---
title: "Frais de véhicule, Usage professionnel · Tribunal de première instance d&#x27;Anvers, 21 octobre 2025"
description: "Frais de véhicule, Usage professionnel, Déductibilité, voiture, frais de voiture. Tribunal de première instance d'Anvers (Belgique), 21 octobre 2025."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/frais-vehicule-usage-professionnel-deductibilite-tribunal-anvers-2025-10-21-23d8"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Frais de véhicule, Usage professionnel, Déductibilité, voiture

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Anvers

**Date**

21 octobre 2025

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

248 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du tribunal de première instance d'Anvers du 21.10.2025

\[ Jugement favorable \]

*TVA – Frais de véhicule – Usage professionnel – Déductibilité*

## Résumé

Pas disponible

**Texte intégral**

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale.

### Corps de la décision

**Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 21.10.2025**

## (24/1026/A en 24/1036/A, 24/2913/A, 24/2914/A)

**Inzake: 24/1026/A**

Hoofdzaak

**B.C.**

wonende te …, RRN: …

eisende partij

\- vertegenwoordigd ter zitting door Mr. VANBELLEN PHILIPPE te 2640 MORTSEL, Wouwstraat

1,

TEGEN:

**DE BELGISCHE STAAT,**

in de persoon van de Minister van Financiën, Wetstraat 12, 1000 Brussel, (met KBO-nr. 0308.357.159), handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal — Directeur te KMO Centrum Mechelen 767, met kantoor te Zwartzustersvest 24 bus 20 2800 MECHELEN,

verwerende partij

vertegenwoordigd door K.L., Attaché

E-mail : …

---

**Inzake: 24/1036/A**

Hoofdzaak

**B.C.**

wonende te …, RRN: …

eisende partij

\- vertegenwoordigd ter zitting door Mr. VANBELLEN PHILIPPE te 2640 MORTSEL, Wouwstraat

1,

TEGEN:

**DE BELGISCHE STAAT,**

in de persoon van de Minister van Financiën, Wetstraat 12, 1000 Brussel, (met KBO-nr. 0308.357.159), handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal — Directeur te KMO Centrum Mechelen 767, met kantoor te Zwartzustersvest 24 bus 20 2800 MECHELEN,

verwerende partij

vertegenwoordigd door K.L., Attaché

E-mail : …

**Inzake: 24/2913/A**

Hoofdzaak

**B.C.**

wonende te …, RRN: …

eisende partij

\- vertegenwoordigd ter zitting door Mr. VANBELLEN PHILIPPE te 2640 MORTSEL, Wouwstraat

1,

TEGEN:

**DE BELGISCHE STAAT,**

in de persoon van de Minister van Financiën, Wetstraat 12, 1000 Brussel, (met KBO-nr. 0308.357.159) handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal, Directeur te KMO centrum Mechelen, met correspondentieadres Gaston Crommenlaan 6 bus 561, 9050 Ledeberg,

verwerende partil

vertegenwoordigd door P.V., attaché

E-mail : …

---

**Inzake: 24/2914/A**

Hoofdzaak

**B.C.**

wonende te …, RRN: …

eisende partij

\- vertegenwoordigd ter zitting door Mr. VANBELLEN PHILIPPE te 2640 MORTSEL, Wouwstraat

1,

TEGEN:

**DE BELGISCHE STAAT,**

in de persoon van de Minister van Financiën, Wetstraat 12, 1000 Brussel, (met KBO-nr. 0308.357.159) handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal, Directeur te KMO centrum Mechelen, met correspondentieadres Gaston Crommenlaan 6 bus 561, 9050 Ledeberg,

verwerende partij

vertegenwoordigd door P.V., attaché

E-mail : …

---

**Inzake: 24/1026/A**

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:

\- het verzoekschrift toegekomen ter griffie op 06 maart 2024, ingeschreven op 07 maart 2024,

 de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, §1 van het Gerechtelijk Wetboek op 19 april 2024,

\- de wijzigende beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, §1 van het Gerechtelijk Wetboek op 10 juni 2024,

 de besluiten van partijen.

**Inzake: 24/1036/A**

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:

 het verzoekschrift toegekomen ter griffie op 07 maart 2024, ingeschreven op 07 maart 2024,

 de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, §1 van het Gerechtelijk Wetboek op 19 april 2024,

 de wijzigende beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, §1 van het Gerechtelijk

Wetboek op 10 juni 2024,

\- de besluiten van partijen.

