---
title: "5 février 2002 · Exonération, Preuve · Tribunal de première instance de Bruges"
description: "Exonération, Preuve, Amende, Livraison intracommunautaire. Tribunal de première instance de Bruges (Belgique), 5 février 2002."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-preuve-amende-livraison-intracommunautaire-tribunal-bruges-2002-02-05-1b55"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Exonération, Preuve, Amende, Livraison intracommunautaire

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruges

**Date**

5 février 2002

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

152 paragraphes

### Corps de la décision

**Jugement du Tribunal de Première Instance de Bruges dd. 05.02.2002**

*Exonération - Preuve - Amende - Livraison intracommunautaire*

Une société assujettie à la TVA a vendu des biens à une société luxembourgeoise. Au cours d'un contrôle TVA, il apparaît qu'elle ne dispose pas de preuves suffisantes permettant de démontrer le transport des biens vendus à destination du Luxembourg. Selon l'Administration de la TVA, des documents CMR falsifiés ont même été présentés lors du contrôle TVA pour tenter de prouver le transport transfrontalier. L'assujettie conteste la contrainte, dans laquelle la TVA belge grevant ces livraisons est exigée, en invoquant qu'elle a rempli son obligation de diligence (voir énumération des faits dans le jugement) et qu'on lui demande une preuve impossible à fournir concernant le fait que les biens ont effectivement été transportés vers le Luxembourg. Le tribunal estime que l'assujettie qui invoque l'exemption de l'[article 39bis C.TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-39bis), est tenue de prouver que les biens ont effectivement franchi la frontière et ont atteint leur destination dans l'autre Etat membre, ce qui n'est pas le cas en l'espèce. Selon le tribunal, cette preuve est simple à délivrer. L'amende infligée est toutefois réduite par le tribunal.

**Vierde kamer**

Allenrechtsprekend rechter: *Dhr. Vandeputte Dries*

Griffier: *Mevr. Vandenabeele Annick*

Partij: NV Barco t. De Belgische Staat

I. PROCEDURE

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 8 januari 2002, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten:

1.de gedinginleidende dagvaarding van 3 april 2000;

2.de conclusie voor eiseres van 17 mei 2000;

3.de conclusie voor eiseres van 18 mei 2000;

4.de conclusie voor verweerder van 2 november 2000;

5.de conclusie voor eiseres van 23 april 2001;

6.de conclusie voor verweerder van 5 oktober 2001 en

7.de conclusie voor eiseres van 22 oktober 2001.

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.

II. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1\. De feiten die relevant zijn voor het geschil

Eiseres is actief op het vlak van de research en fabricage van elektronica en sensoren.

Zij werd gecontacteerd door het Luxemburgse Digital Video Systems SA (DVS) om digitale projectoren, meettoestellen en accessoire-onderdelen te leveren.

Deze goederen waren bedoeld voor de opbouw van drie grote videomuren «DIGIWALL» die de popgroep «U2» moesten begeleiden op haar Europese tour «ZOOROPA». De projectoren en meettoestellen werden volgens eiseres specifiek ontwikkeld en exclusief aangepast voor de DIGIWALL. Samen met DVS en met input van het productieteam van U2 werden de projectoren aangepast aan de noden van U2 (stuk 7 dossier eiseres).

DVS werd geleid door de heer P•••••• V•••• die bij de belastingadministraties (over de grenzen) gekend is als de bestuurder van vennootschappen die het niet erg nauw zouden nemen met hun fiscale verplichtingen. De maatschappelijke zetel bleek gevestigd te zijn op het adres van een fiduciaire, terwijl DVS er geen eigen vaste inrichting had.

Er werd voor een totale som van 48.470.395 frank geleverd aan DVS voor de opbouw van de DIGIWALL.

In 1996 werd een BTW-controle bij eiseres gehouden voor de jaren 1993 tot 1995.

In navolging daarvan richtte de controlerende ambtenaar op 12 juli 1996 een vraag om inlichtingen aan eiseres betreffende alle intracommunautaire leveringen aan de vennootschap DVS, gevestigd te Luxemburg. In het bijzonder vroeg verweerder naar bewijzen van het vervoer van de gefactureerde goederen naar Luxemburg.

