---
title: "Horeca, Preuve · Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers, 17 mai 2022"
description: "Horeca, Preuve, Présomption, Amende, Intention frauduleuse. Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 17 mai 2022."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/horeca-preuve-presomption-amende-intention-cour-appel-anvers-2022-05-17-6927"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Horeca, Preuve, Présomption, Amende, Intention frauduleuse

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Date**

17 mai 2022

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

**Sens lu par le SPF**

favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

153 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers du 17.05.2022

WF 707-15-20/010507

\[Favorable à l’Etat belge\]

*Taxe sur la valeur ajoutée – Horeca- Preuve – Présomption – Amende – Intention frauduleuse*

## Dispositions légales

[Article 59, § 1er, du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59)

## Résumé

## 1. Les faits et les antécédents de procédure

L’assujettie exploite une brasserie. Lors d'un contrôle, il ressort des constatations tirées du journal des recettes journalières et des souches-TVA que la comptabilité n'était pas probante. Dès lors, une nouvelle évaluation du chiffre d’affaires a été établie.

Ces infractions ont été contestées par le biais d’une requête déposée au greffe du tribunal de première instance d'Anvers, division Anvers. Le juge siégeant en premier degré a déclaré la demande de la requérante recevable mais non fondée. L’assujettie a fait appel de ce jugement.

## 2. L'arrêt de la cour d'appel

### a. Concernant la valeur probante de la comptabilité et la nouvelle évaluation du chiffre d'affaires

La cour constate qu'en degré appel l’appelante ne démontre pas que sa comptabilité est effectivement probante.

La cour relève également que, en ce qui concerne le calcul du chiffre d'affaires, l’appelante se limite à de pures allégations sans apporter la moindre preuve les confirmant.

Tout comme le juge siégeant en premier degré, la cour constate que, sur la base du montant des boissons achetées et en se référant aux bases forfaitaires de taxation des cafetiers, l'administration a prouvé de manière adéquate et non arbitraire l'existence d'un chiffre d'affaires supérieur au chiffre d’affaires déclaré. L'appelante n'a pas fourni la preuve contraire requise.

### b. Concernant l'amende

La cour d'appel juge que l'intention frauduleuse retenue dans le chef de l’appelante est motivée par des preuves suffisantes. La bonne foi dans le chef de l’appelante ne peut pas être établie.

La cour juge que l'amende de 200% infligée en l'espèce est proportionnée à la gravité et à la nature des infractions commises et constitue une sanction appropriée et adéquate au regard des actes commis par l’appelante qui n'apporte aucune preuve objective concernant le chiffre d'affaires réellement réalisé relatif à la vente de boissons.

## Remarque

Le jugement a été signifié à l’assujettie. Le délai de cassation a depuis lors expiré.

**Texte de l’arrêt**

***L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale***

### Corps de la décision

**Hof van beroep Antwerpen, kamer B6M, burgerlijke zaken**

Arrest van 17/05/2022

Rol: 2021/AR/87

**D. L. NV**, ON 047...35, met maatschappelijke zetel te …,

**Eiseres in hoger beroep**,

vertegenwoordigd door mr. S. N. loco mr. P. J., advocaat te …, …

tegen het vonnis van de AFil kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 18 december 2020, gekend onder rolnummer 20/596/A

tegen

**BELGISCHE STAAT**, ON 0308.357.159, in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 112, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR GENERAAL-DIRECTEUR VAN HET KMO CENTRUM ANTWERPEN, ON 0308.357.159, met diensten te 2930 BRASSCHAAT, Ruiterijschool 3 bus 92,

**Verweerder in hoger beroep**,

vertegenwoordigd door mr. B. B. loco mr. D. A., advocaat te …

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 18 december 2020 alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 18 januari 2021, waarbij hoger beroep wordt ingesteld.

**1.** **Feitelijke en procedurele retroacta.**

1.1. Huidige betwisting heeft betrekking op een innings- en invorderingsbericht B.T.W. d.d. 18 december 2019, nr. ... ingevolge waarvan een bedrag van 32.435,90 EUR als B.T.W. verschuldigd is en 64.870 EUR als boete.

Eiseres in hoger beroep baat brasserie D. S. uit in B. .

Op 8 september 2017 vond een controle ter plaatse plaats in de brasserie waarbij werd vastgesteld dat eiseres in hoger beroep geen kassaticket uitreikte dat werd aangemaakt door een geregistreerd kassasysteem. Eiseres in hoger beroep was nochtans geregistreerd voor een geregistreerd kassasysteem en voldeed aan de voorwaarden daartoe.