**Inzake: 24/2913/A**

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:

\- het verzoekschrift toegekomen ter griffie op 19 juli 2024, ingeschreven op 22 juli 2024,

\- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, §1 van het Gerechtelijk Wetboek op 20

september 2024,

 de besluiten van partijen.

**Inzake: 24/2914/A**

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:

 het verzoekschrift toegekomen ter griffie op 19 juli 2024, ingeschreven op 22 juli 2024,

 de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, §1 van het Gerechtelijk Wetboek op 20 september 2024,

 de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in de gerechtszaken.

Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 16 september 2025.

## 1. Feiten en procedurele voorgaanden

Huidige betwisting heeft enerzijds betrekking op de aanslagen in de personenbelasting voor de aanslagjaren 2020 en 2021 gevestigd in hoofde van eiser met de respectievelijke kohierartikelen 223.321.046 en 223.488.565 (verder : "betwiste aanslagen in de personenbelasting").

Daarnaast heeft de betwisting betrekking op de fiscale schuld opgenomen in het innings- en invorderingsregister met nummer 500.2638.37649 en 500.2647.18430 gemotiveerd door het afzonderlijk proces-verbaal van 29 november 2022.

Huidig dossier betreft een kostendossier waarbij de belastingadministratie een aantal door eiser ingebrachte kosten fiscaal heeft verworpen in de personenbelasting voor de aanslagjaren 2020 en 2021.

Daarnaast werd de btw-aftrek met betrekking tot bepaalde kosten geweigerd voor de jaren 2019 en 2020.

o lnzake de personenbelasting:

Eiser diende tijdig aangiftes in de personenbelasting in voor de aanslagjaren 2019 en 2020 op basis waarvan aanvankelijke, aangifteconforme aanslagen werden gevestigd (stukken 7, 8, 9 en 13 verweerder).

Op 8 februari 2022 kondigde de belastingadministratie een fiscale controle aan voor de betwiste aanslagjaren en werd aan de boekhouder van eiser diverse boekhoudstukken gevraagd evenals de uittreksels van de beroepsmatig gebruikte bankrekeningen voor deze jaren. Daarnaast werden er vragen gesteld over het al dan niet beroepsmatig gebruik van twee garages (nrs. 19 en 21) van eiser, gelegen te Niel (stuk 10 verweerder).

Op 15 februari 2022 werd er een vraag om inlichtingen verstuurd waarin meer informatie werd opgevraagd over de verhuur van deze garages (stuk 11 verweerder).

Hierop werd gereageerd dat deze garages niet worden verhuurd en enkel beroepsmatig worden gebruikt (stuk 12 verweerder).

Naar aanleiding van een bespreking met de boekhouder van eiser op 8 augustus 2022 werd die dag en op 9 augustus 2022 informatie opgevraagd nuttig voor de controle (stuk 16 verweerder), waarop verdere reactie kwam op 27 augustus 2022 (stuk 17 verweerder) en na een herinnering, op 13 september 2022 (stuk 18 verweerder).

Op 21 september 2022 verstuurde de belastingadministratie een vraag om inlichtingen (stuk 19 verweerder), waarop tijdig inhoudelijk werd gereageerd (stuk 20 verweerder).

Op 27 oktober 2022 verstuurde de belastingadministratie een bericht van wijziging voor aanslagjaar 2020 waarin werd aangekondigd dat een aantal door eiser aangegeven kosten zouden verworpen worden.

Er werd tevens de toepassing van een belastingverhoging van 10% aangekondigd omwille van het indienen van een onvolledige of onjuiste aangifte zonder opzet de belasting te ontduiken, eerste overtreding (stuk 23 verweerder).

Namens eiser werd tijdig niet akkoord gegaan met de inhoud van het bericht van wijziging (stuk 24 verweerder)

Voor aanslagjaar 2021 werd op 24 november 2022 een bericht van wijziging verzonden waarin eveneens aangekondigd werd dat een aantal door eiser aangegeven kosten zouden verworpen worden, naast een geboekte waardevermindering op een handelsvordering. Ook voor dit aanslagjaar werd een belastingverhoging van 10% aangekondigd omwille van het indienen van een onvolledige of onjuiste aangifte zonder opzet de belasting te ontduiken, eerste overtreding (stuk 25 verweerder).

