---
title: "Impôt sur les sociétés, Services de conseil · Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers, 17 mars 2026"
description: "Impôt sur les sociétés, Services de conseil, Déduction de la TVA, Infraction, Sanction, impôt des sociétés. Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 17 mars 2026."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/impot-societes-services-conseil-deduction-cour-appel-anvers-2026-03-17-5ee9"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Impôt sur les sociétés, Services de conseil

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Date**

17 mars 2026

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

131 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la cour d'appel d'Anvers du 17.03.2026 – 2024/AR/1418

FIN 55423087-01

\[ Arrêt favorable \]

*TVA – Impôt sur les sociétés – Services de conseil – Déduction de la TVA – Infraction – Sanction*

**Texte intégral:**

### Corps de la décision

*Cet arrêt n'est disponible que dans la langue originale.*

**Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen d.d. 17.03.2026 – 2024/AR/1418**

**cie1,** ON ..., met zetel te ..., ...,

Eiseres in hoger beroep,

Hebbende als raadsman mr. DE NYN Sam, advocaat te 2830 WILLEBROEK,

Antwerpsesteenweg 45 (ref.: 16.199)

tegen het vonnis van de AFi1 kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling

Antwerpen van 17 mei 2024, gekend onder rolnummer 23/280/A

tegen

**BELGISCHE STAAT** - **FOD FINANCIËN,** ON ..., in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de **ADVISEUR- GENERAAL- DIRECTEUR VAN HET KMO CENTRUM ANTWERPEN,** **met** correspondentieadres te 9050 LEDEBERG, Gaston Crommenlaan 6 bus 764,

Verweerder in hoger beroep,

Hebbende als raadsman mr. BONGAERTS Bert, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Gounodstraat

2A bus 29 (ref.: B.S. 4227)

---

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 17 mei 2024, betekend op verzoek van de Belgische Staat bij gerechtsdeurwaardersexploot aan eiseres in hoger beroep op 23 augustus 2024, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 12 september 2024, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

## 1. Voorafgaande feiten en procedure

1.1. Voorwerp van de betwisting.

De betwisting heeft betrekking op de BTW-schuld opgenomen in het innings- en invorderingsregister op 27 december 2022, onder artikelnummer ..., uitvoerbaar verklaard op 28/12/2022.

1.2. Voorgaande feiten.

Eiseres in hoger beroep is voor BTW-doeleinden geregistreerd voor haar activiteit van adviesverlener op het vlak van bedrijfsbeheer, met maatschappelijke zetel te ..., .... Eiseres in hoger beroep nam het handelsfonds over van cie2, die haar adres eveneens had te Schilde, ... en op 1 december 2021 failliet werd verklaard.

In de loop van 2022 vond een controle plaats bij eiseres in hoger beroep over de toepassing van de reglementering inzake vennootschapsbelasting en BTW tijdens de periode lopende van 31/10/2018 tot en met 31/12/2021.

Naar aanleiding van deze controle werden door de belastingadministratie een aantal inbreuken vastgesteld i.v.m. de uitgeoefende BTW-aftrek, dewelke werden opgenomen in een correctieopgave die op 21/10/2022 werd overgemaakt aan eiseres in hoger beroep.

Aangezien geen akkoord kon worden bereikt werd op 10/11/2022 een proces-verbaal opgesteld dat die diezelfde dag ter kennis werd gebracht aan eiseres in hoger beroep. Er werd een bedrag van 6.354,24 euro aan BTW nagevorderd verhoogd met een boete van 630 euro en nalatigheidsinteresten vanaf 21/01/2021.

Op 27/12/2022 werd de schuld van eiseres in hoger beroep opgenomen in het innings- en invorderingsregister onder nummer ... en op 28/12/2022 uitvoerbaar verklaard.

1.3. Procedure voor de eerste rechter.

Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen op 24/02/2023 stelde eiseres in hoger beroep een vordering in rechte in.

