---
title: "Groupements autonomes de personnes, Exemptions · Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers, 20 septembre 2016, 2015/AR/2298"
description: "Groupements autonomes de personnes, Exemptions, Assujettissement mixte. Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 20 septembre 2016, 2015/AR/2298."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/groupements-autonomes-personnes-exemptions-assujettissement-cour-appel-anvers-2016-09-20-d79c"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Groupements autonomes de personnes, Exemptions, Assujettissement mixte

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Numéro de rôle**

2015/AR/2298

**Date**

20 septembre 2016

## Parcours procédural

2 étapes · 4 ans

1. Décision affichée Cour d'appel d'Anvers 20.09.2016
2. [Décision sur pourvoi Cour de cassation de Belgique 25.09.2020](https://juriel.be/fr/jurisprudence/exemption-groupement-autonome-personnes-article-cassation-bruxelles-2020-09-25-e84b)

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

**Sens lu par le SPF**

favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

177 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d’appel d’Anvers dd. 20.09.2016 (2015/AR/2298)

WF 708-15-09/036684

\[Favorable à l’administration\]

*Taxe sur la valeur ajoutée - Groupements autonomes de personnes – Exemptions – Assujettissement mixte*

## Législation

Article 44, § 2, 1°*bis*, (abrogé) du Code de la TVA

Arrêté royal n° 43 relatif à l'exemption de la taxe sur la valeur ajoutée concernant les prestations de services fournies à leurs membres par les groupements autonomes de personnes (abrogé)

## Synthèse

L’assujetti est une association créée par les CPAS de plusieurs communes dans le but de gérer un réseau informatique hospitalier. L’activité de l’association comporte la gestion, l’étude, l’organisation et la gestion du traitement de l’information en tant que support des organes de gestion des hôpitaux relevant de ces CPAS. Cette association est habilitée à effectuer toutes les opérations ayant un rapport direct ou indirect avec son objet. Le 5 septembre 2000, l’assujetti a conclu un contrat avec une société anonyme. Cette collaboration a pour finalité la création et le développement d’applications informatiques pour les hôpitaux de l’association, ainsi que leur commercialisation. L’assujetti estime qu’il doit être considéré comme une personne morale non assujettie à la TVA conformément à l’[article 6 du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-6) ou à tout le moins qu’il doit pouvoir bénéficier de l’exemption de la TVA prévue à l’article 44, § 2, 1°*bis*, du même code. De son côté, l’administration considère que les services réciproques entre l’assujetti et la société anonyme doivent être soumis à la TVA et qu’il s’agit d’opérations qui ne sont pas effectuées au profit exclusif des membres de l’association, de sorte que les opérations fournies aux membres de cette association doivent également être soumises à la TVA. Un procès-verbal de régularisation est alors dressé.

Il ressort d’une stricte interprétation de l’[article 132, paragraphe 1, sous f), de la directive 2006/112/CE](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-132) que sont exclues de l’exemption, les prestations de service effectuées par des groupements autonomes de personnes lorsqu’elles sont fournies à des personnes qui ne sont pas membres de ce groupement.

Dans l’arrêt [C-348/87](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-348-87-arret) du 15 juin 1989, la Cour de justice considère que :

« L’'article 13, partie A, paragraphe 1, sous f), de la sixième directive ne vise expressément que les groupements autonomes de personnes rendant des services à leurs membres. Tel n'est pas le cas d'une fondation qui rend des services exclusivement à une autre fondation, sans qu'une de ces fondations soit membre de l'autre. Compte tenu du libellé précis des conditions d'exonération, toute interprétation qui élargirait la portée du texte de l'article 13, partie A, paragraphe 1, sous f), de la sixième directive serait incompatible avec la finalité de cette disposition. »

L’[article 44, § 2, 1°bis, du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44) doit être lu dans cette optique. C’est uniquement dans le cas où un groupement autonome de personnes exerçant une activité exemptée par le présent article ou pour laquelle elles n’ont pas la qualité d’assujetti, fournit à ses membres des prestations de services qui sont directement nécessaires à l’exercice de cette activité et se borne à réclamer à ses membres le remboursement exact de la part qui incombe à chacun d’eux dans les dépenses engagées en commun, que l’exemption est applicable, à la condition que cette exemption ne soit pas susceptible de provoquer des distorsions de concurrence. Si l’association fournit des prestations à des personnes qui ne comptent pas parmi ses membres, l’exemption ne peut pas être invoquée.

Dès lors que l’association ne se limite pas *in casu* à la fourniture de prestations de services à ses membres mais entretient également des relations commerciales avec des tiers, dans le cadre du contrat de collaboration avec la société anonyme, le bénéfice de l’exemption ne peut pas être invoqué pour l’entièreté de son activité.

L’association dont il s’agit n’est pas un assujetti mixte contrairement à ce qu’elle soutient à titre subsidiaire.

## Observation

L’association dont il s’agit a introduit un pourvoi en cassation.

**Texte de l’arrêt**

***L’arrêt est publiée uniquement dans la langue originale***

### Corps de la décision

## Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen

**dd. 20.09.2016**

**(2015/AR/2298)**

**DE BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomstenfiscaliteit, voor wie optreedt de Gewestelijke Directeur van het Controlecentrum te Brugge en de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Brugge, met kantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4 eiser na cassatie, ter zitting d.d. 20 juni 2016 vertegenwoordigd door **Mr. V. L. d. J. A.**, advocaat te …, … tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 23 februari 2009

**tegen**

**I.**, Vereniging voor ziekenhuisinformatica die de vorm heeft aangenomen van een openbare instelling en die wordt beheerst door de Organieke Wet van 8 juli 1976, betreffende de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn, met zetel te …, … met ondernemingsnummer … verweerder na cassatie, ter zitting d.d. 20 juni 2016 vertegenwoordigd door **Mr. S. F.**, advocaat te … …

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 23 februari 2009, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 15 mei 2009, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

Gelet op het arrest van het hof van beroep te Gent van 21 september 2010.

Gelet op het arrest van het [Hof van Cassatie van 31 oktober 2014](https://juriel.be/fr/jurisprudence/demande-restitution-formalites-conditions-imposees-cassation-bruxelles-2014-10-31-1f3a) dat het arrest van het hof van beroep te Gent vernietigt behoudens in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart en de aldus beperkte zaak verwijst naar het hof van beroep te Antwerpen.

Gelet op de betekening van het arrest van het Hof van Cassatie met dagvaarding om te verschijnen voor het hof van beroep te Antwerpen bij exploot van gerechtsdeurwaarder **L. H.**, met standplaats te Brugge, van 27 augustus 2015.