Namens eiser werd evenmin akkoord gegaan met dit bericht van wijziging (stuk 27 verweerder).

Op 8 december 2022 met betrekking tot aanslagjaar 2020 en op 13 december 2022 met betrekking tot aanslagjaar 2021, verstuurde de belastingadministratie een kennisgeving van beslissing tot taxatie waarin zij aangaf geen rekening te kunnen houden met de opmerkingen van eiser en haar standpunt integraal te handhaven (stukken 26 en 28 verweerder).

Op 14 december 2022 en op 19 december 2022 werden vervolgens de bestreden aanslagen gevestigd in hoofde van eiser voor de respectievelijke aanslagjaren 2020 en 2021 met kohierartikelen 223.321.046 en 223.488.565 (stukken 29 en 30).

Op 7 februari 2023 werd namens eiser aparte bezwaren ingediend tegen de bestreden aanslagen (stukken 3 en 4 verweerder).

Middels administratieve beslissing van 6 december 2023 werd het bezwaar van eiser voor aanslagjaar 2020 afgewezen (5 verweerder). Voor aanslagjaar 2021 werd het bezwaar enkel gegrond verklaard wat de grief betreft inzake de betwiste minderwaarde op de handelsvordering …, wat aanleiding gaf tot een ontheffing voor een bedrag van 7.355,84 euro (zie beslissing d.d. 7 december 2023 — stuk 6 verweerder).

Bij aparte verzoekschriften neergelegd ter griffie op 7 maart 2024 stelde eiser een vordering in rechte in. Afschrift van de beslissingen werden aan de gedinginleidende verzoekschriften gehecht.

o Inzake btw:

De eerste betwisting betreft het verwerpen van de btw-aftrek van 50 % op de door de eiser in 2020 aangekochte Renault Grand Scenic omdat volgens de btw-administratie het beroepsgebruik niet werd aangetoond.

Op 8 februari 2022 werd een btw-controle aangevat bij eiser voor de jaren 2019 en 2020.

De chronologie van de onderzoeksdaden werden als het volg opgenomen in het betwist proces-verbaal van regularisatie van 29 november 2022 (stuk 1 verweerder):

Op 8 februari 2022 werd de gevolmachtigd boekhouder gevraagd de nodige boekhoudkundige stukken voor 2019 en 2020 te bezorgen, evenals de uittreksels van de beroepsmatig gebruikte bankrekeningen voor deze jaren.

Op 28 juni 2022 werd een vraag om inlichtingen' verzonden aan …, om meer duidelijkheid te verkrijgen over de opdrachten die eiser voor deze klant uitvoert.

Op 8 juli 2022 werd een antwoord ontvangen op deze vraag om inlichtingen.

Op 8 augustus 2022 vond een overleg plaats. Na afloop van dit overleg werden per email een aantal vervolgvragen doorgestuurd, waarop op 29 september 2022 een antwoord werd ontvangen.

Op 6 oktober 2022 werd een bijkomende vraag om inlichtingen verstuurd om de Iaatste onduidelijkheden uit te klaren. Nadat de boekhouder van eiser per email enkele verduidelijkingen vroeg bij deze vragen, werd op 13 oktober 2022 een nieuwe vraag om inlichtingen verstuurd, waarbij ook meer tijd gegeven werd om de nodige informatie in te zamelen.

Op 15 november 2022 werd per email tijdig de antwoorden op deze vragen ontvangen

Eveneens op 6 oktober 2022 werd een vraag om inlichtingen verstuurd aan D.C., betreffende de door eiser aangekochte Renault Grand Scenic.

Een antwoord op deze vraag om inlichtingen werd ontvangen op 18 oktober 2022 (stuk 8 verweerder)

Aangezien er geen minnelijk akkoord kon worden bereikt over de vastgestelde inbreuken en bedragen, werden de vastgestelde inbreuken voor de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 en 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 opgenomen in twee aparte processen-verbaal van regularisatie van 29 november 2022 (stukken 1 verweerder).

In het proces-verbaal voor 2019 worden volgende bedragen gevorderd:

 als btw: 7.931,47 euro

 als proportionele geldboete: 780,00 euro (5-10%)

 te vermeerderen met de wettelijk verschuldigde interesten vanaf 21 januari 2021.

