---
title: "Exonération, exportation · Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers, 6 novembre 2000"
description: "Exonération, exportation, importation, opération intracommunautaire, paiement de l'impôt. Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 6 novembre 2000."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-exportation-importation-operation-cour-appel-anvers-2000-11-06-5513"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Exonération, exportation, importation, opération intracommunautaire, paiement de l'impôt · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Date**

6 novembre 2000

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

47 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 06.11.2000

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Het Hof van Beroep zitting houdende te Antwerpen, Vijfde bis Kamer, recht doende in burgerlijke zaken, spreekt het volgende arrest uit :**

**In zake : 1996/AR/2490**

**M. D. W.**, wonende te …, … woonstkeuze doende ter studie van zijn raadsman hierna vermeld;

**appellant** tegen het vonnis uitgesproken op 23 mei 1996 door de 3de kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen;

\- vertegenwoordigd door mr. **E. D. B.** loco mr. **V. D.**, advocaat te …, …;

**tegen :**

**BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, Administratie B.T.W. Mechelen, in de persoon van de rekenplichtige van het Btw­ontvangkantoor, met burelen te 2800 Mechelen, Lange Heergracht 2;

**geïntimeerde,**

\- vertegenwoordigd door mr. **J. P.** loco mr. M..**V. H.**, advocaat te …, …;

---

Het bestreden vonnis heeft het door appellant ingesteld verzet tegen het door de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor Mechelen op 17.6.1991 uitgevaardigd dwangbevel ongegrond verklaard.

Dit dwangbevel was gebaseerd op een door de heer **D. W.**, hoofdcontroleur verbonden aan het controlekantoor Heist-op-den­Berg, op 7.2.1991 opgesteld proces-verbaal, en dit proces-verbaal was dan zelf weer gebaseerd op door ambtenaren van de administratie der douane en accijnzen, opsporingsinspectie, opgestelde processen-verbaal d.d. 19.9.1988, 26.6.1989 en 8.8.1989.

De aan de betwisting ten grondslag liggende feiten werden in deze processen-verbaal en in het bestreden dwangbevel uiteengezet en het hof verwijst daarnaar.

---

Appellant beweert dat de processen-verbaal nietig zijn omdat "... de strafvordering en rechtspleging inzake douane en accijnzen geen onafhankelijkheid waarborgen aan de verdachte geadministreerde, gezien de ambtenaren van de administratie der douane en accijnzen tegelijk fungeren als onderzoeker, vervolgende partij en belanghebbende begunstigde van rechten die bij veroordeling moeten gekweten worden en gezien de opsporingsambtenaren overeenkomstig het besluit van de Regent van 17.8.1948 voor het detecteren van de fraude geldelijke beloningen ontvangen.".

Appellant gaat er daarbij echter aan voorbij dat het voorwerp van onderhavig geschil niet de uitoefening van de strafvordering betreft maar wel de inning van fiscale rechten (BTW) en bovendien heeft het arbitragehof op 6.4.2000 geoordeeld dat *“artikelen 267 en 285 van het KB van 18.7.1977 tot coördinatie van de algemene bepalingen inzake douane en accijnzen de artikelen 1O en 11 van de Grondwet niet schenden in zoverre zij, inzake douane en accijnzen, in een regeling van de strafvordering en van de strafrechtspleging voorzien die verschilt van die van de strafvordering en de strafrechtspleging in het algemeen, doordat de administratie der administratie van douane en accijnzen tegelijkertijd optreedt in de hoedanigheid van overheid belast met het onderzoek en in de hoedanigheid van vervolgende overheid.”*, redengeving die het hof bijtreedt en herneemt.

Het enkele feit dat deze ambtenaren voor het detecteren van fraude geldelijke beloningen ontvangen, tast de rechtsgeldigheid van hun onderzoeksverrichtingen niet aan.

Het door appellant ingeroepen middel van nietigheid van voormelde processen-verbaal faalt dan ook.

Uit het proces-verbaal van 19.9.1988 blijkt dat appellant, toen hij op 28.3.1987 met het vliegtuig uit Lomé (Togo) in Zaventem landde, een groot deel geslepen diamant had aangegeven doch de litigieuze diamanten (443,47 karaat geslepen diamant met een waarde van … fr. en 3,14 karaat industriediamant met een waarde van … fr.) niet had aangegeven en verklaarde : *“Heden hebt u mij uw dienstkaart getoond, juist op het ogenblik dat ik het luchthavengebouw te Zaventem wou verlaten. Op uw vraag of ik bepaalde goederen op zak had welke niet bij de douane werden aangegeven heb ik u ontkennend geantwoord. Ik heb u dan ook spontaan gevolgd naar het bureel van de douane om aan een grondig onderzoek te worden onderworpen. Ik ben vandaag te Zaventem aangekomen vanuit Lomé. ... Bij mijn aankomst op de luchthaven heb ik 716,83 crt aan geslepen diamant aangegeven, zie attest nr. 832 van 28.3.1987. Ik heb evenwel maar een gedeelte van de werkelijke hoeveelheid diamanten aangegeven bij de Belgische douane. Ik had nog 27 lotjes geslepen en ruw diamant op zak waarmee ik zonder aangifte de douane ben voorbijgegaan. U hebt deze goederen in mijn bezit gevonden naar aanleiding van uw controle. De bij de douane aangegeven alsook de niet aangegeven diamant heb ik half januari 1987 uitgevoerd uit België ter bestemming Lomé, in ruwe toestand. Bij de uitvoer heb ik enige problemen gehad met het Diamond Office van Antwerpen, gezien op die periode juist de nieuwe burelen van het office werden ingehuldigd. Door samenloop van allerlei omstandigheden had ik niet meer de tijd om bij mijn vertrek de ruwe diamant aan te geven ter uitvoer bij de Belgische douane. Bij mijn terugkomst heb ik dus een gedeelte aangegeven van de diamanten welke ik in Lomé heb laten slijpen. Het is de eerste maal dat ik overtreding wordt gesteld voor niet aangifte bij de douane.*