**1.De feiten**.

1.1- **I.** is een vereniging voor ziekenhuisinformatica, opgericht door de OCMW's van de gemeenten Aalst, Blankenberge, Brugge, Gent, Kortrijk, Oostende en Ronse bij akte verleden voor notaris **F. B.**, met standplaats te Brugge, op 21 februari 1986.

De vereniging heeft tot doel: *"te zorgen voor het beheer, de studie, de organisatie en de bedrijfsvoering van de informatieverwerking als hulpmiddel bij de organisatie van de ziekenhuizen van haar leden, alsook voor die activiteiten van haar leden die omwille van eenvormigheid of bedrijfseconomische redenen samen met de ziekenhuisinformatisering uitgevoerd worden. De vereniging mag alle verrichtingen stellen welke rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op haar doel"* (artikel 3 van de oprichtingsakte).

Op 5 september 2000 sluit **I.** een samenwerkingsakkoord met de **NV IHC.** De doelstelling van deze samenwerking is dubbel, enerzijds de ontwikkeling van softwaretoepassingen voor de ziekenhuizen van **I.** en anderzijds de commercialisering van softwaretoepassingen voor ziekenhuizen.

**I.** heeft zich niet laten registreren als BTW -belastingplichtige, aangezien zij van mening is niet als belastingplichtige te kunnen beschouwd worden overeenkomstig artikel 6 W.BTW of minstens te kunnen genieten van de bij artikel 44, §2, 1 °bis W.BTW voorziene vrijstelling.

1.2. -Op 20 april 2005 wordt door daartoe bevoegde ambtenaren bij **I.** een controle uitgevoerd met betrekking tot de toepassing van de wetgeving en reglementering inzake BTW. Volgens de administratie moeten de wederzijdse diensten tussen **I.** en **NV IHC.** aan BTW onderworpen worden. Daarenboven heeft het verrichten van belastbare handelingen voor niet-leden van **I.** tot gevolg dat de handelingen ten aanzien van de leden van **I.** ook aan BTW moeten onderworpen worden.

De vaststellingen en overtredingen worden opgenomen in een proces-verbaal van 13 december 2005.

Op basis van dit proces-verbaal wordt op 15 december 2005 door mevrouw **D. L. B.**, eerstaanwezend inspecteur a.i. van het BTW - Ontvangkantoor te Brugge, een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 19 december 2005 wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer **W. K.**, eerstaanwezend inspecteur diensthoofd BTW -directie Brugge, hiertoe aangewezen door de Gewestelijk Directeur van de BTW en dat bij aangetekende brief van 21 december 2005, samen met het proces-verbaal, ter kennis wordt gebracht van **I.**.

Volgens dit proces-verbaal is **I.** volgende bedragen verschuldigd:

\- BTW … euro

\- geldboete (artikel 70, §1 W.BTW) … euro

totaal … euro

te vermeerderen met:

\- de intrest van 0,80 pct. per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21 januari 2005,

\- de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboete die loopt vanaf de kennisgeving/betekening van het dwangbevel, ingevolge artikel 91, §4 W.BTW,

\- de vervolgingskosten.

1.3. -Bij brief van 19 december 2005 wordt **I.** door de BTW - controledienst ook uitgenodigd om zich in regel te stellen bij de BTW - administratie door het invullen en ondertekenen van een formulier 604 A "aanvraag tot identificatie voor BTW - doeleinden bij aanvang van een activiteit". **I.** heeft dit formulier "onder alle voorbehoud" ingevuld en overgemaakt aan de administratie. **I.** heeft de administratie onder alle voorbehoud gevraagd om te worden gemachtigd om het integrale bedrag, of minstens een deel ervan, van de door haar gedragen aftrekbare BTW waarvan het recht op aftrek is ontstaan in de kalenderjaren 2002, 2003 en 2004, op te nemen in het vak herzieningen van de BTW - aangifte.

Op 30 november 2006 maakt **I.**, eveneens onder alle voorbehoud, nieuwe facturen op waarbij de diensten die zij verricht heeft tijdens de kalenderjaren 2002, 2003 en 2004 ten voordele van de **NV IHC.** aan deze laatste worden gefactureerd met toepassing van de BTW. De aldus gefactureerde en betaalde BTW bedraagt … euro.

**2. De voorafgaande rechtspleging**.

2.1. -Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge op 22 mei 2007, vordert **I.** het fiscale verzoekschrift ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens,

de tenuitvoerlegging van het bestreden dwangbevel, gekend onder Rciv-nr …, en uitgevaardigd door de Belgische Staat op 15 december 2005, te stuiten;

te zeggen voor recht dat de in het bestreden dwangbevel gevorderde sommen, zoals thans nog gedeeltelijk weerhouden, niet verschuldigd zijn;

ondergeschikt de kwijtschelding van de opgelegde boeten te bevelen, minstens deze substantieel te verminderen;

de terugbetaling te bevelen van alle sommen die op grond van het dwangbevel zouden zijn geïnd, verhoogd met de moratoire rente zoals voorzien in artikel 91, §3 BTW - wetboek;

de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, geraamd op … euro.

2.2. -Het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 23 februari 2009 verklaart de eis toelaatbaar en gegrond in volgende mate;

zegt voor recht dat de opgelegde boete ten bedrage van … euro ongegrond is;

beveelt dienvolgens de Belgische Staat om over te gaan tot terugbetaling aan **I.** van elk bedrag dat werd geïnd op de vermelde boete, te vermeerderen met de verwijlintresten aan de wettelijke rentevoet vanaf de inning of de inhouding, daarin begrepen zijnde de gerechtelijke rente vanaf datum van het verzoekschrift tot de datum van volledige betaling; wijst voor het overige de eis af als ongegrond;

verwijst elk van de partijen in de eigen gerechtskosten, in welk geval het overbodig is de kosten vast te stellen.

De eerste rechter oordeelt dat **I.** geen openbare instelling is en zodoende niet onder de toepassing van artikel 6 W.BTW valt. Volgens de eerste rechter zijn de voorwaarden voor toepassing van de vrijstelling voorzien in artikel 44, §2, 1 °bis W.BTW niet vervuld en is **I.** voor al de diensten door haar verricht aan leden en aan niet-leden BTW verschuldigd. Met betrekking tot de boete oordeelt de eerste rechter dat nu de betwisting gevoerd wordt op principiële gronden welke niet van meet af aan als ongegrond konden worden aanzien, er geen gronden zijn om een boete op te leggen. Er is geen aparte rechtsgrond die de rechtbank toestaat om rechtstreeks de wettelijke intresten kwijt te schelden. Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van elk der partijen moeten zij elk hun eigen gerechtskosten dragen.