Eiseres in hoger beroep verzocht:

\- haar vordering integraal ontvankelijk en gegrond te verklaren en vervolgens:

haar bezwaren ontvankelijk en gegrond te verklaren en derhalve het bestreden proces-verbaal d.d. 10/11/2022 (in navolging van een correctieopgave die d.d. 21/10/2022 zou zijn verstuurd) nietig te verklaren, de daarin weergegeven vordering te vernietigen, alleszins integraal te ontheffen en aldus te bevestigen dat eiseres in hoger beroep deze bedragen niet verschuldigd is, noch in hoofdsom, noch qua geldboete, noch qua interesten;

ondergeschikt, te oordelen dat tussen 14/11/2019 en 31/12/2020 het beroepsmatig gedeelte van het pand te Schilde, ... een percentage van 60% bedraagt en de aftrek in die verhouding wel kan worden toegepast;

\- eiseres in hoger beroep te ontslaan van eventueel ten onrechte ingekohierde belastingen en in voorkomend geval, alleszins de terugbetaling te bevelen van de eventueel door eiseres in hoger beroep reeds betaalde bedragen en/of door verweerder in hoger beroep ten onrechte ingehouden bedragen, vermeerderd met de moratoriuminteresten;

\- verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding begroot op het basisbedrag.

De rechtbank verklaarde de vordering van eiseres in hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond.

De BTW-schuld vermeld in het proces-verbaal van 10/11/2022 en zoals opgenomen in het innings- en invorderingsregister op 27/12/2022 met schuldnummer ... en uitvoerbaar verklaard op 28/10/2022, werd ongegrond verklaard in die zin dat rekening diende gehouden te worden met:

\- een recht op aftrek van 20% voor de kosten met betrekking tot het pand gelegen te Schilde, ... vanaf 14/11/2019;

\- een bedrag van 103,96 euro aan na te vorderen BTW met betrekking tot de aankoop van een twee pc in plaats van 125,79 euro.

De terugbetaling werd bevolen van de bedragen die in voormelde mate eventueel betaald of geïnd werden op basis van de deels ongegrond verklaarde BTW-vordering, vermeerderd met moratoriuminteresten in toepassing van [artikel 91 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91).

Het meer en/of anders gevorderde werd afgewezen als ongegrond. Eiseres in hoger beroep werd veroordeeld tot het betalen van 9/10 de van de kosten van het geding, in hoofde van verweerder in hoger beroep niet begroot en door de rechtbank vereffend op 0.00 euro. Verweerder in hoger beroep werd veroordeeld tot 1/10 de van de kosten van het geding, in hoofde van eiseres in hoger beroep begroot en door de rechtbank vereffend op de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 135 euro (1/10 van 1.350 euro) en de bijdrage aan het begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand t.b.v. 24 euro.

De rechtbank oordeelde dat eiseres in hoger beroep geen enkel stuk bijbracht waaruit bleek in hoeverre het pand sedert 14 november 2019 beroepsmatig wordt aangewend. De rechtbank achtte het weinig geloofwaardig dat het vestigen van het domicilie van de zaakvoerder geen enkele impact zou hebben op de aanwending van het betreffende onroerend goed. De rechtbank achtte het onredelijk om geen enkel beroepsmatig gebruik van het pand te aanvaarden vanaf 14/11/2019 aangezien niet betwist werd dat de maatschappelijke zetel van eiseres in hoger beroep gevestigd was op het adres ... te Schilde. Rekening houdende met de voorliggende gegevens van het dossier raamde de rechtbank het beroepsgebruik van het pand vanaf 14/11/2019 op 20%.

De rechtbank oordeelde dat eiseres in hoger beroep zich beperkte tot louter beweringen zonder het beroepsmatig karakter van de kosten voor een tweede PC daadwerkelijk aan te tonen aan de hand van objectieve en controleerbare stukken zodat de aftrek van de BTW derhalve terecht werd verworpen. De rechtbank stelde vast dat er wel te veel BTW werd nageheven zijnde 125,79 euro in plaats van 103,96 euro en heeft de BTW-schuld in die mate herleid.

Wat betreft de door cie2 doorgerekende kosten van cie3 oordeelde de rechtbank dat eiseres in hoger beroep op geen enkele wijze aantoonde dat het beroepsgebruik van deze kosten hoger was dan het weerhouden percentage van 38%.