Eiseres diende de ambtenaar van antwoord met haar brief van 23 juli 1996.

In bijlage van deze brief gaf eiseres een overzicht van alle facturen die aan DVS gericht werden, met vermelding van de gedane betalingen. De totale facturatie aan DVS omvatte een som van 48.470.395 BEF.

Verder zond eiseres als bijlage bij de brief kopies van alle facturen die vrijgesteld werden van BTW ingevolge intracommunautair goederenverkeer, met daaraan gehecht kopies van de teruggevonden vervoerbewijzen naar Luxemburg of bewijs van afhaling door de klant, leveringsorders met briefhoofd van DVS, vrachtbrief en ladinglijst, bestellingen met briefhoofd van DVS.

Als resultaat van de controle stelde de controlerende ambtenaar een correctieopgave op. Uit deze correctieopgave blijkt dat alle facturen die vrijgesteld werden van BTW wegens intracommunautaire levering aan DVS, verworpen werden. Aldus oordeelde de ambtenaar dat er nog voor een som van 8.311.909 frank (206.046,84 euro) aan BTW verschuldigd was door eiseres, meer een BTW-boete van 1.660.000 frank (41.150,33 euro).

Met haar brief van 8 januari 1997 verzocht eiseres DVS om bevestiging dat er gedurende 1993 en 1994 voor 48.267.569 frank intracommunautair geleverd werd naar DVS in Luxemburg.

Met haar brief van 22 januari 1997 antwoordde DVS dat al de betrokken goederen naar Luxemburg werden overgebracht en dat alle intracommunautaire aangiften waren gebeurd.

Met haar aangetekende brief van 17 juli 1997 richtte eiseres een bezwaarschrift naar de eerste controle BTW te Kortrijk omtrent de betreffende correctieopgave. Eiseres betwistte de verwerping van de vrijstelling voor de intracommunautaire leveringen aan DVS in Luxemburg om de volgende redenen (samengevat zoals in conclusie eiseres).

\- Geldig Luxemburgs BTW-nummer van DVS;

\- Alle leveringen maken deel uit van één project en zijn onlosmakelijk verbonden (basisproducten bijhorigheden en herstellingen);

\- 2 bestelbons afkomstig van Luxemburg voor 206 projectoren;

\- Opdrachten van DVS dat de goederen zullen opgehaald worden door de transporteur «Interstate» om te vervoeren naar Luxemburg;

\- CMR-vrachtbrieven voor het grootste gedeelte van de basisproducten, waarvan een aantal afgetekend zijn door DVS Luxemburg voor ontvangst in Luxemburg;

\- Bankgarantie afkomstig van een Luxemburgse bank;

\- Alle betalingen zijn afkomstig van een Luxemburgse bank;

\- Schriftelijke bevestiging van DVS Luxemburg van intracommunautaire verwerving in Luxemburg;

\- Voorheen nooit een reactie van de BTW-administratie op de ingediende intracommunautaire kwartaallistings;

\- Andere feiten van aanwezigheid in Luxemburg van DVS:

\- Luxemburgse nummerplaat van zaakvoerder *P. V••••*;

\- Reclamefolders;

\- Briefwisseling;

\- Financiële doorlichting door Dun & Bradstreet;

\- Persartikels.

De conclusie van eiseres was dat zij voldaan had aan haar zorgvuldigheidsverplichting.

Op 22 oktober 1997 stelde de controlerende ambtenaar proces-verbaal op. Daarin wordt aan eiseres nog een verschuldigde som aan BTW aangerekend van 4.070.326 frank (100.900,75 euro), waar dit in zijn correctieopgave nog 8.311.909 (206.046,84 euro) bedroeg.