2.3. -Tegen dit vonnis heeft **I.** bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 15 mei 2009, hoger beroep ingesteld.

**I** vordert het hoger beroep toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond te verklaren; het vonnis van de eerste rechter te vernietigen en de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens,

de tenuitvoerlegging van het bestreden dwangbevel, gekend onder Rciv-nr …, uitgevaardigd op 15 december 2005, te stuiten;

te zeggen voor recht dat de in het bestreden dwangbevel gevorderde sommen, zoals nog gedeeltelijk weerhouden, niet verschuldigd zijn;

tevens te zeggen voor recht dat de Belgische Staat gehouden is tot terugbetaling van de som van … euro, te vermeerderen met de wettelijk verschuldigde intresten vanaf 18 december 2006;

ondergeschikt, de kwijtschelding van de opgelegde boeten te bevelen, minstens deze substantieel te verminderen, tevens kwijtschelding te verlenen van de intresten;

de terugbetaling te bevelen van alle sommen die op grond van het dwangbevel zouden zijn geïnd, verhoogd met de moratoire rente zoals voorzien in artikel 91, §3 W.BTW;

de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding geraamd op … euro per aanleg.

2.4. -De Belgische Staat vordert het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, het bedrag van de boete te bepalen naar de wijsheid van het hof, alle kosten ten laste van **I.** te leggen met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding van … euro per aanleg.

2.5. -Bij arrest van 21 september 2010 verklaart het hof van beroep te Gent het hoger beroep en het incidenteel beroep toelaatbaar en grotendeels gegrond;

bevestigt het bestreden vonnis ook voor wat de opgelegde boete ten bedrage van … euro betreft, met dien verstande dat de Belgische Staat gehouden is tot terugbetaling van de som van … euro, meer de wettelijke intrest vanaf 18 december 2006;

wijst voor het overige de eis van **I.** af als ongegrond;

verwijst elk van de partijen in hun eigen gerechtskosten, in welk geval het overbodig is die kosten te begroten.

Het hof van beroep te Gent oordeelt dat **I.** niet als een openbare instelling kan worden aanzien, hetgeen voor gevolg heeft dat zij als BTW -belastingplichtige moet worden beschouwd. Het komt evenmin bewezen voor dat de handelingen die door **I.** worden gesteld als overheid worden gesteld. Het hof van beroep oordeelt ook dat **I.** zich niet kan beroepen op artikel 44, §2, 1°bis W.BTW op gevaar af de concurrentie te verstoren. Nu **I.** een gemengde belastingplichtige is, is zij gerechtigd een vordering in te stellen tot teruggaaf die door de Belgische Staat beperkt werd tot … euro in plaats van … euro. Verder oordeelt het hof van beroep dat met de eerste rechter moet worden aangenomen dat om principiële redenen de opgelegde boete moet worden kwijtgescholden in de in het bestreden vonnis weerhouden mate. De vraag tot kwijtschelding van de intresten werd ingewilligd op 12 april 2007 door de Gewestelijke directeur. Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk moet ieder van de partijen zijn eigen gerechtskosten dragen.

2.6. -De Belgische Staat heeft een voorziening in cassatie ingesteld tegen dit arrest bij verzoekschrift van 5 juli 2012, dat aan **I.** werd betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot van 9 juli 2012.

In het verzoekschrift voert de Belgische Staat twee middelen aan:

In het eerste onderdeel van het eerste middel wordt aangevoerd dat de beslissing dat de Belgische Staat gehouden is tot terugbetaling van de som van … euro, meer de wettelijke intrest vanaf 18 december 2006 aan **I.**, op grond dat deze laatste een gemengde belastingplichtige is in de zin van artikel 46 W.BTW, die recht heeft op de BTW vrijstelling, bedoeld in artikel 44, §2, 1°bis W.BTW volgens de verhouding diensten aan de leden tegenover diensten aan niet-leden, niet regelmatig met redenen omkleed is, nu die beslissing op tegenstrijdige motieven is gestoeld (schending van artikel 149 GW), minstens tegenstrijdige beschikkingen bevat (schending van artikel 1138, 4° Ger.W.), in zoverre tevens was beslist dat **I.** geen beroep kan doen op de vrijstellingsbepaling van artikel 44, §2, l°bis W.BTW.

Het tweede onderdeel van het eerste middel voert aan dat het bestreden arrest niet naar recht is verantwoord, nu volgens de vaststellingen van het bestreden arrest vaststond dat **I.** zich niet beperkte tot het verrichten van diensten aan haar eigen leden, maar tevens overging tot commercialisatie naar derden toe, zodat **I.** zich niet wettig kon beroepen op artikel 44, §2, 1°bis W.BTW, voor de diensten verricht aan zijn leden, op gevaar af de concurrentie te verstoren (schending van de artikelen 4, §1, 44, §2, 1 °bis, 45, §1 en 46, §1 W. BTW, 2 van het KB nr. 43 van 5 juli 1991).

In het derde onderdeel van het eerste middel voert de Belgische Staat aan dat het bestreden arrest de bewijskracht van de syntheseconclusie van de Belgische Staat heeft miskend in zoverre werd beslist dat die conclusie een bevestiging bevat die daarin niet voorkomt, alsook een bevestiging die er wel in voorkomt niet bevat, minstens een interpretatie aan die conclusie heeft gegeven die onverzoenbaar is met de bewoordingen ervan (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 B.W.).

Het vierde onderdeel van het eerste middel voert aan dat het bestreden arrest niet wettig heeft beslist dat elke delegatie ongrondwettig is en dat de delegatie die betrekking heeft op het bepalen van essentiële elementen van de belasting / vrijstelling, zoals deze voorzien in artikel 44, §2, 1 °bis W.BTW ongrondwettelijk is, mitsdien niet wettig het KB nr. 43 van 5 juli 1991 buiten toepassing heeft gelaten en heeft beslist dat **I.** de vrijstellingsbepaling van artikel 44, §2, 1°BIS W.BTW ook kan inroepen wanneer diensten worden verricht aan niet-leden, zij het enkel voor de diensten verricht aan haar eigen leden, terwijl de vrijstellingsbepaling van artikel 44, §2, 1°bis W.BTW, volgens de tekst zelf van deze bepaling, nooit toepassing kan vinden van zodra ook diensten aan niet-leden worden verstrekt (schending van de artikelen 10, 11, 170 en 172 van de Grondwet, 44, §2, 1°bis W.BTW, 1, 2 en 3 van het KB nr. 43 van 5 juli 1991).

