---
title: "Exonération, exportation · Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers, 12 janvier 2010"
description: "Exonération, exportation, importation, opération intracommunautaire, poursuite, instance. Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 12 janvier 2010."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-exportation-importation-operation-cour-appel-anvers-2010-01-12-5315"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Exonération, exportation, importation, opération intracommunautaire, poursuite, instance · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Date**

12 janvier 2010

## Parcours procédural

2 étapes · 1 an 9 mois

1. Décision affichée Cour d'appel d'Anvers 12.01.2010
2. [Décision sur pourvoi Cour de cassation de Belgique 20.10.2011](https://juriel.be/fr/jurisprudence/exonerations-livraisons-intracommunautaires-biens-conditions-cassation-bruxelles-2011-10-20-91b6)

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

112 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 12.01.2010

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER**

Recht doende in burgerlijke zaken,

heeft het volgende arrest uitgesproken :

**In zake : 2006/AR/1561**

**L. E. C. BVBA**, met zetel te …, …, met ondernemingsnummer …;

**appellante,**

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 30 januari 2006;

vertegenwoordigd door Meester **W. H.**, advocaat te …, …;

**tegen :**

**de BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, op benaarstiging van de rekenplichtige Ontvanger van het derde BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4;

**geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door Meester **A. V. L. d. J.**, advocaat te …, …;

---

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het eensluidend afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak tussen partijen gewezen op 30 januari 2006 door de Vierde F Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en waartegen een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 22 mei 2006;

Gelet op het tussenarrest uitgesproken door dit Hof op 30 juni 2008;

Gehoord partijen in hun middelen en conclusies;

Overwegende dat partijen zich ter terechtzitting van 14 december 2009 zich akkoord verklaarden kwestieuze zaak te hernemen in de gewijzigde samenstelling van de zesde kamer;

## 1. Feiten, retroacten eis en verweer in hoger beroep :

**1.1.** De BVBA **L. E. C.**, appellante, is uit hoofde van haar economische activiteit van groothandel en export in tweedehands rollend materieel en als mandaatgever onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan getroffen besluiten.

Zij is als dusdanig geregistreerd onder nummer BE ….

**1.2.** Op 14 mei 2003 en 13 juni 2003 werd door mevrouw **I. C.**, inspecteur bij de sector BTW van de Federale Overheidsdienst Financiën, verbonden aan het tweede controlekantoor te Malle, na voorafgaande kennisgevingen, een controle uitgevoerd over de juiste toepassing van de wetgeving en reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde voor de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2001.

Appellante verkocht in het jaar 2001 onder andere 4 voertuigen aan een in Spanje gevestigde afnemer, m.n. de vennootschap **E. I. T. d. R. SL**, die aldaar voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd en aldaar is gehouden tot voldoening van de BTW over zijn intracommunautaire verwervingen.

In de jaren 2000 en 2001 verkocht appellante eveneens onder andere 36 voertuigen aan een in Frankrijk gevestigde afnemer, m.n. **M. S. R. F.**, die voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd en aldaar is gehouden tot voldoening van de BTW over zijn intracommunautaire verwervingen.

Voormelde voertuigen werden door appellante verkocht met vrijstelling van BTW wegens intracommunautaire levering, overeenkomstig [artikel 39bis, eerste lid, 1° van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-39bis).

Ter gelegenheid van de controles zou aan. de hand van de voorgelegde boeken en bescheiden, van het BTW-dossier op naam van appellante en aan de hand van inlichtingen van de Spaanse en Franse administraties een aantal overtredingen zijn vastgesteld die alle betrekking hebben op de gebeurlijke onterechte toepassing van de vrijstelling van artikel 39bis, eerste lid, 1°, W.BTW.

Bij aangetekende brief van 17 oktober 2003 werden aan appellante twee correctieopgaven overgemaakt, waarin opgave wordt gedaan van de vermeende inbreuken voor een totaal bedrag van belasting over de toegevoegde waarde van … EUR en een geldboete van … EUR (interesten pro memorie).

De raadsman van appellante deelde bij gemotiveerde brief van 10 november 2003 aan het BTW-controlekantoor te Malle mee dat appellante zich niet akkoord kan verklaren met de door de administratie voorgestelde regularisatie.

**1.3.** Bij aangetekende brief van 30 december 2003 werd door de BTW-administratie, bij toepassing van artikel 8 (1), § 3, 4de lid (belastingkrediet uit rekening-courant) van het Koninklijk Besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij het Koninklijk Besluit van 29 december 1992, aan appellante een akte van inhouding voor een bedrag van … EUR aangezegd. Dit bedrag vormt het tegoed, zoals dit blijkt uit de rekening-courant op 31 oktober 2003. Dit saldo vloeit voort uit de periodieke aangifte ingediend door appellante met betrekking tot de periode van het derde kwartaal 2003.

