---
title: "Exonération, autre exemption · Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers, 20 décembre 2011"
description: "Exonération, autre exemption, droit à déduction de l’impôt, poursuite. Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 20 décembre 2011."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-autre-exemption-droit-deduction-cour-appel-anvers-2011-12-20-b0f9"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Exonération, autre exemption, droit à déduction de l’impôt, poursuite · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Date**

20 décembre 2011

## Parcours procédural

2 étapes · 1 an 7 mois

1. [Décision attaquée Tribunal de première instance d'Anvers 17.05.2010](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-impot-poursuite-tribunal-anvers-2010-05-17-c5a7)
2. Décision affichée Cour d'appel d'Anvers 20.12.2011

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

97 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 20.12.2011

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER**

Recht doende in burgerlijke zaken,

heeft het volgende arrest uitgesproken:

**In zake: 2010/AR/2923**

**M. NV**, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven met KBO-nummer …,

appellante,

tegen het vonnis gewezen op 17 mei 2010 door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, vertegenwoordigd door Mr **S. G.** loco Mr. **V. F.**, advocaat te …, …,

tegen:

1.**DE BELGISCHE STAAT, MINISTER VAN FINANCIËN**, met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12,

2.**DE BELGISCHE STAAT, Admin. vd BTW, Registratie en Domeinen**, Rekenplichtige van het Btw-Ontvangstkantoor, 2000 ANTWERPEN, Italiëlei 4 bus 4,

geïntimeerden,

vertegenwoordigd door Mr. **V. L. D. J. A.**, advocaat te …, …;

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 17 mei 2010, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 22 september 2010, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

## 1. Voorafgaande feiten en procedure

*1.1. Voorwerp van de betwisting.*

De betwisting betreft de aftrekbaarheid van de BTW die werd betaald naar aanleiding van de oprichting van een onroerend goed, gelegen te …, … en die voor 50% in aftrek werd gebracht.

De **N.V. M.** werd op 1 maart 2002 opgericht door de vennoten **M. O.**, **L. V. E.**, **L. C.** en **H. V. E.**.

De vennootschap had volgens haar oprichtingsakte (stuk 4 appellante) als doel, alle vervoer, zo in rechtstreekse aanneming, met eigen middelen, of door tussenkomst van derden, en dit in binnen, en buitenland; het bewaren in depot van goederen; het oprichten van bijhuizen en agentschappen in binnen- en buitenland. Daarnaast ook nog projectontwikkeling en handel in onroerende goederen voor eigen rekening; het aankopen, verkopen, het bouwen, doen bouwen, verbouwen, het huren, verhuren, promoten, leasing, het beheren, inrichten en uitbaten van onroerende goederen en het aankopen, verkopen en verkavelen van gronden( ... ).

De vennootschap werd geregistreerd als belastingplichtige voor de activiteit van handel in eigen onroerend goed.

*1.2. Proces verbaal.*

Op 12 augustus 2008 werd een proces verbaal opgesteld door de Btw­administratie, waarin verklaard werd dat een controle werd uitgevoerd voor wat betreft de periode van 1 januari 2005 tot 30 september 2007.

Er gebeurde een onderzoek ter plaatse en de ambtenaar verklaarde inbreuken te hebben vastgesteld op de bepalingen van artikel 45, § 1 W.BTW. Gezien de **N.V. M.** sinds haar oprichting bij akte van 1 maart 2002 tot 30 september 2007 geen handelingen had verricht bedoeld in artikel 45, §1, 1° tot en met 5° W.BTW diende volgens de administratie de BTW te worden teruggestort die in aftrek werd gebracht naar aanleiding van de oprichting van een woonhuis en een achterbouw, … te …. Deze gebouwen werden volgens de administratie ter beschikking gesteld aan de gedelegeerd bestuurder, **M. O.** en zijn gezin en aan een andere vennootschap, waarvan de heer **O.** gedelegeerd bestuurder was, met name **N.V. T. O. M.** die er sedert 30 juni 2004 haar maatschappelijke zetel had gevestigd. Dit diende volgens de administratie te worden beschouwd als een onroerende verhuur die was vrijgesteld van BTW volgens artikel 44, §3, 2° W.BTW.