In het eerste onderdeel van het tweede middel voert de Belgische Staat aan dat het bestreden arrest dat louter op grond van het bestaan van "principiële redenen" beslist, tegen wettelijke regels in, dat de geldboete volledig moet worden kwijtgescholden, zonder te motiveren waarom de opgelegde geldboete objectief gezien onevenredig was met de begane overtreding, niet naar recht verantwoord is (schending van de artikelen 3 en 6, in het bijzonder §1 EVRM, het evenredigheidsbeginsel, 70, in het bijzonder §1, 72, 84, derde lid W.BTW, 1, 1° van het KB nr. 41 van 30 januari 1987, 9 van het besluit van de Regent van 18 maart 1831).

In het tweede onderdeel van het tweede middel stelt de Belgische Staat dat in zoverre het bestreden arrest niet aangaf om welke principiële redenen de opgelegde geldboete volledig diende te worden kwijtgescholden, het Hof van Cassatie in de onmogelijkheid is om zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen op de beslissing tot algehele kwijtschelding van de geldboete en dat het bestreden arrest bijgevolg niet regelmatig met redenen omkleed is (schending van artikel 149 GW).

2.7. -Bij arrest van 31 oktober 2014 vernietigt het Hof van Cassatie het arrest van het hof van beroep te Gent, behoudens in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart, om reden dat het eerste onderdeel van het eerste middel gegrond wordt verklaard. Het Hof van Cassatie overweegt als volgt:

> *"Eerste middel*
>
> *Eerste onderdeel*
>
> *1.Het is tegenstrijdig te oordelen enerzijds dat de verweerster als zelfstandige groepering in haar geheel geen beroep kan doen op de vrijstelling van* [*artikel 44, §2, 1°bis Btw-wetboek*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44) *omdat zij behalve diensten aan haar leden, ook diensten verricht aan niet-leden, hetgeen impliceert dat zij het statuut verkrijgt van volledige belastingplichtige en anderzijds dat verweerster zich terecht beroept op het statuut van gemengde belastingplichtige in de zin van* [*artikel 46 Btw-wetboek*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-46)*, waardoor haar een vrijstelling kan worden verleend voor de diensten aan haar leden, volgens de verhouding diensten aan de leden tegenover de diensten aan niet-leden en waarbij het recht op aftrek dient beperkt te worden tot de belaste handelingen aan niet-leden.*
>
> *Het onderdeel is gegrond.*
>
> *Tweede middel*
>
> *2.* *De vernietiging van de beslissing over de belastingschuld leidt tot de vernietiging van de eraan gekoppelde geldboete.*
>
> *Overige grieven.*
>
> *De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden."*

2.8. -Op verzoek van de Belgische Staat wordt het arrest van het [Hof van Cassatie van 31 oktober 2014](https://juriel.be/fr/jurisprudence/demande-restitution-formalites-conditions-imposees-cassation-bruxelles-2014-10-31-1f3a) bij gerechtsdeurwaardersexploot van 27 augustus 2015 betekend aan **I.** met dagvaarding om te verschijnen voor het hof van beroep te Antwerpen.

**3. De vorderingen en standpunten van partijen**.

3.1. -De Belgische Staat vordert het door **I.** bij verzoekschrift van 15 mei 2009 ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 23 februari 2009 ongegrond te verklaren, haar ervan af te wijzen en te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, begroot op … euro dagvaarding na cassatie en … euro rechtsplegingsvergoeding.

De Belgische Staat stelt dat de vereniging **I.** niet als een openbare instelling in de zin van artikel 6 W.BTW kan beschouwd worden gezien ze niet bij stichting opgericht werd en dat vervolgens de door haar ontplooide activiteiten niet beschouwd kunnen worden als zijnde "als overheid" uitgevoerd. Aangezien beide voorwaarden gezamenlijk vervuld dienen te worden alvorens artikel 6 W.BTW toepassing vindt, dient de vereniging dus ingevolge de gecombineerde toepassing van de artikelen 2 en 4 W.BTW als een BTW - belastingplichtige aangemerkt te worden. Immers het begrip economische activiteiten wordt door de Zesde Richtlijn gekenmerkt door haar algemene werkingssfeer en door het feit dat alle vrijstellingen uitdrukkelijk en nauwkeurig moeten zijn omschreven en daarenboven beperkend geïnterpreteerd moeten worden.

De bewoordingen waarin de vrijstellingen van [artikel 13 van de Zesde Richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-13) (thans artikel 132 van de geconsolideerde versie) zijn omschreven moeten strikt uitgelegd worden aangezien zij afwijkingen zijn van het algemene beginsel dat BTW wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht. Een strikte uitlegging betekent dat van zodra de in dit artikel, omgezet naar Belgisch recht bij artikel 44, §2, 1°bis W.BTW, gestelde voorwaarden niet in hun geheel vervuld zijn, de vrijstelling niet langer toepasselijk is en de belasting verschuldigd wordt over alle door de vereniging gestelde handelingen, ook die naar de leden van de groepering toe.

**I.**maakt ten onrechte een onderscheid tussen de software toepassingen waarvan zij exclusief eigenaar is en deze waarvan **IHC. NV** en **I.** beide voor de helft eigenaar zijn. De **NV IHC.**, die instaat voor de commercialisatie naar ziekenhuizen toe die geen lid zijn van **I.**, kan, zonder dat **I.** haar, hetzij exclusief, hetzij haar onverdeeld eigendomsrecht, overdraagt of licenties hierop verleent, die software toepassingen niet commercialiseren. In die zin verricht **I.** een dienst bedoeld in artikel 18, §1, tweede lid, 7° W.BTW.

De Belgische Staat komt dan ook tot de slotsom dat de bij het proces-verbaal van 13 december 2005 gevorderde belasting bij toepassing van de erin vermelde wetsartikelen verschuldigd is om reden dat **I.** zich niet kan beroepen op de afwijkende regeling (artikel 44, §2, 1°bis W.BTW) van het algemeen beginsel dat omzetbelasting geheven wordt over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht en dat zij zich evenmin kan beroepen op artikel 6 W.BTW, gezien de bedoeling van de wetgever was om enkel de verenigingen die bij wijze van stichting opgericht werden onder bepaalde voorwaarden als niet-belastingplichtige te beschouwen en de vereniging daarenboven niet "als overheid" optreedt.

Met betrekking tot de boete stelt de Belgische Staat dat, alhoewel het een princiepskwestie betreft, dit niet wegneemt dat aanzienlijke belastbare handelingen niet werden aangegeven, waardoor de boete, voorzien bij tabel G, eerste afdeling, V, van de bijlage bij het KB nr. 41 van 30 januari 1987, verschuldigd is.

