---
title: "13 février 2004 · Exonération, autre exemption · Tribunal de première instance de Louvain"
description: "Exonération, autre exemption, droit à déduction de l’impôt, champ d'application. Tribunal de première instance de Louvain (Belgique), 13 février 2004."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-autre-exemption-droit-deduction-tribunal-louvain-2004-02-13-10ca"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Exonération, autre exemption, droit à déduction de l’impôt · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Louvain

**Date**

13 février 2004

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

124 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Louvain du 13.02.2004

Résume non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**De Rechtbank van Eerste aanleg te Leuven heeft het hierna volgend vonnis verleend :**

**Rol nr. : 01/1877/A**

**Het W. b.v.b.a.**, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te … onder het nummer … (BTW BE …)

\- eiseres, ter zitting vertegenwoordigd door meester **M.** en meester **V. K.**, advocaten te …, …

tegen·:

**DE BELGISCHE STAAT**, in de persoon van de heer Minister van Financiën met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Rekenplichtige van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit met kantoor te 3001 Heverlee, Philipssite 3A bus 1

\- verweerder, ter zitting vertegenwoordigd door meester **B. D.**, advocaat te …, ….

---

In deze zaak, in beraad genomen ter zitting van 16 januari 2004, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit.

Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :

\- de gedinginleidende dagvaarding op 19 juli 2001 op verzoek van de B.V.B.A. **H. W.** betekend aan de BELGISCHE STAAT, administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen,

\- de conclusie en de aanvullende conclusie op respectievelijk 22 april 2002 en 20 mei 2003 ter griffie neergelegd door de BELGISCHE STAAT,

\- de conclusie en de gecoördineerde conclusie op respectievelijk 7 april 2003 en 12 september 2003 ter griffie neergelegd door de B.V.B.A. **H. W.**.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 16 januari 2004, waarna de bundels met stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.

## 1. Feiten en procesverloop

**1.1.** De B.V.B.A. **H. W.**, hierna genoemd "eiseres", werd opgericht met als doel : alle activiteiten van schouwspel en alles wat daarmee verband houdt.

In haar aangifte van de aanvang van een werkzaamheid van 29 februari 1992 omschreef eiseres haar werkzaamheid als enige werkzaamheid of voornaamste werkzaamheid aan­ en verhuur van klank- en lichtinstallaties, productie van concerten en TV-shows, sponsoring, merchandising (verkoop van gadgets), commissies; andere werkzaamheden : muziekvoorstellingen.

Bij schrijven van 27 april 1992 aan de hoofdcontroleur van de BTW meldde eiseres :

> *"Onze vennootschap B.V.B.A.* ***T. R.****, heeft als doel het produceren en verspreiden van muziek. Hieruit volgt dat zij gemengd BTW-plichtige is, aangezien een gedeelte van de activiteit, met name de gages zelf, onder toepassing van art. 44 § 8 valt en een ander gedeelte, namelijk het factureren van de productiekosten, onderworpen is aan BTW. Door middel van deze brief vraag ik uw toestemming om bij de splitsing van de BTW tussen aftrekbare en niet aftrekbare, de regel van het werkelijk gebruik te mogen toepassen."*

De hoofdcontroleur van de BTW antwoordde bij schrijven van 6 mei 1992 :

> *"In gevolge uw vraag van 27 april jl., op heden ontvangen, heb ik de eer U te laten weten dat de BVBA* ***T. R.*** *in haar hoedanigheid van gemengde BTW-plichtige, de regel van het werkelijk gebruik kan toepassen evenwel met volgende beperkingen :*
>
> *-* *het verhoudingsgetal dient in alle geval te worden toegepast voor de BTW drukkend op kosten van beide sectoren, zoals daar zijn telefoon, electriciteit, verwarming, publiciteit en soortgelijke niet per sector te identificeren,*
>
> *-* *de BTW i.v.m. kosten, specifiek van de niet belastbare sector zijn in geen geval aftrekbaar,*
>
> *-* *de BTW i.v.m. idem van de belastbare sector evenwel voor de geheelheid mits voorlegging van bewijskrachtige bescheiden en/of feiten,*
>
> *-* *de BTW op kosten die het BTW-Wetboek uitsluit van het recht op aftrek (*[*art. 45, § 3*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) *van het Wetboek),*
>
> *Ik vestig uw aandacht inzonderheid op § 89 van de aanschrijving nr. 103/31/70"*

Eiseres paste sedertdien de regel van aftrek volgens het werkelijk gebruik toe. Voor de activiteiten van verhuur van geluids- en lichtinstallatie, voor de royalty’s uit verkoop en merchandising bracht eiseres de BTW. in rekening. Voor haar gages voor optredens rekende zij geen BTW aan, omdat deze gages onder de vrijstelling van artikel 44, tweede paragraaf, 8 van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde betreffende de uitvoerende kunstenaars vallen.