Met een aangetekende brief van 4 februari 1998 richtte eiseres een bezwaarschrift naar het Centraal Hoofdbestuur van de BTW. De opgeworpen grieven waren de volgende (zoals door eiseres in conclusies samengevat):

\- De projectoren en meettoestellen waren specifiek ontwikkeld en exclusief aangepast voor het «U2-project», vandaar dat alle leveringen als 1 geheel dienen beschouwd te worden;

\- Het proces-verbaal betwist niet langer de intracommunautaire leveringen waarvoor reeds een vrachtbrief werd voorgelegd;

\- Bijkomend wordt nog een CMR-vrachtbrief voorgelegd voor de 48 projectoren betreffende de factuur nr. 20156, d.d. 22 april 1993 ten bedrage van 8.616.000 frank (213.585,06 euro). Dit vertegenwoordigt 1.680.120 frank (41.649,09 euro) BTW;

\- Correspondentie vanuit Luxemburg om 40 projectoren af te halen en te versturen naar Luxemburg. Dit betreft de factuur 24360, d.d. 29 november 1993 en 24668, d.d. 9 december 1993, respectievelijk ten bedrage van 6.462.000 frank (160.188,80 euro) en 718.000 frank (17.798,76 euro). Dit vertegenwoordigt 1.400.100 frank (34.707,57 euro) BTW;

\- Eiseres stelt de vraag hoe het zit met de informatie van de Luxemburgse BTW-administratie in verband met de intracommunautaire verwervingen in Luxemburg;

\- De gevorderde som van 5,2 miljoen frank staat niet in verhouding tot het vermeende gederfde verlies van de staat, namelijk enkele maanden interestverlies, zijnde 100.000 frank.

Met een aangetekende brief van 5 maart 1998 wordt aan eiseres een akte van inhouding betekend met als voorwerp een BTW-tegoed van eiseres van 5.298.886 frank (131.355,95 euro).

Met een aangetekend brief van 6 maart 1998 wordt een verklaring van derde beslagene in verband met die inhouding aan eiseres betekend.

Met een aangetekende brief van 16 april 1998 wordt het bestreden dwangbevel aan eiseres betekend. Met dit dwangbevel wordt de betaling gevorderd van eiseres van:

| - BTW: | 4.070.326 BEF |
| --- | --- |
| - BTW-boete [art. 70, § 1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70): | 382.000 BEF |
| - Intresten ([art. 91, § 1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91)) en kosten. |  |

Met een brief van 6 april 1999 geeft het Centraal Hoofdbestuur van de BTW aan eiseres kennis van haar negatieve beslissing over het bezwaar van eiseres.

Met de dagvaarding van 3 april 2000 tekent eiseres verzet aan tegen het betekende dwangbevel en vordert zij teruggaaf.

2\. De vorderingen van de partijen

Eiseres vordert dat de rechtbank de vordering van verweerder, vervat in zijn dwangbevel dat aan eiseres werd betekend op 16 april 1998, strekkende tot betaling van 4.070.326 frank (100.900,75 euro) BTW, 382.000 frank (9469,53 euro) BTW-boete, vermeerderd met interesten en kosten, ongegrond zou verklaren.

Tegelijk vordert eiseres dat de rechtbank verweerder zou veroordelen tot terugbetaling van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van die vordering werden geïnd, vermeerderd met de interest vanaf 1 april volgend op het jaar waarop het ingehouden tegoed betrekking heeft.

Subsidiair vordert eiseres dat de rechtbank de volgende prejudiciële vragen zou stellen:

1)Is [artikel 25bis e.v.](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-25bis), [39bis](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-39bis) WBTW en K.B. nr. 52, strijdig met [artikel 28bis e.v. Zesde Richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-28bis) indien deze artikelen inhouden dat de verkoper moet bewijzen dat de goederen daadwerkelijk het land verlaten hebben?

2)Zijn deze bepalingen in de gegeven interpretatie strijdig met de beginselen van het Gemeenschapsrecht, namelijk het rechtszekerheidbeginsel, evenredigheidsbeginsel, het beginsel van behoorlijke regelgeving, en het neutraliteitsbeginsel inzake BTW?

3)Indien de Belgische wet niet strijdig zou zijn met de Zesde Richtlijn en dus ook deze laatste zou inhouden dat de verkoper moet bewijzen dat de goederen effectief het land verlieten, is dan de Zesde Richtlijn niet strijdig met alle genoemde beginselen?

4)Is het stelsel een belemmering van het beginsel van het vrij verkeer van goederen en diensten?

Eiseres vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten.

Verweerder vordert dat de vordering van eiseres door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eiseres zou verwezen worden in de gerechtskosten.