Wat betreft de telefoon- en computerkosten oordeelde de rechtbank dat eiseres in hoger beroep op geen enkele wijze aantoonde dat het beroepsgebruik van deze kosten hoger was dan het weerhouden percentage van 25%.

Wat betreft de Factuur AF 19/106 (plaatsing alarminstallatie) oordeelde de rechtbank dat eiseres in hoger beroep op geen enkele wijze aantoonde dat de kosten (deels) bestemd waren voor het deels beroepsmatig aangewend pand zodat de aftrek van de BTW m.b.t. deze factuur derhalve terecht werd verworpen.

Bij gebrek aan bewijs van enig beroepsmatig karakter van de aankoopkosten m.b.t. een toaster, materiaal voor huisdieren en duivenvoeding, werd het recht op aftrek naar het oordeel van de eerste rechter terecht geweigerd.

De rechtbank oordeelde dat gelet op de duidelijke wettelijke bepalingen de belastingadministratie het recht op aftrek van de BTW m.b.t. de kosten inzake personenwagens terecht had beperkt tot 50%.

Tenslotte zag de rechtbank geen enkele reden om de geldboete kwijt te schelden. De rechtbank oordeelde dat de proportionele geldboete van 10% gerechtvaardigd en evenredig was met de begane inbreuk.

Tegen dit vonnis werd bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 12/09/2024 hoger beroep ingesteld door de eiseres in hoger beroep.

1.4. Procedure voor het hof van beroep.

Eiseres in hoger beroep vordert:

het hoger beroep integraal ontvankelijk en gegrond te verklaren;

dienvolgens het bestreden vonnis te vernietigen, te hervormen en aldus opnieuw

rechtsprekende:

de oorspronkelijke bezwaren van eiseres in hoger beroep ontvankelijk en gegrond

te verklaren en derhalve het bestreden proces-verbaal d.d. 10/11/2022 (in navolging van een correctieopgave die d.d. 21/10/2022 zou zijn verstuurd) nietig te verklaren, de daarin weergegeven vordering te vernietigen, alleszins integraal te ontheffen en aldus te bevestigen dat eiseres in hoger beroep deze bedragen niet verschuldigd is, noch in hoofdsom, noch qua geldboete, noch qua interesten;

eiseres in hoger beroep te ontslaan van eventueel ten onrechte ingekohierde belastingen en in voorkomend geval, alleszins de terugbetaling te bevelen van de eventueel door eiseres in hoger beroep reeds betaalde bedragen en/of door verweerder in hoger beroep ten onrechte ingehouden bedragen, vermeerderd met de moratoriuminteresten;

verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding begroot op het basisbedrag;

verweerder in hoger beroep te veroordelen tot alle gedingkosten van beide aanleggen, en dit met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding begroot op het corresponderende basisbedrag per aanleg.

Verweerder in hoger beroep besluit tot de ontvankelijkheid doch ongegrondheid van het hoger beroep en vordert eigenlijk het bestreden vonnis te bevestigen en eiseres in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het hoger beroep en de rechtsplegingsvergoeding die bepaald dient te worden op 1.412,79 euro.

## 2. Bespreking

### 2.1. Recht op aftrek BTW

#### 2.1.1 Algemeen:

Krachtens [artikel 45, § 1, 1°](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) Wetboek-btw, mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in aftrek brengen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen.

De aftrekregeling heeft tot doel, de belastingplichtige geheel te ontlasten van de in het kader van al zijn economische activiteiten verschuldigde of betaalde btw. Het gemeenschappelijke btw-stelsel waarborgt bijgevolg een neutrale fiscale belasting van alle economische activiteiten, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteiten, mits die activiteiten in beginsel zelf aan de btw zijn onderworpen.

Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie vormt het recht van de belastingplichtigen om op de door hen verschuldigde btw, de btw in aftrek te brengen die verschuldigd of voldaan is voor in eerdere stadia aan hen geleverde goederen en verleende diensten, een basisbeginsel van het bij de Unieregeling ingevoerde gemeenschappelijke btw- stelsel (zie arrest van 6 december 2012, Bonik, C 285/11, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

Dienaangaande heeft het Hof van Justitie herhaaldelijk geoordeeld dat het recht op aftrek waarin de artikelen [167 en volgende](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-167) van richtlijn 2006/112 voorzien, een integrerend deel van de btw-regeling is en het, in beginsel, niet kan worden beperkt. In het bijzonder wordt dit recht onmiddellijk uitgeoefend voor alle belastingen die op in eerdere stadia verrichte handelingen hebben gedrukt (zie reeds aangehaald arrest Bonik, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

Bovendien kan de betrokkene slechts recht op aftrek genieten indien hij, ten eerste, een belastingplichtige in de zin van deze richtlijn is en, ten tweede, de goederen of diensten waarvoor aanspraak op dat recht wordt gemaakt, door de belastingplichtige in een later stadium zijn gebruikt voor zijn eigen belaste handelingen en in een eerder stadium door een andere belastingplichtige zijn verricht (zie reeds aangehaald arrest Bonik, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Indien aan die voorwaarden is voldaan, kan de aftrek dus in principe niet worden geweigerd.

De bewijslast van het bestaan van een recht op aftrek berust bij de belastingplichtige. Het is derhalve eiseres in hoger beroep die moet bewijzen dat zij in de wettelijke omstandigheden verkeert om dit recht op aftrek te mogen uitoefenen.

#### 2.1.2 Beroepsmatig gebruik/privégebruik van het pand Schilde, ...:

Eiseres in hoger beroep wijst erop dat zij de activiteiten van de intussen failliet verklaarde vennootschap cie2 heeft overgenomen en dat het door de belastingadministratie destijds weerhouden percentage voor het beroepsmatig gebruik van het pand gelegen te Schilde, ..., waar de maatschappelijke zetel van eiseres in hoger beroep is gelegen, dient behouden te blijven. Eiseres in hoger beroep houdt derhalve een professioneel gebruik voor van 85 % en een privégebruik van 15%. Eiseres in hoger beroep verwijst naar een fiscale controle met betrekking tot de jaren 2015 en 2016 waarbij door de administratie een opsplitsing beroepsmatig gebruik en privégebruik van respectievelijk 85% en 15% werd aanvaard. Eiseres in hoger beroep stelt dat het feit dat de heer H.V.A. zijn domicilie tijdelijk op het betreffende adres heeft geplaatst, niet tot gevolg heeft dat het beroepsmatig gebruik van dit pand plots gereduceerd kan worden naar 20%. Eiseres in hoger beroep stelt dat aan het beroepsmatig gebruik in realiteit niets is gewijzigd. Zij houdt voor dat de reële aanwending van dit pand sinds de ingebruikname in 2004 nooit is gewijzigd. Volgens eiseres in hoger beroep is er geen enkele reden op grond waarvan het beroepsmatig gebruik van 85% gereduceerd wordt tot 20%. Minstens en alleszins dient, volgens haar, te worden geoordeeld dat het door de heer H., accountant van eiseres in hoger beroep, vooropgestelde percentage van 40% (zelfs tijdelijk) privégebruik en 60% beroepsmatig gebruik bijzonder redelijk en aanvaardbaar is.

Het recht op aftrek wordt uitgeoefend o.b.v. het bestemmingsbeginsel. Dit houdt in dat de btw-belastingplichtige de btw op goederen of diensten slechts mag recupereren indien hij deze daadwerkelijk bestemd voor de uitoefening van zijn economische activiteit. In het bijzonder wanneer een onroerend goed voor gemengd gebruik deel uitmaakt van het vermogen van de belastingplichtige, wordt de aftrek beperkt tot beloop van het gebruik voor de doeleinden van de economische activiteit.

De betwisting tussen partijen heeft enkel betrekking op het percentage beroepsmatig gebruik.

Eiseres in hoger beroep dient het positieve bewijs te leveren van haar beroepsmatig gebruik van het pand.

