---
title: "23 mai 2005 · Exonération, importation · Tribunal de première instance de Bruges"
description: "Exonération, importation, exportation, opération intracommunautaire, régime particulier. Tribunal de première instance de Bruges (Belgique), 23 mai 2005."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-importation-exportation-operation-intracommunautaire-tribunal-bruges-2005-05-23-6788"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Exonération, importation, exportation, opération intracommunautaire, régime particulier · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruges

**Date**

23 mai 2005

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

69 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 23.05.2005

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :**

Inde zaak **03/3561/A** Rep. nr. 2005/7143

**de NV A. D. V.**, (HR Oostende nr. …, ondernemingsnr. …, BTW BE …), met vennootschapszetel te …, …,

**eiseres,**

voor wie is opgetreden Meester **S. H.** loco Meester **J. S.**, beiden advocaat met kantoor te …, …,

**tegen :**

**De FOD FINANCIËN**, met kantoren gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van :

1\. de heer Directeur van het AOIF Controlecentrum BRUGGE, met kantoren te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,

2\. de heer e.a. inspecteur-diensthoofd van de BTW-CONTROLE te TORHOUT, met kantoren te 8820 TORHOUT, Burg 28,

3\. de heer e.a. inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te ROESELARE, met kantoren gevestigd te 8800 ROESELARE, Rondekomstraat 30,

**verweerders, hierna genoemd 'verweerder',**

voor wie optreedt Meester **L. D. S.**, advocaat te …

## I. RECHTSPLEGING

Gelet op de inleidende dagvaarding houdende verzet tegen het dwangbevel d.d. 7.11.2003.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 25 april 2004.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

## II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

**2.1.** Eiseres was voor haar economische activiteit van handelaar in tweedehandse wagens geregistreerd onder het BTW-nummer ….

Op 17 november 1999 werd door de heer **H. L.**, eerstaanwezend verificateur van de AOIF, verbonden aan het controlecentrum te Brugge, een toezicht verricht met het oog op de juiste toepassing van de BTW-wetgeving over de periode van 1 oktober 1996 tot 30 juni 1999.

Naar aanleiding van dit toezicht werden een aantal overtredingen op de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde vastgesteld.

Bij gebrek aan een akkoordverklaring over de vastgestelde overtredingen werd door **H. L.** voornoemd, op 27 maart 2001, een proces-verbaal opgemaakt waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd (zie stuk 1 verweerder).

Op 26 juli2001 werd een dwangbevel betekend aan eiseres.

**2.2.** Eiseres vraagt dat :

\- Het verzet ontvankelijk en gegrond wordt verklaard.

\- Het bestreden dwangbevel wordt vernietigd en dat dienvolgens verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van alle sommen die zij aan verweerder heeft betaald of die te haren laste werden ingehouden ter aanzuivering van de navordering die het voorwerp van het dwangbevel uitmaakt, verhoogd met de moratoire rente vanaf de dag der betaling en met de gerechtelijke rente.

\- Verweerder wordt veroordeeld tot alle kosten van het geding, in haar hoofde begroot op 116,96 EUR dagvaardingskosten en 349,53 EUR rechtsplegingsvergoeding.

**2.3.** Verweerder vraagt dat het verzet ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 349,53 EUR.

## III. BEOORDELING

### 3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

### 3.2. nopens de grond

**3.2.1.** Uit het proces-verbaal opgesteld door de heer **L. H.** blijkt dat hij op basis van het onderzoek van de boeken en bescheiden van eiseres tot de vaststelling komt dat de wettelijke bepalingen in verband met de belasting heffing over de tweedehandse vervoermiddelen, de zogenaamde margeregeling, niet werden nageleefd.

Meer bepaald stelt verweerder in voormeld proces-verbaal dat eiseres, met betrekking tot aankopen van 22 tweedehandse wagens bij Nederlands een Duitse leveranciers die onderworpen werden aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge, het vereiste bewijs dat de wagens geleverd Zijn door een in artikel 58, § 4, 2° W.BTW bedoeld persoon niet heeft geleverd.