Eiseres sloot met de Vlaamse Regering in het kader van het project Vlaanderen-Europa 2002 in 1993 en op 28 november 1994 een overeenkomst, waarbij zij wordt benoemd tot "cultureel ambassadeur van Vlaanderen", en hoor een subsidie van … EUR wordt toegekend.

Na een controle in 1995 met betrekking tot de periode van 1 juli 1991 tot 30 juni 1995 verzond verweerder naar eiseres op 25 april 1996 een correctie-opgave, waarbij wordt gevorderd :

\- BTW wegens niet-aangegeven omzet in de jaren 1991, 1992 en 1993 … EUR

\- proportionele wettelijke boete … EUR

\- interesten,

op grond :

*"De optredens verzorgd door de BVBA* ***T. R.*** *zijn onderworpen aan de BTW. Immers de regeling die van toepassing is op de diensten verstrekt door de BVBA* ***T. R.****, is mutatis mutandis, dezelfde als de regeling die geldt voor een theaterbureau en die werd toegelicht in de BTW-Revue nr. 83, item 844, beslissing nr. ET … dd. 25.08.1988.*

*Dat houdt in dat de BVBA* ***T. R.*** *dient te worden beschouwd als een 'theaterbureau dat ten opzichte van de organisator van schouwspelen optreedt als een ondernemer van schouwspelen of geacht wordt in die hoedanigheid te handelen op grond van de artikelen 13, par. 2, en 20 van het BTW-Wetboek'.*

*Met andere woorden : de bedragen die de BVBA* ***T. R.*** *in eigen naam aanrekent aan de organisator voor het opvoeren ven een concert of voor de prestatie van de artiesten die eraan deelnemen, zijn de prijs (of worden geacht de prijs te zijn) van het schouwspel dat het bureau opvoert. De BTW is dan verschuldigd over de totale prijs die het bureau aan de organisator aanrekent, wanneer het schouwspel in België plaatsvindt (zie BTW-Revue nr. 83, punt 884, tweede geval) Ook het Cultureel ambassadeurschap is een dienst bedoeld in het BTW-wetboek en dient te worden belast met BTW. Immers, artikel 18, par. 1, van het BTW-wetboek stelt dat als een dienst wordt beschouwd elke handeling die geen levering is in de zin van het BTW-wetboek. Als een dienst wordt onder meer beschouwd de uitvoering van een contract dat tot voorwerp heeft een materieel of een intellectueel werk. Uit de overeenkomsten die de BVBA* ***T. R.*** *afsloot met de Vlaamse Regering en die kaderen in het project Vlaanderen-Europa 2002 en waarin* ***T. R.*** *benoemd werden tot 'cultureel ambassadeur van Vlaanderen' blijkt dat de BVBA* ***T. R.*** *publiciteit zal voeren voor Vlaanderen op de wijze gespecifieerd in artikel 4 van die overeenkomsten. Die dienst is bedoeld in artikel 18, par. 1 van het BTW-Wetboek en derhalve belastbaar met BTW tegen het normale tarief'*.

Na bezwaar van eiseres verzond verweerder haar op 7 oktober 1999 een aangepaste correctie-opgave met dezelfde gevorderde bedragen, op volgende gewijzigde gronden waarbij hij het standpunt dat eiseres dient te worden beschouwd als een theaterbureau verliet :

*''De optredens verzorgd door de BVBA* ***T. R.*** *zijn onderworpen aan de BTW. Immers de BVBA* ***T. R.*** *wordt beschouwd als een vennootschap die prestaties van uitvoerend artiest verstrekt door middel van eigen artiesten. Nochtans kan de BVBA* ***T. R.*** *de administratieve toegeving op grond waarvan vennootschappen of verenigingen eveneens als uitvoerend artiest in de zin van artikel 44, par. 2, 8 van het BTW-wetboek konden worden aangemerkt niet in rechte afdwingen. Immers, door een belangrijk deel van de handelingen als bedoeld in artikel 44, par. 2, 8 van het wetboek (inning van royalty’s uit de verkoop van CD’s en de zogenaamde 'productiekosten ', die onlosmakelijk verbonden zijn met de optredens) te belasten, heeft de BVBA* ***T. R.*** *duidelijk gekozen voor de belastingplicht”*.

