---
title: "Exonération, exportation · Cour d&#x27;appel de Gand, 28 mai 2001"
description: "Exonération, exportation, opération intracommunautaire, poursuite, amende administrative, instance. Cour d'appel de Gand (Belgique), 28 mai 2001."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-exportation-operation-intracommunautaire-poursuite-cour-appel-gand-2001-05-28-7e9d"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Exonération, exportation, opération intracommunautaire, poursuite, amende administrative, instance · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Gand

**Date**

28 mai 2001

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

236 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour de Gand du 28.05.2001

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Hof van beroep te Gent - 11e Kamer**

Nr. : **1991/AR/1385 & Nr.2000/AR/502**

**D. M.**, handelaar, wonende te …, …,

**appellant** van een vonnis van de REA te Kortrijk, 6e Kamer, d.d. 17.02.1994

ter terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. **G. K.** loco Mr. **D. P.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de heer Ontvanger van het eerste BTW-ontvangkantoor te Kortrijk, te 8500 KORTRIJK, thans Hoveniersstraat 31,

**geïntimeerde,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. **P. M.**, advocaat te …, …

en nr. **2000/AR/502** - In de zaak van :

**D. M.**, voornoemd

**appellant** van een vonnis van de REA te Kortrijk, 6e Kamer, d.d. 07.10.1993

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, voornoemd **geïntimeerde**,

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 19 mei 1994 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis uitgesproken op 17 februari 1994 door de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, zesde kamer, waarbij het verzet van de appellant tegen een op 30 juni 1988 door de ontvanger van het BTW-kantoor uitgevaardigd dwangbevel, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 4 juli 1988 door de adjunct-directeur van de BTW en ter kennis gebracht op 5 juli 1988 ongegrond werd verklaard (1994/AR/1385).

Na tussenarrest uitgesproken op 13 december 1999 werd door de appellant bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 6 maart 2000 eveneens hoger beroep ingesteld tegen het vonnis uitgesproken op 7 oktober 1993 door de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, zijnde een tussenvonnis waarbij alvorens ten gronde te beslissen een reeks excepties opgeworpen door de appellant werden beslecht (2000/AR/502).

Daar beide hogere beroepen betrekking hebben op hetzelfde dwangbevel dienen de beide zaken met het oog op een goede rechtsbedeling in één arrest te worden beslecht.

De hogere beroepen strekken er toe de vonnissen van de eerste rechter te doen vernietigen en de oorspronkelijke vordering van de appellant ontvankelijk en gegrond te verklaren en te zeggen voor recht dat het dwangbevel en de betekening ervan alsook de aanslag zelf nietig zijn, minstens onwettelijk en geen uitvoering mogen kennen, dienvolgens de terugbetaling te bevelen van alle betaalde of aangezuiverde sommen, verhoogd met de vergoedende rente aan 12 %, minstens de boeten en de daarop betrekking hebbende verwijlrente te ontheffen, dit alles met veroordeling van de geïntimeerde tot alle gedingkosten, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding voor beide instanties, dit alles bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elke rechtsmiddel en zonder zekerheidstelling en met uitsluiting van kantonnement.

De geïntimeerde vordert de bevestiging bestreden vonnissen alsmede de veroordeling appellant in de kosten van de beide aanleggen.

## 1. Feitelijke gegevens

De appellant verkocht op 28 juni 1983 onder factuur nr. 35 diverse TV-toestellen, muziekinstallaties en videoapparatuur voor de prijs van … BEF aan de afnemer **P. L.**.

Blijkens het overgelegde vervoerdocument EX61 werden de goederen vrij van BTW uitgevoerd via de haven van Zeebrugge op 5 juli 1983.

Naar aanleiding van een controle werd op 9 juni 1988 een PV opgemaakt omdat met betrekking tot voormelde verkoop in de rekeninguittreksels geen enkele betaling kon worden teruggevonden overeenstemmend met die verkoopsom. Na inzage van het dossier bij de inspectie van de Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, alsook van de Administratie van Douane en Accijnzen bleek dat de afnemer **P.** niet bestond, dat het uitvoerdocument EX 21 vals was en voorzien was van een nagemaakte stempel. Verder zou de appellant aan de diensten van de Douane en Accijnzen hebben verklaard dat de goederen werden geleverd aan niet te identificeren personen tegen contante betaling, die zegden dat zij deze goederen zouden uitvoeren.

Daar deze verkoop volgens de administratie niet langer als een uitvoer kon worden aangemerkt (art. 39 BTW-Wet) werd de appellant geacht de door hem verkregen goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar werd.

Rekening houdend met een winstmarge van 20 % werden de BTW-rechten bepaald op … BEF, de boeten op … BEF of samen … BEF, meer de intrest van 0, 8 % per maand vertraging over de verschuldigde BTW vanaf 21 september 1986, doch met de intrest van 1 % per maand vertraging vanaf 21 januari 1985 tot en met 20 september 1986, de moratoire intresten over de nog verschuldigde geldboeten vanaf de kennisgeving van het dwangbevel en de vervolgingskosten.

Het is voor deze bedragen dat de ontvanger van de BTW op 30 juni 1988 een dwangbevel uitvaardigde, dat op 4 juli 1988 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard en ter kennis werd gebracht op 5 juli 1988.

Nadat de eerste rechter op 7 oktober 1993 de excepties verwierp beval hij de persoonlijke verschijning van de partij en teneinde de beweerde valsheid van het uitvoerdocument EX61 te onderzoeken. Bij het eindvonnis werd het bewuste document EX61 als vals beschouwd en werd dienvolgens het verzet in zijn geheel afgewezen als ongegrond.

## 2. Ten gronde

De appellant riep in dat het dwangbevel nietig was omdat (1) de ontvanger van de BTW niet bevoegd zou zijn het afschrift van het dwangbevel voor eensluidend te verklaren (2) het dwangbevel onvoldoende was gemotiveerd (3) de delegatie door de Gewestelijke directeur aan de adjunct-directeur bij de visering en uitvoerbaarverklaring van het dwangbevel niet werd voorgebracht.