Deze vervoermiddelen waarvan de belastingplichtige wederverkoper niet kan aantonen dat hij ze heeft gekocht van één van de in voormeld artikel bedoelde personen, werden dan ook geacht te zijn verkregen onder de normale regeling van de belasting.

**3.2.2.** De belastingplichtige wederverkoper die gebruik wil maken van de bijzondere regeling van belasting heffing over de winstmarge moet het bewijs leveren dat hij onder de voorwaarden van artikel 58, § 4 W.BTW valt.

De leveringen die volgens artikel 58, § 4, 2° W.BTW onder die bijzondere regeling vallen zijn : de door een belastingplichtige wederverkoper verrichte leveringen van gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten die hem binnen de gemeenschap zijn geleverd :

\- door een niet-belastingplichtige;

\- door een andere belastingplichtige, voor zover de levering van het goed door deze andere belastingplichtige krachtens artikel 44, § 2, 13° is vrijgesteld;

\- door een andere belastingplichtige voor zover de levering van het goed door deze andere belastingplichtige is vrijgesteld krachtens artikel 56, § 2, en het een bedrijfsmiddel betreft;

\- door een andere belastingplichtige wederverkoper, voor zover de levering van het goed door deze andere belastingplichtige wederverkoper overeenkomstig onderhavige bijzondere regeling onderworpen geweest is aan de belasting.

De bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge is niet van toepassing op de door een belastingplichtige wederverkoper verrichte leveringen van goederen die hem binnen de Gemeenschap zijn geleverd door personen die bij de aankoop, de intracommunautaire verwerving of de invoer van de goederen, de vrijstelling van belasting hebben genoten krachtens artikel 42 W.BTW of die hebben genoten van de teruggaaf van de belasting krachtens artikel 77, § 2 W.BTW.

Krachtens artikel 58, § 4, 12° W.BTW worden de leveringen van de goederen waarop de belastingheffing krachtens de bijzondere regeling van belastingheffing op de winstmarge in beginsel van toepassing is, voor dewelke de voorwaarden en modaliteiteit die voor de toepassing van de bijzondere regeling van belasting heffing over de winstmarge zijn gesteld, niet worden nageleefd, behoudens tegenbewijs, geacht te zijn verricht onder de normale regeling van de belasting.

**3.2.3.** In toepassing van voormeld artikel 58, § 4, 2° en 12° W.BTW dient eiseres derhalve aan te tonen dat de levering van het goed door deze andere belastingplichtige wederverkoper (leverancier van het goed) overeenkomstig onderhavige bijzondere regeling onderworpen is geweest aan de belasting. Dit betekent dat ook voor die voorgaande levering de voorwaarden en modaliteiten moeten vervuld zijn, met andere woorden dat moet aangetoond worden dat de vorige levering terecht aan die bijzondere regeling onderworpen was.

Door in het bezit te zijn van een geheel van overeenstemmende documenten die aantonen dat bij de verkoop de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge kan toegepast worden (vb. aankoopborderel, factuur, kopie inschrijvingsbewijs, door de leverancier te ondertekenen attest met betrekking tot de vorige fiscale toestand van het verkocht voertuig), toont de belastingplichtige-wederverkoper de facto aan dat ook in de vorige fasen de bijzondere regeling kon toegepast worden.

Het is duidelijk dat de voorlegging van de factuur van een leverancier-belastingplichtige wederverkoper of een door de leverancier te ondertekenen attest niet alles bepalend is en dat het slechts één van de elementen is die in het kader van de bewijsvoering nuttig kan zijn.

In casu legt eiseres door de leverancier ondertekende attesten voor waarbij deze verklaart dat hij geen enkel recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de belasting heeft kunnen uitoefenen bij de aankoop, de intracommunautaire verwerving of de invoer van de vervoermiddelen die hij aan de belastingplichtige wederverkoper heeft geleverd. Verder heeft eiseres een kopie van het inschrijvingsbewijs van het vervoermiddel, in de gevallen waar overeenkomstig de reglementering betreffende de inschrijving van motorvoertuigen een inschrijvingsbewijs is vereist, als bijlage bij het document opgesteld om de aankoop vast te stellen (aankoopborderel of factuur), bewaart.