In het proces-verbaal voor 2020 worden volgende bedragen gevorderd:

 als btw: 2.257,54 euro

 als proportionele geldboete: 220,00 euro (10%)

 te vermeerderen met de wettelijk verschuldigde interesten vanaf 21 januari 2021.

De processen-verbaal werden aangetekend verzonden op 29 november 2022.

Voor de schuld opgenomen in het proces-verbaal van 2019 werd het invorderingsorder met nummer 500.2638.37649 opgesteld.

De fiscale schuld werd vervolgens opgenomen in het innings- en invorderingsregister met nummer 202212NL021, dat werd opgemaakt op 27 december 2022 en uitvoerbaar verklaard op 28 december 2022. Een uittreksel uit het innings- en invorderingsbericht werd opgestuurd op 12 januari 2023 (stuk 2 verweerder).

Voor de schuld opgenomen in het proces-verbaal van 2020 werd het invorderingsorder met nummer 500.2647.18430 opgesteld.

Deze fiscale schuld werd nadien opgenomen in het innings- en invorderingsregister met nummer 202301NL008, dat werd opgemaakt op 16 januari 2023 en uitvoerbaar verklaard op 18 januari 2023. Een uittreksel uit het innings- en invorderingsbericht werd opgestuurd op 18 januari 2023 (stuk 2 verweerder).

Op 9 december 2022 werd een apart administratief verzoekschrift ingediend tegen de processen-verbaal van 29 november 2022 (stukken 3 verweerder).

Op 4 december 2023 vond een hoorzitting plaats via Teams.

Bij afzonderlijke beslissingen van 11 december 2023 werd dit verzoekschrift afgewezen (stuk 4 verweerder).

Tegen het proces-verbaal van 2019 en 2020 werd een afzonderlijk verzoekschrift op tegenspraak ingediend op 19 juli 2024 (2019) en op 22 juli 2024 (2020).

## 2. Samenvoeging

In toepassing van artikel 30 Ger. W. worden samenhangende zaken samen behandeld wanneer zij onderling zo nauw verbonden zijn dat het wenselijk is ze gelijktijdig te behandelen om onverenigbare oplossingen te vermijden.

Verweerder verzoekt de rechtbank de zaken met de rolnummers 24/1026/A, 24/1036/A, 24/2913/A en 24/2914/A samen te voegen aangezien de betwistingen gevoerd worden tussen dezelfde partijen en grotendeels betrekking hebben op dezelfde geschilpunten, dit teneinde tegenstrijdige uitspraken te vermijden.

Eiser verzet zich hiertegen niet.

De rechtbank volgt het standpunt van verweerder in deze en voegt de zaken met de rolnummers 24/1026/A, 24/1036/A, 24/2913/A en 24/2914/A dan ook samen.

## 3. Vorderingen van partijen

Eiser verzoekt de rechtbank:

### Inzake personenbelastingen:

haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;

de betwiste aanslagen te vernietigen, minstens te ontheffen;

verweerder te verwijzen in de kosten van het geding, hierin begrepen de

rechtsplegingsvergoeding.

### Inzake btw:

de betwiste processen-verbaal en de beslissing te vernietigen, minstens te ontheffen;

de terugbetaling te bevelen van alle ten onrechte betaalde/ingehouden bedragen, vermeerderd met de moratoriuminteresten;

verweerder te verwijzen in de kosten van het geding, hierin begrepen de rechtsplegingsvergoeding.

Verweerder verzoekt de rechtbank:

### Inzake personenbelastingen:

de verzoekschriften van eiser ontvankelijk maar ongegrond te verklaren, de vordering van eiser of te wijzen, de gevestigde aanslagen te bevestigen en eiser te veroordelen tot de kosten.

### Inzake btw:

 het verzoekschrift van eiser ontvankelijk maar ongegrond te verklaren,;

 de vordering van eiser of te wijzen;

 het schuldartikel met het nummer 500.2638.37649 opgenomen in het innings- en invorderingsregister van 12 januari 2023 en gemotiveerd door het proces-verbaal van 29 november 2022 te bevestigen;

 het schuldartikel met het nummer 500.2647.18430 opgenomen in het innings- en invorderingsregister van 16 januari 2023 en gemotiveerd door het proces-verbaal van 29 november 2022 te bevestigen;

 en eiser tot de kosten te veroordelen.