Naar aanleiding van een eerdere controle met betrekking tot aanslagjaar 2015 en 2016 bij de cie2, voorloper van eiseres in hoger beroep, werd vastgesteld dat het onroerend goed waarin de maatschappelijke zetel gevestigd was, ... te Schilde, door deze vennootschap voor 85% beroepsmatig werd aangewend. Het privégebruik van het pand was op dat ogenblik beperkt tot opslag van privégoederen en werd bepaald op 15%.

Het hof stelt, samen met de eerste rechter, op basis van de voorliggende gegevens vast dat de zaakvoerder van eiseres in hoger beroep en zijn toenmalige echtgenote hun domicilie op 14 november 2019 verplaatsten van ..., te ... naar het adres van de maatschappelijke zetel van eiseres in hoger beroep, zijnde ... te Schilde. De toenmalige echtgenote verliet dit adres op 07/10/2021. De zaakvoerder van eiseres in hoger beroep behield zijn domicilie aldaar tot 4 februari 2022.

Het betrokken gebouw werd bijgevolg sinds 14/11/2019 ook gebruikt als woonplaats van de zaakvoerder van de belastingplichtige. Het gedeeltelijke gebruik van de woning voor privédoeleinden staat te dezen vast (art. 45 § 1, [art. 45 § 1quinquies WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45)).

Gelet op deze gewijzigde omstandigheden is het hof, samen met de belastingadministratie van oordeel, dat het voorheen aanvaarde percentage beroepsgebruik/privégebruik van 85%­15% niet behouden kan blijven vanaf 14/11/2019. Het kan niet ontkend worden dat het vestigen van het domicilie van de zaakvoerder (en zijn echtgenote tot 07/10/2021) een impact heeft op de aanwending van het betreffende onroerend goed. Vanaf 14/11/2019 werd het pand immers bewoond door particulieren die het privé aanwenden voor bewoning.

De eerste rechter heeft in alle redelijkheid en rekening houdende met het feit dat de maatschappelijke zetel van eiseres in hoger beroep gevestigd is op het adres ... te Schilde, het beroepsmatig gebruik van het pand vanaf 14/11/2019 (datum van vestiging van het domicilie van de zaakvoeder van eiseres in hoger beroep op het adres ... te Schilde) geraamd op 20% en de BTW vordering in die zin herleid.

Het hof stelt vast dat eiseres in hoger beroep niet aantoont dat het kwestieuze pand in de kwestieuze periode voor meer dan 20 % beroepsmatig werd aangewend. De belastingplichtige voert te dezen geen enkel objectief en controleerbaar element aan, noch objectief en nauwkeurig bewijs van een specifiek toerekeningspercentage dat hoger is dan hetgeen reeds aanvaard werd door de eerste rechter.

Het hoger beroep van eiseres in hoger beroep is op dit punt ongegrond.

#### 2.1.3 BTW aankoop tweede computer:

De belastingadministratie heeft de aankoopkosten van één van de twee aangekochte pc's (factuur AF 19/04 van cie4) verworpen wegens gebrek aan bewijs van effectieve beroepsmatige aanwending van de tweede pc.

Eiseres in hoger beroep houdt voor dat de computer werd gebruikt door een personeelslid werkzaam in de vennootschap.

Er worden desbetreffend geen objectieve en controleerbare stukken voorgelegd aan het hof. Het hof stelt vast dat eiseres in hoger beroep faalt in de op haar berustende bewijslast en niet verder komt dan loutere beweringen.

De aftrek van BTW voor de kosten met betrekking tot de aankoop van voormelde PC werd derhalve terecht verworpen door de belastingadministratie.

De eerste rechter heeft dan ook terecht de BTW-schuld louter herleid om reden dat in het proces-verbaal een materiële vergissing was geslopen waardoor teveel BTW werd nageheven zijnde 125,79 euro, terwijl de BTW 103,96 euro bedroeg (maatstaf van heffing was immers 495 euro).

#### 2.1.4 Doorgerekende kosten van cie3 en telefoon- en computerkosten:

cie2 rekende kosten door aan eiseres in hoger beroep m.b.t. diensten geleverd door cie3. Er werd een beroepsgebruik van 38% aanvaard door de belastingadministratie.