Een proces-verbaal werd opgesteld op 12 april 2000.

Op 6 februari 2001 vaardigde verweerder een dwangbevel uit.

**1.2.** Eiseres dagvaardde verweerder op 19 juli 2001 in verzet. Zij vordert :

\- het dwangbevel nietig te verklaren,

\- te zeggen vuur recht dat de bij het dwangbevel gevorderde BTW, kosten, nalatigheids- en moratoire interesten niet verschuldigd zijn,

\- verweerder in de kosten te veroordelen,

\- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren,

Verweerder vraagt het verzet ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en eiseres in de kosten te veroordelen.

## 2. Gemengde belastingplichtige

**2.1.** Eiseres bepleit haar hoedanigheid van gemengde belastingplichtige met toepassing van de regels van aftrek volgens het werkelijk gebruik op volgende gronden :

\- verweerder kende haar het statuut van gemengde belastingplichtige toe in zijn schrijven van 6 mei 1992,

\- de belastingplichtige mag van een voorzichtig handelende overheid verwachten dat indien verweerder nog niet zeker was of eiseres wel voldoet aan het statuut van gemengde belastingplichtige, hij dit dan ook in zijn toelatingsbrief van 6 mei 1992 moest opnemen,

\- pas na een lange periode van bijna drie jaar onderwierp verweerder eiseres aan het statuut van volledige belastingplichtige, en wijzigde hij zijn motivering hiervoor zonder aanwijsbare reden.

**2.2.** Het standpunt van verweerder

Verweerder is van oordeel dat een voorzichtig handelende belastingplichtige had kunnen vaststellen dat de hoofdcontroleur van de BTW zich in zijn antwoord niet uitsprak over het al of niet voldoen aan de criteria van gemengde belastingplichtige, en dat uitsluitsel omtrent het al dan niet voldoen aan de voorwaarden voor de hoedanigheid van gemengde belastingplichtige pas *post factum*, afhankelijk van de precieze omstandigheden waarin de activiteit werd bedreven, kan worden gegeven.

**2.3.** Beoordeling

Uit de samenlezing van het schrijven van 27 april 1992 van eiseres en van het antwoordschrijven van 6 mei 1992 van verweerder blijkt dat niet verweerder, maar eiseres zelf stelde dat zij een gemengde belastingplichtige is. In zijn antwoordschrijven stelde verweerder geenszins, expliciet noch impliciet, dat eiseres een gemengde belastingplichtige is. Verweerder stelde daarin enkel dat eiseres in haar hoedanigheid van gemengde belastingplichtige de regels van het werkelijk gebruik kan toepassen. Het kenmerk van dat antwoordschrijven : *"toepassing van* [*art. 46, § 2 van het BTW-Wetboek*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-46) *recht op aftrek van BTW met inachtneming van het werkelijk gebruik”*, bevestigt dergelijke lezing van de gevoerde briefwisseling van partijen.

Toen verweerder in zijn schrijven van 6 mei 1992 antwoordde dat eiseres in haar hoedanigheid van gemengde belastingplichtige de regels van het werkelijk gebruik kan toepassen, had hij geen kennis van de beoordelingselementen om te beslissen dat eiseres een gemengde belastingplichtige is. Verweerder merkt terecht op dat hij pas na een eerste BTW-controle inzicht verwierf in de werkelijke aard van de handelingen van eiseres. Eiseres kan zich niet beroepen op een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur. Zij mocht er redelijkerwijze niet op vertrouwen dat verweerder haar het statuut van gemengde belastingplichtige toekent, aangezien zij er moest rekening mee houden dat een BTW-controle tot een ander besluit kon leiden.

