---
title: "Appel en garantie · Cour d&#x27;appel de Bruxelles, 22 septembre 2005"
description: "Appel en garantie. Cour d'appel de Bruxelles (Belgique), 22 septembre 2005."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/garantie-cour-appel-bruxelles-2005-09-22-4376"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Appel en garantie · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Bruxelles

**Date**

22 septembre 2005

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

215 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Bruxelles du 22.09.2005

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**HOF van BEROEP te BRUSSEL - Zesde fiscale kamer**

Nr. van de zaak : **1989/AR/1988**

**IN ZAKE VAN :**

**1.** **Mevrouw S. V. P.**

**2.** **Mevrouw N. M.**, samenwonende te …, …,

appellanten, in hun hoedanigheid van erfgenamen van de heer **J. M.**, overleden op 10.02.1993,

vertegenwoordigd door Meester **B. S.**, advocaat (…, …)

**tegen :**

**1.** **DE BELGISCHE STAA****T**, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Rekenplichtige van het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen, met kantoren gevestigd te 1000 Brussel, Cantersteen 47,

**eerste geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door Meester **B.** loco **H.**, advocaat, (…, …)

## R. 2005/5852 - EINDARREST - Gedeeltelijk gegrond

**2.** **De vennootschap naar Frans recht SA F. d. M. J. P****.**, niet maatschappelijke zetel gevestigd te …, … (…),

**tweede geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door Meester **D. S.** loco **G.**, advocaat, (…, …)

---

Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :

### De Processtukken

Een tussenarrest 1,verd uitgesproken op 29 april 2004.

In het tussenarrest heeft het Hof van beroep :

1\. het verzet tegen het dwangbevel gedeeltelijk gegrond verklaard en wel in de mate dat dit dwangbevel was opgesteld voor een bedrag dat … € overschrijdt;

2\. de vordering in tussenkomst en vrijwaring gericht tegen de SA **F. d. M. J. P.** principieel gegrond verklaard;

3\. de debatten heropend om de Belgische Staat toe te laten een afrekening op te stellen.

### De beoordeling

### *a) De afrekening tussen appellanten en de Belgische Staat*

In het tussenarrest heeft het Hof van Beroep vastgesteld dat op het ogenblik van het uitvaardigen van het dwangbevel er slechts een BTW verschuldigd was van … FR.

Het Hof van beroep heeft eveneens vastgesteld dat de boete die op 200 % was vastgesteld in het dwangbevel derhalve diende herleid te worden tot 200 % van dit bedrag zijnde … Fr.

Door dit te doen heeft het Hof van Beroep zich uiteraard niet uitgesproken over de beslissing van de administratie om de boete, in de loop van het geding, na het uitvaardigen van het dwangbevel, te herleiden tot … Fr.

Het Hof van Beroep diende slechts rekening te houden met het herleiden van de boete, waartoe de administratie eigenmachtig kan beslissen, binnen het kader van de uiteindelijke afrekening tussen partijen. De vaststelling dat de boete ten belope van 200 % van de reëel verschuldigde BTW principieel gegrond was, doet aan het recht van de administratie om de boete te herleiden geen enkele afbreuk.

Vermits de administratie in conclusies slechts een boete vorderde van … Fr kan het hof onmogelijk, zonder meer toe te kennen dan wat werd gevorderd, in de afrekening, rekening houden met een hoger bedrag dan het bedrag van de door de administratie uiteindelijk gevorderde boete. De principiële beslissing dat de boete voor en hoger bedrag gegrond was op het ogenblik dat het dwangbevel werd uitgevaardigd staat hier los van.

Door een verkeerde lezing van het tussenarrest miskent de administratie haar eigen beslissing om de boete te herleiden tot … Fr.

Zoals appellanten terecht voorhouden dient bijgevolg de berekening overgenomen te worden die door de administratie werd gehouden in de pagina's 9-11 van haar conclusies genomen na heropening der debatten.

Deze berekening wordt op zichzelf niet betwist.

Uit deze afrekening blijkt dat sedert 05 december 1989 een bedrag teruggegeven dient te worden van … Fr. te verhogen met de gerechtelijke intresten sedert die datum.