## 4. Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van de vordering van eiser wordt door verweerder niet betwist. Er zijn evenmin ambtshalve aan te voeren bezwaren betreffende de ontvankelijkheid.

De vordering van eiser is dan ook ontvankelijk.

## 5. Beoordeling

### Vooraf

Eiser betwist in zijn synthesebesluiten niet langer de kosten personenwagen voor de betwiste aanslagjaren. Hieruit leidt de rechtbank of dat niet voldaan is aan de aftrekvoorwaarden waardoor de belastingadministratie terecht overging tot een bijkomende taxatie.

### 5.1. De aftrekbaarheid van kosten inzake de personenbelasting

#### 5.1.1. Algemeen

Krachtens artikel 49 W1B92 zijn als beroepskosten aftrekbaar de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.

De beroepskosten die de belastingplichtige, in casu eiser, fiscaal in aftrek wenst te brengen

dienen aldus te voldoen aan volgende voorwaarden:

de kosten moeten gedaan of gedragen zijn gedurende het belastbaar tijdperk;

 de kosten moeten gedaan zijn om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden;

 de kosten moeten verantwoord worden naar echtheid en bedrag aan de hand van bewijsstukken.

De bewijslast van het bedrag, de werkelijkheid en het beroepskarakter van de kosten ligt bij eiser.

#### 5.1.2. Betreffende de representatiekosten (restaurant)

Voor enkele van de ingebrachte restaurantbonnetjes, zoals opgesomd werd in de berichten van wijziging voor de aanslagjaren 2020 en 2021, werd aan eiser gevraagd om het beroepsmatig karakter ervan toe te lichten. Eiser gaf in zijn schriftelijk antwoord de zakenrelaties op, wat voor de belastingadministratie niet als een afdoend bewijs werd beschouwd.

Bij toepassing van artikel 50 W1B92 werd naar analogie met de 2 voorgaande aanslagjaren, een kostenforfait van 1.000,00 euro toegepast, wat resulteert in een totaal bedrag aan verworpen uitgaven van 1.789,69 euro (aanslagjaar 2020) en 3.303,86 euro (aanslagjaar 2021).

Eiser stelt dat hij in het kader van zijn beroepsrelaties, regelmatig restaurantbezoeken heeft zowel met klanten als met leveranciers. Tijdens deze restaurantbezoeken werden volgens eiser verschillende aspecten van het bedrijfsleven besproken.

Dit kan gaan van het overlopen van de planning met een onderaannemer tot de bespreking van nieuwe opdrachten met een (eventueel nieuwe) klant. Ook de onderhandelingen met een mogelijke onderaannemer vinden hier plaats. Eiser stelt dat zijn boekhouder aan de belastingadministratie een uitdraai van zijn agenda met betrekking tot de restaurantbezoeken heeft overgemaakt.

De rechtbank stelt vast met betrekking tot de geboekte restaurantkosten dat tot op heden door eiser op geen enkele manier wordt aangetoond dat deze ten laste genomen kosten beroepsmatige uitgaven betreffen. Er werden geen uitnodigingen per mail voorgelegd. Evenmin blijkt uit enige mail of schriftelijk verslag dat tijdens het restaurantbezoek een klant of leverancier van eiser aanwezig was. De agenda van eiser met betrekking tot de restaurantbezoeken maakt geen deel uit van het voorgelegd dossier.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser met betrekking tot de representatiekosten faalt in de op hem rustende bewijslast met betrekking tot artikel 49 WIB92.

#### 5.1.3. Betreffende de onkosten zaakvoerder (aanslagjaar 2020)

Enkel voor aanslagjaar 2020 heeft eiser een kostenforfait toegepast van 2.500,00 euro.

Eiser stelt dat het gaat om beroepskosten, waarvoor hij het bonnetje/factuur niet heeft ontvangen of heeft kwijtgespeeld.

Deze kosten hebben volgens eiser betrekking op tolkosten, onderhoudsproducten, tussendoortjes in wegrestaurants/winkels, ....

Ook met betrekking tot deze kosten is de rechtbank van oordeel dat niet voldaan is aan de voorwaarden van artikel 49 WIB92. Eiser beperkt zich terzake tot loutere beweringen. Er wordt geenszins aangetoond dat er sprake is van gemaakte "onkosten zaakvoerder", laat staan van het beroepsmatig karakter hiervan.