## 3. De gemengde belastingplichtige. Vervolg

**3.1.** Het standpunt van verweerder.

Verweerder vat zijn standpunt als volgt samen :

\- eiseres wordt beschouwd als een vennootschap die prestaties van uitvoerend artiest verstrekt door middel van eigen artiesten,

\- er bestaat een administratieve toegeving op grond waarvan vennootschappen of verenigingen eveneens als uitvoerend artiest in de zin van artikel 44, tweede paragraaf, 3 van het wetboek konden worden aangemerkt,

\- eiseres kan die administratieve toegeving niet in rechte afdwingen,

\- eiseres belastte een belangrijk deel van haar handelingen als bedoeld in artikel 44, tweede paragraaf, 8 van het wetboek (inning van royalty’s uit de verkoop van CD's en de productiekosten die onlosmakelijk zijn verbonden met de optredens) met BTW, daardoor koos eiseres duidelijk voor de belastingplicht, daardoor zijn de optredens verzorgd door eiseres onderworpen aan de BTW.

Verweerder wijst erop dat het verzorgen van een zangoptreden door de muzikanten zelf aan organisatoren van concerten was vrijgesteld door artikel 44, tweede paragraaf, 8 van het wetboek en dat bij toepassing van de destijds geldende administratieve toegeving vennootschappen of verenigingen konden opteren om als uitvoerend artiest te worden aangemerkt.

Slechts door een administratieve toegeving kon, aldus verweerder, eiseres bijgevolg haar prestaties voor organisatoren van concerten toch aan de BTW onderworpen. Eiseres diende dan ook consequent te zijn in de uitvoering van deze administratieve tolerantie : ofwel dienden de ontvangsten volledig aan de BTW te worden onderworpen, ofwel dienden zij volledig te worden vrijgesteld. Door kunstmatig haar enige prestatie aan de organisatoren van concerten uit te splitsen en een belangrijk deel met BTW te belasten, koos eiseres duidelijk voor de belastingplicht.

Verweerder formuleert de kernvraag van het geschil als volgt : werd een enige prestatie geleverd aan de organisatoren van concerten of kon de prijs worden opgesplitst in twee afzonderlijke prestaties ?

Volgens verweerder werd een enige prestatie geleverd. Alleen indien de organisatoren van een concert een contract afsluiten met eiseres voor een optreden van de muziekgroep **T. R.** en daarnaast zelf meteen derde contracteren voor de plaatsing en bediening van een geluids- en lichtinstallatie, vinden twee onderscheidene prestaties plaats.

De keuze van eiseres voor de totale belastingplicht ziet verweerder in de manier waarop eiseres haar concerten verzorgde : eiseres leverde slechts één globale prestatie, met name de organisatie van een optreden van de muziekgroep **T. R.**; eiseres sloot een contract met organisatoren voor de realisatie van een optreden van **T. R.**; dit optreden begrijpt inherent de terbeschikkingstelling van een geluid- en lichtinstallatie zonder dewelke **T. R.** niet kunnen optreden; het feit dat de. installaties worden bediend door een persoon die al dan niet deel uitmaakt van de muziekgroep **T. R.** is niet dienend; doet evenmin terzake het feit dat eigen personeel of onderaannemers worden gebruikt of het feit dat bijkomend de geluids- en lichtinstallatie door de organisator en andere optredende muziekgroepen wordt gebruikt.

Verweerder maakt de vergelijking met een bakker. Wanneer de bakker brood aan huis bestelt en daarvoor beroep doet op een derde voor het vervoer, betaalt de klant voor de levering van een brood en moet geen kunstmatige uitsplitsing van de prijs worden gemaakt in een vervoerprestatie (21 % BTW-tarief) enerzijds, en de levering van een brood (6 % BTW-tarief) anderzijds. Gans anders is de situatie wanneer de klant een brood bestelt bij de bakker en aan een derde opdracht geeft dit brood bij hen thuis te bezorgen, in welk geval de klant aan de bakker betaalt voor de levering van een brood en aan de derde voor een vervoerprestatie.

Volgens verweerder splitst eiseres de prijs (door vermelding van afzonderlijke bedragen), de prestatie en het contract kunstmatig uit in twee handelingen : de verhuur van geluids­ en lichtinstallaties, het verzorgen van zangoptredens van de muziekgroep.

Aangezien eiseres een belangrijk deel van haar ontvangsten, onder meer de productiekosten die onlosmakelijk zijn verbonden met de optredens, belastte met BTW, koos zij duidelijk voor de belastingplicht.