Bij beschikking gewezen door de Beslagrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen op 10 mei 2004 werd de door appellante ingestelde vordering tot intrekking van de akte van inhouding en opheffing van de inhouding ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

**1.4.** Bij aangetekende brief van 31 maart 2004 werd door de BTW-administratie, bij toepassing van artikel 8 (1), § 3, 4de lid (belasting krediet uit rekening-courant) van het Koninklijk Besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij het Koninklijk Besluit van 29 december 1992, aan appellante een akte van inhouding voor een bedrag van … EUR aangezegd. Dit bedrag vormt het tegoed, zoals dit blijktuit de rekening-courant op 31 januari 2004. Dit saldo vloeit voort uit de periodieke aangifte ingediend door appellante met betrekking tot de periode van het vierde kwartaal 2003.

**1.5.** Op 9 april 2004 werd door de controleambtenaar een proces-verbaal opgesteld, waarin o.a. wordt gesteld dat voor de uitgaande facturen met betrekking tot de betrokken verkopen de daadwerkelijke identiteit van de koper niet kan aangetoond worden en/of geen bewijs van echtheid van het vervoer of de verzending werd geleverd zodat de vrijstelling onterecht werd ingeroepen. Tevens worden met betrekking tot vier facturen gericht tot de Franse afnemer een aantal anomalieën (dubbele nummering van facturen) vastgesteld, alsook verschillen in bedragen bij een vergelijking van de facturen die betrekking hebben op de leveringen aan **F. S.** over de periode 2000-2001 met de corresponderende intracommunautaire opgaven. De controleambtenaar leidt hieruit af dat appellante geen betrouwbare boekhouding voerde over de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2001.

Op grond van voormeld proces-verbaal werd op 15 juli 2004 door mevrouw **N. W.**, rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor Antwerpen 3 een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 23 juli 2004 geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard door mevrouw **M. H.**, eerstaanwezend inspecteur a.i. van de BTW-controle Malle 2, aangewezen door de Directeur van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Antwerpen.

Een voor eensluidend verklaard afschrift van dit dwangbevel werd samen met een kopie van het proces-verbaal van 9 april 2004 aan appellante gezonden bij aangetekende brief van 27 juli 2004. Hieruit blijkt dat volgende bedragen van appellante worden gevorderd :

\- … EUR als belasting over de toegevoegde waarde;

\- … EUR als geldboete in toepassing van artikel 70, § 1 W.BTW;

\- … EUR, als verlopen interesten krachtens artikel 91, § 1, 1°, W.BTW;

\- de wettelijke intresten overeenkomstig artikel 91, § 1, W.BTW berekend aan 0,8 % per maand vanaf 21 juli 2004 over de som van … EUR;

\- de moratoire interest over de nog verschuldigde geldboeten die loopt vanaf de betekening of kennisgeving van het dwangbevel, ingevolge artikel 91, § 4, W.BTW;

\- de vervolgingskosten.

**1.6.** Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen op 30 augustus 2004, vordert appellante het van onwaarde verklaren van het proces-verbaal opgesteld op 9 april 2004 door mevrouw **I. C.**, Inspecteur bij de FOD, Sector BTW verbonden aan het Tweede BTW-controlekantoor te Malle, de vernietiging en het van onwaarde verklaren van het dwangbevel met referte R.C.I.V. nr. …, Reg. 127/170 uitgevaardigd door mevrouw **N. W.**, Eerstaanwezend Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor Antwerpen 3 op 15 juli 2003, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 23 juli 2004 door mevrouw **M. H.**, Eerstaanwezend Inspecteur bij het Tweede BTW-controlekantoor te Malle, het zeggen voor recht dat de handelingen met betrekking tot de 40 voertuigen van BTW vrijgesteld zijn wegens intracommunautaire levering overeenkomstig artikel 39bis, eerste lid, 1° W.BTW en het zeggen· voor recht dat appellante de van haar middels het proces-verbaal en middels het dwangbevel gevorderde bedragen niet verschuldigd zijn, de terugbetaling van alle ten onrechte ingehouden en/of alle ten onrechte op de bestreden vordering aangerekende bedragen, meer de moratoriuminteresten.

**1.7.** Het bestreden vonnis uitgesproken door de Vierde F Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen op 30 januari 2006 oordeelt dat noch het gegeven van de door de afnemers telkens tegenover appellante opgenomen last tot het buiten België (naar een andere Lidstaat) brengen van de betrokken voertuigen, noch het feit van betaling door dezen der koopprijzen, te genoegen van recht aantonen dat de voertuigen over de binnencommunautaire grens zijn gebracht in uitvoering van bepaaldelijk de door appellante gedane levering. Appellante laat verder na de indicatie afgeleid uit de latere inschrijving van voertuigen in het door de afnemer opgegeven bestemmingsland verder uit te werken. De eerste rechter stelt dan ook dat appellante de gevolgen moet dragen van haar verregaande laksheid in de opbouw van het bewijs dat de door haar geleverde voertuigen effectief over intracommunautaire grenzen zijn vervoerd in welbepaald het kader van haar leveringen. Het bestreden vonnis besluit dat het bewijs te dezen niet op aanvaardbare wijze is geleverd, en dat de vordering in betwisting van de in het dwangbevel verwoorde fiscale vordering ongegrond is, behalve wat betreft de in Spanje ingeschreven wagen ten name van de Spaanse afnemer zelf. De vordering wordt dan ook ontvankelijk, doch slechts zeer ten dele gegrond verklaard. Het dwangbevel van de ontvanger van het derde ontvangkantoor Antwerpen van 15 juli 2004 (referte RCN …, Reg. 127/170) wordt onwettig verklaard in zoverre het navordering stelt van BTW en toebehoren met betrekking tot levering van het ten name van de Spaanse afnemer zelf ingeschreven voertuig, en de uitvoering ervan wordt er in die mate verboden. Appellante wordt tenslotte veroordeeld tot negen tienden van de kosten.