#### 5.1.4. Betreffende de afschrijvingskosten van de garage

De belastingadministratie heeft voor de aanslagjaren 2020 en 2021 de ingebrachte afschrijvingskost verworpen van 3.353,40 euro, resp. 3.018,06 euro van de door eiser eind 2016 aangekochte garages nr. 19 en 21 gelegen te … in de …. Deze kost werd verworpen omdat tijdens het bezoek ter plaatse op 3 augustus 2020 het beroepsmatig gebruik van deze garageboxen niet kon worden vastgesteld. Van de beweerde tijdelijke goederenopslag ten behoeve van de klant Renault was er geen spoor.

Eiser betwist dit standpunt en stelt dat de garageboxen werden aangeschaft voor tijdelijke stockage van goederen van klanten. Deze werden onder meer gebruikt voor de klant Renault. Onder tijdelijke stockage wordt er bedoeld de stockage tussen twee transporten. Eiser stelt dat tijdens het plaatsbezoek er wel enkele gebruikssporen aanwezig waren, onder andere lege paletten, afval, rekken, sleepsporen in het zand, ...

Tevens wordt verwezen naar verklaringen van andere eigenaren en van de syndicus.

Verder stelt eiser ook 2 facturen van de stockage aan zijn klant … te hebben aangeleverd waarop de tijdelijk stockage vermeld staat.

De rechtbank oordeelt dat eiser niet aantoont dat de goederen van Renault of andere klanten van eiser werden gestockeerd in de garageboxen nu voor de betwiste aanslagjaren geen enkel stuk wordt voorgebracht waaruit de goederenopslag blijkt dan wel kan worden uit afgeleid.

Tot hetzelfde oordeel kwam het Hof van Beroep te Antwerpen in het arrest van 17 december 2024 (2023/AR/758 - stuk 32 verweerder) waarin m.b.t. hetzelfde geschilpunt voor de aanslagjaren 2018 en 2019 als het volgt uitspraak werd gedaan:

> "Het hof is van oordeel dat eiser in hoger beroep ook met betrekking tot deze kosten faalt in het bewijs van het beroepsmatig karakter ervan. De voorliggende stukken waaronder de verklaringen van andere eigenaars en van de syndicus bewijzen het beroepsmatig gebruik van de garageboxen niet. Deze kunnen immers niet beschouwd worden als objectief en controleerbaar. Deze bieden onvoldoende garanties van objectiviteit en onafhankelijkheid. Evenmin kan uit de voorliggende foto's die volgens eigen verklaring van eiser in hoger beroep genomen zijn in 2022 afgeleid worden dat er sprake was van een beroepsmatig gebruik van deze garageboxen tijdens de inkomstenjaren 2017 en 2018. Door eiser in hoger beroep wordt geenszins bewezen dat deze garageboxen beroepsmatig gebruikt werden voor tijdelijke stockage tussen twee transporten. De firma Renault antwoordde de Belgische Staat op een vraag om inlichtingen dat de goederen die eiser in hoger beroep bij Naar ophaalde niet werden opgeslagen doch rechtstreeks van hun onderdelenmagazijn naar de klant werden gebracht. Geenszins kan eiser in hoger beroep gevolgd worden waar deze stelt dat er terzake van hem een onmogelijk bewijs wordt gevraagd."

De rechtbank merkt hierbij op dat bij gebrek aan bijkomende argumenten of nieuwe elementen, de werking van het gezag van gewijsde die verbonden is aan de voornoemde uitspraak van het Hof van Beroep te Antwerpen, de rechtbank verhindert voor de thans betwiste aanslagjaren tot een nieuw oordeel te komen.

### 5.2. Betreffende de opgelegde belastingverhoging

Er werd door de belastingadministratie voor de beide aanslagjaren een belastingverhoging van 10% opgelegd overeenkomstig artikel 444 WIB 92 en artikel 226 KB/WIB92 wegens het indienen van een onjuiste aangifte zonder het opzet om de belasting te ontduiken, eerste overtreding.

Volgens eiser moet afgezien worden van de belastingverhoging van 10% omdat hij geen inbreuken heeft gepleegd op de belastingwetgeving.