Voorts werd de toepasselijkheid van art. 211 W.Z.G.T., (W.Taksen) in BTW-zaken in vraag gesteld. Ten gronde werd de beweerde valsheid van het uitvoerdocument EX61 aangevochten, werd de berekening van de verschuldigde rechten bestreden en werd de wettelijkheid van de BTW-boeten in vraag gesteld.

### 2.1. Nopens de aangevoerde nietigheden van het dwangbevel

#### 2.1.1. Het eensluidend verklaren van het dwangbevel en het proces-verbaal

De appellant stelt dat voor zoveel de BTW-ontvanger het afschrift eensluidend heeft verklaard dit nietig is omdat de regels van authenticiteit niet werden nageleefd. Hij verwijst naar het gemeen recht en in het bijzonder naar de eisen van de authenticiteit van notariële akten, zodat nu de wet aan de ontvanger geen bevoegdheid geeft het origineel van het dwangbevel voor eensluidend te verklaren dit document als dusdanig geen uitvoerbare kracht heeft.

Het dwangbevel is een buitengerechtelijke akte die door de administratieve overheid wordt uitgevaardigd en bestemd is om als uitvoerbare titel te dienen ter invordering van de belastingschuld.

Art. 85 BTW-Wet bepaalt dat bij gebreke aan voldoening van de belasting, intresten, administratieve geldboeten en toebehoren door de met de invordering belaste ambtenaar een dwangbevel wordt uitgevaardigd dat zoals ten deze werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de Administratie van de belastingen over de toegevoegde waarde.

Andere specifieke vormvereisten worden door de BTW-wetgeving niet gesteld. Geen enkele wettelijke bepaling verhindert dat de BTW-ontvanger, zijnde de met invordering belaste ambtenaar, die het originele dwangbevel heeft gemaakt, het afschrift van een dwangbevel en de afschriften van de processen-verbaal voor eensluidend verklaart.

De Ventôsewet op het notarisambt werd door de BTW-wetgeving niet van toepassing gemaakt op de akten uitgaande van .de administratie.

Voorts moet naar luid van art. 85, § 1 in fine BTW-Wet de kennisgeving van het dwangbevel niet gebeuren per gerechtsdeurwaarder, doch kan de kennisgeving ook gebeuren per aangetekende brief.

Uit deze bepaling dient te worden afgeleid dat de BTW-ontvanger (belast met de invordering) in afwijking van het gemeen recht (art. 516 Ger.W.) ook afschriften van het dwangbevel en afschriften van het proces-verbaal voor eensluidend kan verklaren.

De vermelding van eensluidendverklaring door deze ambtenaar in de uitoefening van zijn taak geldt als volledig bewijs van de conformiteit, zolang zijn vermelding niet van valsheid wordt beticht, hetgeen ten deze niet het geval is.

#### 2.1.2. De motivering van het dwangbevel

De appellant houdt staande dat het dwangbevel op zichzelf onvoldoende is gemotiveerd. De verwijzing naar het medebetekend Proces-Verbaal is volgens hem onvoldoende.

Het dwangbevel wordt door de wet aan geen sacramentele vormen onderworpen. Het volstaat dat het dwangbevel het voorwerp en de oorzaak van de vordering op voldoende gemotiveerde wijze doet kennen aan de belastingplichtige om hem in staat te stellen de gegrondheid ervan te beoordelen.

#### 2.1.3. Het bewijs van de delegatie door de Gewestelijke Directeur aan de adjunct-directeur

De appellant houdt staande dat het bewijs niet is geleverd dat de directeur overeenkomstig artikel 85, § 1 BTW-Wet aan Inspecteur **B. A.** zijn bevoegdheid delegeerde om een dwangbevel uitvoerbaar te verklaren en te viseren.

Art. 85, § 1 BTW-Wet bepaalt dat het dwangbevel wordt uitgevaardigd door de met de invordering belaste ambtenaar en wordt geviseerd door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting van de toegevoegde waarde, registratie en domeinen of de door hem aangewezen ambtenaar.

Uit de brief van 2 mei 1988 uitgaande van de Gewestelijke Directeur **D. V.** blijkt dat aan de heer **B. A.**, Inspecteur Directie BTW Brugge, met ingang van 2 mei 1988 en tot nader order delegatie wordt verleend om alle dwangbevelen te viseren en uitvoerbaar te verklaren.

Blijkens het door de appellant overgelegde dwangbevel gebeurde de visering en uitvoerbaarverklaring op 4 juli 1988 door **A. B.**, hetzij nadat hij daartoe was gedelegeerd.

Geen enkele wetsbepaling legt aan de gewestelijke directeur op de volmacht van de inspecteur authentiek op te stellen dan wel bij volmacht te laten publiceren in het Belgisch Staatsblad.

De diverse besluiten die de invordering regelen dienen onbetwistbaar als reglementen van intern beheer beschouwd te worden vermits zij de vlotte organisatie van de diverse diensten van de administratie beogen.

2.1.4. Er werden twee formules van uitvoerbaarverklaring weerhouden waarvan één formule werd ingevuld en ondertekend en het andere werd geschrapt maar niet volgens de vormvoorschriften

Iedere interpretatie is dienaangaande uitgesloten omdat deze twee teksten onderling tegenstrijdig zijn.

#### 2.1.5. Het bewijs dat de kennisgeving "aangetekend" werd verstuurd werd niet geleverd

In conclusies neergelegd voor het Hof op 26 augustus 1997 vraagt de appellant tevens dat het bewijs zou worden overgelegd dat de kennisgeving "aangetekend" geschiedde.

Alhoewel de kennisgeving dateert van 5 juli 1988 en de appellant nooit heeft betwist het dwangbevel te hebben ontvangen meent hij na negen jaar procedure deze onregelmatigheid naar de vorm te moeten aanvoeren.

Het Hof kan enkel vaststellen dat het afgiftebewijs ter post niet voorligt niettegenstaande de vermelding aangetekend op de kennisgeving van het dwangbevel.