### *b) de vordering in vrijwaring*

Om het bedrag der vrijwaring vast te stellen dient uitgegaan te worden van de afrekening opgesteld door de Belgische staat op de pagina's 9 tot 11 van de conclusies na heropening der debatten.

In het tussenarrest werd beslist dat het dwangbevel en de boetes het gevolg waren van de wanuitvoering door de SA **FMJP** van haar verplichting en dat de vordering in vrijwaring volledig gegrond was.

Tussen het uitvaardigen van het dwangbevel en de uiteindelijke betaling op 05 december 1989 is de hoofdsom verhoogd met de boete opgelopen tot … FR.

Sedert de betaling zijn op dit bedrag gerechtelijke intresten verschuldigd.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF**, rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Het tussenarrest van 29 april 2004 verder uitwerkend;

Veroordeelt de Belgische Staat om aan appellanten het teveel betaalde bedrag van … € terug te betalen te verhogen met de gerechtelijke intresten sedert 05 december 1989.

Veroordeelt de SA **F. d. M. J. P.** om aan appellanten de som te betalen van … € te verhogen met de gerechtelijke intresten sedert 05 december 1989.

Veroordeelt appellanten en de Belgische Staat elk tot de ½ van de kosten die betrekking hebben op de hoofdeis. Legt al de kosten die betrekking hebben op de eis in tussenkomst en vrijwaring ten laste van de SA **F. d. M. J. P.**.

De kosten worden begroot op … EUR voor appellanten, op … EUR voor eerste geïntimeerde en op … EUR voor tweede geïntimeerde.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op 22-09-2005

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

**K. V. H.**, voorzitter,

**B. V.**, raadsheer,

**B. d. C.**, plaatsvervangend raadsheer,

**C. D. N.**, griffier.

**C. D. N.** **B. d. C.** **B. V.** **K. V. H.**

**HOF van BEROEP te BRUSSEL - Zesde fiscale kamer**

Nr. van de zaak : **1989/AR/1988**

**1.** **Mevrouw S. V. P.****,**

**2.** **Mevrouw N. M.**, samenwonende te …, …,

appellanten, in hun hoedanigheid van erfgenamen van de heer **J. M.**, overleden op 10.02.1993,

vertegenwoordigd door Meester **B. S.**, advocaat (…, …)

**tegen :**

**1.** **DE BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Rekenplichtige van het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen, met kantoren gevestigd te 1000 Brussel, Cantersteen 47,

**eerste geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door Mr. **B.** loco **H.**, advocaat, (…, …)

**R. ………… Tussenarrest - H.D.D. op 17.06.2004 om 9 u**

**2.** **De vennootschap naar Frans recht SA F. d. M. J. P.**, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, … (…),

**tweede geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door Mr. **D. S.** loco **G.**, advocaat, (…, …)

---

### Décision jointe par le SPF

Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :

Het Hof van beroep is gevat door een beroepsakte betekend op 03.05.1989 ten verzoeke van **J. M.**.

Het hoger beroep is gericht tegen het vonnis op tegenspraak geveld tussen de heer **J. M.** en de Belgische Staat en bij verstek lastens de SA **F. d. M. J. P.** door de 25 ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg van Brussel op 06.01.1989, waarvan geen akte van betekening wordt neergelegd.

De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist.

## De oorspronkelijke vordering en de beslissing van de eerste rechter

De eerste rechter heeft het verzet van de heer **M. J.** tegen het dwangbevel, uitgevaardigd op 25.02.1977 en uitvoerbaar verklaard op 21.03.1977, ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

Hij heeft daarenboven de tussenvordering, gericht tegen de SA **F. d. M. J. P.** niet toelaatbaar verklaard omdat de oorspronkelijke eiser zou nagelaten hebben in de dagvaarding enig feit aan te halen waarop de vordering in vrijwaring zou kunnen gestoeld worden.

## De hervatting van het geding

De heer **J. M.** is overleden op 10.03.1993. De appellanten werden op 30 november 1994 gedagvaard in hun hoedanigheid van erfgenaam van de oorspronkelijke eiser.