**1.8.** Tegen dit vonnis heeft appellante hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 22 mei 2006.

**1.9.** Bij tussenarrest uitgesproken op 30 juni 2008 heeft dit Hof vastgesteld dat de van de Spaanse en Franse autoriteiten verkregen inlichtingen, die grond kunnen zijn tot vaststelling van eventuele overtredingen die tot navordering kunnen leiden, door geïntimeerde niet worden voorgelegd en dat zij door de belastingplichtige moeten kunnen worden gecontroleerd teneinde zijn rechten van verdediging optimaal te kunnen uitoefenen. Het Hof heeft alsdan voor recht gezegd dat de zaak niet in staat van wijzen is en ze naar de bijzondere rol van de zesde kamer verzonden. Het Hof heeft tevens voor recht gezegd dat geïntimeerde in toepassing van artikel 877 Ger. W. gehouden is de onderzoeksresultaten van de Franse en Spaanse fiscale autoriteiten ter griffie van dit Hof neer te leggen binnen de 3 maanden na uitspraak van het arrest

Geïntimeerde heeft in uitvoering van dit arrest op 11 augustus 2008 volgende bijkomende stukken neergelegd., zoals genummerd in de inventaris van zijn stukken :

*18)* *a)* *vraag om inlichtingen vanuit Frankrijk i.v.m. M.* ***S. R. F.***

*b)* *antwoord van BTW-controle Malle II*

*19)* *a)* *vraag om inlichtingen vanuit Spanje i.v.m.* ***E. I. T. D. R.*** *SL*

### *b)* *antwoord van BTW-controle Malle II*

**1.10.** In het verzoekschrift tot hoger beroep en in de op 28 mei 2009 neergelegde syntheseconclusie stelt appellante dat met betrekking tot de leveringen volgende documenten worden bijgebracht :

• de verificatie van de BTW-identificatienummers van de Franse afnemer en van de Spaanse afnemer

• het bewijs van de activiteit van de Franse afnemer aan de hand van een door de Griffie van de Handelsrechtbank te Le Havre afgeleverd attest

• kopie van de identiteitskaart van de Franse afnemer

• de facturen uitgereikt aan de Franse afnemer en aan de Spaanse afnemer

• voor de meeste leveringen, verklaringen door de Franse afnemer en door de Spaanse afnemer dat zij de voertuigen vervoeren vanuit België naar een andere lidstaat

• voor de meeste leveringen, betalingen door de Franse afnemer of door de Spaanse afnemer via bankcheques of bewijs anderszins van betaling door hen .

• voor de meeste leveringen het bewijs van inschrijving van de verkochte voertuigen in Frankrijk of in Spanje.

Zij stelt dat het haar niet mogelijk is andere of bijkomende documenten voor te leggen, nu deze documenten in casu niet voorhanden zijn. Aangezien het vervoer gebeurde door de afnemers, is het voor appellante bijvoorbeeld onmogelijk om "vervoersdocumenten" voor te leggen, nu dergelijke documenten niet voorhanden zijn en appellante er niet over beschikt Nu de overheden van de Europese Unie de overschrijding van de interne grenzen niet meer afhankelijk hebben gemaakt van enige (douane)formaliteit, kan de grensoverschrijding die hier net cruciaal is, sowieso niet door een document worden gestaafd. Het verbinden van formaliteiten aan de grensoverschrijding, wordt integendeel als een verboden inbreuk op het vrij verkeer van goederen aangezien.