III. BEOORDELING

1\. De ontvankelijkheid van de vordering

Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

2\. De grond van de vordering

2.1 Stelling van eiseres

Eiseres voert de volgende argumenten aan:

1.Het dwangbevel is nietig omdat de datum die vermeld staat voor de eensluidend verklaring van het dwangbevel en het proces-verbaal die aan eiseres werden betekend, voorafgaat aan de datum waarop het dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard. Minstens zou de nietigheid volgen uit het feit dat de machtiging van de ambtenaar die viseerde en uitvoerbaar verklaarde nergens uit blijkt. De conclusie is voor eiseres dat, nu er geen geldig dwangbevel is, de verjaring ingetreden is.

2.Ten onrechte wordt volgens eiseres ervan uitgegaan dat eiseres onterecht de vrijstelling van BTW voor intracommunautaire leveringen inriep in haar diverse facturen aan DVS. Volgens eiseres wordt van haar een onmogelijk bewijs gevraagd met betrekking tot het feit dat de goederen daadwerkelijk naar Luxemburg werden gevoerd. Er anders over oordelen zou volgens eiseres indruisen tegen [artikel 28quater Zesde BTW-richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-28quater), [artikel 39bis WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-39bis), het EG-verdrag, het neutraliteitsbeginsel inzake BTW, de algemene rechtsbeginselen als het rechtszekerheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het doeltreffendheidsbeginsel, de algemene beginselen van behoorlijke regelgeving.

3.De boete die werd opgelegd is volgens eiseres overdreven.

4.De interesten moeten volgens eisers berekend worden vanaf 31 april volgend op het jaar van de betaling.

2.2 Stelling van verweerder

Verweerder stelt vooreerst dat er geen nietigheid gemoeid is met het dwangbevel. Volgens verweerder is duidelijk dat de uitvaardiging, de visering, de voor-echtverklaring, de eensluidendverklaring van het afschrift en de versturing ervan alle op dezelfde dag, namelijk 16 april 1998 hebben plaatsgevonden. Volgens verweerder is de vermelding van de datum niet essentieel en zijn de belangen van eiseres niet geschonden.

Ten gronde voert verweerder aan dat de leveringen voor 67 facturen tussen eiseres en DVS niet Luxemburg maar wel Torhout als bestemming hadden. Hij toont aan dat er CMR-documenten zijn die vervalst werden om de (verkeerde) indruk te wekken dat er daadwerkelijk naar Luxemburg werd gereden.

Volgens verweerder volstaat het niet dat eiseres stelt dat haar niets kan verweten worden en dat zij van de werkelijke bestemming niet op de hoogte was. Verweerder benadrukt dat de zaakvoerder van DVS in diverse dossiers bekendstaat om het niet erg nauw te nemen met fiscale verplichtingen.

Volgens verweerder kon eiseres van bij aanvang vragen stellen bij de werkelijke bestemming van de geleverde goederen. Volgens verweerder kan het niet anders dan dat eiseres bekend moet zijn geweest met het feit dat de goederen niet effectief naar Luxemburg werden vervoerd. Verweerder geeft daartoe de volgende redenen.

•Er werd enkel gefaxt vanuit België met een faxnummer toebehorende aan de firma V.I.P. te Torhout (terwijl) beweerd wordt dat de bestelbons vanuit Luxemburg afkomstig waren).

•Er kon met de zaakvoerder van DVS, P•••••• *V••••*, enkel contact genomen worden in Torhout alwaar hij zich bevond, aangezien hij nooit te vinden was op zijn Luxemburgs adres.

•Voor de technische kant van de zaak werd contact opgenomen met de heer Frederic *Opsomer* die zich steeds in Torhout (V.I.P.) bevond;

•De betalingen vanuit het buitenland gebeurden middels C/o rekeningen, d.w.z. rekeningen gedomicilieerd op het adres van een bank of een fiduciaire. De duidelijke enscenering van de betalingen weerlegt volgens verweerder wat hij het voornaamst bewijs noemt dat eiseres aanhaalt om het vervoer naar een andere lidstaat te bewijzen.