Nu echter uit de gedingstukken is gebleken dat de gestelde rechtshandeling het doel heeft bereikt dat de wet ermee beoogt leidt de beweerde niet naleving van de vorm niet tot de nietigheid van het dwangbevel (art. 867 Ger.W.).

### 2.2. Nopens de nietigheid van het proces-verbaal van 9 juni 1988

Door de appellant werd de nietigheid van het proces-verbaal van 9 juni 1988 ingeroepen omdat de verbaliserende ambtenaar, verificateur bij de BTW-administratie, niet bevoegd zou zijn om inzage te nemen van het dossier van de appellant bij de administratie van Douane en Accijnzen.

Die inzage gebeurde blijkens dit PV op grond van artikel 1 van het Besluit van de Regent van 20 februari 1950. Bij voornoemd artikel werd de nieuwe versie van artikel 34 van de Wet van 20 augustus 1947 ingevoegd als artikel 211 W. Taksen.

Art. 211, § 3 W.Taksen luidt als volgt: *"Elk ambtenaar van een belastingbestuur van de Staat, regelmatig belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van een bepaalde belasting bij een natuurlijk persoon of een rechtspersoon is van rechtswege gemachtigd alle inlichtingen op te zoeken of in te zamelen welke de juiste heffing van alle door deze persoon verschuldigde andere rechten kunnen verzekeren".*

Art. 211 W.Taksen werd opgenomen onder de 'Bepaling welke gemeen is aan alle belastingen' waaruit dient te worden afgeleid dat die wetsbepaling een algemene draagwijdte heeft ongeacht het wetboek waarin zij is weergegeven (Cass., 17 juni 1999, T.F.R., 2000, 372 e.v ).

Voor de inwerkingtreding van artikel 93quaterdecies BTW-Wet kon de betrokken ambtenaar zich bij de BTW-controle niet alleen beroepen op art. 211 W.Taksen doch ook op art. 34 van de Wet van 20 augustus 1947.

Beide teksten zijn breed geformuleerd en gewagen van "elke ambtenaar bij een belastingbestuur" en van "alle door deze persoon verschuldigde andere rechten" dus ook op de BTW als een door de staat geheven belasting.

Toegepast op onderhavige zaak brengt dit met zich mee dat de BTW-ambtenaar gerechtigd was “als ambtenaar belast met een controle of een onderzoek" inlichtingen in te zamelen bij de administratie van de BBl en de administratie der Douanen en Accijnzen, te meer daar het onderzoek beperkt was tot de persoon van de appellant zelf.

### 2.3. Is er vrijstelling van BTW ingevolge uitvoer (art. 39 BTW-Wet)

Overeenkomstig het toen toepasselijke art. 39, § 1, 2° BTW-Wet is van de belasting vrijgesteld 2° de levering van goederen die door of voor rekening van de niet in België gevestigde koper worden uitgevoerd.

Overeenkomstig art. 1, 2, § 1, 5, § 1 en 7 van het toen toepasselijke KB nr. 18 van 27 december 1977 met betrekking tot de vrijstelling ten aanzien van de uitvoer van goederen en diensten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde moet de niet in België gevestigde koper bij de inbezitneming aan zijn in België gevestigde leverancier een ontvangstbewijs afleveren en de goederen uiterlijk de tweede dag na de inbezitneming uitvoeren. Bij uitvoer per schip wordt deze termijn verlengd tot bij het verstrijken van de tijd die strikt nodig is om dit vervoer te verrichten (…). Het aan de leverancier af te leveren ontvangstbewijs moet benevens de datum van afgifte en de omschrijving van de goederen het land van bestemming vermelden.

Volgens artikel 7 moet het bewijs van de uitvoer door de leverancier worden geleverd overeenkomstig art. 3 d.w.z. “De leverancier van de goederen moet ten allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid blijkt; hij moet ze op ieder verzoek van de met de controle belaste ambtenaren kunnen overleggen. Die stukken zijn onder meer, de bestelbons, de vervoerdocumenten, de betalingsstukken en de stukken voorgeschreven door de wisselreglementering alsmede de aangifte van uitvoer bedoeld in artikel 2.

Voornoemd artikel 2 bepaalt dat op het douanekantoor waar de aangifte ten uitvoer wordt ingediend ook een kopie van de verkoopfactuur of, bij ontstentenis van een verkoopfactuur een verzendingsstuk moet worden afgegeven dat alle gegevens van een verkoopfactuur bevat.

Tot bewijs van de uitvoer verwijst de appellant naar zijn boekhouding alwaar de uitgaande factuur werd ingeschreven, het gele formulier EX61 en de storting van … die van voormelde verkoop afkomstig zou zijn.

De appellant betwist dat het document EX61 vals zou zijn door namaking van de erop voorkomende stempel daar volgens hem ook nog andere stempels in Zeebrugge gebruikt kunnen worden. Verder wijst de appellant erop dat voormeld document een tijdlang in het bezit van de administratie is gebleven zonder dat hem een ontvangstbewijs werd afgeleverd. De stempelafdruk zou inmiddels kunnen zijn gewijzigd met of zonder opzet.

Ten onrechte beroept de appellant zich op art. 61, § 5 BTW-Wet nu alle meegenomen stukken hem terug werden bezorgd door de administratie. Dat er zou geknoeid zijn met het document EX61 bij de diensten van de administratie is een loutere bewering die blijft voor rekening van de appellant.

De appellant kan pas van zijn verantwoordelijkheid worden ontslagen wanneer hij op afdoende wijze heeft aangetoond dat de goederen werden uitgevoerd.

Het PV van 9 juni 1988 is bewijskrachtig tot bewijs van het tegendeel. Deze bewijskracht is echter beperkt tot de materiële vaststellingen gedaan door de ambtenaar in de vervulling van zijn opdracht en strekt zich niet uit tot de deducties die deze ambtenaar uit zijn vaststellingen doet.