Op 18 december 2018 werd een kennisgeving tot uitbreiding van de verjaringstermijn als bepaald in artikel 84ter W.B.T.W. verzonden wegens bepaalde aanwijzingen van belastingontduiking. In het bijzonder werd vastgesteld dat Z-totalen ontbraken, de nummering van B.T.W.-bonnen niet klopte of dat B.T.W.-bonnen ontbraken, voor bepaalde dagen werden dagontvangsten niet of pas later opgenomen in het dagontvangstenboek en voor speciale evenementen werden de dagontvangsten niet aangegeven of onderschat. Tevens werd vastgesteld dat eiseres in hoger beroep pas op 4 januari 2018 over een geregistreerd kassasysteem beschikte.

Bij brief d.d. 17 januari 2019 werd de uitbreiding van de verjaringstermijn betwist.

Op 25 februari 2019 werd een correctieopgave toegezonden aan eiseres in hoger beroep ingevolge waarvan zij een bedrag van 32.435,90 EUR als B.T.W. verschuldigd zou zijn over het jaar 2016. Uit de vaststellingen omtrent het dagontvangstenboek en de B.T.W.-bonnen, bleek dat de boekhouding niet bewijskrachtig is, zodat een tegenberekening voor de omzet dranken werd doorgevoerd aan de hand van de aangekochte hoeveelheden en op basis van de prijslijst van oktober 2018, bij gebrek aan prijslijsten van 2015 en 2016. Deze tegenberekening toonde aan dat eiseres in hoger beroep te weinig omzet voor dranken had aangegeven. Eiseres in hoger beroep verklaarde zich niet akkoord bij brief van 21 maart 2019.

Op 19 november 2019 werd een proces-verbaal opgesteld voor het jaar 2016 houdende dezelfde vaststellingen en omzetberekening als opgenomen in de correctieopgave d.d. 25 februari 2019.

Het bestreden innings- en invorderingsbericht werd verzonden op 18 december 2019.

1.2. Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen op 29 januari 2020, vorderde eiseres in hoger beroep het verzoek ontvankelijk en gegrond te verklaren, bijgevolg het innings- en invorderingsbericht nr. ... van 18 december 2018 te vernietigen en te zeggen voor recht dat de bedragen erin vermeld ten titel van B.T.W., geldboeten en intresten niet verschuldigd zijn, de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van alle bedragen ten titel van B.T.W., geldboeten en intresten die werden betaald of werden ingehouden ter delging van de beweerde B.T.W.-schuld, meer intresten en de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op de rechtsplegingsvergoeding.

De eerste rechter verklaarde de vordering ontvankelijk doch ongegrond en veroordeelde eiseres in hoger beroep tot de kosten van het geding, niet begroot en vereffend op 0,00 euro.

De eerste rechter stelde vast dat eiseres in hoger beroep gehouden was sinds 1 juli 2016 tot het hebben van een geregistreerd kassasysteem en tot het uitreiken van kassatickets aangemaakt door een geregistreerd kassasysteem en dat eiseres in hoger beroep erkent pas sinds 4 januari 2018 het geregistreerd kassasysteem te hebben geactiveerd. Dat de wetgeving ter zake onduidelijk was, betreft een loutere bewering.

De eerste rechter stelde dat de verschillende onregelmatigheden die de administratie heeft vastgesteld in de boekhouding niet door eiseres in hoger beroep worden weerlegd. Eiseres in hoger beroep beperkt zich tot loutere beweringen en reduceert de vaststellingen van de administratie tot loutere vergissingen in haren hoofde. Eiseres in hoger beroep toont met geen enkel stuk aan dat haar boekhouding wel bewijskrachtig is.

Wat de omzetberekening betreft, stelde de eerste rechter vast dat eiseres in hoger beroep het uitgangspunt van de berekening, met name de hoeveelheid aangekochte dranken, niet betwist. De eerste rechter oordeelde dat de administratie op deugdelijke wijze het bestaan van een meeromzet heeft bewezen. Eiseres in hoger beroep heeft geen controleerbare gegevens voorgelegd waaruit zou moeten blijken dat de vaststelling van de omzet overdreven zou zijn of op willekeurige wijze zou zijn bepaald. Eiseres in hoger beroep beperkt zich tot een opsomming van elementen waar de B.T.W.-administratie beweerdelijk geen rekening mee zou hebben gehouden, zonder enige onderbouwing. Zij levert evenmin het tegenbewijs van het gehanteerde wettelijk vermoeden.