Anders dan eiser stelt, acht de rechtbank deze inbreuken wel bewezen.

Dit middel is eveneens ongegrond.

### 5.3. De btw-aftrek van 50 % op de door eiser in 2020 aangekochte Renault Grand Scenic

Eiser stelt dat het beroepsmatig karakter van deze personenwagen wordt bewezen middels het aangeleverd kilometerdagboek. Aan de hand van dit dagboek werd volgens eiser ook de privébeperking toegepast. Dat de personenwagen gefinancierd werd door mevrouw M.V. (partner van eiser) bevestigt niet dat deze wagen volledig privématig werd gebruikt. Eiser merkt verder op dat de vaste kosten voor de Renault Scenic slechts worden verworpen voor 2020 (verzekering en verkeersbelasting), dit terwijl dezelfde kosten voor 2017 en 2018 wel werden aanvaard. Nu de boekhouding reeds aanvaard werd in het verleden, kan de administratie deze boekhouding niet verwerpen bij een latere controle, aldus eiser.

Overeenkomstig [artikel 45, §1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) mag een btw-belastingplichtige, op de belasting die hij verschuldigd is, de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen in aftrek brengen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van handelingen onderworpen aan de btw.

Op grond van [artikel 45, §1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) en van [artikel 1, §2 KB nr. 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c#ar3-art1) van 10 december 1969, komt in geen geval voor aftrek in aanmerking, de btw geheven van de goederen en diensten die een belastingplichtige bestemt voor privédoeleinden of voor andere doeleinden dan die van de economische activiteit. Wanneer een goed of een dienst bestemd is om gedeeltelijk voor zulke doeleinden te worden gebruikt, is het recht op aftrek naar verhouding van dat gebruik uitgesloten.

In de [circulaire AAFisc nr. 36/2015 (nr. E.T.119.650)](https://juriel.be/fr/circulaires/36-2015-agfisc-usage-mixte-droit-deduction-a3fd) d.d. 23 november 2015 stelt de administratie verschillende methoden voorop om het beroepsgebruik van sommige vervoermiddelen vast te stellen (nr. 106 en verder). Volgens deze circulaire veronderstelt een volledige rittenadministratie het bijhouden van volgende gegevens met betrekking tot de dagelijkse verplaatsingen voor beroepsdoeleinden: datum van de rit, beginadres, eindadres, afgelegde kilometers per rit, totaal afgelegde kilometers per dag. Daarnaast dient de kilometerstand bij het begin en einde van de periode (in principe per kalenderjaar) te worden geregistreerd.

De belastingplichtige moet het gebruik op basis van deze methode vaststellen per autovoertuig van de onderneming.

\[Image\]

Eiser verantwoordt de btw-aftrek ten belope van 50 % aan de hand van de volgende voorgelegde berekening:

De rechtbank stelt vast dat de voorgelegde tabel niet voldoet aan een volledige rittenadministratie zoals geregeld in de [circulaire AAFisc nr. 36/2015 (nr. E.T.119.650)](https://juriel.be/fr/circulaires/36-2015-agfisc-usage-mixte-droit-deduction-a3fd) d.d. 23 november 2015.

Zo ontbreekt onder meer :

•de datum van de rit

•het beginadres

•het eindadres

de totaal afgelegde kilometers per dag.

Bovendien worden de gegevens uit deze tabel niet nader gestaafd door controleerbare en bewijskrachtige gegevens.

Daarnaast is het niet duidelijk met welke wagen deze verplaatsingen werden afgelegd nu eiser niet betwist dat hij in het bezit was van een lichte vracht Renault Master.

Uit de controle bleek dat de wagen Renault Grand Scenic betaald werd door M.V., die woonachtig is op hetzelfde adres als eiser, en dat Mevrouw M.V. zelf geen wagen had die geregistreerd is voor de verkeersbelastingen.

Bovendien stortte eiser de teruggevorderde btw grotendeels terug aan mevrouw Vermant.

Gelet op het geheel van deze elementen dient de rechtbank te besluiten dat eiser faalt in het bewijs dat de Renault Grand Scenic werd gebruikt in het kader van de beroepsactiviteit van eiser.

Dit middel is eveneens ongegrond.