Ter zitting heeft de raadsman van de Belgische Staat de indexering van de rechtsplegingsvergoeding gevorderd.

3.2. –**I.** vordert het ingestelde hoger beroep toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond te verklaren;

het vonnis van de eerste rechter te vernietigen en opnieuw recht doende, de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens:

het fiscale verzoekschrift ontvankelijk en gegrond te verklaren, en

\- de tenuitvoerlegging van het bestreden dwangbevel, gekend onder Rciv-nr …, en uitgevaardigd door de Belgische Staat op 15 december 2005, te stuiten;

\- te zeggen voor recht dat de in het bestreden dwangbevel gevorderde sommen, zoals thans nog gedeeltelijk weerhouden, niet verschuldigd zijn;

\- tevens te zeggen voor recht dat de Belgische Staat gehouden is tot terugbetaling van de som van … euro, te vermeerderen met de wettelijk verschuldigde intresten vanaf 18 december 2006;

\- ondergeschikt de kwijtschelding van de opgelegde boeten te bevelen, minstens deze substantieel te verminderen; tevens kwijtschelding te verlenen van de intresten;

\- de terugbetaling te bevelen van alle sommen die op grond van het dwangbevel zouden zijn geïnd, verhoogd met de moratoire rente zoals voorzien in artikel 91, §3 W.BTW;

\- de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, begroot op … euro eerste aanleg en … euro hoger beroep;

in ondergeschikte orde, indien het hof niet overtuigd zou zijn van de argumenten en middelen van **I.**, een prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie:

> *"Moet artikel 132, 1 °, f) BTW -richtlijn zo worden uitgelegd dat het de lidstaten toelaat er een exclusiviteitsvoorwaarde aan te verbinden waardoor een zelfstandige groepering die eveneens diensten presteert aan niet-leden, ook voor de diensten verstrekt aan leden integraal onderworpen is aan de btw?"*.

**I.** voert aan dat de eerste rechter ten onrechte stelt dat wanneer **NV IHC.** de software commercialiseert die in onverdeelde eigendom is, **I.** ook het recht heeft verleend aan IHC om haar aandeel in de eigendomsrechten te commercialiseren. **I.** roept, in ondergeschikte orde, de strijdigheid in van KB nr. 43 met het Europees recht en meer bepaald de BTW - richtlijn. Door te beslissen dat het verrichten van diensten ten voordele van derden met zich meebrengt dat een zelfstandige groepering haar BTW - vrijstelling verliest op de diensten aan haar leden, wordt [artikel 13, A, lid 1, f), Richtlijn 77/388/EEG](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-13) van 17 mei 1977, thans [artikel 132, 1°, f) Richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-132) van 28 november 2006, die directe werking heeft, geschonden.

In strikt ondergeschikte orde roept **I.** de ongrondwettelijkheid van het KB nr. 43 van 5 juli 1991 in. Voor zover **I.** in haar relatie met de OCMW ziekenhuizen (leden van **I.**), waarmee zij in een reglementaire verhouding staat en niet in een contractuele verhouding, als een BTW -belastingplichtige moet worden beschouwd, quod non, moeten de diensten aan de leden van **I.** minstens vrijgesteld worden op grond van artikel 44, §2, 1°bis W.BTW. De diensten aan de **NV IHC.** zijn daarentegen onderworpen aan de BTW, althans in de mate dat en tot zolang **I.** aan de **NV IHC.** een licentie verleent om software toepassingen, waarvan zij uitsluitend eigenaar is, te commercialiseren en in zoverre **I.** in haar relatie met **NV IHC.** als particulier handelt met winstoogmerk en niet als overheid. In voorkomend geval moet **I.** bijgevolg weliswaar beschouwd worden als een gemengde BTW - plichtige, doch zijn de gevorderde BTW sommen alvast niet verschuldigd. Deze BTW - sommen vinden immers hun oorsprong in de weerlegde bewering dat BTW zou verschuldigd zijn op de diensten die **I.** aan haar leden verstrekt.

Huidige betwisting is volgens **I.** een principiële betwisting zodat enige boete onevenredig is en moet worden kwijtgescholden op grond van de besluitwet van 1831. Minstens moet de boete herleid worden tot 10% van het eventueel verschuldigde bedrag.

**4.Beoordeling**.

**4.1. -De toepassing van artikel 6 W.BTW**.

Het hof stelt vast dat **I.** in conclusie niet meer argumenteert in verband met de toepassing van artikel 6 W.BTW. Ter zitting heeft de raadsman van **I.** verklaard niet meer .aan te dringen op de toepassing van voormeld artikel 6 W.BTW. Er dient dan ook niet meer ingegaan te worden op de in dit verband door de Belgische Staat ontwikkelde argumenten.

Volledigheidshalve oordeelt het hof dat **I.** niet als een openbare instelling in de zin van artikel 6 W.BTW kan beschouwd worden en dat de door haar ontplooide activiteiten niet kunnen beschouwd worden als zijnde "als overheid" uitgevoerd. **I.** dient dan ook als BTW -belastingplichtige aangemerkt te worden.

**4.2. -De samenwerking tussen I. en de NV IHC.**.

Op 5 september 2000 wordt tussen **I.** en de **NV IHC.** een samenwerkingscontract houdende ziekenhuisinformatica gesloten.

De doelsteliing van het samenwerkingscontract is dubbel:

\- ontwikkeling van softwaretoepassingen voor de ziekenhuizen van **I.**: **IHC.** ontwikkelt voor **I.** toepassingen op formele bestelling en **I.** kan beroep doen op **IHC.** voor de (vernieuwende) ontwikkeling van haar softwaretoepassingen, waarbij **IHC.** deze toepassingen ontwikkelt voor en in samenwerking met **I.** en beiden de intellectuele eigendom verwerven.

\- commercialisering van softwaretoepassingen: dit kunnen de bestaande **I.**-toepassingen zijn of de binnen **IHC.** "ontwikkelde toepassingen. **IHC.** verwerft het verkooprecht op de bestaande **I**.-toepassingen·.

Voor de door **I.** bij **IHC.** bestelde ontwikkelingen bekomen zowel **IHC.** als **I.** de intellectuele eigendom. De rechten voortvloeiend uit de intellectuele eigendom kunnen door **I.** enkel ter beschikking gesteld worden van haar leden.

Van de door **IHC.** gecommercialiseerde toepassingen van **I.** behoudt **I.** de intellectuele eigendom. **IHC.** verwerft het gebruiksrecht voor zijn cliënten bij wie de **I.**-producten worden gecommercialiseerd.