Wat betreft de boete, stelde de eerste rechter dat eiseres in hoger beroep nagelaten heeft zich in regel te stellen, dat zij naar eigen goeddunken haar ontvangsten al dan niet opneemt in haar belastbare ontvangsten en geen moeite doet om haar boekhouding op controleerbare wijze bij te houden. De eerste rechter oordeelde dat er dan ook geen enkele reden is om af te wijken van de wettelijke boete.

Tegen dit vonnis heeft eiseres in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 18 januari 2021, hoger beroep ingesteld.

**2.** **De vorderingen en standpunten in hoger beroep.**

2.1. Eiseres in hoger beroep vordert het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren, dienvolgens het vonnis van de eerste rechter teniet te doen / te hervormen in de mate dat de oorspronkelijke vorderingen van eiseres in hoger beroep werden afgewezen, opnieuw rechtdoende te zeggen voor recht, de oorspronkelijke vordering toelaatbaar en gegrond te verklaren, bijgevolg het betwiste innings- en invorderingsbericht B.T.W. integraal te vernietigen, dan wel te ontheffen en terugbetaling te bevelen van alle ten onrechte betaalde of ingehouden bedragen meer moratoriumintresten als voorzien in artikel 418 W.I.B. 1992 (lees artikel 91 W.B.T.W.) en de kosten ten laste te leggen van de Belgische Staat, begroot op 6.000 EUR rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg, 7.000 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep en 20 EUR bijzondere bijdrage begrotingsfonds per aanleg.

2.2. Verweerder in hoger beroep, de Belgische Staat, vordert het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, niet over te gaan tot de vernietiging van het bestreden vonnis van 18 december 2020 en aldus het innings- en invorderingsbericht voor schuldnummer ... te bekrachtigen en eiseres in hoger beroep niet te ontheffen van de erin opgenomen verschuldigde bedragen, niet over te gaan tot kwijtschelding of vermindering van de opgelegde boete, geen terugbetaling te bevelen van de betalingen, inhoudingen en/of toerekeningen die zouden zijn gebeurd met het oog op aanzuivering van de schuld met RCIV-nummer ..., eiseres in hoger beroep te veroordelen tot de kosten, begroot op de minimale rechtsplegingsvergoeding van 1.400 EUR in hoger beroep en in de niet te weerhouden veronderstelling dat de vordering van eiseres in hoger beroep gegrond wordt verklaard, de rechtsplegingsvergoeding te bepalen op het basistarief.

**3.** **Bespreking.**

3.1. Wat betreft de uitreiking van geldige B.T.W.-kastickets.

Eiseres in hoger beroep stelt te zijn beboet voor het niet uitreiken van een kassaticket uit een geregistreerd kassasyteem op 8 september 2017 waarvan proces-verbaal werd opgesteld op 30 oktober 2017, zodat hieraan geen gevolgen meer kunnen worden gekoppeld en geen fraude uit kan worden afgeleid. Eiseres in hoger beroep verwijst tevens naar latere controles in 2019 en 2020 waarbij inbreuken op het kassasysteem zouden zijn vastgesteld.

Het hof stelt vast dat huidige betwisting uitsluitend betrekking heeft op het kalenderjaar 2016. Vastgestelde inbreuken in latere jaren omtrent het gebruikte kassasysteem kunnen dan ook geen gevolgen ressorteren voor het jaar 2016, in het bijzonder in acht genomen dat eiseres in hoger beroep voor de vastgestelde inbreuken werd beboet. Het hof gaat er dan ook niet nader op in.

Deze vaststellingen in 2017, 2019 en 2020 doen evenwel geen afbreuk aan het feit dat eiseres in hoger beroep het geregistreerde kassasysteem pas op 4 januari 2018 in gebruik heeft genomen, terwijl zij hiertoe reeds gehouden was sinds 1 juli 2016. De administratie kon dan ook rechtmatig vaststellen dat eiseres in hoger beroep tijdens de gecontroleerde periode nog geen geregistreerd kassasysteem in gebruik had.