Zo stelde de controlerende ambtenaar vast dat rekeninguittreksels geen enkele betaling kon worden teruggevonden overeenstemmend met de verkoopsom van de factuur van 28 juni 1983.

Verder stelde deze ambtenaar vast op basis van inlichtingen bij de Douane en Accijnzen dat de afnemer **P.** niet bestond en dat het uitvoerdocument EX61 voorzien was van een nagemaakte stempel.

Daar waar deze laatste vaststellingen betwist worden behoort het aan de rechter daaruit de passende gevolgen te nemen.

Met betrekking tot de douanestempel heeft het door de eerste rechter bevolen valsheidonderzoek uitgewezen dat de stempel in het vak links geen Belgische douanestempel is.

Bovendien is uit de vergelijking van gelijkaardige EX-documenten gebleken dat het document in het vak rechtsboven niet door de douane werd geldig gemaakt. Deze vaststelling is volkomen in strijd met [art. 2 van het KB nr. 18](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-18-decembre-exemptions-concernant-exportations-biens-2f65#ar18-art2) dat voorziet dat op het douanekantoor van uitvoer een factuur of een verzendingsdocument moet aanwezig zijn.

De omstandigheid dat geen geldigverklaring gebeurde door de douane en dat zich op het douanekantoor geen factuur of verzendingsdocument bevindt bevestigt dat dit document nooit bij de douane werd aangeboden.

Voorts ligt geen ontvangstbewijs voor waaruit blijkt dat de afnemer de goederen heeft ontvangen ([art. 5 KB nr. 18](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-18-decembre-exemptions-concernant-exportations-biens-2f65#ar18-art5)).

Daarbij komt nog dat de appellant niet heeft weerlegd dat de firma **P.** niet bestaat terwijl de vermelding van de identiteit van het vervoermiddel VH 4KE98 wordt tegengesproken door de eigenaar.

Met de eerste rechter dient aangenomen dat de appellant in gebreke blijft de uitvoer te bewijzen van de goederen die het voorwerp uitmaken van het betwiste EX61 document.

Op grond van het wettelijk vermoeden opgenomen in artikel 64, § 1 BTW-Wet wordt iedere persoon die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen, wat te dezen het geval is, behoudens tegenbewijs dat hier niet wordt geleverd, geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.

De administratie vordert derhalve terecht de BTW op de factuur t.b.v. … BEF m.b.t. de beweerde doch niet bewezen uitvoer. Er is geen enkel wettelijk vermoeden dat de appellant de goederen die zich geruime tijd in stock bevonden moest verkopen tegen kleinhandelsprijzen : De verhoging van de maatstaf van heffing met 20 % op … BEF tot … BEF komt derhalve niet gerechtvaardigd voor.

### 2.4. Nopens de vermindering van de BTW-boeten wegens het al dan niet strafrechtelijk karakter

Ten onrechte laat de appellant gelden dat art. 70 enkel toepasselijk is op de BTW en niet op de speciale taks.

Uit artikel 2 van het KB van 10 november 1980 tot invoering van de speciale taks op luxeproducten blijkt dat de bepalingen vervat in het BTW-Wetboek of genomen ter uitvoering van dit wetboek toepasselijk zijn op de aanvullende weeldetaks.

Evenzeer ten onrechte voert de appellant aan dat de boeten onvoldoende zijn gemotiveerd. De appellant kreeg kennis van de door hem begane overtreding en de appellant verwees daarbij naar de toepasselijke wetteksten (art. 70 BTW-Wet). De verwijzing naar art. 109 Wet 4 augustus 1986 betreft inzonderheid de administratieve boete.

Voorts betoogt de appellant dat de opgelegde boeten een strafrechtelijk karakter hebben.

Alhoewel de strafrechtelijke aard van de fiscale geldboeten niet uitdrukkelijk wordt erkend aanvaardt het Hof van Cassatie sinds haar arresten van 5 februari 1999 (T.F.R. 1999, blz. 385 en 381) dat de internationale normen ook op de fiscale sancties uit art. 70 BTW-Wet kunnen worden toegepast, met die correctie dat loutere opportuniteit- en billijkheidsredenen de belastingplichtige niet kunnen bevrijden van de hem wettelijk opgelegde verplichtingen terwijl dit niet betekent dat het algemeen rechtsbeginsel 'non bis in idem" verhindert dat de Belgische overheid sancties van uiteenlopende aard mag bepalen, ook al zou die administratieve sanctie een strafrechtelijke aard hebben in de zin van art. 6 EVRM.

Anderzijds oordeelde het Arbitragehof in zijn arrest van 24 februari 1999 (T.F.R., 1999, blz. 385), gevat over een prejudiciële vraag over de conformiteit van art. 70 BTW-Wet met het constitutioneel gelijkheidsbeginsel, dat art. 70 BTW-Wet de art. 10 en 11 van de Grondwet niet schendt wanneer het de rechter bij wie een verzet tegen een dwangbevel aanhangig is, toestaat op de beslissing een fiscale geldboete op te leggen een controle met volle rechtsmacht uit te oefenen.

Ten deze kan het Hof niet anders dan de grondwetsconforme interpretatie toepassen waardoor het mogelijk wordt niet alleen te toetsen of de boete in rechte dan wel in feite verantwoord is en/of de wettelijke bepalingen werden nageleefd doch bovendien gerechtigd is de opportuniteit van de fiscale geldboeten te beoordelen.

Ingevolge het KB nr. 41, bijlage A, XI verminderd worden tot·10 % van de belasting. De door de appellant begane heden wijzen op fraude en rechtvaardigen t.b.v. 50 % van de rechten.

### Dispositif

**OP DEZE GRONDEN,**

**HET HOF**, recht doende op **tegenspraak**,

Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Voegt de hogere beroepen in de zaken 1994/AR/1385 en 2000/AR/502 samen en er in één arrest over beslissend;

Verklaart de hogere beroepen toelaatbaar en erover beslissend;

Bevestigt de bestreden vonnissen van 7 oktober 1993 en 17 februari 1994 met dien verstande dat de maatstaf voor de BTW-heffing bepaald wordt op … BEF en dat de BTW-boete bepaald wordt op 50 % van de BTW-rechten.