•De bestelbons werden in werkelijkheid niet vanuit Luxemburg gestuurd. Ze werden gefaxt via een Belgisch faxnummer met het zone nummer 050 van Torhout. Bovendien wordt op de faxberichten melding gemaakt van de firma «V I.P.». Dit is ook zo voor de bestelbons ondertekend door de heer Marcel *De Keyzer* waarop enkel het faxnummer van «V.I.P.» te Torhout voorkwam en geen Luxemburgs telefoonnummer. Deze vaststelling weerlegt volgens verweerder het argument als zouden de bestelorders een bewijs vormen van het vervoer naar een ander Lidstaat.

•Wat de vervoerdocumenten van de BVBA Interstate betreft, is volgens verweerder gebleken dat het vervalste documenten zijn: het vervoer heeft in werkelijkheid plaatsgevonden tussen Kuurne en Torhout. Om de goederen op te halen was er steeds iemand bij van «V.I.P.» Ten slotte benadrukt verweerder dat slechts voor 3 facturen vervoerdocumenten werden voorgelegd.

•Gelet op de hoogtechnologische aard van de verkochte goederen, vermoedt verweerder dat er regelmatig door de afnemer contact moet zijn opgenomen voor de technische kant van de zaak. Verweerder stelt dat eiseres daarom zeker moet geweten hebben dat de goederen niet naar Luxemburg werd vervoerd.

•Volgens verweerder is het zonder belang dat de goederen uiteindelijk daadwerkelijk in andere landen in Europa terechtkwamen om er gebruikt te worden tijdens de optredens van de popgroep U2.

Verweerder stelt dat het feit dat een aantal CMR-documenten aanvankelijk werden aanvaard en er uiteindelijk, nadat gebleken was dat het om vervalsingen ging, op die aanvaarding niet teruggekomen werd (en wordt) slechts is ingegeven door de ingetreden verjaring. Daarmee benadrukt verweerder dat hij nooit afstand heeft willen doen van zijn stelling dat er geen bewijs geleverd is van het daadwerkelijk vervoer naar Luxemburg.

Verweerder ontkent verder dat er sprake zou zijn van de schending van [artikel 28quater van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-28quater), het rechtszekerheidsbeginsel, het doeltreffendheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, de regels van behoorlijke regelgeving en het neutraliteitsbeginsel.

Volgens verweerder is er geen mogelijkheid, minstens geen reden om de administratieve geldboete te verminderen.

Wat de interest aangaat, vraagt verweerder toepassing van [artikel 91, § 3 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91), met name omdat de bedragen die eiseres in uitvoering van het bestreden dwangbevel betaald heeft, ontvangen zijn door inhouding op teruggaven. Volgens verweerder heeft dat voor gevolg dat interesten op ingehouden bedragen moeten berekend worden vanaf het moment dat het ingehouden belastingkrediet had moeten zijn terugbetaald.

2.3 Beoordeling

2.3.1 De geldigheid van het dwangbevel

Er wordt niet betwist dat het afschrift van het dwangbevel op 16 april 1998 aan eiseres werd verstuurd. Evenmin kan betwist worden dat dit exemplaar toen al de vermelding dat het origineel geviseerd en uitvoerbaar verklaard was door de gemachtigde ambtenaar en dat mevrouw *Bonte* als zodanig/daartoe het origineel al getekend had.

Daaruit moet worden afgeleid dat het afschrift dat eiseres ontvangen heeft, noodzakelijk een afschrift moet geweest zijn van het dwangbevel waaraan mevrouw *Bonte* reeds visum had verleend en dat zij uitvoerbaar verklaarde. De datum van 17 april 1998 is dus noodzakelijk verkeerd. Niets laat toe te vermoeden of te besluiten dat de datum er naderhand werd aan toegevoegd. Bijgevolg is de vermelding van 17 april 1998 als datum een materiële vergissing.

Een dergelijke materiële vergissing kan de formele rechtsgeldigheid van het dwangbevel niet aantasten. Een absolute nietigheid is nergens voorzien. Er is geen voorschrift dat met betrekking tot de datum een nietigheidssanctie voorschrijft. Fundamenteel is dat het dwangbevel door een bevoegde ambtenaar geviseerd wordt en uitvoerbaar verklaard. Dat blijkt hier het geval te zijn en er blijkt ook dat deze formaliteiten moeten plaatsgevonden hebben vóór van het dwangbevel gebruik werd gemaakt tegen eiseres.