De commercialisering naar niet leden toe bestaat zowel uit reeds bestaande **I.**-toepassingen, waarvoor aan **IHC.** het verkooprecht wordt verleend als op de binnen de **IHC.** ontwikkelde toepassingen. De verkoop door **IHC.** van de **I.**-toepassingen houdt de verkoop van licenties, de implementatie in de breedste zin, de integratie en het onderhoud in.

Uit de samenwerkingsovereenkomst blijkt dat de opbrengsten van de commercialisatie van de softwaretoepassingen naar niet bij **I.** aangesloten ziekenhuizen voor 50% toekomt aan **I.**. Dit betekent dat **I.** aan **IHC.**, die ten overstaan van de andere ziekenhuizen - niet-leden van **I.** -optreedt als eigenaar van de ontwikkelde software, het recht heeft verleend om haar aandeel in de eigendomsrechten te commercialiseren.

Het hof oordeelt dat het verlenen van toestemming om tegen vergoeding bestaande softwaretoepassingen, die exclusief eigendom zijn van **I.**, te commercialiseren, onder de toepassing valt van artikel 18, §1, tweede lid, 7° W.BTW en dus als een belastbare dienst te beschouwen is. Ook het verlenen van het recht om haar aandeel in de eigendomsrechten te commercialiseren wanneer de softwaretoepassingen in onverdeeldheid (ieder voor de helft) toebehoren aan **I.** en **IHC.**, valt onder de toepassing van artikel 18, §1, tweede lid, 7° W.BTW en is dus eveneens als een belastbare dienst te beschouwen.

**4.3. -De toepassing van artikel 44, §2, 1°bis W.BTW.**

4.3.1. -Artikel 42, §2, 1°bis W.BTW - zoals in deze van toepassing - bepaalt dat vrijgesteld zijn van BTW:

> *"de diensten verleend aan hun leden door zelfstandige groeperingen van personen die een werkzaamheid uitoefenen welke krachtens dit artikel is vrijgesteld of waarvoor zij niet belastingplichtig zijn, wanneer die diensten direct nodig zijn voor de uitoefening van die werkzaamheid, deze groeperingen van hun leden enkel terugbetaling vorderen van hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven, en mits deze vrijstelling niet tot concurrentieverstoring kan leiden; de Koning regelt de toepassingsvoorwaarden van deze vrijstelling."*

De grondslag voor deze vrijstelling is te vinden in artikel 132 sub 1 van de zesde BTW richtlijn dat bepaalt:

> *"1. De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen:*
>
> *f) diensten verricht door zelfstandige groeperingen van personen die een activiteit uitoefenen welke is vrijgesteld of waarvoor zij niet belastingplichtig zijn, teneinde aan hun leden de diensten te verlenen die direct nodig zijn voor de uitoefening van voornoemde activiteit, wanneer die groeperingen aan hun leden enkel terugbetaling vorderen van hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven, mits deze vrijstelling niet tot verstoring van de mededinging kan leiden."*

Artikel 131 van de zesde BTW - richtlijn bepaalt dat de in de hoofdstukken 2 tot en met 9 geregelde vrijstellingen van toepassing zijn onverminderd andere communautaire bepalingen en onder de voorwaarden die de lidstaten stellen om een juiste en eenvoudige toepassing van deze vrijstellingen te verzekeren en elke vorm van fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen.

In het Belgische recht zijn de toepassingsvoorwaarden voor deze vrijstelling vastgelegd in het K. B. nr. 43 van 5 juli 1991 dat in artikel 2 bepaalt:

> *"De diensten verleend aan hun leden door de in artikel 1 bedoelde zelfstandige groeperingen van personen zijn van de belasting vrijgesteld op voorwaarde dat:*
>
> *1°* *de werkzaamheden van de groepering uitsluitend bestaan in het verrichten van diensten rechtstreeks in het belang van de leden zelf en alle leden een werkzaamheid uitoefenen welke krachtens artikel 44 van het Wetboek is vrijgesteld of waarvoor ze niet belastingplichtig zijn;*
>
> *2°* *de leden van de groepering ofwel eenzelfde soort van werkzaamheid uitoefenen, ofwel behoren tot eenzelfde financiële, economische, professionele of sociale groep;*
>
> *3°* *de door de groepering verleende diensten rechtstreeks en uitsluitend betrekking hebben op de werkzaamheid welke krachtens artikel 44 van het Wetboek is vrijgesteld of waarvoor het lid niet belastingplichtig is;*
>
> *4°* *de individueel aan ieder lid aangerekende vergoeding of retributie de terugbetaling vertegenwoordigt van zijn aandeel in de door de groepering gedane gezamenlijke uitgaven."*

De administratie is van mening dat de vrijstelling groeperingen van personen (ook openbare instellingen) beoogt die zelf vrijgesteld zijn van belasting en die aan hun leden diensten verrichten, direct nodig voor de uitoefening van hun werkzaamheid mits zij enkel teruggave vorderen van hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven. Van zodra ook diensten naar niet-leden verricht worden is de volledige werkzaamheid van de groepering, met inbegrip van de diensten verstrekt aan de leden, aan de belasting onderworpen. (aanschrijving nr. 3 van 9 mei 1996)

**I.** stelt enerzijds dat de delegatie aan de Koning ongrondwettelijk is en anderzijds dat de zogenaamde exclusiviteitsvoorwaarde nergens terug te vinden is in de BTW - richtlijn.

4.3.2. - Door in artikel 2, 1 ° van het K.B. van 5 juli 1991 met betrekking tot de vrijstelling op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de door zelfstandige groeperingen van personen aan hun leden verleende diensten, te vermelden dat de in artikel 44, §2, 1°bis W.BTW bedoelde vrijstelling enkel geldt ingeval de werkzaamheden van de groepering uitsluitend bestaan in het verrichten van diensten rechtstreeks in het belang van de leden zelf) heeft de Koning zich ertoe beperkt, zonder zijn bevoegdheid te overschrijden, een toepassingsvoorwaarde van die vrijstelling te regelen, aangezien uit die bepaling, en inzonderheid uit de daarin vervatte voorwaarde dat de betrokken groeperingen van hun leden enkel de exacte terugbetaling vorderen van hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven, volgt dat zij uitsluit dat de dienstverlening waarop zij doelt voor die groeperingen ook wordt verstrekt aan personen die geen lid zijn ([Cass., 2 april 2009](https://juriel.be/fr/jurisprudence/interruption-prescription-renonciation-temps-couru-cassation-bruxelles-2009-04-02-ece2)) [F.07.0070.F](https://juriel.be/fr/jurisprudence/interruption-prescription-renonciation-temps-couru-cassation-bruxelles-2009-04-02-ece2)) www.cass.be).