Aldus diende volgens de administratie te worden betaald :

\- als BTW : … EUR

\- als boete : … EUR

\- de interesten : pro memorie.

Op deze vordering werd in de loop van 2009 in totaal een bedrag toegerekend van … EUR, zodat nog een totaal bedrag (BTW en interesten) verschuldigd bleef van … EUR.

De belastingplichtige liet bij brief van 15 september 2008 weten niet akkoord te gaan met de stelling van de administratie, verwoord in het bij aangetekende brief overgemaakte proces verbaal.

De belastingplichtige maakte per brief van 19 maart 2009 stukken over in verband met 2008 (Btw-aangiftes en facturen van het laatste kwartaal).

*1.3. Procedure voor de eerste rechter.*

**N.V. M.**, thans appellante legde een verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 9 juli 2009.

De eerste rechter stelde in zijn vonnis van 17 mei 2010 vooreerst vast dat de belastingplichtige niet aantoonde in de betrokken periode nog geregistreerd geweest te zijn voor een andere activiteit dan de handel in eigen onroerend goed.

Voor wat het jaar 2005 betreft, oordeelde de eerste rechter dat terecht de verjaring werd ingeroepen overeenkomstig artikel 81bis W.BTW, vermits er geen dwangbevel was uitgevaardigd.

Voor wat de verdere periode betreft oordeelde de eerste rechter dat er geen begeleidende objectiveerbare gegevens werden voorgelegd, waaruit moest blijken dat de belastingplichtige de intentie had om belastbare handelingen te stellen. De voorgelegde plannen en foto's wezen daar niet op en de eerste rechter stelde vast dat de verwerping van de aftrek gebeurde wegens de vrijstelling wegens onroerende verhuur. Dat er facturen werden opgesteld voor wat betreft de periode na de gecontroleerde periode was volgens de eerste rechter evenmin relevant.

De vordering werd afgewezen als toelaatbaar doch ongegrond, en **N.V. M.** werd veroordeeld tot een rechtsplegingsvergoeding van … EUR.

*1.4. Procedure voor het hof van beroep.*

*Voor het hof van beroep vordert* ***N.V. M.****, thans appellante om haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, om het bestreden vonnis teniet te doen en om haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren:*

> *“Opnieuw recht doende, het proces-verbaal van E.a. Inspecteur* ***M. V. S.****, Eerstaanwezend Inspecteur a.i. bij de FOD Financiën, Sector BTW, verbonden aan het. controlekantoor BTW te Malle d.d. 12 augustus 2008, van nul en generlei waarde te verklaren.*
>
> *Ondergeschikt, minstens te oordelen dat de Btw-navordering verjaard is met betrekking tot het jaar 2005.*
>
> *Teruggave te horen bevelen van de bedragen die door concluant ten onrechte zouden zijn betaald en/of ingehouden, bedragen die moeten worden vermeerderd met de wettelijke en de gerechtelijke interesten vanaf de datum van betaling of inhouding.*
>
> *Geïntimeerden te veroordelen tot de kosten van het geding, hieronder begrepen de rechtsplegingsvergoeding, in eerste aanleg en in hoger beroep bepaald op het basisbedrag, heden begroot op … EUR.”*

De Belgische Staat vordert om het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, appellante ervan af te wijzen en haar te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, begroot op … EUR.

## 2. Bespreking

*2.1. Verjaring.*

Volgens appellante is de vordering voor wat betreft 2005 verjaard. Dit werd ook door de eerste rechter aangenomen, maar niet in het beschikkend gedeelte.

De administratie houdt voor dat de vordering niet is verjaard :

\- de oorzaak van opeisbaarheid zou zich volgens de administratie voor wat het jaar 2005 betreft, slechts hebben voorgedaan op 20 april 2006, hetzij de wettelijke indieningsdatum van de Btw­aangifte voor het eerste kwartaal van 2006; pas op dat moment diende immers het definitief algemeen verhoudingsgetal te worden vastgesteld;

\- minstens dient volgens de administratie het stuk waarvoor de verjaring is ingetreden te worden beperkt tot 1/15 de van de afgetrokken BTW; er geldt volgens de administratie immers een herzieningstermijn van 15 jaar.

Overeenkomstig artikel 81 bis W.BTW is er verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboete, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.