Waar eiseres niet beweert dat mevrouw *Bonte* in feite een ambtenaar is die door de Gewestelijke Directeur van Brugge gemachtigd was om visum te verlenen en voor eensluidend verklaarde kopieën af te leveren, kan er geen gevolg aan gegeven worden dat uit het dwangbevel en de aangehechte stukken de specifieke machtiging niet blijkt.

Er bestaat geen bepaling die voorschrijft dat de bedoelde machtiging moet worden bijgevoegd. Van dan af volstaat het dat door de volmachtgever niet wordt ingeroepen dat mevrouw *Bonte* de macht niet had om visum te verlenen en/of voor eensluidend te verklaren. Het betreft een toepassing van artikel 1998 B.W. De Gewestelijke Directeur heeft impliciet de machtiging van mevrouw *Bonte* bevestigd.

Het dwangbevel is bijgevolg niet nietig.

2.3.2 Het recht op vrijstelling van BTW

Om de vrijstelling van [artikel 39bis WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-39bis) te kunnen bekomen moet eiseres aantonen dat de goederen die zij leverde aan DVS daadwerkelijk de Belgische grens overschreden hebben en hun bestemming in een andere EU-lidstaat, zoals hier Luxemburg, hebben bereikt.

De rechtbank leidt uit het geheel van stukken en feiten die beschikbaar zijn, af dat met voldoende zekerheid vaststaat dat de betreffende goederen niet naar Luxemburg werden vervoerd.

Daartoe baseert de rechtbank zich hoofdzakelijk op de volgende gegevens:

\- Eiseres weerlegt niet, wat verweerder beweert, dat DVS in Luxemburg nooit een «vaste inrichting» gehad heeft, met name een plaats waar de geleverde goederen verder konden afgewerkt (voornamelijk geassembleerd) worden.

\- Van de CMR-documenten die werden voorgelegd, is telkens gebleken dat de transportfirma voor dezelfde goederen op dezelfde data een «geldig» CMR-document had waarop de bestemming Torhout was in plaats van Luxemburg.

\- Er zijn geen vervoerovereenkomsten, zelfs geen facturen tussen DVS en de transporteurs die betrekking hebben op de (langere) verplaatsingen naar Luxemburg. Eiseres biedt daaromtrent ook geen bewijs aan.

\- De fax die de transporteur kreeg op 20 maart 1993 van een zeker Marc *Fichefet*, vermeldt uitdrukkelijk dat er op 22 maart 1993 een transport zou plaatsvinden van Barco naar V.I.P. (Torhout) dat op dezelfde manier zou verlopen als het transport van 19 maart 1993.

\- Alle andere facturen (dan deze waarvoor een CMR-document bestaat) slaan op leveringen die door iemand van DVS persoonlijk werden afgehaald in Kuurne.

De leveringen die met een CMR-document gepaard gingen, betreffen de basisproducten (videoschermen Barco 700).

Eiseres benadrukte zelf destijds dat moet vermoed worden dat de navolgende levering naar dezelfde plaats zijn gegaan als de basisproducten. Het staat vast dat de basisproducten naar Torhout werden vervoerd. Ook de navolgende leveringen moeten bijgevolg vermoed worden naar Torhout te zijn gebracht. Ze werden trouwens door medewerkers van DVS persoonlijk bij eiseres afgehaald.

Hoewel het in de praktijk denkbaar is dat de wettelijke regeling, in het bijzonder met betrekking tot het bewijs van het werkelijk vervoer of de werkelijke verzending naar het buitenland, ongemakken met zich brengt, stelt die regeling de belastingplichtige niet voor een onmogelijke taak.

Hoewel de kwestie van de bewijsmoeilijkheden, in wezen hier niet langer ter zake doet, geldt de regel dat hei bewijs met alle middelen van recht, uitgezonderd de eed, kan worden geleverd. Desnoods kunnen bijvoorbeeld chauffeurs als getuige worden verhoord of zijn overeenstemmende vermoedens voldoende.

De houding van de administratie zal trouwens steeds aan het oordeel van de rechterlijke macht kunnen worden voorgelegd. Terwijl eiseres de bewijslast voor het recht op vrijstelling draagt, doet zij - spijts de aanzienlijke belangen die zij heeft - geen beroep op aanvullend bewijsaanbod.