Wat de vaststellingen omtrent de uitgereikte B.T.W.-bonnen betreft, stelt eiseres in hoger beroep dat meerdere B.T.W.-boekjes in gebruik waren, waardoor de chronologie kon afwijken. Wat betreft de ontbrekende B.T.W.-bonnen voor 15 en 16 juli 2016 stelt eiseres in hoger beroep dat het een vergetelheid een materiële misslag zou betreffen en dat de ontvangsten zouden zijn aangeven. Eiseres in hoger beroep beperkt zich tot loutere beweringen ter zake die door het hof bij gebrek aan objectieve en controleerbare gegevens niet kunnen worden geverifieerd.

3.2. Wat betreft de bewijskracht van de boekhouding.

De administratie grondt het gebrek aan bewijskracht van de boekhouding op verschillende verstellingen omtrent ontbrekende Z-totalen, de nummering van B.T.W.-bonnen die niet klopte of ontbrekende B.T.W.-bonnen. Voor bepaalde dagen werden dagontvangsten niet of pas later opgenomen in het dagontvangstenboek en voor speciale evenementen werden de dagontvangsten niet aangegeven of onderschat.

Het proces-verbaal is een bewijsmiddel, naast onder meer de bewijsmiddelen van het gemene recht, dat, wat de vaststellingen van de verbalisanten betreft, een bijzondere bewijswaarde heeft. Zulks houdt in dat de vaststellingen van de verbalisanten gelden tot bewijs van het tegendeel. Het komt eiseres in hoger beroep toe het tegendeel te bewijzen.

Opdat er sprake is van een bewijskrachtige boekhouding moet aan de hand van de voorgelegde bewijsstukken kunnen worden nagegaan in hoever de geboekte cijfers met de werkelijkheid overeenstemmen en moet kunnen worden nagegaan of de voorgelegde boeken en bescheiden een samenhangend geheel vormen op grond waarvan het belastbaar inkomen nauwkeurig kan worden bepaald. Een boekhouding is bewijskrachtig wanneer ze volledig is en wanneer het geheel van de vermeldingen controleerbaar, nauwkeurig en overeenstemmend is en gestaafd door bewijsstukken. Het feit dat de boekhouding niet volledig volgens de wettelijke regels wordt gevoerd is daarbij van ondergeschikt belang.

Eiseres in hoger beroep stelt dat de feitelijke vaststellingen van de administratie betreffende de boekhouding, meer bepaald betreffende het dagontvangstenboek en de B.T.W.-bonnen zouden kunnen worden weerlegd. Het zouden slechts vaststellingen zijn die niet veelvuldig zijn, van pure administratieve aard of een loutere vergissing. Het ontbrekende Z-totaal 987 zou zijn opgenomen in het dagontvangstenboek en door vergetelheid niet zijn aangegeven. De dagontvangsten van 6 augustus 2016 zouden zijn samengeteld met deze van 7 augustus 2016 en aldus aangegeven en bij de evenementen werd geen meeromzet gerealiseerd.

Het hof stelt vast dat eiseres in hoger beroep de boekhouding over het jaar 2016 niet neerlegt. Het is het hof dan ook onmogelijk om na te gaan of de weerhouden anomalieën en lacunes in de boekhouding nu al dan niet slechts loutere vergissingen zijn. Eiseres in hoger beroep beperkt zich tot niet controleerbare beweringen. Eiseres in hoger beroep geeft bovendien geen verklaring voor de ontbrekende verkoopfacturen voor vip-evenementen en de verkoop van drankjetons tijdens het EK-voetbal aan 2 EUR terwijl de verkoopfacturen 1,50 EUR per jeton vermelden. Het hof stelt dan ook vast dat eiseres in hoger beroep de vaststellingen van de administratie aangaande de boekhouding zoals opgenomen in het proces-verbaal d.d. 19 november 2019 niet weerlegt. Eiseres in hoger beroep toont niet aan dat haar boekhouding wel bewijskrachtig zou zijn.

3.3. Wat betreft de herberekening van de omzet dranken.

Eiseres in hoger beroep betwist de omzetberekening door de administratie en stelt dat de ontvangsten correct werden aangegeven met uitzondering van 'enkele administratieve/materiële vergissingen'. Er zou sprake zijn van een compleet onrealistische marge van 5,52 en de toegepaste verdeling van diverse consumpties zou niet vaststaand zijn. Bovendien zou geen rekening gehouden zijn met reële prijzen, met normaal gebruik, met tapverlies, met consumpties personeel, met brunch-acties en koffietafels waarin diverse dranken inbegrepen zijn, met bongo en korting-acties, met diefstal en met gratis drank aan leveranciers, artiesten, vervallen artikelen en dergelijke.