Eiseres onderwierp verder ook de royalty’s uit de verkoop van CD's, een handeling die is bedoeld in artikel 44, tweede paragraaf, 8 van het wetboek, aan de BTW, zodat zij koos voor de belastingplicht.

**3.2.** Het standpunt van eiseres

Eiseres ziet haar activiteiten van muziekproductie en het organiseren van een optreden als nauw verwant maar toch onderscheidene en los van elkaar uitgeoefende activiteiten. Dit blijkt volgens haar uit de volgende feitelijke gegevens : de inkomsten uit de verhuur van geluids- en lichtinstallatie zijn dermate hoog dat ze niet als een bijkomstige activiteit kunnen worden beschouwd; de geluids- en lichtinstallatie werd bediend door een persoon die geen deel uitmaakt van de muziekgroep **T. R.**; de geluids- en lichtinstallatie werd veelvuldig gehuurd door de organisator voor de duur van een volledige concertdag, en werd dan niet alleen door de muziekgroep **T. R.** gebruikt maar ook door andere optredende muziekgroepen en door de organisator; ook kon men bij haar een beroep doen op de afzonderlijke activiteit van muziekproductie, zonder een zangoptreden te laten plaatsvinden.

Eiseres verwijst voorts naar haar aangifte van de aanvang van een werkzaamheid van 29 februari 1992 waar zij als voornaamste werkzaamheid de muziekproductie vermeldde.

Haar hoedanigheid van gemengde belastingplichtige leidt eiseres *a contrario* af uit artikel 44, tweede paragraaf, 4 van het wetboek betreffende met onderwijs samenhangende diensten verstrekt door onderwijsinstellingen, kostscholen en internaten, artikel 44, tweede paragraaf, 7 van het wetboek betreffende de exploitatie van culturele instellingen, en artikel 44, tweede paragraaf, 11 van het wetboek betreffende diensten verricht voor hun leden door sommige instellingen zonder winstoogmerk, die immers een vrijstelling van nauw samenhangende activiteiten voorzien, welke dergelijke vrijstelling artikel 44, tweede paragraaf, 8 van het wetboek betreffende de uitvoerende artiesten niet voorziet. Zelfs indien, aldus eiseres, de productieactiviteiten uitsluitend verbonden zijn aan de zangactiviteiten *quod non*, zouden deze niet meer vrijgesteld kunnen worden met de gages voor optredens en zouden ze onderworpen blijven aan BTW, waardoor eiseres niet anders dan een gemengde belastingplichtige kan zijn en dit op grond van een wettelijke bepaling.

Verweerder voegt, volgens eiseres, een voorwaarde aan de wet toe, wanneer hij als voorwaarde stelt dat de twee afzonderlijke prestaties door twee afzonderlijke entiteiten worden geleverd.

Verweerder geeft, volgens eiseres, geen wettelijke basis aan zijn stelling dat het regime van gemengde belastingplichtige uitgesloten is voor iemand die voor een belangrijk deel van zijn handelingen onderworpen wordt aan de BTW.

Eiseres ontkent de twee activiteiten van muziekproductie en organisatie van optredens kunstmatig uit elkaar te halen, en verwijt verweerder precies de twee activiteiten kunstmatig samen te voegen tot één globale prestatie, en merkt op dat· niet alle muziekproducenten zangoptredens verzorgen.

Eiseres vraagt zich af hoe men nog gemengde belastingplichtige kan zijn, en aan welke voorwaarden moet voldaan zijn om als belastingplichtige twee onderscheidene activiteiten uit te oefenen, indien men de administratieve willekeur van verweerder aan de dag legt.

**3.3.** Beoordeling

De aandacht die verweerder vraagt voor de manier waarop eiseres haar concerten verzorgde is verantwoord. Niet de frequentie van het aantal handelingen, doch de uitbouw en organisatie ervan is het criterium om uit te maken of men gemengde belastingplichtige is. Is er een activiteit die op zichzelf een onderneming vormt, dan zal men gemengde belastingplichtige worden, indien deze activiteit niet onder BTW ressorteert of er wel onder ressorteert maar van BTW is vrijgesteld, en er daarnaast nog een BTW-activiteit bestaat (H. VANDEBERGH, Het BTW-Handboek, Gent, Mys & Breesch, 1999, nr. 462).