*Ik neem er nota van dat u de niet aangegeven hoeveelheid diamant in beslag neemt ... Ik verzoek uw directie om een minnelijke schikking en ben bereid de hieruit voortvloeiende verschuldigdheden te voldoen.”*

Na onderhandeling met de douane-administratie betaalde appellant uit hoofde van deze niet aangifte een douaneboete van … fr.

Appellant betwist niet dat hij verplicht was de litigieuze diamanten bij invoer aan te geven, doch naliet zulks te doen.

Op grond van de in het proces-verbaal d.d. 7.2.1991 weergegeven tekst van artikel 51 §1 en§ 2 W.BTW en artikel 1, tweede lid van het KB nr. 7 van 27.12.1977 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de BTW was er in hoofde van appellant dan ook een overtreding van de verplichting om de verschuldigde BTW te voldoen en dit ongeacht aan wie deze diamanten toebehoorden.

Overigens blijkt uit de door appellant neergelegde stukken niet naar genoegen van recht dat de litigieuze niet aangegeven diamanten oorspronkelijk tot de voorraad ruw van **PVBA J. D. W. en Zoon** (waarvan appellant de zaakvoerder was) zouden behoord hebben (de door appellant ingeroepen identificatie via inventarisboek en facturen blijkt na verificatie van de neergelegde stukken niet mogelijk), zeker niet dat appellant bij de niet aangifte en dus sluikinvoer van deze diamanten als zaakvoerder van voormelde vennootschap zou opgetreden zijn (zulks werd door hem ook nooit t.o.v. de bevoegde ambtenaren verklaard).

De niet aangifte vloeit niet voort uit de door appellant in huidige procedure ingeroepen onmogelijkheid om de voorafgaande uitvoer bij de douane te laten registreren. Dit blijkt reeds uit de vaststelling dat appellant volgens eigen verklaring een deel van deze niet voor uitvoer geregistreerde goederen wel spontaan aangegeven heeft en bovendien kan één dag sluiting van een kantoor bij accurate planning, die in hoofde van appellant blijkbaar ontbrak, geen aanleiding moeten geven tot "niet geregistreerde uitvoer”.

Voor de toepassing van de door appellant ingeroepen vrijstelling van belasting bij toepassing van art. 42 § 4 W.BTW is volgens de tekst van dit artikel vereist dat door een handelaar in natuurlijke edelstenen zulke goederen ingevoerd worden.

Sluikinvoer kan niet met de door artikel 42, § 4 W.BTW bedoelde rechtsgeldige invoer gelijkgesteld worden.

Bovendien bewijst appellant, die ter zake van de ingeroepen vrijstelling de bewijslast draagt, op geen enkele manier (ter zake worden zelfs geen feiten gesteld, laat staan bewezen) dat hijzelf handelaar in natuurlijke edelstenen was.

Op grond van deze overwegingen heeft geïntimeerde uit hoofde van deze sluikinvoer terecht de verschuldigde BTW en intrest daarop op naam van appellant ingevorderd.

De procespartijen zijn het ter zitting d.d. 9.10.2000 (en ook blijkens hun besluiten) eens dat dit hof de mogelijkheid heeft om na te gaan of de gevorderde administratieve geldboete van 200 % in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt.

Ten onrechte stelt appellant dat de beslissing van geïntimeerde ter zake niet gemotiveerd zou zijn, nu deze duidelijk gesteld heeft dat omwille van de fiscale fraude geen vermindering van de wettelijk bepaalde boete ad 200 % kon overwogen worden.

Rekening houdend met de vastgestelde fraude enerzijds, de door appellant reeds betaalde douaneboete en het feit dat het blijkbaar een alleenstaand feit betrof anderzijds, oordeelt dit hof dat in casu een geldboete van 100 % of … fr. gepast is.

Omwille van het frauduleus handelen van appellant blijven de gerechtskosten in beide aanleggen ten laste van de partij die ze gemaakt en/of begroot heeft.

### Dispositif

## OM DIE REDENEN

**HET HOF,**

Recht doende op tegenspraak;

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep ten dele gegrond en wijzigt het bestreden vonnis;

Verklaart het door appellant ingesteld verzet enkel gegrond m.b.t. de door geïntimeerde gevorderde geldboete en herleidt deze tot 100 % van de verschuldigde BTW of **EEN MILJOEN DERTIGDUIZEND HONDERD ACHTENZESTIG frank** (… fr.);

Laat de gerechtskosten in beide aanleggen ten laste van de partij die ze gemaakt en of begroot heeft.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vijfde bis kamer van het Hof van beroep te Antwerpen op **ZES NOVEMBER TWEEDUIZEND**.

## Aanwezig :

**E. L.** Raadsheer;

**L. P.** Griffier

**L. P.** **E. L.**
