en niet de inschrijving. Volgens artikel 94 WIGB wordt de belasting geheven onder meer op personenwagens *"voor zover deze voertuigen voorzien zijn of moeten zijn van een andere nummerplaat dan een in het kader van de bedoelde regeling uitgereikte "proefritten- ", "handelaars-" of tijdelijke plaat andere dan een internationale kentekenplaat",* wat volgens artikel 2, § 1 van het K.R. van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen bij het in verkeer brengen is.

De inschrijving is volgens voormeld KB de administratieve toestemming voor de deelname van een voertuig aan het wegverkeer die de identificatie daarvan in een repertorium van voertuigen alsook de toekenning van een inschrijvingsnummer omvat.

Artikel 99, § 1 WIGB bepaalt : *"De in artikel 94, 1°, bedoelde voertuigen worden geacht op de openbare weg in gebruik te zijn genomen"* en knoopt dus aan de inschrijving het vermoeden vast dat het belastbaar feit is vervuld.

De inschrijving van het voertuig is op zich geen voorwaarde en dient geen fiscale doeleinden.

**2.3.** Appellant roept de schending in van artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM-verdrag omdat de fiscale wetgeving aan de belastingplichtige niet toelaat om een verkeerde inschrijving ongedaan te maken dan wel in een teruggave van belastingen voorziet wanneer een voertuig binnen het aanslagjaar wordt afgeschreven en maakt daarbij een vergelijking met de teruggave inzake verkeersbelasting.

Het KB van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van een voertuig bevat een aantal bepalingen met betrekking tot "wijziging in de gegevens van de aanvraag", de "overdracht van kentekenplaten" en “verval van de inschrijving”.

Zoals hiervoor reeds gesteld, is trouwens de inschrijving niet het belastbaar feit, doch wel het in gebruik nemen van het voertuig op de openbare weg. Artikel 99, § 1 WIGB leidt uit de inschrijving enkel het vermoeden af dat dit feit bestaat en op grond van artikel 100 WIGB wordt dit feit toegeschreven aan de natuurlijke of rechtspersoon vermeld op de inschrijving.

Appellant maakt ten onrechte een vergelijking met de verkeersbelasting. De verkeersbelasting is jaarlijks verschuldigd, bij aanvang van ieder belastbaar tijdperk, voor het gebruik van een voertuig op de openbare weg. Indien het belastbaar feit in de loop van het jaar ophoudt, dan wordt de belasting voor het niet verlopen gedeelte teruggegeven.

De belasting op inverkeerstelling is daarentegen verschuldigd voor één welbepaald feit, met name de eerste inverkeerstelling op de openbare weg”. Eens dat feit zich heeft voorgedaan, is de belasting verschuldigd.

**2.4.** Appellant voert ook aan dat er een onrechtmatige gegevensuitwisseling is tussen de DIV en de fiscale administratie.

Het KB van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen voorziet in de oprichting van het repertorium van de voertuigen, dat volgens artikel 6, § 1 een gecomputeriseerd gegevensbestand is dat wordt bij gehouden door het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.

Het bestand kan overeenkomstig artikel 6, § 2, 2° onder meer worden aangewend voor de *“identificatie van de natuurlijke of rechtspersoon die belastingen of retributies verschuldigd is inzake de verwerving, de inschrijving, de inverkeerstelling, het gebruik of de buitengebruikstelling van een voertuig”*.

Artikel 1 van de wet van 28 juli 1938 tot verzekering van de juiste heffing van de belasting bepaalt dat de bestuursdiensten van de staat gehouden zijn op verzoek van een belastingadministratie alle in hun bezit zijnde inlichtingen te verstrekken en inzage te verlenen van alle in hun bezit zijnde akte, registers en om het even welke bescheiden. Deze bepaling stemt overeen met deze van artikel 327, § 1 WIB 92.

Wanneer de belastingadministratie dus het repertorium consulteert en hieruit gegevens haalt die haar toelaten een belasting te vestigen in hoofde van de inschrijver van het voertuig, doet zij mets anders dan de informatie opvragen bij een openbaar bestuur in de zin van voormeld artikel 1 van de wet van 28 juli 1938.