Uit het overzicht van haar werking en boekhoudkundige verwerking, die eiseres geeft in haar schrijven van 16 november 1995 aan de BTW-controle en de in bijlage gevoegde overeenkomst met een organisator (bijlage 1) en factuur uitgereikt aan een organisator (bijlage 5), blijkt dat de in het geding zijnde verhuur van licht- en geluidsinstallatie uitsluitend verbonden was aan het optreden van de muziekgroep **T. R.**.

Op grond van deze vaststelling treedt de rechtbank verweerder bij waar deze betoogt dat eiseres slechts één globale prestatie leverde, met name de organisatie van een optreden van de muziekgroep **T. R.** : eiseres sloot een overeenkomst met een organisator voor de realisatie van een optreden; dit optreden begrijpt inherent de terbeschikkingstelling van een geluids- en lichtinstallatie zonder dewelke **T. R.** niet kunnen optreden.

Uit de bijlagen 2, 3 en 4 van het hoger aangehaald schrijven van 16 november 1995 blijkt ook wel dat de installaties werden bediend door personen die geen deel uitmaakten van de muziekgroep en dat op onderaannemers beroep werd gedaan. Dit gegeven laat evenwel het besluit dat eiseres slechts één globale prestatie leverde onverkort voortbestaan, aangezien de productiekosten, dit is de verhuur van geluids- en lichtinstallaties, onlosmakelijk zijn verbonden met de optredens.

Is om dezelfde reden niet dienend het door verweerder niet betwiste feit dat soms bijkomend de geluids- en lichtinstallatie door de organisator en andere optredende muziekgroepen werd gebruikt.

De argumentering van verweerder dat alleen indien de organisatoren van een concert een contract met eiseres sluiten voor een optreden van de muziekgroep **T. R.** en daarnaast zelf met een derde contracteren voor de plaatsing en bediening van een geluids­ en lichtinstallatie, twee onderscheidene prestaties plaats vinden, is correct maar doet niet terzake. Ter beoordeling staat immers de aanspraak van eiseres op de hoedanigheid van gemengde belastingplichtige en dus de vraag of één belastingplichtige twee soorten activiteiten verricht, één waarvoor er recht op aftrek ontstaat en één waarvoor er geen recht op aftrek ontstaat. Eiseres bewijst overigens haar bewering niet dat zij haar geluids­ en lichtinstallatie ook verhuurde zonder tevens een optreden van **T. R.** te laten plaatsvinden.

Besluit. Eiseres is geen gemengde belastingplichtige, en kon dan ook geen aftrek toepassen volgens de regel van het werkelijk gebruik.

## 4. De subsidie

**4.1.** Het standpunt van verweerder

Verweerder onderstreept dat krachtens de overeenkomsten die eiseres met de Vlaamse Regering sloot in het kader van het project Vlaanderen Europa 2002, eiseres publiciteit voerde voor Vlaanderen, dat krachtens artikel 18, eerste paragraaf van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde als dienst wordt beschouwd elke handeling die geen levering is in de zin van het wetboek en als dienst onder meer wordt beschouwd de uitvoering van een contract dat tot voorwerp heeft een materieel of intellectueel werk, en dat krachtens [artikel 26, eerste lid, in fine](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-26) van het wetboek ook de subsidies die rechtstreeks met de prijs van de handeling verband houden tot de maatstaf van heffing behoren.

Verweerder meent verder dat het woord "subsidie" in de overeenkomst van 1994 ("bijzondere toelage" in de overeenkomst van 1993) oneigenlijk wordt gebruikt. Volgens verweerder is het bedrag van … EUR dat de Vlaamse Regering aan eiseres betaalde de tegenprestatie van met BTW belaste handelingen en bijgevolg geen subsidie, maar de prijs zelf van de handelingen.

**4.2.** Het standpunt van eiseres

Eiseres onderstreept dat van een subsidie sprake is indien het gaat a) om de overdracht van een hoeveelheid koopkracht, b) door de overheid, c) zonder gelijkwaardige tegenprestatie van de ontvanger, d) om bepaalde activiteiten van hem in een bepaalde richting te beïnvloeden, dat het ontbreken van een gelijkwaardige tegenprestatie de subsidie onderscheidt van de vergoeding voor de aankoop van goederen en diensten, en dat het algemeen belang bij het verstrekken van subsidies vooropstaat, in veel gevallen van de begunstigde wordt gevraagd een bepaalde gedragslijn te volgen en marktconforme transacties dan weer van het subsidiebegrip zijn uitgesloten zoals de aankoop van wagens tegen de marktprijs.