De appellanten hervatten het geding onder voorbehoud van hun dagvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving van de nalatenschap van wijlen de heer **J. M.**.

## Het hoger beroep

In hoger beroep hervatten appellanten de oorspronkelijke vordering erop gericht het tegen hun rechtsvoorganger betekende dwangbevel van onwaarde te horen verklaren.

Zij vorderen daarenboven terugbetaling van een bedrag van … BF te vermeerderen met de verwijlintresten sedert 30 november 1989, datum waarop hun rechtsvoorganger de sommen, die in het dwangbevel gevorderd worden, zou hebben betaald.

Zij vorderen eveneens betaling van een bedrag van … BF te vermeerderen met de moratoriumintresten sedert 30 november 1989.

Appellanten vorderen uiteindelijk lastens de tweede geïntimeerde betaling van … BF minstens … BF te vermeerderen met de verwijlintresten sedert 30 november 1989.

Zij vorderen ook lastens tweede geïntimeerde betaling van … BF te vermeerderen met de gerechtelijke rente sedert 13 maart 1981.

Zij vragen uiteindelijk vrijwaring voor alle bedragen die zij in hoofdsom boetes, renten en kosten aan eerste geïntimeerde zouden moeten betalen te vermeerderen met de verwijlintresten sedert de dag van de betaling.

---

Geïntimeerden concluderen tot de bevestiging van het bestreden vonnis.

## De nuttige feiten

Op 17 oktober 1975 werd door de vennootschap naar Frans recht de SA **F. d. M. J. P.**, gevestigd te … (…) in …, een aangifte van aanvang van werkzaamheid ingediend bij het Centraal BTW­kantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen te Brussel (cfr. [Art. 50, § 1, 1° van het BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-50) en art. 1 van het K.B. nr. 10 van 12 maart 1970).

In deze aangifte verklaart de genoemde vennootschap vanaf 17 oktober 1975 handelingen in België te verrichten die haar de hoedanigheid van Belgisch BTW-belastingplichtige verlenen.

Bovendien werd in deze aangifte wijlen de heer **J. M.** als haar aansprakelijke vertegenwoordiger in België aangeduid.

Eveneens op 17 oktober 1975 werd door de genoemde Franse vennootschap een aanvraag om erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger ingediend overeenkomstig [art. 55 van het BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-55) en art. 1 van het K.B. nr. 31 van 29 december 1970. Zoals in de aangifte van aanvang van werkzaamheid werd in deze aangifte eveneens wijlen de heer **J. M.** als aansprakelijk vertegenwoordiger in België aangesteld. Deze aanvraag werd goedgekeurd door de bevoegde ambtenaar van het Centraal BTW-kantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen op 28 oktober 1975 en het BTW-nummer … werd aan de genoemde Franse vennootschap toegekend.

Om de immatriculatieprocedure te beëindigen werd op 22 oktober 1975 door wijlen de heer **J. M.** de verbintenis als aansprakelijke vertegenwoordiger van de SA **F. d. M. J. P.** onderschreven. Deze verbintenis werd door de heer **M.** beperkt tot … BF of … euro. De heer **J. M.** was sedert 27 juni 1975 de exclusieve vertegenwoordiger van de SA **F. d. M. J. P.** voor België en Nederland.

Op 23 december 1975 werd de Belgische NV **P.** Benelux opgericht. Deze vennootschap werd ingeschreven in het handelsregister van Brussel op 21 januari 1976.

Tweede geïntimeerde heeft nooit deel uitgemaakt van de aandeelhouders van deze vennootschap ook al wordt niet betwist dat de aandeelhouders van beide vennootschappen gelijk lopen.

In zijn hoedanigheid van aansprakelijke vertegenwoordiger werden door wijlen de heer **J. M.**, voor rekening van de SA **F. d. M. J. P.**, respectievelijk op 16 januari, 20 april en 7 juli 1976, de BTW-aangiften van het laatste kwartaal 1975, het eerste en het tweede kwartaal 1976 ingediend.