Volgens appellant zou de wet van 28 juli 1938 niet het systematisch uitpluizen van de in de verschillende administratiediensten berustende dossiers tot doel hebben, doch is vereist dat een initieel onderzoek bij een belastingplichtige fiscale onregelmatigheden aan het licht heeft gebracht en kan het enkel gaan om informatie die in hun bezit is.

In casu gaat het om gegevens die de DIV in haar bezit heeft, namelijk de persoonsgegevens van appellant en de inschrijving op 22 januari 2007 van een voertuig op zijn naam.

Noch de wet van 28 juli 1938 noch enige andere wettelijke bepaling verbiedt aan de bestuursdiensten van de staat om aan de fiscus spontaan gegevens mee te delen waarover zij beschikken die voor de fiscale administratie nuttig zijn voor de juiste heffing van de belastingen noch dat deze gegevens ter beschikking worden gesteld om ze te bevragen.

Dit laatste is trouwens georganiseerd bij KB van 20 juli 2001I betreffende de inschrijving van voertuigen, waar artikel 6, § 2, 2°, uitdrukkelijk toelaat dat de persoonsgegevens van het repertorium van de voertuigen worden aangewend om de identificatie te bewerkstelligen van de natuurlijke of rechtspersonen die belastingen of retributies verschuldigd zijn inzake de verwerving, de inschrijving, de inverkeerstelling, het gebruik of de buitengebruikstelling van een voertuig.

Voormeld artikel legt dus de doeleinden vast waarvoor de persoonsgegevens van het repertorium van de voertuigen mogen worden verwerkt. Éen van deze doeleinden is de identificatie van natuurlijke of rechtspersonen die belastingen of retributies verschuldigd zijn inzake de verwerving, de inschrijving, de Inverkeerstelling, het gebruik of de buitengebruikstelling van een voertuig. Dit is een 'duidelijk omschreven' en ook een 'wettig' doel.

De belasting op inverkeerstelling is op grond van artikel 100 WIGB verschuldigd door de persoon die wordt vermeld op het inschrijvingsbewijs en artikel 6, § 2, 2° van het KB van 20 juli 2001 voorziet dat de persoonsgegevens voor dit doel in het repertorium mogen verwerkt worden.

Bovendien dient krachtens artikel 102 WIGB de belasting te worden gestort op de wijze en binnen de termijn vermeld op het bericht dat te dien einde door de ambtenaar of de dienst, aangeduid door de directeur-generaal der directe belastingen, aan de belastingschuldige wordt gezonden. De belastingschuldige wordt als het ware uitgenodigd om de verschuldigde belasting te voldoen. Bij gebrek aan dergelijk bericht moet de belasting, volgens de door de Koning vastgelegde regels, worden gestort uiterlijk bij het verstrijken van de maand volgend op die tijdens welke zij verschuldigd is, wat betekent dat spontaan tot betaling dient overgegaan te worden. De uitnodiging tot betaling is dus slechts een kennisgeving van de reeds bestaande belasting waarvan appellante diende te weten dat hij deze spontaan moest betalen.

De argumentatie van appellant betreffende een onrechtmatige gegevensuitwisseling kan ook niet bijgetreden worden.

**2.5.** Appellant is dus wel degelijk de belasting op inverkeerstelling verschuldigd.

Het bestreden vonnis is op juiste gronden gesteund en dient bevestigd te worden. Het hoger beroep is dus ongegrond en appellant dient veroordeeld te worden tot de kosten van het geding, zoals hierna begroot.

### Dispositif

**OM DIE REDENEN,**

**HET HOF,** recht doende op **tegenspraak**,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935,

Verleent akte aan de Vlaamse Overheid, Vlaamse belastingdienst, van de hervatting van het geding.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt appellant tot de kosten in hoger beroep, aan de zijde van geïntimeerde begroot op € … rechtsplegingsvergoeding,

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het **HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN** van **VIJFTIEN FEBRUARI TWEEDUIZENDENELF**,

waar aanwezig waren :

**D. W.**, Raadsheer wd. Voorzitter,

**M. D.** en **M. G.**, Raadsheren,

**A. V. L.**, Griffier.

**A. V. L.** **M. D.** **M. G.** **D. W.**