Volgens eiseres is haar tegenprestatie allesbehalve gelijkwaardig te noemen en vormt met name het bedrag van … EUR niet de prijs die wordt betaald voor het uitgevoerde materieel en intellectueel werk.

Eiseres betoogt dat de overheid met de subsidie de culturele activiteit van eiseres in een bepaalde richting wil beïnvloeden, wat ook blijkt uit de specificaties van artikel 4 van de overeenkomst.

Het achterwege blijven van een gunningsprocedure en een kostenraming of bestek door de dienstverrichter wijst er volgens eiseres op dat het om een subsidie gaat. Indien het om een overeenkomst van dienstverlening zou gaan dan kon men onmogelijk de waarde van de tegenprestatie bepalen omdat bepaalde handelingen moeilijk in geld zijn uit te drukken.

### 4.3. Beoordeling

**4.3.1.** [Artikel 26 van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-26) moet zo worden gelezen dat subsidies als een door derden betaald element van de prijs van een levering of dienstverrichting kan worden beschouwd. Dit impliceert dat voor de belastbaarheid van subsidies, de relatie tussen de economische actoren (verkoper/koper - dienstverrichter/dienstontvanger) moet worden bekeken en niet deze tussen de subsidiënt en de gesubsidieerde. De relevante relatie is niet de subsidierelatie, dan wel de prestatierelatie (B. NOTREDAME, BTW en overheidssubsidies, A.F.T., 1995, 9).

Als de overheid optreedt als koper/dienstontvanger, dan is de relatie met de verkoper/dienstverrichter er een die als een normale (handels)verrichting onder de toepassing van de BTW valt. In dit geval spreekt men niet van een subsidie, maar van een geldelijke tegenprestatie voor geleverde goederen/diensten (ibid., 10).

Treedt de overheid op als subsidient, dan is in deze eerste relatie subsidiënt/gesubsidieerde het bedrag aan subsidie nooit aan BTW onderworpen. Dat de gesubsidieerde aldus een dienst aan de overheid zou bewijzen, eventueel door het algemeen belang als dusdanig te dienen, doet niet terzake (ibid., 10).

Bij het onderzoek naar de aard van de relatie tussen subsidiënt en gesubsidieerde wordt gesteund op de eventuele aanwezigheid van een bestande, openbare, algemene maatregel, waarvan de onderzochte relatie een concrete uitwerking is. Is deze algemene maatregel aanwezig, dan is de relatie een subsidierelatie, zelfs als deze concreet is uitgewerkt in een afzonderlijke overeenkomst, en is deze verrichting geen belastbare handeling (ibid., 10).

**4.3.2.** Luidens artikel 1 van de overeenkomst kadert deze in het project Vlaanderen-Europa 2002, een initiatief van de Vlaamse regering, en wordt in dit verband onder meer eiseres benoemd tot "cultureel ambassadeur van Vlaanderen".

Artikel 3 van de overeenkomst van 28 november 1994 bepaalt dat de Vlaamse minister van Cultuur en Brusselse aangelegenheden aan eiseres een bijzondere subsidie van … EUR (basisallocatie 01.03 van programma 44.4 van de, uitgavenbegroting 1994) aan eiseres toekent. De overeenkomst. spreekt van een bijzondere toelage van hetzelfde bedrag.

Krachtens artikel 4 van de overeenkomst vervult eiseres als tegenprestatie voor de subsidie haar opdracht als cultureel ambassadeur als volgt : 1) eiseres stelt zich steeds, onder meer op briefwisseling, drukwerken, advertenties, representatiemateriaal enzovoort voor als **T. R.**, Cultureel. Ambassadeur van Vlaanderen, 2) eiseres vermeldt in al haar representatiemateriaal (voorstellingsmateriaal van welke aard ook, programmabrochures, affiches, enzovoort) uitdrukkelijk en op een belangrijke plaats : "Met steun van de Vlaamse Gemeenschap"; indien enig ander logo wordt gebruikt, dient ook het logo van de Vlaamse Gemeenschap te worden aangebracht, eiseres maakt zich sterk deze verplichting door haar opdrachtgever te doen naleven; eiseres profileert zich als vertegenwoordiger van het cultuurgebied Vlaanderen, 3) ter concrete invulling van haar cultureel ambassadeurschap zal eiseres een tournee maken door Nederland; verder verzorgt zij de promotionele ondersteuning van de CD-release, 4) eiseres neemt desgevraagd voor al de publieke optredens van **T. R.** tien plaatsen ten laste ten gunste van de leden van de Vlaamse Regering of hun genodigden, 5) eiseres voert haar bijzondere opdracht kwaliteitsvol uit.