Eiseres kan zich er evenmin op beroepen dat er geen middel zou zijn om zich te wapenen tegen misbruiken door de afnemer.

Vanaf het invoeren van de (tijdelijke) regeling op 1 januari 1993, moet een BTW-plichtige die vaststelt dat zijn koper een levering naar een andere EU-lidstaat bedingt, gepast reageren. De vraag van de klant brengt immers voor de verkoper de verplichting mee om het vervoer of de verzending te bewijzen. Het is dan ook aan de verkoper om een verbintenis te creëren waarmee hij zijn BTW-verplichtingen kan nakomen. Hij moet, indien hij niet zelf instaat voor het vervoer of de verzending, de koper verbinden tot het bewijs van dat vervoer of de verzending, op het risico van de koper om de BTW in België te moeten bijbetalen. Als het niet haalbaar blijkt - wellicht om commerciële redenen - om een betaling af te dwingen van het BTW-bedrag bij wijze van consignatie tot aan het voorleggen van de nodige bewijzen, dan zijn er nog andere mogelijkheden. Een bankwaarborg kan bijvoorbeeld gevraagd worden, specifiek voor het BTW-bedrag ingeval geen voldoende bewijs van vervoer of verzending zou worden geleverd. Er kan ook een afzonderlijke verbintenis tot betaling van het BTW-bedrag (ter regularisatie van de facturatie) bedongen worden, die verbonden is aan de opschortende voorwaarde voor het geval er niet binnen een korte (te bedingen) termijn een bewijs van vervoer of verzending verschaft wordt door de koper. Eiseres kan dan ook niet gevolgd worden in haar stelling dat de betrokkenen het risico lopen te moeten wachten op een reactie van de BTW-administratie (tot vijf jaar lang).

Evenmin is het (streng) eisen van een bewijs van vervoer of verzending buiten verhouding tot het beoogde doel (evenredigheidsbeginsel). De wetgeving is evenmin ondoeltreffend of onbehoorlijk. De belastingplichtige kan desnoods een te strenge houding van de administratie ter beoordeling voorleggen aan de rechterlijke macht.

Evenmin kan er dubbele belasting ontstaan. Wanneer er geen vervoer of verzending naar de EU-lidstaat gebeurd is, dan is er geen intracommunautaire verwerving in die lidstaat. Derhalve is daar de BTW niet verschuldigd. Zelfs wanneer de betrokken afnemer geen Belgische BTW-plichtige is en/of geen aansprakelijke vertegenwoordiger in België heeft, dan kan de BTW trouwens in plaats van bij wijze van aftrek, gerecupereerd worden bij wijze van teruggaaf. In dat geval geldt immers de regeling uit K.B. nr. 4, artikel 9, § 2 en K.B. nr. 31, artikel 6.

Er kan in die omstandigheden geen schending van [artikel 28quater van de Zesde Richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-28quater) worden vastgesteld. Dat artikel laat de lidstaten toe vrijstelling te verlenen voor de intercommunautaire leveringen «onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de hierna genoemde vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen». De rechtbank ziet dan ook geen reden om prejudiciële vragen te stellen.

De vordering is, in de mate dat ze betrekking heeft op de BTW-bedragen, ongegrond.

2.3.3 De administratieve geldboete

Verweerder heeft een geldboete opgelegd van (na herleiding) 20% of 382.000 frank (9469,53 euro).

Uit de feiten blijkt dat eiseres voorzichtiger had kunnen zijn. Zij werkte kennelijk vroeger al samen met V.I.P., gevestigd in Torhout; minstens wist eiseres zeker af van de nauwe banden met V.I.P. Dat blijkt onrechtstreeks uit het rapport over de kleurafregelingsprocedure, die door eiseres bij haar bezwaarschrift van 4 februari 1998 werd gevoegd (deel van bijlage 6 dossier eiseres). In plaats van DVS wordt in dat verslag immers uitdrukkelijk gesteld dat het V.J.P. was die de projectoren als eindgebruikerter beschikking had.

Een boete is hoe dan ook gepast.