Veroordeel t de appellant in de kosten van het hoger beroep bepaald op :

\* aan de zijde van de appellant op :

\- dagvaarding : … BEF

\- rechtsplegingsvergoeding volgens opgave : … BEF

\* aan de zijde van de geïntimeerde op :

\- rechtsplegingsvergoeding volgens opgave ; … BEF

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, elfde kamer, recht doende in burgerlijke zaken, op **ACHTENTWINTIG MEI TWEEDUIZEND EN EEN**.

Aanwezig :

Mevrouw **N. v. I.**, Voorzitter,

De heren **A. D. M.**, Raadsheer,

**L. T.**, Raadsheer,

**M. V.**, griffier.

**M. V.** **L. T.** **A. D. M.** **M. v. I.**

### Décision jointe par le SPF

**DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN HET ARRONDISSEMENT KORTRIJK, PROVINCIE WEST-VLAANDEREN, ZESDE KAMER MET EEN RECHTER, RECHTSPREKENDE IN BURGERLIJKE ZAKEN**

In de zaak A.R. **nr. 39101**

**D. M.**, handelaar, wonende te …, …

**eiser,**

vertegenwoordigd door en pleitend Meester **P. D.**, advocaat te …

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Minister; van Financiën, vervolging en benaarstiging van de Ontvanger van het 1ste BTW-Ontvangkantoor te Kortrijk, Beverlaai 14, te 8500 Kortrijk

**verweerder,**

vertegenwoordigd door en pleitend Meester **F. W.**, advocaat te …

Gelet op de artikelen 2 en volgende der Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Bij dagvaarding d.d. 24.08.1988 betekend door gerechtsdeurwaarder **J. v. N. S.**, met standplaats te …, tekent eiser verzet aan tegen een dwangbevel uitgevaardigd door de Ontvanger van de BTW te Kortrijk op 30.06.1988, geviseerd door de Adjunct-Directeur van de BTW te Brugge d.d. 04.07.1988 en betekend bij aangetekend schrijven van 05.07.1988 aan eiser;

Eiser vordert het dwangbevel nietig te verklaren en hem te ontlasten van de veroordelingen erin uitgesproken, tevens verweerder te veroordelen tot de gedingkosten, rechtsplegingsvergoeding inbegrepen, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling noch kantonnement;

De raadslieden van partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies en de stukken werden ingezien;

1.Het verzet is tijdig en regelmatig naar vorm, wat door verweer der ook niet wordt betwist.

2\. Eiser roept volgende middelen in in zijn verzetsakte :

a) De nietigheid van het dwangbevel omdat het dwangbevel verwijst naar een proces-verbaal d.d. 09.06.1988 dat niet rechtsgeldig is en evenmin het dwangbevel zelf.

b) Eiser besluit tot de nietigheid van het dwangbevel om volgende redenen : de goederen ter waarde van … frank werden uitgevoerd naar Engeland na aankoop ervan door de Engelse vennootschap **P.** Ltd blijkens een uitvoerdocument EX61. De bewering door de BTW-administratie dat dit stuk vals is (althans zoals juister blijkt de erop aangebrachte stempels) is geen feitelijke vaststelling en geldt dan ook niet tot het bewijs van het tegendeel (zoals voorzien door [artikel 59, § 1 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59)). Ook de rechtsgeldigheid van het onderzoek (door de BTW-administratie) wordt betwist omdat de controle-ambtenaar het uitvoerdocument EX61 slechts na geruime tijd heeft teruggestuurd (na het te hebben meegenomen voor het onderzoek), wat strijdig is met [artikel 61, § 5 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-61) dat de afgifte van een ontvangstbewijs voorziet dat niet werd afgeleverd.

Dit maakt volgens eiser een schending van de rechten van de verdediging uit "omdat een neutrale deskundige de echtheid van het document wellicht niet meer kan nagaan".

Eiser besluit dan ook tot de nietigheid van het onderzoek en dienvolgens tot de nietigheid van het dwangbevel.

In subsidiaire orde (te gronde) wordt de door verweerder berekende heffing betwist nl. op de kleinhandelsprijzen (waarmede manifest wordt bedoeld de aanrekening van … frank weeldetaks, alsmede de aangerekende geldboete (waarmede de geldboete ingevolge [artikel 70, § 1 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70), zijnde tweemaal het ontdoken recht wordt bedoeld) en intresten welke mede moeten verminderen.

De aangerekende boete van tweemaal het ontdoken recht (de BTW namelijk) is onwettig volgens eiser.

2.Verweerder antwoordt in besluiten d.d. 17.01.1989 neergelegd door eerst het relaas van de feiten weer te geven die tot de BTW-heffing aanleiding heeft gegeven.

Het onderzoek omvat verklaringen van eiser afgenomen door de Administratie der Douanen en Accijnzen d.d. 08.01.1988 waaruit blijkt dat het uitvoerdocument EX61 van 05.07.1983 van 91 stuks televisie- en videotoestellen voor een factuurprijs van … frank in de boekhouding van eiser werd gevonden (waarover verweerder zich verwondert hoewel dit voor de Rechtbank normaal lijkt, nl. dat hij die uitvoert daarvan het bewijs teruggestuurd krijgt), waarop eiser antwoordt dat hij dit stuk kreeg van een persoon die hij niet kent, maar aan :wie hij de goederen heeft verkocht, die ook de factuur opmaakte (?).

Vooraf was er onderhandeld met een andere onbekende en de betaling geschiedde contant (d.w.z. bij de levering dus op 05.07.1983) door nog een andere eveneens onbekende.

De goederen werden volgens het uitvoerdocument afgehaald en vervoerd met een voertuig dragende de Belgische nummerplaat 4KE98 om vervolgens verscheept te worden met een Engelse ferry-boat.

Ondervraging van de houder van deze nummerplaat op 22.11.1988 toonde aan dat deze (ene **A. V. Q.**, kleinhandelaar in meubelen uit …) niets te maken had met het vervoer van de goederen in kwestie.