De belastingadministratie heeft wat betreft de telefoon- en computerkosten, rekening houdende met het gemengd gebruik van deze kosten een BTW-aftrek aanvaard van 75%.

Ook hier treedt het hof de oordeelkundige beslissing van de eerste rechter bij en maakt zich deze eigen. Eiseres in hoger beroep toont niet aan dat het beroepsgebruik van deze kosten hoger is dan hetgeen aanvaard werd door de belastingadministratie.

#### 2.1.5 Kosten plaatsing alarminstallatie en afwerking tuin:

Eiseres in hoger beroep wenst de BTW op deze facturen voor 85% af te trekken omdat ze betrekking zouden hebben op dit beweerde percentage van beroepsmatig gebruik van het pand gelegen te ... te Schilde, alwaar de maatschappelijke zetel gevestigd is. Zij stelt ook dat deze kosten gemaakt werden voordat de heer H.V.A. zijn domicilie op voormeld adres heeft gevestigd.

Het blijkt niet dat deze kosten bestemd zijn voor beroepsdoeleinden.

Aankoopfactuur 19/106 betreft de doorrekening door cie2 aan cie1, eiseres in hoger beroep, van een aankoopfactuur van cie5 voor 'leveren en plaatsen van een nieuw alarm- en camerasysteem in de Hofse Velden'. Tevens heeft deze factuur betrekking op het doorrekening van kosten met betrekking tot de voorbereiding (grondwerk voor bekabeling) en de afwerking (tuinaanleg) van de plaatsing van bovenvermelde alarminstallatie.

Uit de voorgelegde stukken, meer bepaald stuk 6 (vonnis ondernemingsrechtbank d.d. 01/04/2020) van verweerder in hoger beroep, blijkt dat het ging over een zeer specifiek alarmsysteem, bestemd voor de beveiliging van duiven. De voorbereidingswerken en afwerking betreffen grondwerk voor bekabeling en heraanleg zones ondergrondse bekabeling alarminstallatie (zie aankoopfactuur 19/94 van de cie6).

Het blijkt dan ook geenszins dat dit alarmsysteem, de voorbereidingswerkzaamheden en de afwerking, bestemd zijn voor het deels beroepsmatig aangewende pand. Het blijkt niet dat deze kosten bestemd zijn voor beroepsmatige doeleinden van eiseres in hoger beroep, bijgevolg is er geen recht op aftrek van de voorbelasting geheven over deze kosten.

De aftrek van BTW werd dan ook terecht verworpen.

#### 2.1.6 Aankoopkosten toaster, materiaal voor huisdieren en duivenvoeding:

In de conclusies in hoger beroep wordt er desbetreffende door eiseres in hoger beroep geen betwisting meer gevoerd.

Voor zoveel als nodig treedt het hof de oordeelkundige bevindingen van de eerste rechter bij en maakt zich deze eigen. Bij gebrek aan bewijs van enig beroepsmatig karakter van deze aankopen werd het recht op aftrek door de belastingadministratie terecht geweigerd.

#### 2.1.7 Kosten met betrekking tot personenwagen

De belastingadministratie heeft de in aftrek gebrachte BTW van de facturen met betrekking tot de personenwagens slechts aanvaard voor 50% in toepassing van [art. 45 §2 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45).

Eiseres in hoger beroep meent dat gelet op het gegeven dat deze facturen betrekking hebben op huurkosten van een wagen en een acculader deze kosten niet onderhevig zijn aan de voormelde aftrekbeperking.

Terecht oordeelde de eerste rechter dat op grond van [artikel 45 §2 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45), ten aanzien van de levering, de invoer en de intracommunautaire verwerving van autovoertuigen bestemd voor het vervoer van personen en/of goederen over de weg, en ten aanzien van goederen en diensten met betrekking tot die voertuigen, de aftrek in geen geval hoger mag zijn dan 50% van de betaalde belasting.

Gelet op voormelde duidelijke wettelijke bepaling heeft de belastingadministratie terecht het recht op aftrek van de BTW met betrekking tot de kosten inzake personenwagens beperkt tot 50%.

### 2.2 De boete van 10%

De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van artikel 70 W.BTW te toetsen, mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.