Het hof stelt ook wat de omzetberekening betreft vast dat eiseres in hoger beroep zich beperkt tot loutere beweringen, zonder hiervan ook maar enig bewijs te leveren.

Eiseres in hoger beroep bewijst niet dat brunches en koffietafels werden georganiseerd tegen prijzen, inclusief drank. Evenmin worden bongo-arrangementen en korting-acties aangetoond. In welke mate de gehanteerde marge onrealistisch zou zijn, wordt niet toegelicht, evenmin als de bewering dat de toegepaste verdeling van diverse consumpties, en welke dan, niet vaststaand zou zijn. Eiseres in hoger beroep licht ook niet toe in welke mate geen rekening gehouden zou zijn met 'normaal gebruik'.

Wat de gehanteerde prijzen betreft, stelt het hof vast dat deze gebaseerd zijn op de prijzen die door eiseres in hoger beroep werden opgegeven in haar tegenberekening tenzij uit de Z-totalen van 26 februari 2016 en 9 december 2016 andere prijzen bleken. In welke mate deze prijzen niet met de werkelijkheid zouden overeenstemmen, licht eiseres in hoger beroep niet toe. Er werd bovendien wel degelijk rekening gehouden met tapverlies, diefstal, foutieve input en consumpties voor het personeel, die begrepen zijn in de forfaitaire grondslagen van aanslag voor caféhouders die werden gehanteerd als uitgangspunt voor de herberekening van de omzet. Eiseres in hoger beroep toont niet aan dat de werkelijke verliezen, van welke aard ook, hoger zouden liggen dan forfaitair bepaald.

Het hof stelt met de eerste rechter vast dat de administratie aan de hand van de aangekochte dranken en met inachtneming van de forfaitaire grondslagen van aanslag voor caféhouders het bestaan van een meeromzet op een deugdelijke en niet willekeurige wijze heeft bewezen. Eiseres in hoger beroep levert niet het vereiste tegenbewijs.

3.4. Wat betreft de toegepaste boete van 200%.

Eiseres in hoger beroep betwist de opgelegde boete van 200% bij gebrek aan bedrieglijk opzet. Zij dringt aan op een kwijtschelding van de boete.

Voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, wordt in toepassing van artikel 70, §1 W.B.T.W. een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Deze geldboete komt niet in aanmerking voor vermindering wanneer blijkt dat ze werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of ontduiking mogelijk te maken ([artikel 1, tweede lid K.B. nr. 41](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958#ar41-art1)).

In casu werd de boete in het proces-verbaal d.d. 19 november 2019 gemotiveerd door te verwijzen naar ontbrekende Z-totalen, de nummering van B.T.W.-bonnen die niet klopte of ontbrekende B.T.W.-bonnen. Voor bepaalde dagen werden dagontvangsten niet of pas later opgenomen in het dagontvangstenboek en voor speciale evenementen werden de dagontvangsten niet aangegeven of onderschat. Tevens werd gesteld dat nog geen gebruik werd gemaakt in 2016 van een geregistreerd kassasysteem.

Het hof is van oordeel dat aldus op afdoende wijze gemotiveerd werd dat in hoofde van eiseres in hoger beroep sprake is van bedrieglijk opzet. Enige goede trouw in hoofde van eiseres in hoger beroep kan niet worden vastgesteld.

Het hof is van oordeel dat de opgelegde geldboete van 200 % of 64.870 EUR in casu evenredig is met de ernst en de aard van de gepleegde inbreuken en een aangepaste en adequate sanctionering is van de door eiseres in hoger beroep gepleegde feiten waarbij zij geheel in gebreke blijft enig objectief bewijs te leveren van de in werkelijkheid gerealiseerde omzet op de verkoop van dranken.

Rekening houdende met de aard en de ernst van de feiten en de concrete gegevens van de zaak is er in casu dan ook geen enkele reden om de geldboete van 200% kwijt te schelden dan wel te verminderen. Het vonnis van de eerste rechter wordt bevestigd.

Het hoger beroep van eiseres in hoger beroep is ongegrond en het vonnis van de eerste rechter dient te worden bevestigd.