Wijlen de heer **J. M.** heeft het belastingkrediet van … BF voor het laatste kwartaal 1975 geïnd en heeft nagelaten de verschuldigde bedragen, opgenomen in de twee aangiften met betrekking tot 1976, te voldoen.

In haar brief van 2 juni 1976 bevestigt de SA **F. d. M. J. P.** uitdrukkelijk dat de verplichtingen die de heer **J. M.** op zich genomen heeft, louter formeel zijn en dat zij alles in het werk zal stellen om iedere moeilijkheid te voorkomen die **J. M.** zou kunnen oplopen ingevolge de door hem ten opzichte van de BTW opgenomen aansprakelijkheid.

Kort daarop vertroebelen de handelsrelaties tussen e SA **F. d. M. J. P.** en de heer **J. M.**.

In zijn aangetekend schrijven van 9 juli 1976 stelt **J. M.** een afrekening voor waarin hij het bedrag van … BF, dat hij ontvangen heeft, in rekening brengt. In dit schrijven wijst hij de SA **F. d. M. J. P.** op haar BTW-verplichtingen.

In zijn aangetekend schrijven van 2 augustus 1976 en de daarop volgende brieven van 11 en 12 augustus 1976 wijst **J. M.** er de SA **F. d. M. J. P.** op dat zij, ingevolge de twee aangiftes voor 1976, respectievelijk … BF en … BF verschuldigd is of … BF in het totaal. Hier verrekent hij eigenaardig genoeg een tweede maal het bedrag van … BF dat hij van de BTW had teruggekregen.

Op 8 oktober 1976 werd met betrekking tot de handelingen in België van de SA **F. d. M. J. P.** een aangifte van stopzetting van werkzaamheid, overeenkomstig [art. 50, § 1, 1° van het BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-50) en art 3 van het K.B. nr. 10 van 12 maart 1970, ontvangen op het Centraal BTW-kantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen. Deze aangifte vermeldt als stopzettingsdatum 30 juni 1976.

Wegens de niet betaling van de verschuldigde bedragen opgenomen in de BTW-aangiften van het eerste en tweede kwartaal 1976, werd overeenkomstig art. 8, § 1 van het K.B. nr. 24 van 23 oktober 1970, een bijzondere rekening opgemaakt ten aanzien van de periode waarop de1e aangiften betrekking hebben.

Op 16 februari 1977 heeft de SA **F. d. M. J. P.** de heer **J. M.** gedagvaard in betaling van het bedrag van … BF dat hij van de BTW had ontvangen voor het vierde kwartaal 1975.

Met betrekking tot de verschuldigde bedragen opgenomen in de bijzondere rekening werd er op 25 februari 1977 door de BTW-administratie een dwangbevel uitgevaardigd door de rekenplichtige van het Centraal BTW-kantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen.

In dit dwangbevel worden navolgende bedragen gevorderd :

\- als BTW : … euro (… BF);

\- als wettelijke geldboeten : … euro (… BF);

\- als intresten op grond van [art. 91, § 1, 1° van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) te berekenen op de verschuldigde BTW vanaf 1 september 1976;

\- als intresten op grond van [art. 91, § 4 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) te berekenen op de verschuldigde boeten vanaf de betekening van het dwangbevel;

\- de vervolgingskosten.

Bij exploot van 31 maart 1977 werd het dwangbevel aan wijlen de heer **J. M.** betekend.

Een herhaald bevel werd hem betekend op 12 april 1977.

Bij exploot van 13 april 1977 werd door wijlen de heer **J. M.** verzet aangetekend tegen het dwangbevel uitgevaardigd op 25 februari 1977. Tevens werden de administratie en de SA **F. d. M. J. P.** gedagvaard voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

De heer **J. M.** zou nochtans op 30 november 1989 het bedrag betaald hebben van … BF.

Bij vonnis gewezen op 6 januari 1989 door de 25 ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel werd de eis van wijlen de heer **J. M.** toelaatbaar doch ongegrond verklaard.