Met betrekking tot de bijkomende door geïntimeerde neergelegde stukken merkt appellante op dat noch de rechtstreekse contacten tussen de Belgische Centrale Eenheid voor administratieve samenwerking met de andere lidstaten op het gebied van de BTW en· de Franse resp. Spaanse autoriteiten in het kader van het verzoek om inlichtingen noch de verdere onderzoeksresultaten van het door de Franse resp. Spaanse autoriteiten gevoerd onderzoek lastens de heer **S. R. F.** resp. SL **E. I. T. D R.** worden meegedeeld en dat de gebeurlijke afwezigheid van een aangifte van intracommunautaire verwerving van de goederen door de afnemer in een andere lidstaat dan België, door geïntimeerde niet kan worden aangemerkt als bewijs dat door de leverancier geen, intracommunautaire levering gebeurde en evenmin in aanmerking kan worden genomen om het door de leverancier geleverde bewijs als niet afdoende te beschouwen. Zowel voor de Franse als voor de Spaanse afnemer vermeldde appellante op de facturen het BTW-identificatienummer waarvan zij de geldigheid voorafgaandelijk had geverifieerd. Indien er zich in feite een andere handeling zou hebben voorgedaan dan degene die werd weergegeven in de bewijskrachtige facturen, is het aan geïntimeerde om hiervan het tegenbewijs te leveren en aan te tonen dat er .sprake zou zijn van fictieve, valse of incorrecte facturen. Het is dan ook afdoende bewezen dat "daadwerkelijke identiteit" van de kwestieuze afnemers overeenstemt met de afnemers zoals deze werden vermeld op de facturen. Het moet dan ook worden aangenomen dat de goederen werden geleverd aan een afnemer, belastingplichtige die als zodanig optreedt in een andere lidstaat en ertoe is gehouden aldaar zijn intracommunautaire verwervingen aan de BTW te onderwerpen. Appellante voert verder aan dat in artikel 3 van het Koninklijk Besluit nr. 52 van 29 januari 1992 een niet-limitatieve en niet-cumulatieve opsomming wordt gegeven van mogelijke bewijsdocumenten met betrekking tot de verzending of het vervoer buiten België maar· binnen de Gemeenschap. Een strenge, formalistische bewijsregeling is aldus in strijd met de "eenvoudige toepassing van de vrijstelling" (artikel 22 lid 8 en [artikel 28quater van de Zesde BTW-Richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-28quater) en met [artikel 39bis van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-39bis)) en vormt net een rem op het verrichten van intracommunautaire leveringen en het creëren van een vrije markt.

Indien de verkoper het bewijs van de intracommunautaire levering enkel kan en mag leveren aan de hand van schriftelijke documenten, uitgewerkt in het Koninklijk Besluit nr. 52 van 29 december 1992, maakt deze bewijsregeling het de verkoper uiterst moeilijk, zo niet praktisch onmogelijk, om zijn aanspraak op de vrijstelling met betrekking tot de intracommunautaire levering te doen gelden. De toepassing die geïntimeerde in casu maakt van de vrijstellingsregeling inzake intracommunautaire levering komt er aldus op neer dat appellante op systematische wijze de Belgische BTW zou moeten afdragen en dat haar redelijkerwijze de mogelijkheid wordt ontnomen om de vrijstellingsregeling toe te passen. Om dezelfde reden is er sprake van schending van het proportionaliteitsbeginsel alsook van het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Dit werd ook bevestigd door het Hof van Justitie in zijn arrest van 27 september 2007 in de zaak [C-409/04](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-409-04-arret), **T. plc**. Gelet op de goede trouw van appellante, gelet op alle door haar verzamelde bewijsstukken om zich ervan te vergewissen dat toepassing kon worden gemaakt van de BTW-vrijstelling voor intracommunautaire levering en gelet op het feit dat zij onmogelijk kan instaan voor gebeurlijke onregelmatigheden gepleegd door haar afnemers, vordert appellante dat de ten aanzien van haar geformuleerde navordering wordt vernietigd wegens schending van het Europeesrechtelijk gehonoreerd rechtszekerheid- en proportionaliteitsbeginsel. Appellante voert alsdan aan dat zij voor zowel de Franse als de Spaanse afnemers over de identiteitsgegevens, de bevestiging van de BTW-identificatie, de handelsactiviteit en rechtsgeldige facturen beschikt, dat de meeste facturen werden betaald middels een cheque van een buitenlandse rekening hetzij dat deze betalingen blijken uit de klantenhistoriek van de boekhouding, dat door de afnemers met betrekking tot de meeste facturen *"verklaringen voor intracommunautaire verweving"* werden ondertekend, en dat het bewijs voorligt dat de meeste voertuigen in Frankrijk resp. Spanje werden ingeschreven. Tenslotte, stelt appellante dat de door geïntimeerde weerhouden "overtredingen" met betrekking tot de door haar gevoerde boekhouding loutere administratieve vergissingen betreffen, zodat dient te worden besloten dat zij wel degelijk een betrouwbare en bewijskrachtige boekhouding voerde gedurende de periode van 1 januari 2000 tot 31 december 2001, minstens dat geïntimeerde geen bewijs van het tegendeel heeft geleverd.

Betreffende de rechtsplegingsvergoeding stelt appellante dat de vordering in geld waardeerbaar is en in de schijf van 100.000,01 EUR tot 250.000,00 EUR valt en vordert zij dan ook het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep toe te kennen, d.i. … EUR. De nieuwe wet·van 21 april 2007 kan echter niet worden toegepast om de rechtspleginsgvergoeding in eerste aanleg te begroten, nu deze wet slechts van toepassing is op de zaken die op 1 januari 2008 hangende waren en de debatten in eerste aanleg reeds geruime tijd vóór 1 januari 2008 waren gesloten, de zaak in beraad werd genomen en een definitief vonnis is tussengekomen. De rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg dient dan ook te worden begroot op … EUR. Appellante besluit derhalve tot de vernietiging van het bestreden vonnis en de toewijzing van haar oorspronkelijke vordering.