De overeenkomst die eiseres met de Vlaamse regering sloot is de concrete uitwerking van het bestaande project Vlaanderen-Europa 2002.

Door aldus als cultureel ambassadeur van Vlaanderen op te treden, bewijst eiseres aan de Vlaamse regering wel een dienst, zulks maakt van de verhouding tussen deze partijen nog geen verhouding tussen een dienstverrichter en een opdrachtgever waarin een normale dienstverrichting plaatsvindt, die onder de toepassing van de BTW valt.

Verweerder ziet bijgevolg de subsidies van … EUR verkeerdelijk als de geldelijke tegenprestatie van de door eiseres gevoerde publiciteit.

Besluit. De vordering is gegrond met betrekking tot de subsidies. Deze zijn niet aan de BTW onderworpen.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken,

rechtsprekend op tegenspraak,

alle andersluidende en meer omvattende conclusies van de hand wijzende als niet terzake en/of overbodig,

verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond in de hierna bepaalde mate,

zegt dat de subsidies die eiseres van de Vlaamse regering ontving niet aan de BTW zijn onderworpen, en vernietigt het dwangbevel uitgevaardigd op 6 februari 2001 lastens eiseres alleen in die mate,

veroordeelt eiseres en verweerder ieder in de helft van de kosten, aan de zijde van eiseres begroot op het bedrag van … EUR (dagvaarding : … EUR; rechtsplegingsvergoeding : … EUR) en aan de zijde van verweerder op de rechtsplegingsvergoeding van … EUR.

Aldus gedaan en uitgesproken in de openbare terechtzitting van **de twaalfde kamer** der rechtbank van eerste aanleg, zitting houdende te Leuven op **vrijdag 13 februari 2004**, waar zetelden :

\- de heer **P. V.**, alleenzetelend rechter;

\- mevrouw **J. C.**, griffier.

**J. C.** **P. V.**

## Textes cités

3

[CTVA art. 26](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-26) 2 occurrences

[CTVA art. 45](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) 1 occurrence

[CTVA art. 46](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-46) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Immobilier, Syndicat, Taux de TVA, Transfert de charge](https://juriel.be/fr/jurisprudence/immobilier-syndicat-taux-tva-transfert-tribunal-bruges-2025-06-16-0226) 2 dispositions communes

[Registre de perception et recouvrement, Titre exécutoire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/registre-perception-recouvrement-titre-executoire-cour-appel-gand-2024-03-12-1183) 2 dispositions communes

[Validité de la contrainte, Motivation adéquate](https://juriel.be/fr/jurisprudence/validite-contrainte-motivation-adequate-reference-cour-appel-liege-2022-09-14-234b) 2 dispositions communes

[Assujetti ¬- Qualification de holding passif ou actif](https://juriel.be/fr/jurisprudence/assujetti-qualification-holding-passif-actif-tribunal-2024-02-05-26ef) 2 dispositions communes

[Droit à déduction, Pourcentage d’affectation professionnelle](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-pourcentage-affectation-professionnelle-cour-appel-mons-2023-05-31-31b4) 2 dispositions communes

[Droit à déduction, Assujetti mixte, Organisation de spectacles](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-assujetti-mixte-organisation-tribunal-bruxelles-2021-10-07-3645) 2 dispositions communes

[Droit à déduction, Affectation professionnelle du bâtiment](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-affectation-professionnelle-batiment-tribunal-mons-2020-10-15-4451) 2 dispositions communes

[Amende proportionnelle, Remise, amende fiscale proportionnelle, effacement](https://juriel.be/fr/jurisprudence/amende-proportionnelle-remise-fiscale-effacement-cour-appel-bruxelles-2025-10-09-4ff6) 2 dispositions communes