Het K.B. nr. 43 van 5 juli 1991 is dan ook niet ongrondwettig.

4.3.3. - Het is vaststaande rechtspraak van het Hof van Justitie dat de bepalingen van de richtlijn rechtstreekse werking hebben wanneer ze inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn. (zie o.m. HvJ 10 september 2002) [C-141/00](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-141-00-arret), Kügler; HvJ 6 november 2003, [C-45/01](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-45-01-arret)) Dornier).

Principieel somt de richtlijn op voldoende nauwkeurige en onvoorwaardelijke wijze de werkzaamheden op die voor vrijstelling in aanmerking komen. Een belastingplichtige kan zich dan ook principieel beroepen op de vrijstellingen die in de richtlijn zijn voorzien.

Aldus werd door het Hof van Justitie voor tal van bepalingen van de BTW-richtlijn reeds de rechtstreekse werking ervan erkend.

Hierbij dient weliswaar te worden opgemerkt dat de richtlijn, in welbepaalde gevallen, wel degelijk een zekere beoordelingsvrijheid toekent aan de lidstaten. Deze beoordelingsvrijheid situeert zich op drie vlakken. Vooreerst stelt [artikel 131](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-131) van de richtlijn dat de vrijstellingen worden toegepast onder de voorwaarden die de lidstaten stellen om een juiste en eenvoudige toepassing van deze vrijstelling te verzekeren en elke vorm van fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen. De voorwaarden die de lidstaten aldus kunnen stellen, mogen echter niet de materiële omschrijving van die vrijstelling betreffen. Het feit dat de lidstaten op dit punt over een beoordelingsmarge beschikken, ontneemt aan de vrijstellingen niet hun rechtstreekse werking. De richtlijn kent aan de lidstaten ook de mogelijkheid toe om een aantal vrijstellingen voor activiteiten van algemeen belang ondergeschikt te maken aan één of meer aanvullende voorwaarden. [Artikel 137](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-137) van de richtlijn bepaalt verder dat de lidstaten ervoor kunnen opteren om aan welbepaalde vrijstellingen, waaronder de financiële handelingen en onroerende handelingen, een optioneel karakter te verlenen.

De vrijstellingen zonder recht op aftrek dienen een vergelijkbare heffing van de eigen middelen van de Unie in alle lidstaten mogelijk te maken en dragen bij tot de totstandkoming van een gemeenschappelijke markt. Deze doelstelling kan maar bereikt worden voor zover de vrijstellingen door de verschillende lidstaten op eenzelfde wijze geïnterpreteerd en toegepast worden. Het is dan ook vaststaande rechtspraak van het Hof van Justitie dat de vrijstellingen zonder recht op aftrek autonome begrippen van het Unierecht vormen, waaraan derhalve een eigen communautaire definitie moet gegeven worden (zie o.m. HvJ 15 juni 1989, 348/87, Stichting Uitvoering Financiële Acties). Enkel op die manier kunnen verschillen in de toepassing van het BTW - stelsel tussen de lidstaten vermeden worden. Bijgevolg dienen de vrijstellingen uniform te worden uitgelegd en toegepast in het licht van de tekst in alle talen van de Unie. Tevens zal, wanneer de tekst van de richtlijn geen uitsluitsel biedt, rekening moeten gehouden worden met de context waarin de vrijstelling wordt gehanteerd alsook met de structuur en het opzet van de richtlijn. De uitlegging dient ook in overeenstemming te zijn met de ratio legis van de vrijstellingen en met het neutraliteitsbeginsel dat aan het BTW - stelsel ten grondslag ligt.

Omdat de vrijstellingen zonder recht op aftrek een uitzondering vormen op de algemene regel van belastingheffing en aldus afbreuk doen aan de essentiële kenmerken en doelstellingen van het BTW -stelsel, stelt het Hof van Justitie dat deze vrijstellingen eng moeten geïnterpreteerd worden. (zie o.m. HvJ 15 juni 1989, zaak 348/87, Stichting Uitvoering Financiële Acties). Een "strikte" of "enge" uitlegging mag niet verward worden met een "restrictieve uitlegging". Het beginsel van "strikte" uitlegging houdt niet in dat de bewoordingen die ter omschrijving van de vrijstellingen zijn gebruikt aldus moeten uitgelegd worden dat zij geen effect meer sorteren. (zie o.m. HvJ 18 november 2004, [C-284/03](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-284-03-arret), **T. E.**). Volgens advocaat-generaal **J.** impliceert een "strikte" uitlegging dat de vrijstellingen, en de daaraan verbonden voorwaarden, niet al te eng mogen uitgelegd worden, maar evenmin ruimer dan hun bewoordingen, zodat de vrijstellingen en de daaraan verbonden voorwaarden zodanig worden uitgelegd dat ze precies toepassing vinden op datgene waarvoor ze werden bedoeld, doch niet meer dan dat. (concl. adv.-gen. **J.** van 13 december 2001, [C-267/00](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-267-00-arret), **Z. S.**).

4.3.4. -Uit een strikte interpretatie van artikel 132 sub 1°, f° van de zesde richtlijn, zoals hiervoor aangehaald, en inzonderheid van de erin vervatte voorwaarde dat de groeperingen van hun leden enkel de exacte terugbetaling vorderen van hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven, volgt dat zij uitsluit dat de dienstverlening waarop zij doelt door die groeperingen ook wordt verstrekt aan personen die er geen deel van uitmaken.

In een arrest van 15 juni 1989 ([C-348/87](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-348-87-arret)) oordeelt het Hof van Justitie als volgt:

> *"*[*artikel 13, A, lid 1, sub f, van de Zesde richtlijn*](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-13) *geldt uitdrukkelijk slechts voor zelfstandige groeperingen van personen, die aan hun leden diensten verlenen. Dit is niet het geval bij een stichting die uitsluitend diensten verleent aan een andere stichting, terwijl geen van deze stichtingen lid is van de andere. Gezien de nauwkeurige formulering van de vrijstellingsvoorwaarden, zou iedere uitlegging die de draagwijdte van de tekst van artikel 13, deel A, lid 1, sub f, van de Zesde richtlijn verruimt, onverenigbaar zijn met de strekking van die bepaling."*

Artikel 44, §2, 1 °bis W.BTW dient eveneens in die optiek gelezen te worden. Enkel ingeval een zelfstandige groepering van personen, die een werkzaamheid uitoefent die krachtens artikel 44 vrijgesteld is of waarvoor ze niet belastingplichtig is, aan haar leden diensten verricht die direct nodig zijn voor de uitoefening van die activiteit en ze van haar leden enkel terugbetaling vordert van hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven, vindt die vrijstelling toepassing, mits ze niet kan leiden tot concurrentieverstoring. Indien de zelfstandige groepering ook diensten verricht aan niet - leden kan zij geen beroep doen op de vrijstelling.