Ingevolge het overlijden van de heer **J. M.** op 10 februari 1993 werden diens erfgenamen (Mevrouw **S. V. P.** en Mevrouw N. M.) gedagvaard in gedwongen gedinghervatting.

## De beoordeling

## Het verzet tegen het dwangbevel

## A. het principe

Uit de stukken van het dossier blijkt dat de rechtsvoorganger van appellanten de vaste vertegenwoordiger van tweede geïntimeerde de in België was en dat hij in die hoedanigheid de aangiften van het laatste kwartaal 1975 en deze van de twee eerste kwartalen 1976 heeft ingevuld en ondertekend.

De rechtsvoorganger van appellanten heeft trouwens in die hoedanigheid op 31 oktober 1975 een bedrag van … BF geïnd op zijn eigen bankrekening als terugbetaling aan tweede geïntimeerde van het belastingkrediet van het vierde kwartaal 1975.

Overeenkomstig art. 55, 1 ste lid van het BTW-wetboek wordt de belastingplichtige, die in België geen vaste inrichting heeft, vertegenwoordigd door een aansprakelijke vertegenwoordiger; deze is overeenkomstig § 3 van dit artikel samen met zijn lastgever hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting, intresten en geldboeten waarvan de opeisbaarheid voortvloeit ten aanzien van alle plichten die aan de lastgever zijn opgelegd door of ter uitvoering van het BTW-wetboek.

Tevergeefs houden appellanten voor dat hun rechtsvoorganger de BTW, die op de aangiften werd aangegeven, niet zou verschuldigd zijn omdat zijn lastgever werd vertegenwoordigd door de NV **P. B.** sedert de inschrijving van deze laatste in het handelsregister in januari 1976.

Zij steunen zich daarvoor op het gelijklopend aandeelhouderschap van tweede geïntimeerde en deze vennootschap en het conflict tussen hun rechtsvoorganger en de SA **F. d. M. J. P.**.

Het feit dat de Belgische en de Franse vennootschap een gelijklopend aandeelhouderschap bezit laat echter niet toe daaruit zonder meer af te leiden dat de Belgische vennootschap de vaste vestiging in België was van de Franse vennootschap tijdens de periode die gedekt wordt door de aangiftes van de rechtsvoorganger van appellanten.

Deze hypothese wordt trouwens formeel ontkracht door de stukken van het dossier waaruit blijkt dat de rechtsvoorganger van appellanten, die toen nog de exclusieve vertegenwoordiger was van de SA **F. d. M. J.**, zelf de BTW­aangiftes heeft ingevuld voor het eerste en het tweede kwartaal 1976.

De rechtsvoorganger van appellanten blijft dan ook gehouden ten opzichte van de Belgische Staat voor de BTW verschuldigd ingevolge de activiteiten van de SA **F. d. M. J. P.** voor het vierde kwartaal 1975, het eerste en het tweede kwartaal 1976 waarvan de aangifte door hem, in zijn hoedanigheid van aansprakelijke vertegenwoordiger, werd opgesteld.

## B. Wat de vordering in vrijwaring lastens tweede geïntimeerde betreft

Tweede geïntimeerde betwist niet dat de rechtsvoorganger van appellanten betaald heeft in zijn hoedanigheid van lasthebber.

Zij houdt echter voor dat de openstaande schuld het gevolg is van de nalatigheid van haar lasthebber-aansprakelijke vertegenwoordiger, die zijn verplichting om de BTW-schuld te voldoen, heeft verzuimd.

Daarom betwist zij niet het saldo van de BTW verschuldigd te zijn doch wel de boetes.

Uit het schrijven van de SA **F. d. M. J. P.** d.d. 2 juni 1976, gericht aan de rechtsvoorganger van appellanten, evenals de herhaalde brieven van juli en augustus 1976, uitgaande van **J. M.** en gericht aan de SA **F. d. M. J. P.**, kan met zekerheid afgeleid worden dat tussen de lasthebber en lastgever was overeengekomen dat de lastgever iedere betaling zou uitvoeren en dat de rol van de lasthebber louter formeel was.