### 5.4. Betreffende de herziening van de btw-aftrek op bedrijfsmiddelen

Gelet op de overweging van de rechtbank terug te vinden onder randnummer 5.1.4. is de rechtbank van oordeel dat het beroepsgebruik van de betreffende garageboxen niet is aangetoond en dat de btw-aftrek op de aankoop van de garages dan ook conform [artikel 48, §2 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-48) en [artikel 10 KB nr. 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c#ar3-art10) terecht werd herzien.

### 5.5. Betreffende de opgelegde boeten

Wegens het ten onrechte in aftrek brengen van de btw en de gebrekkige toepassing van de btw-reglementering werd voor de inbreuken van 2019 een proportionele geldboete opgelegd van 780,00 euro, overeenkomstig [artikel 70, § 1bis WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70), [artikel 70, § 1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) en KB nr. 41 van 30 januari 1987, artikel 1, 1° en de bijlage, tabel H en tabel G, eerste afdeling, rubriek IV, eerste lid.

Voor 2020 werd een proportionele geldboete opgelegd van 220,00 euro op grond van artikel 70, § ibis WBTW en KB nr. 41 van 30 januari 1987, artikel 1, 1° en de bijlage, tabel H.

Eiser stelt dat er geen geldboete verschuldigd is omdat de overtreding niet bewezen is.

Eiser wordt door de rechtbank niet gevolgd in zijn verweer ten gronde (zie randnrs. 5.3 en 5.4.).

De opgelegde btw-boetes zijn dan ook verschuldigd.

## 5. Kosten van het geding

Eiser dient als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld te worden tot de kosten van het geding.

Aangezien verweerder niet wordt vertegenwoordigd of wordt bijgestaan door een raadsman, is er geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd.

### Dispositif

## OM DEZE REDENEN

**DE RECHTBANK**

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Voegt de zaken met de rolnummers 24/1026/A, 24/1036/A, 24/2913/A en 24/2914/A samen.

Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het schuldartikel met het nummer 500.2638.37649 opgenomen in het innings- en invorderingsregister van 12 januari 2023 en gemotiveerd door het proces-verbaal van 29 november 2022 en het schuldartikel met het nummer 500.2647.18430 opgenomen in het innings- en invorderingsregister van 16 januari 2023 en gemotiveerd door het proces-verbaal van 29 november 2022, en zegt voor recht dat de erin opgenomen bedragen wettelijk verschuldigd zijn.

Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding, in hoofde van de Belgische Staat niet begroot en welke door de rechtbank vereffend worden op 0,00 euro.

Dit vonnis werd uitgesproken op eenentwintig oktober tweeduizend vijfentwintig in openbare

zitting van de Kamer AFi1, die samengesteld was uit:

J. V., rechter

C. C., griffier

## Textes cités

5

[CTVA art. 45](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) 2 occurrences

[CTVA art. 70](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) 2 occurrences

[AR no 3 art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c) 1 occurrence

[AR no 3 art. 10](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c) 1 occurrence

[CTVA art. 48](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-48) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Registre de perception et recouvrement, Titre exécutoire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/registre-perception-recouvrement-titre-executoire-cour-appel-gand-2024-03-12-1183) 3 dispositions communes

[Fraude fiscale, Fausses factures, Indices de fraude](https://juriel.be/fr/jurisprudence/fraude-fiscale-fausses-factures-indices-cour-appel-bruxelles-2022-12-01-3bd0) 3 dispositions communes

[Droit de déduction, Révision du droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-revision-biens-investissement-cour-appel-anvers-2026-02-17-4725) 3 dispositions communes

[Constitution d’un droit d’emphytéose, Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/constitution-droit-emphyteose-deduction-revision-cour-appel-anvers-2019-06-04-4949) 3 dispositions communes

[Droit de déduction, Révisions](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-revisions-tva-amont-tribunal-hasselt-2025-08-14-83ee) 3 dispositions communes

[TVA historique, Droit à déduction, Amende, Intérêts](https://juriel.be/fr/jurisprudence/tva-historique-droit-deduction-amende-tribunal-bruxelles-2021-05-03-8427) 3 dispositions communes

[Droit à déduction, Cession de fonds de commerce](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-cession-fonds-commerce-tribunal-namur-2020-11-25-bce8) 3 dispositions communes

[Droit à déduction, Révision des déductions](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-revision-deductions-exercer-cour-appel-anvers-2021-02-c4e0) 3 dispositions communes