Eiseres in hoger beroep begroot de rechtsplegingsvergoeding op 7.000 EUR in hoger beroep. De administratie begroot de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep op het minimale bedrag van 1.400 EUR. De rechtsplegingsvergoeding, begroot op 1.400 EUR, wordt ten laste gelegd van eiseres in hoger beroep als de in het ongelijk gestelde partij.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rol recht overeenkomstig art. 279 1, 1°, juncto 162, 4° W.Reg . .

### Dispositif

**4.** **Beslissing.**

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van eiseres in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond en bevestigt het bestreden vonnis.

Het hof veroordeelt eiseres in hoger beroep tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder in hoger beroep begroot op en door het hof vereffend op 1.400 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van **17 mei 2022**

### Décision jointe par le SPF

## Jugement du tribunal de première instance

***L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale***

### Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, sectie burgerlijke rechtbank, Kamer AFil

Vonnis van 28/12/2020

Rol: 20/596/A

Inzake:

**D. L. NV**

wonende te …, KBO: 047...35

**eiseres**

\- vertegenwoordigd ter zitting door meester N. S. loco meester J. P. te …,

**TEGEN**:

**DE BELGISCHE STAAT**,

Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum Antwerpen - Expertise 2, met kantoren gevestigd te 2930 Brasschaat, Ruiterijschool 3 bus 17, KBO: 0308.357.159

**verweerder**

\- vertegenwoordigd ter zitting door mevrouw X, in hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën,

\- eveneens vertegenwoordigd ter zitting door de heer X, in hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën.

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:

\- het verzoekschrift toegekomen ter griffie op 29 januari 2020, ingeschreven op 29 januari 2020,

\- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, §1 van het Gerechtelijk Wetboek op 6 maart 2020,

\- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in de gerechtszaken. Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 27 november 2020.

### 1. Procedurele voorafgaanden

De betwisting heeft betrekking op het innings- en invorderingsbericht met schuldnummer ..., uitvoerbaar verklaard op 18 december 2019. De volgende bedragen worden gevorderd van eiseres:

\- 32.435,90 euro btw

\- 64.870,00 euro boete

\- beide te vermeerderen met interesten.

Eiseres heeft als activiteit de uitbating van de brasserie 'D. S.' en is als btw- belastingplichtige geregistreerd voor de activiteit van eetgelegenheid met volledige bediening.

In 2018 vond een fiscale controle inzake directe belastingen en btw plaats. Naar aanleiding van deze controle werd op 19 november 2019 een proces-verbaal opgesteld met een omzetverhoging voor de verkoop van dranken voor boekjaar 2016. Op 17 december 2019 werd de btw-vordering ingeschreven in het innings-en invorderingsregister dat uitvoerbaar werd verklaard op 18 december 2019.

Op 29 januari 2020 wordt namens eiseres een fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank ter betwisting van de vermelde btw-vordering.

### 2. De vorderingen van partijen

De vordering van eiseres strekt ertoe het bestreden innings-en invorderingsbericht nr ... van 18 december 2019 te vernietigen en te zeggen voor recht dat de bedragen erin vermeld ten titel van btw, geldboeten en interesten niet verschuldigd zijn, de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van alle bedragen ten titel van btw, geldboeten en interesten die door eiseres werden betaald of door de Belgische Staat werden ingehouden ter delging van de beweerde btw-schuld, te verhogen met interesten, de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op een rechtsplegingsvergoeding van 6.000,00 euro.

Verweerder verzoekt de rechtbank de vordering van eiseres ontvankelijk maar ongegrond te verklaren en eiseres te veroordelen tot de kosten van het geding. In de niet te weerhouden veronderstelling dat de vordering van eiseres gegrond zou worden verklaard, verzoekt verweerder om de rechtsplegingsvergoeding te bepalen op 6.000,00 euro.

### 3. Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van de vordering van eiseres wordt niet betwist. Er zijn evenmin ambtshalve aan te voeren bezwaren betreffende de ontvankelijkheid.

### 4. Beoordeling

De volgende middelen worden door eiseres opgeworpen.

*4.1. Eerste middel: btw-kasticket*

In het proces-verbaal d.d. 19 november 2019 wordt verwezen naar een inbreuk op [artikel 21bis van het KB nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-21bis-3942), met name dat door eiseres geen kassaticket afkomstig van een geregistreerd kassasysteem werd afgeleverd.