Dit blijkt eveneens uit de vordering tot terugbetaling ingeleid door de SA **F. d. M. J. P.** tegen **J. M.** voor het bedrag van … BF dat hij in zijn hoedanigheid van vaste vertegenwoordiger had ontvangen.

Ongeacht de moeilijkheden, die bij de uitvoering van de samenwerking waren gerezen, had de SA **F. d. M. J. P.** de BTW dienen te betalen sedert de dag waarop zij van deze BTW-schuld verwittigd was. Zij was waarschijnlijk op de hoogte van deze schuld sedert de datum van de aangifte door haar vaste vertegenwoordiger. Het staat echter vast dat zij ten laatste op 6 augustus 1976 formeel was ingelicht over het bestaan van deze schuld.

De gebrekkige uitvoering van haar verplichting gaf aanleiding tot het dwangbevel en de boetes.

De vordering in vrijwaring is bijgevolg volledig gegrond.

## C. de afrekening

Eerste geïntimeerde aanvaardt dat het verzuim van de administratie om er tweede geïntimeerde op te wijzen dat haar brief van 18 januari 1977 niet voldeed aan de voorschriften om teruggaaf te bekomen van het bedrag van … BF dat door de BTW­administratie aan haar verschuldigd was, aan de oorsprong ligt van de wettelijke en tijdige aanvraag tot een teruggaaf.

Zij is dan ook bereid er van uit te gaan dat in de afrekening voor de periode, die liep over het derde kwartaal 1975 en, de eerste twee kwartalen 1976, uiteindelijk een BTW was gevorderd die … BF hoger ligt dan de BTW die werkelijk verschuldigd was.

De Belgische Staat stelt overigens terecht dat, gelet op de staking van activiteiten van de SA **F. d. M. J. P.**, de BTW niet kon gecompenseerd worden maar diende teruggegeven te worden via de teruggaaf.

Dit neemt niet weg dat thans vaststaat dat op het ogenblik van het uitvaardigen van het dwangbevel, dat werd opgesteld na de vraag van 18 januari 1977 in feite slechts een BTW verschuldigd was, rekening houdend met al de operaties en de ten onrechte gefactureerde prestaties, van … BF - … BF = … BF.

De boete van 200 % heeft geen vergoedend maar een bestraffend karakter. Deze boete is volledig gerechtvaardigd ten belope van het gedeelte van het bedrag van de verschuldigde BTW dat overeenstemt met BTW die op werkelijke operaties verschuldigd is zoals achteraf werd aangetoond, maar niet ten opzichte van het gedeelte van het bedrag van BTW dat enkel formeel verschuldigd was en dat later had dienen terugbetaald te worden door de administratie indien er een geldige vordering tot teruggaaf ware ingediend. De boete opgenomen in het dwangbevel dient dan ook verminderd te worden tot … BF.

Het verzet tegen het dwangbevel ingeleid door de rechtsvoorganger van appellanten is bijgevolg, ingevolge de rechtelijke bekentenis van de BTW-administratie en de begroting van de verschuldigde boete door het hof van beroep, gegrond in de mate dat het dwangbevel een bedrag overschrijdt van … BF.

De rechtsvoorganger van verzoeker heeft echter na het vonnis geveld door de eerste rechter, ter gelegenheid van de verkoop van zijn woning, door middel van de uitvoering van een hypothecaire inschrijving op 30 november 1989 een bedrag van … BF betaald.

Het komt dan ook gepast voor om de Belgische Staat toe te laten een afrekening op te stellen in functie van de beslissing van het hof van beroep dat het dwangbevel van onwaarde verklaart voor alles wat het bedrag van … BF overschrijdt.

Deze afrekening zal eveneens de hoegrootheid bepalen van de som die de SA **F. d. M. J. P.** verschuldigd is aan de rechtsvoorganger van appellanten.

### De vordering in schadevergoeding

Deze vordering is het gevolg van de teloorgang van de verstandhouding tussen de rechtsvoorganger van appellanten en de SA **F. d. M. J. P.**

De aansprakelijkheid voor deze vertrouwensbreuk is niet te bepalen op grond van de thans voorliggende stukken.