**1.11.** Geïntimeerde beaamt zijnerzijds in zijn op 24 augustus 2009 neergelegde syntheseconclusies de redengeving van het bestreden vonnis en voegt daaraan toe dat de leverancier het bewijs dient te leveren dat de goederen werden verzonden naar een andere lidstaat dan België (artikel 39bis W.BTW) zo niet geldt de hoofdregel en is de BTW verschuldigd op het tijdstip en in het land waar de goederen ter beschikking van de verkrijger worden gesteld, i.c. België. Belangrijk element van bewijs is het aantonen dat er vervoer of verzending buiten België is geweest. De verkoper moet door een geheel van overeenstemmende, gebruikelijke handelsdocumenten bewijzen dat de voorwaarde van vervoer of verzending buiten België vervuld is en hij dus recht op vrijstelling heeft. Elk bewijsmiddel is toegelaten maar geen enkel document is voldoende noch onmisbaar. Indien de verkoper niet overtuigd wordt door de elementen geboden door de koper en twijfelt aan het vervoer buiten België, kan hij steeds de BTW door zijn medecontractant laten betalen. Het arrest van het Hof van Justitie van 27 september 2007 beoogt het geval waarin de afnemer met frauduleuze intenties bewijsstukken vervalste, mede om de leverancier te misleiden door hem te overtuigen dat voldaan was aan de voorwaarde voor vrijstelling van intracommunautaire levering. In casu ligt er geen bewijs voor dat de afnemer stukken vervalste of de leverancier misleidde. Voor de wagens die gefactureerd werden aan de Spaanse afnemer is niet duidelijk door wie de wagen uiteindelijk werd afgehaald aangezien er geen enkel document ter staving voorhanden is.

Uit inlichtingen op grond van artikel 93terdecies bekomen van de Spaanse administratie blijkt tevens dat de Spaanse afnemer in zijn boekhouding geen intracommunautaire verwerving heeft aangegeven. Voor de wagens die gefactureerd werden aan de Franse afnemer wordt voor geen enkele factuur die opgenomen werd in de correctieopgave een bestelbon of een contract met de afnemer voorgelegd. Het blijkt tevens dat de Franse vennootschap M. **S. R. F.** minder facturen als intracommunautaire verwerving aangeeft dan appellante effectief gefactureerd heeft als intracommunautaire levering aan deze vennootschap. De BTW op de facturen, die niet in de Franse boekhouding van de afnemer werd opgenomen, werd in de correctieopgave(s) opgenomen als zijnde verschuldigd. De reden voor de verwerping van de toepassing van de vrijstelling van artikel 39bis is niet enkel het gebrek aan duidelijkheid omtrent de hoedanigheid van de afnemer maar tevens het algehele gebrek aan bewijs van vervoer naar de andere lidstaat. De inlichtingen uit het buitenland betreffen eigenlijk een mededeling resp. vraag die de Spaanse en Franse administratie tot de Belgische administratieve richtte in het kader van de administratieve samenwerking tussen de Lidstaten van de EU op het gebied van de BTW. Het vervoer werd in beide gevallen door de koper verricht. Voor geen van de afnemers zijn er afdoende bewijsstukken voorhanden die het vervoer naar een plaats buiten België maar binnen de Gemeenschap bewijzen. Er zijn geen bestelbons, geen contracten en geen betalingsdocumenten die de herkomst van de gestorte sommen kunnen aantonen. Het is niet omdat de wagens ooit in de andere lidstaat werden ingeschreven dat er automatisch aangenomen dient te worden dat een vrijgestelde intracommunautaire levering heeft plaatsgevonden. Het inschrijvingsbewijs moet dus als, complementair worden beschouwd voor de toepassing van de vrijstelling voorzien in artikel 39bis, eerste alinea, 1° W.BTW en kan in geen geval als een 'absoluut bewijs' gezien worden. Uit de verklaringen van de Franse en Spaanse administraties blijkt dat de kwestieuze leveringen niet als intracommunautaire verwervingen werden aangegeven door de Spaanse en Franse afnemers, zodat zou kunnen aangenomen worden dat de wagens de facto geleverd werden aan Franse particulieren en niet aan een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor de BTW geïdentificeerd is in een andere lidstaat, in welk .geval de Belgische BTW van toepassing blijft.

Geïntimeerde wijst tenslotte op een aantal anomalieën vastgesteld in de boekhouding van appellante, te weten dubbele nummering van facturen en verschillen met de intracommunautaire opgaven. Met betrekking tot het verzoek tot aanstelling van een deskundige antwoordt geïntimeerde dat de procedure daarvoor reeds al te ver gevorderd is en dat het verzoek inhoudelijk niet zinvol is. Een deskundige zou enkel dezelfde vaststellingen kunnen doen die de administratie eerder al deed in verband met het al dan niet aanwezig zijn van bepaalde documenten die kunnen bijdragen tot het bewijs van de intracommunautaire levering. Betreffende de rechtsplegingsvergoeding neemt geïntimeerde het standpunt in dat de vordering tot vernietiging van het dwangbevel strekt en dan ook een niet in geld waardeerbare vordering betreft. Gezien het qua complexiteit geen uitzonderlijke zaak betreft, vraagt geïntimeerde de toekenning van het basisbedrag van … EUR. Geïntimeerde besluit dan ook tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

## 2. Beoordeling :

**2.1.** Naar luid van [artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-39bis) zijn van belasting vrijgesteld, de leveringen van goederen door de verkoper, andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56, § 2, door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap, die wordt verricht voor een andere belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die als zodanig optreden, in een andere Lid-Staat en die er aldaar toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen, voor zover die leveringen van goederen niet onderworpen zijn aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge, ingesteld bij artikel 58, § 4.