Eiseres bevestigt in conclusies dat zij ná een proces-verbaal opgemaakt op 30 oktober 2017 (zie stuk 13 van verweerder), waarbij de btw-administratie vaststelde dat het door eiseres uitgereikt kasticket niet werd aangemaakt door een geregistreerd kassasysteem, zich in regel heeft gesteld en is overgegaan tot het gebruik van een geregistreerd kassasysteem. Eiseres stelt dat deze tekortkoming te wijten was aan onduidelijkheid in de kwestieuze wetgeving.

Verweerder toont aan dat eiseres sinds 1 juli 2016 gehouden was tot het hebben van een geregistreerd kassasysteem en tot het uitreiken van kassatickets aangemaakt door een geregistreerd kassasysteem. Eiseres erkent dat zij pas sinds 4 januari 2018 het geregistreerd kassasysteem heeft geactiveerd (stuk 7 van verweerster, punt 9). De bewering van eiseres dat de wetgeving terzake onduidelijk was, betreft een loutere bewering van de zijde van eiseres zonder enige onderbouwing. Eiseres toont zelfs niet aan dat zij enige moeite heeft gedaan om zich tijdig in regel te stellen of de nodige stappen te nemen om duidelijkheid te krijgen, indien zij van mening was dat volgens haar de wetgeving onduidelijk was. Het is slechts nadat er een inbreuk werd vastgesteld door de btw-administratie dat eiseres het geregistreerd kassasysteem heeft geactiveerd. Zelfs ná het activeren van dit geregistreerd kassasysteem is eiseres blijven volharden in het aanwenden van een tweede ander niet geregistreerd kassasysteem (zie de stukken 8 en 9 van verweerder). Om welke reden dit tweede kassasysteem nodig is, wordt niet aangetoond door eiseres.

De rechtbank verwijst tevens naar de vaststellingen gedaan door de btw-administratie aangaande het niet correct uitschrijven van de btw-bonnetjes door eiseres. Eiseres stelt dat dit louter een vergetelheid zou betreffen of een materiële misslag en dat het mogelijk is dat de btw-bonnetjes elkaar niet opvolgen. De rechtbank oordeelt dat deze beweringen van eiseres de gedane vaststellingen door de btw-administratie niet weerleggen.

*4.2. Tweede middel: de bewijskracht van de boekhouding*

In het proces-verbaal van 19 november 2019 stelt de administratie dat de boekhouding van eiseres niet bewijskrachtig is. Eiseres betwist dit en stelt dat de gedane vaststellingen niet veelvuldig zijn, louter administratief van aard zijn of een louter materiële vergissing betreffen.

Een boekhouding is bewijskrachtig wanneer ze volledig is en wanneer het geheel van de vermeldingen controleerbaar, nauwkeurig en overeenstemmend is en gestaafd door bewijsstukken.

De rechtbank oordeelt dat de administratie verschillende onregelmatigheden heeft vastgesteld in de boekhouding, dewelke niet worden weerlegd door eiseres. Eiseres beperkt zich tot loutere beweringen en reduceert de vaststellingen tot loutere vergissingen in haren hoofde. Eiseres toont evenwel met geen enkel stuk aan dat haar boekhouding wel bewijskrachtig is. Eiseres beslist blijkbaar zelf naar eigen goeddunken wanneer zij bepaalde ontvangsten van een bepaalde dag gedeeltelijk in haar boekhouding opneemt en dit op basis van intern opgemaakte stukken, aangezien zij immers geen gebruik wenste te maken van een geregistreerd kassasysteem. De keuze van eiseres om op deze willekeurige wijze te werken, maakt elke controle onmogelijk. De administratie heeft dan ook terecht de boekhouding als niet bewijskrachtig beschouwd.

*4.3. Derde middel: omzet*

Eiseres betwist de omzetberekening van de verkoop van dranken die de administratie heeft uitgevoerd.

In toepassing van artikel 59, §1 W.BTW en artikel 64, §1 W.BTW heeft de administratie voor boekjaar 2016 de belastbare output (omzet), exclusief btw, berekend op basis van de input, rekening houdend met de brutowinst en/of rendementsnormen en/of de eigen productieve prestaties, exclusief btw.

Artikel 59, §1 W.BTW bepaalt dat overtredingen inzake btw door de administratie bewezen worden volgens de regelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed en tevens door processen-verbaal die bewijs opleveren zolang het tegendeel niet is bewezen.

Artikel 64, §1 W.BTW bepaalt dat hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen, behoudens tegenbewijs, geacht wordt de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.

De rechtbank oordeelt dat het uitgangspunt van de berekening door eiseres niet wordt betwist, met name de hoeveelheden aangekochte dranken.