Aangezien **I.**, via NV **IHC.** waarmee ze een samenwerkingsovereenkomst heeft afgesloten, zich niet beperkt tot het verrichten van diensten aan haar leden, maar tevens overgaat tot commercialisatie naar derden toe van door haar, of in haar opdracht, ontwikkelde softwaretoepassingen, kan zij zich voor het geheel van haar activiteiten niet beroepen op de vrijstelling.

Gelet op het voorgaande zijn de overige door partijen ingeroepen argumenten niet ter zake dienend.

**4.4. -De vordering tot teruggaaf van betaalde BTW**.

Vermits in het proces-verbaal van 13 december 2005 geen belasting in aftrek werd gebracht geheven van de aan **I.** geleverde goederen en verrichte diensten, heeft **I.** aan de administratie onder alle voorbehoud gevraagd om gemachtigd te worden om het integrale bedrag, of minstens een deel ervan, van de door haar gedragen aftrekbare BTW waarvan het recht op aftrek is ontstaan in de kalenderjaren 2002, 2003 en 2004 op te nemen in het vak herzieningen van de BTW - aangifte. **I.** heeft hiertoe lijsten ingediend waarop de aftrekbare BTW werd vermeld met betrekking tot de tijdens deze jaren ontvangen facturen.

Na onderzoek heeft de administratie bij beslissing van 18 december 2006 het verzoek tot uitoefening van het recht op aftrek ingewilligd ten bedrage van … euro en een bijkomend recht van … euro als gevolg van de door de administratie ingestelde vordering lastens de medecontractant van **I.**.

Deze bedragen werden in mindering gebracht van de gevorderde BTW-bedragen, zodat de verschuldigde BTW in hoofdsom nog … euro bedraagt.

**I.** is geen gemengde belastingplichtige, zoals zij in ondergeschikte orde voorhoudt, en de in dat verband ontwikkelde argumenten zijn dan ook niet ter zake dienend.

**4.5. -De boete en de intresten**.

4.5.1. -In het dwangbevel wordt een boete gevorderd van 20% op het verschuldigde BTW bedrag.

Het wordt niet betwist dat dergelijke boete een strafrechtelijk karakter heeft en onderworpen is aan de controle en het oordeel van een onafhankelijke rechter. De Belgische Staat betwist ook niet dat de betwisting van principiële aard is.

Het hof oordeelt dat het opleggen van een boete van dergelijke omvang, gelet op het principieel karakter van de betwisting, niet evenredig is met de aard en de ernst van de inbreuk en dat er derhalve geen gronden zijn om een boete op te leggen.

4.5.2. – **I.** vordert ook de kwijtschelding van de intresten.

Het hof heeft evenwel niet de bevoegdheid om intresten kwijt te schelden. Inzake intresten behoort de bevoegdheid, ingevolge de uitdrukkelijke bepalingen van artikel 84bis W.BTW, uitsluitend aan de gewestelijke directeur van de BTW - administratie.

**4.6. -Besluit**.

Het hoger beroep van **I.** is ongegrond en het bestreden vonnis dient .bevestigd te worden. **I.** dient veroordeeld te worden tot de kosten van het hoger beroep, zoals hierna begroot.

### Dispositif

**5. Beslissing**.

**Het hof** beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van **I.** toelaatbaar doch ongegrond.

Het hof bevestigt het bestreden vonnis.

Het hof veroordeelt **I.** tot de kosten van het geding, in hoofde van de Belgische Staat begroot op en door het hof vereffend op … euro kosten dagvaarding na cassatie en … euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 20 september 2016 door

Ondertekeningen

## Textes cités

12

[6e directive 77/388 art. 13](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-13) 3 occurrences

[CTVA art. 44](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44) 2 occurrences

[directive TVA 2006/112 art. 132](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-132) 2 occurrences

[CTVA art. 46](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-46) 1 occurrence

[CTVA art. 6](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-6) 1 occurrence

[directive TVA 2006/112 art. 131](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-131) 1 occurrence

[directive TVA 2006/112 art. 137](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-137) 1 occurrence

[348/87, arrêt du 15 juin 1989](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-348-87-arret) 2 occurrences

[C-141/00, arrêt du 10 septembre 2002](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-141-00-arret) 1 occurrence

[C-267/00, arrêt du 21 mars 2002](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-267-00-arret) 1 occurrence

[C-284/03, arrêt du 18 novembre 2004](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-284-03-arret) 1 occurrence

[C-45/01, arrêt du 6 novembre 2003](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-45-01-arret) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Exemptions](https://juriel.be/fr/jurisprudence/exemptions-professions-medicales-cour-constitutionnelle-bruxelles-2017-09-28-106-2017) 4 dispositions communes

[Droit à déduction, Assujetti mixte, Opération exemptée](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-assujetti-mixte-operation-cour-appel-gand-2019-09-24-023c) 4 dispositions communes

[Exemption article 44, Prestation d’enseignement, Principes de bonne administration](https://juriel.be/fr/jurisprudence/exemption-article-44-prestation-enseignement-tribunal-namur-2018-10-18-3982) 4 dispositions communes

[Exonération, distorsion de concurrence](https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-distorsion-concurrence-cour-appel-bruxelles-2026-03-19-188a) 3 dispositions communes

[Taux TVA de 6%, immeuble bâti](https://juriel.be/fr/jurisprudence/taux-tva-immeuble-bati-exemption-cour-appel-gand-2023-10-213e) 3 dispositions communes

[Validité de la contrainte, Motivation adéquate](https://juriel.be/fr/jurisprudence/validite-contrainte-motivation-adequate-reference-cour-appel-liege-2022-09-14-234b) 3 dispositions communes

[Association chargée de mission, théorie de l’émanation](https://juriel.be/fr/jurisprudence/association-chargee-mission-theorie-emanation-cour-appel-anvers-2024-10-11-3663) 3 dispositions communes

[Code de la taxe sur la valeur ajoutée](https://juriel.be/fr/jurisprudence/code-taxe-valeur-ajoutee-art-cour-constitutionnelle-bruxelles-2021-12-02-3910) 3 dispositions communes