[Artikel 1 van het Koninklijk Besluit nr. 52](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-52-exemptions-operations-intracommunautaires-assimilees-c238#ar52-art1) van 29 december 1992, genomen ter uitvoering van de artikelen 39bis en 40, § 1°, b), van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde bepaalt met betrekking tot de vrijstellingen betreffende intracommunautaire leveringen van goederen en de ermee gelijkgestelde handelingen, alsook betreffende intracommunautaire verwervingen van goederen op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, dat de in artikel 39bis bedoelde vrijstellingen afhankelijk zijn van het bewijs dat de goederen verzonden of vervoerd zijn buiten België maar binnen de Gemeenschap.

[Artikel 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-52-exemptions-operations-intracommunautaires-assimilees-c238#ar52-art3) van dat besluit bepaalt dat de verkoper te allen tijde in het bezit moet zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt, dat hij ze op ieder verzoek van de met de controle van de belasting over de toegevoegde waarde belaste ambtenaren moet overleggen, en dat die stukken onder meer de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken zijn.

Laatstgenoemde bepaling geeft geen limitatieve opsomming van de noodzakelijke bewijsstukken en sluit niet uit dat de verkoper de echtheid van de verzending of het vervoer bewijst aan de hand van andere dan de erin vermelde stukken (Cass. (1e k.) AR [F.08.0088.F](https://juriel.be/fr/jurisprudence/exemptions-exportation-importation-livraison-cassation-bruxelles-2009-06-04-9c22), 4 juni 2009, www.cass.be) .

**2.2.2.** Artikel 39bis onderwerpt aldus het voordeel van de vrijstelling van de belasting aan twee voorwaarden :

\- de goederen moeten verzonden of vervoerd worden buiten de lidstaat van vertrek en bestemd zijn voor een andere lidstaat;

\- de levering moet worden verricht voor een andere belastingplichtige, of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon die als zodanig optreden in een andere lidstaat dan de lidstaat van waaruit de goederen worden verzonden of vervoerd.

Hoewel de uitdrukking "verzonden of vervoerd naar een \[...\] lidstaat" in [artikel 28bis, lid 3, eerste alinea van de Zesde Richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-28bis), volgens een letterlijke uitlegging inderdaad de nadruk lijkt te leggen op het begin van de verzend- of transportprocedure, neemt dat niet weg dat de uitdrukking "buiten het \[...\] grondgebied \[van de lidstaat\] \[...\] verzonden of vervoerd" in [artikel 28quater, A, sub a), eerste alinea](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-28quater) van deze richtlijn, impliceert dat de goederen de lidstaat van levering daadwerkelijk hebben verlaten (H.v.J. (3e k.) nr. [C-409/04](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-409-04-arret), 27 september 2007 (**T.** e.a.), conclusie J. KOKOTT, r.o. 33, *J.T.* *dr. Eur.* 2007 (samenvatting), afl. 143, 285, *Pb* C 8 december 2007 (dispositief), afl. 297, 2, *Rec.CJCE* 2007, afl. 8-9 (B), I, 7797, conclusie J. KOKOTT, *TFR* 2007 (samenvatting W. PANlS), afl. 329, 871, *TFR* 2008, afl. 337, 235, noot T. SCHEPENS, 'Bewijs van intracommunautaire levering : verhelderd en enigszins verlicht', (*TFR* 2008, afl. 337, 254-264)).

De artikelen [28bis, lid 3, eerste alinea](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-28bis) en [28quater, A, sub a, eerste alinea](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-28quater) van de Zesde Richtlijn, moeten, gelet op de term "verzonden" in deze twee bepalingen, aldus worden uitgelegd dat de intracommunautaire verwerving van een goed pas plaatsvindt en de intracommunautaire levering eerst wordt vrijgesteld, wanneer de macht om als eigenaar te beschikken over het goed op de afnemer is overgegaan en de leverancier aantoont dat dit goed naar een andere lidstaat is verzonden of vervoerd en het grondgebied van de lidstaat van levering ingevolge deze verzending of dit vervoer fysiek heeft verlaten (H.v.J. (3e k.) nr. [C-409/04](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-409-04-arret), 27 september 2007 (**T.** e.a.), conclusie J. KOKOTT, r.o. 42, *J.T. dr. eur.* 2007 (samenvatting), afl. 143, 285, *Pb C* 8 december 2007 (dispositief), afl. 297, 2, *Rec.CJCE* 2007, afl. 8-9 (B), I, 7797, conclusie J. KOKOTT, *TFR* 2007 (samenvatting W. PANIS), afl. 329, 871, *TFR* 2008, afl. 337, 235, noot T. SCHEPENS, 'Bewijs van intracommunautaire levering: verhelderd en enigszins verlicht', (*TFR* 2008, afl. 337,254-264)).