Appellanten tonen daarenboven niet aan dat zij een schade zouden geleden hebben die belangrijker is dan de intresten die zij zullen bekomen ingevolge het voorschieten van de sommen die hun binnen het kader van de hoofdvordering en vordering in vrijwaring zullen worden terugbetaald.

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF**, rechtsprekend na tegenspraak.

Gelet op art. 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond in de mate zoals hierna bepaald.

Zegt voor recht dat het verzet tegen het dwangbevel gedeeltelijk gegrond is en wel in de mate dat dit dwangbevel was opgesteld voor een bedrag dat … BF (… euro) overschrijdt.

Zegt voor recht dat de vordering in tussenkomst en vrijwaring principieel gegrond is lastens de SA **F. d. M. J. P.**.

Heropent de debatten op de openbare terechtzitting van **17 juni 2004 om 9 uur** om de Belgische Staat toe te laten een afrekening op te stellen gelet op de betaling door middel van de uitvoering van een hypothecaire inschrijving op 30 november 1989 van een bedrag van ... BF (… euro) door de rechtsvoorganger van appellanten.

Houdt de kosten aan.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op 29.04.2004.

Alwaar aanwezig waren en zitting namen :

**K. V. H.**, voorzitter,

**B. V.**, raadsheer,

**B. d. C.**, plaatsvervangend raadsheer,

**C. D. N.**, griffier.

**C. D. N.** **B. d. C.** **B. V.** **K. V. H.**

**RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL**

A.R. 77.495

Verzet tegen dwangbevel

Eindvonnis

Na tegenspraak t.o.v. verweerder en bij verstek t.o.v. verweerster.

IN ZAKE VAN :

De Heer **J. M.**, bediende, wonende en gehuisvest te …, …,

**eiser,**

vertegenwoordigd door Mter. **D. B.** loco Mter. **L. J. M.**, advocaat te …, …,

**tegen :**

**1.** **DE BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de ontvanger van het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen, Van Orleystraat 15, 1000 Brussel,

**verweerder,**

vertegenwoordigd door Mter. **D. W.**, advocaat te …, …

**2.** **SA F. D. M. J. P.**, …, …, …

**verweerster,**

niet verschijnende,

---

Na beraad spreekt de Rechtbank volgend vonnis uit :

Gelet op :

\- de verzet-dagvaarding d.d. 13.4.1977 betekend door gerechtsdeurwaarder **Cl. S.** te …

\- de besluiten van verweerster neergelegd ter griffie alhier d.d. 7.4.1981 en d.d. 23.5.1987;

\- de besluiten van eiser neergelegd ter griffie alhier d.d. 9.9.1987 en d.d. 13.3.1981,

\- de besluiten van verweerder neergelegd ter griffie alhier d.d. 24.2.1981, d.d. 29.7.1986 en d.d. 9.3.1987,

Gehoord de advocaten van partijen in hun pleidooien ter openbare terechtzitting d.d. 27.10.1988;

Gehoord het Openbaar Ministerie ter zitting d.d. 27.10.1988;

---

Overwegende dat de eis strekt tot het horen zeggen voor recht dat eiser niet gehouden is de bedragen aan belasting, boeten, interesten en kosten aan hem bij dwangbevel van 31 maart 1977 gevorderd, te betalen; dat eerste verweerder integendeel vraagt dat het dwangbevel zijn volle uitwerking zal hebben;

Overwegende dat eiser daarenboven vraagt dat, indien het dwangbevel zijn uitvoering dient te krijgen tweede verweerster zou veroordeelt worden om hem te vrijwaren;

Overwegende dat tweede verweerster alhoewel behoorlijk opgeroepen niet verschijnt noch bij monde van een raadsman besluiten neemt;

Overwegende dat naar aanleiding van de debatten gebleken is dat eiser bij monde van zijn raadsman enkel nog de Rechtbank verzocht uitspraak te doen omtrent de regelmatigheid van het dwangbevel mede de eis in vrijwaring : zodat de Rechtbank niet meer hoeft in te gaan op de andere onderdelen van de eis van eiser;