Op vraag van de administratie naar bewijsstukken i.v.m. de uitvoer wordt door eiser een bankuittreksel voorgelegd (stuk 3 bundel verweerder) waaruit een storting aan de kas op 05.10.(1983?) moet blijken voor … frank, weze drie maanden na de contante betaling van de goederen en die zouden voortkomen van de verkoopprijs van … frank.

In het proces-verbaal d.d. 09.06.1988 door de controle-ambtenaar van de BTW opgemaakt werd vermeld dat na inzage van het dossier bij de 2de Inspectie van de B.B.I. te Kortrijk en bij de Administratie der Douanen en Accijnzen gebleken is dat de Engelse vennootschap **P.** niet bestaat en dat het uitvoerdocument. EX61 vals is als zijnde voorzien van een nagemaakte stempel.

Aldus werd de verkoop aanzien als een kleinhandelsverkoop bij gebrek aan bewezen uitvoer en de maatstaf van heffing van de BTW bepaald op … x 1,2 = … (winstmarge 20 %) x 25 % of … frank BTW, waarop nog 8 % luxetaks of … frank dient betaald, of in het totaal … frank.

In rechte besluit verweerder dat zo eiser het bewijs niet levert van werkelijke uitvoer, het wettelijk vermoeden van [artikel 64, § 1 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-64) speelt, m.a.w. de leverancier (eiser) wordt geacht goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting eisbaar wordt.

Eiser kan het bewijs van uitvoer volgens verweerder slechts leveren overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 3, 4, 5 en 6 van het K.B. nr.18 van 27.12.1977.

3.In besluiten d.d. 10.11.1989 en 23.04.1991 roept eiser nieuwe nietigheden in nl. :

a) nietigheid van het dwangbevel wegens betwisting van de bevoegdheid van de ontvanger om het afschrift van het dwangbevel voor eensluidend te verklaren met het origineel,

b) nietigheid wegens onregelmatige delegatie van de bevoegde ambtenaar,

c) nietigheid wegens niet-motivering van het dwangbevel.

Artikel 864, § 1 Ger.W. bepaalt dat de nietigheden die tegen de proces-handelingen kunnen worden ingeroepen gedekt zijn indien zij niet tegelijk en voor enig ander middel worden voorgedragen.

Het begrip "proces-handeling" wordt algemeen in ruime zin geïnterpreteerd en zo omvat het elke handeling waardoor een geding wordt ingeleid of voortgezet, of waardoor een vonnis of andere uitvoerbare titel ten uitvoer wordt gelegd.

De ingeroepen nietigheden zijn hetzij ontoelaatbaar en ongegrond, hetzij ongegrond.

4\. Te gronde

Het staat vast dat eiser de uitvoer dient te bewijzen om vrijstelling van de BTW te genieten.

Ter zake zijn de artikelen [2](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-18-decembre-exemptions-concernant-exportations-biens-2f65#ar18-art2), [3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-18-decembre-exemptions-concernant-exportations-biens-2f65#ar18-art3) en [5](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-18-decembre-exemptions-concernant-exportations-biens-2f65#ar18-art5) van het K.B. nr. 18 van toepassing alsook het door eiser ingeroepen [artikel 61, § 5 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-61).

Wat [artikel 61, § 5 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-61) betreft : eiser roept ten onrechte in dat de BTW-administratie zonder afgifte van een ontvangstbewijs facturen of andere stukken heeft behouden nu het vaststaat dat alle meegenomen stukken terug werden bezorgd (exceptie van nietigheid in akte van verzet).

De documenten als bewijs van de uitvoer door eiser voorgebracht zijn de factuur, het uitvoerdocument EX61 en een stortingsbewijs.

Artikel 3 van het K.B.nr.18 stelt dat de leverancier (eiser) ten allen tijde in het bezit moet zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de uitvoer blijkt… die stukken zijn onder meer de bestelbons, de vervoerdocumenten, de betalingsstukken, de stukken voorgeschreven door de wisselreglementering en de aangifte bedoeld in artikel 2.

"Onder meer" betekent dat er ook andere bewijsstukken kunnen dienen en ook dat de opgegeven lijst van bewijsstukken niet limitatief is en dat niet alle opgenoemde stukken moeten worden voorgebracht.

De factuur en het formulier EX61 kunnen dus op zichzelf reeds het bewijs leveren van de uitvoer.

Verweerder roept echter de valsheid in van het voorgebrachte formulier EX61, nl. door te stellen dat de erop aangebrachte stempel en handtekening vals is.

Zonder het expliciet te formuleren stelt verweerder de valsheidsvordering in (artikel 896 Ger.W.).

De rechter is genoodzaakt in geval van tussenvordering wegens valsheid, zijn uitspraak over de hoofdvordering uit te stellen indien geen uitspraak kan worden gedaan zonder rekening te houden met het van valsheid beticht stuk, wat in casu het geval is.

De rechter dient de persoonlijke verschijning van partijen te bevelen en dient het van valsheid betichte stuk te: doen voorleggen (artikel 898 Ger.W.).

Verweerder stelt immers dat de op het formulier EX61 aangebrachte stempel vals is (door deze te vergelijken met de twee stempels bij de douane te Zeebrugge in gebruik) maar de stempel op het formulier EX61, dat (slechts) een fotokopij is, is onleesbaar. Het is aldus des te meer noodzakelijk dat het originele stuk wordt voorgebracht om het te vergelijken met de authentieke stempels.

Bovendien komt op het betreffende stuk een handtekening voor van de ambtenaar die de uitvoer op 05.07.1983 controleerde.

Wanneer het zegel vals is, zal ook de handtekening vals zijn, zodat verweerder zal moeten aantonen wie de ambtenaar was die

De nietigheid ingeroepen sub a en b betreffende nietigheden i.v.m. de uitvoerbaarverklaring van het dwangbevel, betreffen aldus handelingen waardoor het dwangbevel kan worden ten uitvoer gelegd en zijn derhalve proceshandelingen waarvan de nietigheden gedekt zijn omdat deze niet tegelijk (met de in de verzetsakte ingeroepen nietigheden) en voor ieder ander middel (nl. de middelen te gronde, aangevoerd) werden ingeroepen.