Wat betreft de eerste van die twee voorwaarden, namelijk de verzending of het vervoer van de goederen buiten België maar binnen de Gemeenschap, moet het bewijs van de echtheid van de verzending of van het vervoer buiten België bijgevolg door de leverancier van de goederen geleverd worden aan de hand van een geheel van gebruikelijke en met elkaar overeenstemmende handelspapieren, zoals bestelbons, facturen van de vervoerder, vervoerdocumenten, betalingsstukken, contracten, ontvangsten van betaling etc., waaruit blijkt dat die voorwaarde is vervuld.

Geen enkel stuk, apart beschouwd, is onontbeerlijk of voldoende (perscommuniqué van de minister van Financiën, B.S., 20 februari 1993, p. 3952).

De voorwaarde dat er voor het bewijs van het vervoer of de verzending naar een andere lidstaat een geheel van met elkaar overeenstemmende stukken nodig is volgt uit de artikelen [1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-52-exemptions-operations-intracommunautaires-assimilees-c238#ar52-art1) en [3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-52-exemptions-operations-intracommunautaires-assimilees-c238#ar52-art3) van het Koninklijk Besluit nr. 52 van 29 december 1992.

Artikel 3 van dat Koninklijk Besluit bepaalt dat de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen moet blijken uit een geheel van stukken die aan de met de controle belaste ambtenaren worden voorgelegd.

De verkoper moet te allen tijde in het bezit zijn van de nodige bewijsstukken en ze kunnen voorleggen aan de met de controle belaste ambtenaar (Cass. (1e k.) AR [C.04.0367.F](https://juriel.be/fr/jurisprudence/preuve-expedition-transport-documents-probants-cassation-bruxelles-2005-11-04-a5ca), 4 november 2005, *JLMB* 2007, afl. 3, 97, *RW* 2008-09, afl. 35, 1466). Verdere onderzoeksmaatregelen zijn niet geboden noch pertinent, temeer nu de verkoper in het bezit dient te zijn van de bewijsstukken op het ogenblik van de controle.

Die overgangsregeling, die afwijkt van de algemene regeling inzake belastingheffing, houdt reële risico's op fraude in.

De voorwaarden voor de vrijstelling van de belasting, bedoeld in [artikel 39bis](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-39bis) van het Wetboek en in de artikelen [1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-52-exemptions-operations-intracommunautaires-assimilees-c238#ar52-art1) en [3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-52-exemptions-operations-intracommunautaires-assimilees-c238#ar52-art3) van het Koninklijk Besluit nr. 52 van 29 december 1992 moeten dus strikt vervuld zijn, want zij zijn juist bedoeld om fraude te voorkomen (artikel 138, punt I, van Richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006, voordien artikel 28quater, titel A, punt a), van de zesde richtlijn), zodat de belastingambtenaar een zekere gestrengheid aan de dag mag leggen bij de beoordeling van de bijeen te brengen bewijzen.

**2.2.3.** Voor één enkel verkocht voertuig legt appellante het bewijs voor dat het op naam van de koper in een ander EG-lidstaat, te weten Spanje, werd ingeschreven. Enkel voor dit voertuig kan worden aangenomen dat de voorwaarde van het bewijs van het vervoer of de verzending naar een andere lidstaat vervuld is.

Inschrijvingsbewijzen op naam van derden leveren geen bewijs op van de echtheid van de verzending of van het vervoer buiten België door de medecontractant van de Belgische leverancier. Een door deze koper ondertekende verklaring dat het voertuig buiten België zal worden gebracht levert evenmin het bewijs op dat dit ook effectief door deze medecontractant en door geen derde onderkoper is gebeurd.

De factuur bewijst geenszins dat het voertuig buiten België vervoerd is. De factuur is een stuk dat door de verkoper wordt opgemaakt dat is in casu de persoon die het bewijs moet leveren dat het voertuig buiten België, maar binnen de Gemeenschap is verzonden of vervoerd.

Betalingen middels cheques resp. (naamloze) creditering ervan op rekening van de verkoper of contante betalingen laten niet toe te controleren en te bevestigen dat de kwestieuze betalingen effectief door de medecontractant van de verkoper werden verricht en houden in geen geval het bewijs in dat deze medecontractant de wagen buiten België heeft gebracht en in een andere lidstaat voor zijn eigen aan BTW onderworpen handelsactiviteiten heeft ingevoerd.

Opdat een intracommunautaire levering van belasting zou kunnen worden vrijgesteld, vermeldt artikel 39bis van het Wetboek onder meer dat het moet gaan om een verrichting die wel degelijk aan de belasting over de toegevoegde waarde onderworpen is. De levering moet bijgevolg worden verricht voor een belastingplichtige die als zodanig optreedt.