Overwegende dat de Rechtbank vaststelt dat met betrekking tot het verrechtvaardigen van de eis in vrijwaring, eiser in zijn ondertekend exploot van dagvaarding geen feit aanhaalt waarop de rechtbank die rechtsregel toe te passen heeft op grond van dewelke er zou kunnen aanzien worden dat verweerster in vrijwaring al dan niet een recht van eiser zou hebben miskend: dat derhalve de eis in vrijwaring als ontoelaatbaar af te wijzen is;

Overwegende dat wat de bezwaren betreft gericht tegen het dwangbevel er vooreerst dient vastgesteld dat eiser akkoord gaat met het feit dat hij in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger fiscale verplichtingen op zich genomen heeft meer in het bijzonder aansprakelijkheid in zijn hoedanigheid van zelfstandig vertegenwoordiger alhier te lande van tweede verweerster ten opzichte van de Administratie van de Belastingen over de toegevoegde waarde;

Overwegende bijgevolg dat eerste verweerder zich terecht beroept op de toepassing van [artikel 55 van het BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-55) om eiser hoofdelijk aan te spreken;

Overwegende dat eiser verder geen middelen laat gelden of kan laten gelden om de overgangsmaatregel niet als wettelijk en naar behoren gelegd te doen aanzien;

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Rechtsprekende na tegenspraak ten opzichte van eerste verweerder en bij verstek ten opzichte van tweede verweerster,

Gehoord het eensluidend advies van het Openbaar Ministerie;

Verklaart de eis in verzet zoals gericht tegen eerste verweerder toelaatbaar doch ongegrond en wijst eiser er van af;

Zegt dat het dwangbevel uitgevaardigd op 25.2.1977 en uitvoerbaar verklaard op 21 maart 1977 zijn volle uitwerking zal hebben;

Verklaart de tussenvordering zoals gericht tegen tweede verweerster niet toelaatbaar;

Veroordeelt eiser tot de kosten, begroot op … fr (… + … + …) voor eiser, op … voor verweerder en niet begroot voor verweerster.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 25 ste kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, d.d. **6 JANUARI 1989**, waar aanwezig waren en zitting namen :

De heren :

**G.**, alleensprekend rechter,

**D. B.**, griffier,

**J. S.**, Substituut Proc. Des Konings.

**D. B.** **G.**

## Textes cités

3

[CTVA art. 50](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-50) 2 occurrences

[CTVA art. 55](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-55) 2 occurrences

[CTVA art. 91](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) 2 occurrences

## Décisions similaires

8

[Cour d'appel de Bruxelles, 29 avril 2004](https://juriel.be/fr/jurisprudence/cour-appel-bruxelles-2004-04-29-a177) 3 dispositions communes

[Champ d'application, service, opération imposable](https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-service-operation-imposable-tribunal-louvain-2007-06-15-d3d2) 3 dispositions communes

[Registre de perception et recouvrement, Titre exécutoire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/registre-perception-recouvrement-titre-executoire-cour-appel-gand-2024-03-12-1183) 2 dispositions communes

[Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-conditions-formelles-materielles-tribunal-2023-05-19-3638) 2 dispositions communes

[Obligations de l’assujetti, Dépôt de déclarations périodiques](https://juriel.be/fr/jurisprudence/obligations-assujetti-depot-declarations-periodiques-tribunal-2024-06-10-7a5c) 2 dispositions communes

[Indices de fraude, Relevé de régularisation, Procès-verbal](https://juriel.be/fr/jurisprudence/indices-fraude-releve-regularisation-proces-tribunal-nivelles-2024-01-08-9601) 2 dispositions communes

[Commissionnaire en douane, Société de droit français, Importation/Transfert](https://juriel.be/fr/jurisprudence/commissionnaire-douane-societe-droit-francais-cour-appel-bruxelles-2026-03-24-d88c) 2 dispositions communes

[Commissionnaire en douane, Importation/Transfert](https://juriel.be/fr/jurisprudence/commissionnaire-douane-importation-transfert-exoneration-cour-appel-bruxelles-2026-03-24-e836) 2 dispositions communes