De ambtenaar die het afschrift van het dwangbevel voor eensluidend verklaart doet dit op volkomen regelmatige en wettige wijze vermits precies hij die het dwangbevel (de titel) uitvaardigt, gerechtigd is een voor eensluidend afschrift van deze titel af te leveren ten einde de door de wet voorziene betekening te doen bij ter post aangetekende brief waarbij ten behoeve van de belastingplichtige een afschrift van het dwangbevel wordt gevoegd ([artikel 85, § 1 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85)).

Strikt genomen voorziet de Wet niet eens dat er een voor eensluidend afschrift van het dwangbevel dient gevoegd, zodat de wetgever ook niet kon bepalen wie het afschrift voor eensluidend dient te verklaren.

De formulering op het dwangbevel i.v.m. de uitvoerbaarverklaring is ook regelmatig nu de tekst voorbehouden aan de Gewestelijke Directeur vervalt door het aanbrengen van de formule van uitvoerbaarverklaring aan de wettig gedelegeerde ambtenaar.

Eiser bewijst ook niet dat de aangeklaagde onregelmatigheden zijn belangen hebben geschaad (artikel 861 Ger. W.) noch biedt hij dit aan te bewijzen.

De ingeroepen exceptie van nietigheid wegens niet-motivering van het dwangbevel is ongegrond vermits de verwijzing naar een bijgevoegd proces-verbaal dat eiser niet betwist ontvangen te hebben, als motivering van het dwangbevel zelf geldt en de rechten van eiser door aldus te handelen zeker niet zijn geschaad, integendeel, aldus kreeg hij kennis van de beweegredenen waarop het dwangbevel is gesteund door simpele verwijzing naar het bijgevoegde proces-verbaal.

De inhoud van het proces-verbaal kan dus evengoed in extenso in het dwangbevel ingewerkt worden als in afschrift aan dit dwangbevel worden gevoegd.

Eiser roept ook de nietigheid van het proces-verbaal van 09.06.1988 in omdat de verbaliserende ambtenaar, verificateur bij de BTW-administratie, niet bevoegd was om inzage te nemen van het dossier van eiser dat bij andere administraties berustte, in casu bij de Administratie der Douanen en Accijnzen.

De inlichtingen door een ambtenaar van een ander fiscaal Rijksbestuur bekomen werden terecht ingeroepen door de controlerende ambtenaar van de BTW tot het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde som (artikel 211, § 2 Wetboek met het zegel gelijkgestelde taksen dat gemeen is aan alle belastingen). Paragraaf 3 van dezelfde Wet machtigt de controlerende ambtenaar alle inlichtingen te verzamelen ten einde de juiste heffing van de belasting te verzekeren, zeker bij een andere fiscale administratie en het heeft geen belang of dit door een verificateur of een controleur wordt gedaan daar beide ambtenaren belast zijn met het onderzoek naar de juiste heffing van de belastingen.

Belgische stempels als volgt dateren : "6.V.87".

Welnu, op het bewuste stuk is de datering voldoende leesbaar om 5 juli 1983 te kunnen lezen en niet 5.VII.1983, dat dan nog omkaderd is.

De rest van de stempel, waarop zou moeten "Zeebrugge" te lezen zijn geweest is eveneens manifest weggelaten of niet doorgedrukt, anders zou een Nederlandse havenstad te lezen zijn geweest.

Het argument van eiser dat het best mogelijk is dat de Belgische douane nog andere stempeltypes in gebruik heeft dan het voorgelegde model is te verwerpen nu deze toevalligheid kan uitgesloten worden.

Het bewuste stuk vertoont nog andere opvallende gebreken : de handtekening van de douaneambtenaar is niet vergezeld van een naamstempel zoals op het voorbeeld duidelijk te zien is en in de rechterbovenhoek ontbreekt de registratiestempel van de douane van Zeebrugge.

Eiser antwoordt wel dat er een uitzondering toegestaan wordt in de instructie nr. 29 op het verplicht aanbrengen in het vak bovenaan rechts van kantoor, volgnummer en datum van registratie, nl. dat in sommige zeehavens en kantoren waar een afgevaardigde van de ontvanger optreedt het volstaat dat alleen het vak : "datum van ontvangst" wordt ingevuld, waarna de registratie achteraf mag gebeuren.

Alvast dient vastgesteld dat de registratie nimmer gebeurde, ook niet achteraf en uit het voorgelegde voorbeeld van formulier EX61 van de haven te Zeebrugge blijkt dat in deze haven precies het registratienummer van het vak bovenaan rechts onmiddellijk is ingevuld, zodat de haven Zeebrugge blijkbaar niet onder de uitzonderingen ressorteert.

Er zijn teveel "toevalligheden" om het bewuste document EX61 als echt te kunnen beschouwen, zodat het als duidelijk vals moet worden beschouwd.

Meteen is het verzet van alle grond ontbloot nu bij gebrek aan, geldig uitvoerdocument de uitvoer niet bewezen is en er geen. redenen zijn tot BTW-vrijstelling.

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Gehoord de heer **L. D.**, eerste substituut-procureur des Konings, in zijn advies, gegeven in openbare terechtzitting;

Wijzende op tegenspraak;

Alle verder besluiten en middelen afwijzende;

Wijst het verzet af als ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de kosten begroot aan de zijde van verweerster in besluiten dd. 02.11.1993 op … frank;

Verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad en zonder borgstelling en zonder uitsluiting van het kantonnement.

Aldus gevonnist en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Kortrijk, in openbare terechtzitting, op **ZEVENTIEN FEBRUARI NEGENTIENHONDERD VIERENNEGENTIG**.