De Belgische verkoper kan van het feit dat de koper "als zodanig optreedt" enkel op de hoogte zijn als die koper hem het BTW-nummer meedeelt waaronder hij bij de belasting over de toegevoegde waarde ingeschreven is in een andere lidstaat dan België.

De overlegging van het bewijs van het BTW-nummer van de Franse resp. Spaanse afnemers heeft aldus betrekking op de voorwaarde betreffende de hoedanigheid van de koper en derhalve niet op de voorwaarde dat het goed buiten België maar binnen de Gemeenschap moet verzonden of vervoerd zijn.

Voor de toepassing van artikel 39bis van het Wetboek is het onontbeerlijk dat de verzending of het vervoer geschiedt naar de koper uit een andere lidstaat.

Hierbij telt de plaats van de uiteindelijke bestemming van het voertuig, namelijk de plaats waarnaar de koper het goed overbrengt met het oog op het gebruik ervan voor zijn economische activiteiten. Die plaats hoeft niet noodzakelijk samen te vallen met de Staat waar hij gevestigd is of als belastingplichtige ingeschreven is.

Wanneer de belastingplichtige zich op de vrijstelling van artikel 39bis van het Wetboek beroept, dient hij bijgevolg te bewijzen dat het goed daadwerkelijk de grens heeft overschreden en zijn bestemming in de andere lidstaat heeft bereikt.

Dat bewijs, waarvan geïntimeerde geenszins aantoont dat het onmogelijk bij te brengen is, blijkt niet uit de stukken die door haar worden overgelegd. In de gegeven omstandigheden kan er evenmin sprake zijn van een schending van het beginsel van de neutraliteit van de BTW.

De vordering van geïntimeerde is ingesteld overeenkomstig de wet. Door appellante wordt geenszins aangetoond dat deze wetconforme vordering een schending van enig beginsel van behoorlijk bestuur zou kunnen inhouden. Voorrang dient in deze omstandigheden alleszins te worden gegeven aan de toepassing van het legaliteitsbeginsel.

Het hoger beroep is derhalve ongegrond.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF,**

Gelet op artike124 van de wet van 15 juni 1935;

Recht doende op tegenspraak, en na herneming van de zaak,

Het tussenarrest van 30 juni 2008 verder uitwerkend;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond;

Wijst appellante ervan af en bevestigt het bestreden vonnis;

Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep, begroot aan de zijde van geïntimeerde op … euro (… EUR) voor rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het **HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN** van **TWAALF JANUARI TWEEDUIZENDENTIEN**,

waar aanwezig waren :

**D. W.**, Raadsheer wd. Voorzitter;

**S. B.**

en **M. G.**, Raadsheren;

**A. V. L.**, Griffier.

**A. V. L.** **M. G.**

**S. B.** **D. W.**

## Textes cités

6

[CTVA art. 39bis](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-39bis) 4 occurrences

[AR no 52 art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-52-exemptions-operations-intracommunautaires-assimilees-c238) 3 occurrences

[AR no 52 art. 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-52-exemptions-operations-intracommunautaires-assimilees-c238) 3 occurrences

[6e directive 77/388 art. 28quater](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-28quater) 3 occurrences

[6e directive 77/388 art. 28bis](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-28bis) 2 occurrences

[C-409/04, arrêt du 27 septembre 2007](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-409-04-arret) 3 occurrences

## Décisions similaires

8

[Instance, droits et privilèges du Trésor, exonération, exportation, importation](https://juriel.be/fr/jurisprudence/instance-droits-privileges-tresor-exoneration-cour-appel-anvers-2010-12-21-0f1d) 3 dispositions communes

[Exonération, Preuve, Amende, Livraison intracommunautaire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-preuve-amende-livraison-intracommunautaire-tribunal-bruges-2002-02-05-1b55) 3 dispositions communes

[Exonération, exportation, importation, opération intracommunautaire, champ d'application](https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-exportation-importation-operation-cour-appel-anvers-2010-09-07-b93a) 3 dispositions communes

[Transferts de biens vers des entrepôts](https://juriel.be/fr/jurisprudence/transferts-biens-vers-entrepots-operations-tribunal-mons-2025-07-10-b701) 2 dispositions communes

[Prestation de services, Notion](https://juriel.be/fr/jurisprudence/prestation-services-notion-service-cassation-bruxelles-2010-12-02-2087) 2 dispositions communes

[Livraisons intracommunautaires de biens, livraison intracommunautaire de biens](https://juriel.be/fr/jurisprudence/livraisons-intracommunautaires-biens-livraison-intracommunautaire-tribunal-mons-2003-10-01-2add) 2 dispositions communes

[Importation, exonération, exportation, opération intracommunautaire, disposition pénale, amende administrative](https://juriel.be/fr/jurisprudence/importation-exoneration-exportation-operation-cour-appel-anvers-2009-12-22-5d04) 2 dispositions communes

[Champ d'application, service, lieu de prestation de service, exonération](https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-service-lieu-prestation-tribunal-bruxelles-2011-05-03-6c25) 2 dispositions communes