Met betrekking tot de aankoop van de Mercedes C220D (aankoopfactuur 8.10.1996), de Mercedes DB E 220 (aankoopfactuur 15.11.1996), de Mercedes 124/200D (aankoopfactuur 23.12.1996), de BMW 318i (aankoopfactuur 27.03.1997), de Mercedes 190 D (aankoopfactuur 30.05.1997), de BMW 320i (aankoopfactuur 12.06.1997), de Mercedes 190 D (aankoopfactuur 10.10.1997), de VW Golf TD (aankoopfactuur 28.10.1997), de Opel Astra Kombi (aankoopfactuur 18.11.1997), de Mercedes SLK 200 (aankoopfactuur 6.02.1998), de Honda Civic (aankoopfactuur 19.02.1998), de Mercedes 190 D (aankoopfactuur 27.02.1998), de BMW 320·Cabrio (aankoopfactuur 6.03.1998), de Peugeot 306 Cabrio (aankoopfactuur 25.03.1998), de Mercedes C 220 D (aankoopfactuur 28.12.1998 - chassisnr …), de Mercedes C 220 D (aankoopfactuur 28.12.1998 - chassisnr. …), de Mercedes E 290 TD (aankoopfactuur 12.01.1999) en de Alfa Romeo Spider (aankoopfactuur 29.04.1999) zijn de door eiseres voorgelegde attesten, uitgaande van de vorige belastingplichtige wederverkoper, evenwel in tegenspraak met de inschrijvings- en doorhalingsbewijzen aangezien uit deze laatste stukken blijkt dat de laatste gebruikers van voormelde wagens principieel als belastingplichtige met recht op aftrek te beschouwen vennootschappen waren. Met betrekking tot deze transacties heeft verweerder dan ook terecht geoordeeld dat eiseres niet over een geheel van met elkaar overeenstemmende documenten beschikte om aan te tonen dat het voertuig afkomstig was van een bij artikel 58, § 4, eerste lid, 2° W.BTW bedoelde leverancier, zodat de normale regeling diende toegepast te worden.

Met betrekking tot de aankoop van de BMW 316 I (31.01.1997), de NISSAN Double Cab 2.5 D 4WD (11.03.1997), de BMW 325 TDS (aankoopfactuur 29.09.1998) en de Opel Astra-Carvan (aankoopfactuur 26.02.1999) stelt verweerder thans dat eiseres op het ogenblik dat de belasting opeisbaar werd, enkel over elementen beschikte die haar toelieten de handeling over de bijzondere regeling van belasting heffing over de winstmarge te plaatsen. Verweerder kan derhalve akkoord gaan dat de in het dwangbevel gevorderde belasting met 5.533,81 EUR (= 886,94 EUR + 1.736,82 EUR + 2.102,56 EUR + 807.49 EUR) wordt verminderd. Uiteraard dient de proportionele geldboete hieraan aangepast te worden.

### 3.3. nopens de kosten

Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van de partijen moeten zij elk hun eigen kosten dragen.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Wijzende in eerste aanleg en op **tegenspraak**.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart het verzet tegen het dwangbevel ontvankelijk en gegrond in de mate zoals hierna bepaald.

Zegt voor recht dat het bestreden dwangbevel ongegrond is voor het gedeelte met betrekking tot de belasting dat het bedrag in hoofdsom van 41.132,26 EUR te boven gaat evenals voor de op dat gedeelte betrekking hebbende geldboete en interesten.

Beveelt de **terugbetaling** van alle sommen die op grond van het aldus ongegrond verklaarde gedeelte van het bestreden dwangbevel zouden geïnd of ingehouden zijn, verhoogd met de moratoire rente vanaf de dag der betaling en met de gerechtelijke rente.

Wijst eiseres van het overige af.

Veroordeelt de partijen elk tot het betalen van hun eigen gerechtskosten van deze procedure, in welke omstandigheden die kosten niet moeten worden begroot.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op **drieëntwintig mei tweeduizend en vijf**.

Aanwezig zijn :

**H. N.**, alleenrechtsprekend rechter

**L. N.**, e.a. adjunct-griffier

**N. L.** **N. H.**