Aanwezig :

**F. V.**, alleenzetelend rechter

**F. V.**, 1° substituut-procureur des Konings

**J. V.**, griffier.

**J. V.** **F. V.**

**DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN HET ARRONDISSEMENT KORTRIJK PROVINCIE WEST-VLAANDEREN, ZESDE KAMER MET EEN RECHTER, RECHTSPREKENDE IN BURGERLIJKE ZAKEN**

In de zaak A.R.nr. **39101**

**D. M.**, handelaar, wonende te …, …

**eiser,**

vertegenwoordigd door en pleitend Meester **P. D.**, advocaat te …

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Minister van Financiën, vervolging en benaarstiging van de Ontvanger van het 1ste BTW~Ontvangkantoor te Kortrijk, BeverIaai 14, te 8500 Kortrijk

**verweerder,**

vertegenwoordigd door en pleitend Meester **Fr. W.**, advocaat te …

Gelet op de artikelen 2 en volgende der wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtzaken;

Gezien het vonnis van deze Rechtbank d.d. 07.10.1993 waarbij het verzet toelaatbaar werd verklaard, de ingeroepen excepties van nietigheid als ontoelaatbaar en ongegrond werden afgewezen en vooraleer verder te gronde te beslissen de persoonlijke verschijning van partijen werd bevolen in het kader van een valsheidsprocedure;

Gezien het proces-verbaal van persoonlijke verschijning d.d. 04.11.1993;

Gehoord partijen in hun middelen en conclusies;

Op het voorgelegde en neerlegde document EX61 in origineel is thans duidelijk te zien dat een stempel is aangebracht, waarbij de aanbrenger er bijzondere zorg heeft voor gedragen dat gedeelten van deze stempel niet zijn afgedrukt.

Verweerder legt eveneens een authentiek document voor EX61 dat behoorlijk is ingevuld en afgestempeld door de douanediensten te Zeebrugge en een voorbeeld van een in Nederland gebruikte douane-stempel.

Op het stuk in kwestie (uitvoerformulier ter zake van 05.07.1983) is echter duidelijk waar te nemen dat het lettertype van het woord “douane" perfect overeenstemt met de in Nederland gebruikte stempels (reden ten andere waarom de stempel niet doorgedrukt werd vermits dan het woord “Nederland" zou te lezen zijn geweest).

De Nederlandse stempel dateert als volgt : “29 mei 1990” terwijl de op 05.07.1983 van dienst was en welke zijn handtekening is.

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Wijzende op **tegenspraak**;

Verklaart het verzet toelaatbaar.

Wijst de excepties van nietigheden af als ongegrond voor wat de excepties betreft in de verzetsakte aangevoerd en wijst de excepties van nietigheid in latere besluiten af als ontoelaatbaar en ongegrond.

Vooraleer verder te gronde te beslissen, ontvangt de valsheidsvordering, en beveelt partijen in persoon te verschijnen voor Ons en gelast verweerder, desgevallend eiser, het van valsheid beticht stuk in origineel voor te leggen.

Zegt voor recht dat verweerder de authentieke handtekening van de ambtenaar die op 05.07.1983 het formulier EX61 ondertekende dient voor te leggen.

Zegt dat de griffier zal handelen zoals voorzien door artikel 898 laatste lid Ger.W.

Stelt de persoonlijke verschijning van partijen op donderdag 04 november 1993 om 11.30 uur, in raadkamer (lokaal 36);

Kosten aangehouden;

Aldus gevonnist en uitgesproken ten gerechtshove te Kortrijk, in openbare terechtzitting van de **ZEVENDE OKTOBER 1900 DRIEENNEGENTIG**.

Aanwezig :

**F. V.**, alleenzetelend rechter,

**J. V.**, griffier.

**J. V.** **F. V.**

## Textes cités

8

[CTVA art. 61](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-61) 3 occurrences

[AR no 18 art. 2](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-18-decembre-exemptions-concernant-exportations-biens-2f65) 2 occurrences

[AR no 18 art. 5](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-18-decembre-exemptions-concernant-exportations-biens-2f65) 2 occurrences

[AR no 18 art. 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-18-decembre-exemptions-concernant-exportations-biens-2f65) 1 occurrence

[CTVA art. 59](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59) 1 occurrence

[CTVA art. 64](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-64) 1 occurrence

[CTVA art. 70](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) 1 occurrence

[CTVA art. 85](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Disposition pénale, amende administrative, preuve, mesure de contrôle, poursuite](https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-preuve-cour-appel-anvers-2007-06-16-17fd) 5 dispositions communes

[Reconstitution du chiffres d’affaires, Preuve par présomptions](https://juriel.be/fr/jurisprudence/reconstitution-chiffres-affaires-preuve-presomptions-cour-appel-bruxelles-2023-02-0e22) 4 dispositions communes

[Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-lien-direct-immediat-tribunal-luxembourg-2022-10-12-162a) 4 dispositions communes

[Inspection à domicile, Fraude au domicile, visite](https://juriel.be/fr/jurisprudence/inspection-domicile-fraude-visite-cour-appel-gand-2025-02-04-3b64) 4 dispositions communes

[Secteur Horeca, Système de caisse enregistreuse](https://juriel.be/fr/jurisprudence/secteur-horeca-systeme-caisse-enregistreuse-tribunal-2020-05-13-bd2b) 4 dispositions communes

[Déclaration d’accord, renonciation à l’action, Prescription, Intérêts de retard](https://juriel.be/fr/jurisprudence/declaration-accord-renonciation-action-prescription-cour-appel-2026-01-27-c906) 4 dispositions communes

[Procès-verbal, Arbitraire, Motivation, Calcul du chiffre d'affaires](https://juriel.be/fr/jurisprudence/proces-verbal-arbitraire-motivation-calcul-tribunal-louvain-2022-02-18-d398) 4 dispositions communes

[Prescription, Registre de perception et recouvrement, Titre exécutoire, Délégation](https://juriel.be/fr/jurisprudence/prescription-registre-perception-recouvrement-titre-cour-appel-gand-2023-06-13-e7bf) 4 dispositions communes