Gelet op het feit dat de leveringen plaatsvonden vanaf de eerste helft van 1993, zijnde in de beginperiode van de nieuwe (overgangs-)regeling, is de rechtbank van oordeel dat de boete in billijkheid kan beperkt worden tot een bedrag van 2500 euro.

De interest op de terug te betalen (ingehouden) sommen is verschuldigd overeenkomstig [artikel 91 § 3 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91). Aldus moet de interest gerekend worden vanaf 1 april van het jaar waarop het ingehouden tegoed had moeten zijn uitbetaald.

3\. De gerechtskosten

Eiser wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1 ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moet hij de gerechtskosten dragen.

### Dispositif

IV. UITSPRAAK

De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.

Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.

De rechtbank zegt daarom voor recht dat het dwangbevel dat aan eiseres bij aangetekende brief van 16 april 1998 werd betekend, onder referte R.C.I.V. nr. 297.1224.03964 ongegrond is en zonder uitwerking moet blijven voor zover de administratieve geldboete ingevolge [artikel 70, § 1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) meer bedraagt dan tweeduizend vijfhonderd (2500) euro.

De rechtbank veroordeelt verweerder om aan eiser alle bedragen terug te betalen die hij ten nadele van eiseres heeft ingehouden die betrekking hebben op de ongegrond bevonden geldboete, te vermeerderen met de moratoriuminterest overeenkomstig [artikel 91 § 3 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91), zijnde vanaf 1 april van het jaar waarin de inhouding is gebeurd en dit tot op datum van algehele betaling.

De rechtbank verwijst eiseres in de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast:

aan de zijde van verweerder

\- rechtsplegingsvergoeding 327,22 euro

terwijl de kosten aan de zijde van eiseres niet moeten vastgesteld worden vermits ze door haar zelf moeten gedragen worden.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op vijf februari tweeduizend en twee.

Les noms de personnes physiques que la version diffusée par le SPF Finances laissait en clair ne sont pas republiés ici : ils sont réduits à leur initiale. Le texte n'est modifié nulle part ailleurs.

## Textes cités

6

[CTVA art. 39bis](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-39bis) 4 occurrences

[CTVA art. 91](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) 4 occurrences

[6e directive 77/388 art. 28quater](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-28quater) 3 occurrences

[CTVA art. 70](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) 2 occurrences

[CTVA art. 25bis](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-25bis) 1 occurrence

[6e directive 77/388 art. 28bis](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-28bis) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Instance, droits et privilèges du Trésor, exonération, exportation, importation](https://juriel.be/fr/jurisprudence/instance-droits-privileges-tresor-exoneration-cour-appel-anvers-2010-12-21-0f1d) 4 dispositions communes

[Siège d'une activité économique, compétence pénale](https://juriel.be/fr/jurisprudence/siege-activite-economique-competence-penale-cour-appel-gand-2024-01-09-4bee) 3 dispositions communes

[Intracommunautair goederenverkeer, fraude, calcul du chiffre d’affaires](https://juriel.be/fr/jurisprudence/intracommunautair-goederenverkeer-fraude-calcul-chiffre-cour-appel-gand-2025-12-02-7f70) 3 dispositions communes

[Conditions de forme de la contrainte](https://juriel.be/fr/jurisprudence/conditions-forme-contrainte-autorite-chose-cour-appel-gand-2023-06-20-9f55) 3 dispositions communes

[Exportation, Voyageur, Exemption, exonération](https://juriel.be/fr/jurisprudence/exportation-voyageur-exemption-exoneration-tribunal-bruxelles-2023-12-07-a09a) 3 dispositions communes

[Commissionnaire en douane, Société de droit français, Importation/Transfert](https://juriel.be/fr/jurisprudence/commissionnaire-douane-societe-droit-francais-cour-appel-bruxelles-2026-03-24-d88c) 3 dispositions communes

[Commissionnaire en douane, Importation/Transfert](https://juriel.be/fr/jurisprudence/commissionnaire-douane-importation-transfert-exoneration-cour-appel-bruxelles-2026-03-24-e836) 3 dispositions communes

[Commissionnaire en douane, Représentant, Importation, Transfert intracommunautaire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/commissionnaire-douane-representant-importation-transfert-cour-appel-bruxelles-2026-03-24-e9a9) 3 dispositions communes