De rechtbank is van oordeel dat de administratie in casu op deugdelijke wijze het bestaan van een meeromzet heeft bewezen. De administratie heeft zich hierbij gebaseerd op de haar gekende en door eiseres aan haar voorgelegde gegevens en op gegevens van het forfait van caféhouders, waarvan eiseres niet aantoont dat dit forfait niet toepasselijk zou zijn voor de berekening van de meeromzet van de verkoop van dranken.

Eiseres heeft aan de rechtbank geen controleerbare gegevens voorgelegd waaruit zou moeten blijken dat de vaststelling van de omzet exclusief btw overdreven zou zijn of op willekeurige wijze zou zijn bepaald. Eiseres beperkt zich tot een opsomming van elementen waarmee de btw- administratie beweerdelijk geen rekening mee zou hebben gehouden, zonder enige onderbouwing.

Eiseres levert evenmin het tegenbewijs van het door de administratie gehanteerde wettelijke vermoeden;

*4.4. Vierde middel: boete*

De administratie heeft, uitgaande van de stelling dat het om inbreuken ging die door eiseres begaan werden met het oogmerk om de belasting te ontduiken, een boete van 200% van de verschuldigde btw opgelegd.

Volgens eiseres is er geen bedrieglijk opzet aanwezig en heeft zij volkomen te goeder trouw gehandeld en verzoekt zij de kwijtschelding van de boete.

Eiseres heeft recht op een beoordeling van de boete, administratieve sanctie die wegens haar aard en de zwaarte onbetwistbaar een strafrechtelijk karakter heeft, met volle rechtsmacht.

De rechtbank stelt evenwel vast dat eiseres nagelaten heeft zich in regel te stellen met de op haar rustende btw-verplichtingen, dat eiseres naar eigen goeddunken haar ontvangsten al dan niet opneemt in haar belastbare ontvangsten en geen moeite doet om haar boekhouding op een controleerbare wijze bij te houden. De rechtbank oordeelt dat er dan ook geen enkele reden is om af te wijken van het bedrag van de wettelijke boete.

## OM DEZE REDENEN

**DE RECHTBANK**

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de rechtsvordering van eiseres ontvankelijk maar ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, in hoofde van de Belgische Staat niet begroot en door de rechtbank vereffend op 0,00 euro.

Dit vonnis werd uitgesproken op **achttien december tweeduizend twintig** in openbare zitting van de Kamer AFil

## Textes cités

3

[CTVA art. 59](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59) 2 occurrences

[AR no 1 art. 21bis](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-21bis-3942) 1 occurrence

[AR no 41 art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Secteur Horeca, Système de caisse enregistreuse, Non détention](https://juriel.be/fr/jurisprudence/secteur-horeca-systeme-caisse-enregistreuse-tribunal-namur-2020-12-10-2dfc) 2 dispositions communes

[Horeca, Système de caisse enregistreuse, Amendes fiscales non proportionnelles](https://juriel.be/fr/jurisprudence/horeca-systeme-caisse-enregistreuse-amendes-cour-appel-gand-2024-03-05-35f5) 2 dispositions communes

[Fourniture de nourriture et boissons, Activités de restauration](https://juriel.be/fr/jurisprudence/taux-fourniture-nourriture-boissons-activites-tribunal-bruxelles-2022-01-19-a58a) 2 dispositions communes

[Système de caisse enregistreuse, Absence de détention](https://juriel.be/fr/jurisprudence/systeme-caisse-enregistreuse-absence-detention-tribunal-namur-2021-04-27-cda5) 2 dispositions communes

[Secteur Horeca, Système de caisse enregistreuse, Absence de détention](https://juriel.be/fr/jurisprudence/secteur-horeca-systeme-caisse-enregistreuse-tribunal-2021-03-29-f550) 2 dispositions communes

[Obligations, Système de caisse enregistreuse, Amende fiscale, Secteur Horeca](https://juriel.be/fr/jurisprudence/obligations-systeme-caisse-enregistreuse-amende-tribunal-mons-2019-04-09-3ec2) 2 dispositions communes

[Droit de déduction, Bien immobilier, Usage privé](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-bien-immobilier-usage-cour-appel-gand-2026-04-28-0a2d) 1 dispositions communes

[Sous-traitance, amende](https://juriel.be/fr/jurisprudence/sous-traitance-amende-tribunal-bruxelles-2026-07-17-0a85) 1 dispositions communes