Het hof oordeelt dat de discussie hier geen betrekking had op de vaststelling van het correcte en definitieve algemeen verhoudingsgetal. Volgens de administratie was er gewoon geen aftrek van de voorbelasting mogelijk, vermits er geen handelingen werden gesteld, bedoeld in artikel 45, §1 W.BTW. De verjaringstermijn voor de invordering van de BTW begint derhalve te lopen vanaf het ontstaan van de vordering, om te eindigen bij het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op het jaar waarin de oorzaak van de opeisbaarheid zich heeft voorgedaan. Dit jaar betreft hier het jaar 2005 als het jaar waarin men ten onrechte de BTW in aftrek heeft willen brengen.

Het hof oordeelt verder dat de discussie in onderhavig geval niet de herziening betreft van eerder afgetrokken BTW. Het gaat daarentegen om de vraag of er initieel aftrek had mogen toegepast worden. De administratie houdt voor dat er voor wat betreft de betrokken voorbelasting nooit een recht op aftrek is geweest, vermits geen handelingen, bedoeld in artikel 45, § 1 W.BTW werden gesteld, noch daartoe het voornemen was geuit. Gelet op het gebrek aan stuiting van de verjaring van de navordering, verschuldigd voor 2005 was deze verjaring overeenkomstig artikel 81 en 81 bis W.BTW niet ingetreden op het moment dat de vordering voor de rechtbank van eerste aanleg aanhangig werd gemaakt.

## *2. 2.* *Ten gronde : aftrek van BTW*

Het recht op aftrek van de BTW vat in principe aan vanaf het ogenblik waarop men de hoedanigheid van belastingplichtige verwerft, dit wil zeggen van zodra men een economische activiteit verricht die valt binnen het toepassingsgebied van de BTW. Deze activiteit wordt geacht een aanvang te nemen op het ogenblik dat men op ondubbelzinnige wijze het voornemen daartoe tot uitdrukking brengt (zie hierover **L. V.**, *Aftrek en teruggaaf van BTW, Antwerpen, Intersentia, 1998, p.92, nr.96*).

In principe moeten ook de voorbereidende handelingen, zoals het verkrijgen van bedrijfsmiddelen, beschouwd worden als werkzaamheden van de belastingplichtige. Het Europees Hof van Justitie heeft dit als volgt verwoord in het arrest Rompelman van 14 februari 1985 (268/83, *Jurispr., 1985, 622): “Het beginsel van neutraliteit van de BTW ten aanzien van de fiscale belasting van de ondernemer vereist bovendien, dat de eerste investeringsuitgaven die worden gedaan ten behoeve en ter verwezenlijking van een onderneming, als economische activiteiten worden aangemerkt. Het zou in strijd zijn met dat beginsel, indien die activiteiten werden geacht eerst een aanvang te nemen op het tijdstip waarop een onroerend goed daadwerkelijk wordt geëxploiteerd, dat wil zeggen wanneer de belastbare inkomsten ontstaan”*. Het Europees Hof van Justitie heeft deze zienswijze bevestigd in het arrest Lennartz (H.v.Just., 11 juli 1991, [C-97/90](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-97-90-arret), *Jurispr.*, 1991, I-3795) en in het arrest INZO (H.v .Just., 29 februari 1996, [C-110/94](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-110-94-arret), *Jurispr.*, 1996, 1-857) en deze rechtspraak werd intussen gevolgd door het Hof van Cassatie (zie onder meer Cass., 28 mei 1993, A.F. T., 1993, p.310).

Het Hof van Justitie was zich wel bewust van het gevaar van eventueel misbruik of bedrog, met als gevolg dat het Hof aannam dat de belastingadministratie mag verlangen dat de belastingplichtige zijn intentie om belastbare handelingen te stellen ondersteunt door objectieve gegevens (zie H.v.Just., 14 februari 1985, Rompelman, voormeld, nummer 24 en H.v.Just, 29 februari 1996, INZO, voormeld, nummer 23). De bewijslast dat er werkelijk een voornemen aanwezig was om belastbare handelingen te stellen ligt bij de belastingplichtige.