Die toetsingsrecht moet in het bijzonder de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.

Hierbij mag hij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met die sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingplichtige om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen ([Cass., 21 januari 2005](https://juriel.be/fr/jurisprudence/sanctions-administratives-caractere-repressif-legalite-cassation-bruxelles-2005-01-21-2739), R.W., 2005-2006, 1015).

Er werd een proportionele geldboete van 10% opgelegd door de belastingadministratie. Rekening houdend met aard en de ernst van de feiten is het hof van oordeel dat de opgelegde geldboete van 10 % voldoende gemotiveerd is, in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen en evenredig is met de door de belastingplichtige gepleegde inbreuken. Er is geen enkele reden om uitstel van de tenuitvoerlegging van de boete van 10% te verlenen. Gelet op voorgaande wijst het hof de overige aanvoeringen van partijen af als niet ter zake dienend en/of overbodig.

### 2.3. Rechtsplegingsvergoeding

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S.31.05.2007).

Eiseres in hoger beroep, de in het ongelijk gestelde partij, dient veroordeeld te worden tot de kosten van het hoger beroep (art. 1017 Ger.W.).

Het hof vereffent de kosten in hoger beroep in hoofde van verweerder in hoger beroep op 1.412,79 euro rechtsplegingsvergoeding.

Het hof laat de bijdrage begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017) betaald in hoger beroep ten laste van eiseres in hoger beroep.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 279 1, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..

### Dispositif

## 3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van eiseres in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Het hof bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.

Het hof veroordeelt eiseres in hoger beroep tot de kosten van het hoger beroep.

Het hof vereffent de kosten in hoger beroep in hoofde van verweerder in hoger beroep op 1.412,79 euro rechtsplegingsvergoeding.

Het hof laat de bijdrage begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017) betaald in hoger beroep ten laste van eiseres in hoger beroep.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 279 1, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..

Het hof wijst het anders en/of meer gevorderde af.

Op het ogenblik van de uitspraak van huidig arrest, waarover plaatsvervangend raadsheer B. PEETERS mede beraadslaagd heeft, en die thans, wettelijk verhinderd zijnde, in de onmogelijkheid verkeert om dit arrest mede te ondertekenen, handelend volgens art. 785 van het Ger. W., tekenen de overige raadsheren, die mede hebben beraadslaagd, en de griffier, en aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het hof van beroep te Antwerpen van 17 maart 2026,

## Textes cités

3

[CTVA art. 45](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) 4 occurrences

[CTVA art. 91](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) 1 occurrence

[directive TVA 2006/112 art. 167](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-167) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-conditions-formelles-materielles-tribunal-2023-05-19-3638) 3 dispositions communes

[Indices de fraude, Relevé de régularisation, Procès-verbal](https://juriel.be/fr/jurisprudence/indices-fraude-releve-regularisation-proces-tribunal-nivelles-2024-01-08-9601) 3 dispositions communes

[Déduction, factures fictives, procédure pénale, délai de prescription](https://juriel.be/fr/jurisprudence/deduction-factures-fictives-procedure-penale-cour-appel-anvers-2022-02-15-edb7) 3 dispositions communes

[Contrainte, Motivation des actes administratifs, Droit à déduction, Fraude](https://juriel.be/fr/jurisprudence/contrainte-motivation-actes-administratifs-droit-cour-appel-anvers-2016-09-27-15d0) 3 dispositions communes

[Droit à déduction, Délai préfix, Forclusion, Prescription](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-delai-prefix-forclusion-tribunal-liege-2022-04-25-0b11) 2 dispositions communes

[Carrousel TVA, Participation, Refus de déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/carrousel-tva-participation-refus-deduction-cour-appel-bruxelles-2020-09-10-0c67) 2 dispositions communes

[Séminaire, Différents taux de TVA](https://juriel.be/fr/jurisprudence/hotel-seminaire-differents-taux-tva-tribunal-2026-04-20-0f2e) 2 dispositions communes

[Droit de déduction, Révision, Participation à une unité TVA](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-revision-participation-unite-tribunal-hasselt-2026-03-11-110c) 2 dispositions communes