In onderhavig geval dienen de volgende vaststellingen te worden gedaan :

\- de **N.V. M.** werd op 1 maart 2002 opgericht;

\- de BTW die in aftrek werd gebracht, betreft de helft van de BTW die betaald werd bij de oprichting van woonhuis met achterbouw aan de … te …;

\- dit gebouw werd deels bewoond door **M. O.** en zijn gezin;

\- dit gebouw werd verder deels ter beschikking gesteld aan **N.V. T. O. M.**, een vennootschap waarvan **M. O.** gedelegeerd bestuurder was en die haar maatschappelijke zetel op dit adres vestigde met ingang van 30 juni 2004.;

\- op het formulier 604A betreffende de aanvang van werkzaamheid, op 8 mei 2002 ingediend, werd de activiteit van de **N.V. M.** aangeduid als handel in eigen onroerend goed;

\- blijkens haar oprichtingsakte van 1 maart 2002 (stuk 4 appellante) had **N.V. M.** haar zetel te …, …;

\- voor wat de periode betreft vanaf de oprichting van **N.V. M.** in maart 2002 tot in december 2007 werd door **N.V. M.** geen enkele factuur uitgeschreven; er is geen enkel gegeven voorhanden waaruit enige activiteit van deze vennootschap of een voornemen daartoe blijkt;

\- voor wat 2007 betreft werden slechts twee facturen opgemaakt, met name op 14 december en op 28 december (stuk 10 appellante); één ervan betreft een tussenkomst voor bevrachting die de **N.V. M.** in december 2007 zou verricht hebben voor **N.V. T. O. M.**;

\- voor wat 2008 betreft werden in totaal tien facturen uitgeschreven, waarvan acht aan **N.V. T. O. M.**; het betreft allemaal facturen die verband houden met transport;

Het hof oordeelt dat uit geen enkel gegeven blijkt dat de **N.V. M.** voornemens was om in het onroerend goed, … te … een belastingplichtige activiteit uit te oefenen :

\- De vennootschap had haar maatschappelijke zetel bij haar oprichting in 2002 te …, … en het is niet geweten wanneer ze haar maatschappelijke zetel heeft overgeplaatst naar het onroerend goed in …;

\- De vennootschap heeft bij de aanvang van haar werkzaamheid op 8 mei 2002 enkel melding gemaakt van handel in eigen onroerend goed, doch uit geen enkel stuk blijkt dat ze ooit dergelijke handelsdaden zou hebben verricht of voornemens zou geweest zijn die te verrichten;

\- Uit geen enkel stuk blijkt ook dat het onroerend goed in … eigendom was van de vennootschap, of dat ze dit goed huurde of daar een ander zakelijk recht op bezat. Er blijkt bijgevolg geen enkel verband te bestaan tussen dit onroerend goed en de vennootschap tot in december 2007, toen dit adres plots werd vermeld als adres van de vennootschap; dit onroerend goed kan derhalve op het moment van de oprichting ervan nog niet de bestemming gekregen hebben van bedrijfsmiddel voor de activiteiten van **N.V. M.**;

\- Uit geen enkel stuk blijkt dat de **N.V. M.** vóór december 2007 enige belastbare verrichting heeft gesteld in de transportsector of van plan zou geweest zijn dergelijke handelingen te stellen; het enkele feit dat dergelijke verrichtingen in het maatschappelijk doel van de vennootschap werden vermeld volstaat in deze niet, nu zelfs in het formulier betreffende de aanvang van de werkzaamheid ten aanzien van de BTW van deze activiteit nooit melding werd gemaakt;

\- De foto's en de plannen die door **N.V. M.** worden voorgelegd wijzen niet op het gebruik van het onroerend goed voor de bedrijfsactiviteit van de vennootschap. Ten eerste is niet geweten wanneer deze foto's genomen zijn. Ten tweede blijkt nergens uit dat deze “bureau's” gebruikt werden door **N.V. M.**, nu de vaststelling in het proces verbaal dat het onroerend goed door **N.V. T. O. M.** sinds 30 juni 2004 werd gebruikt door de belastingplichtige niet wordt betwist;

Het hof oordeelt, op basis van het geheel van deze gegevens dat niet aangetoond werd dat het onroerend goed, waarvoor de BTW voor de helft in aftrek werd gebracht, in de gecontroleerde periode gebruikt werd voor een belastingplichtige activiteit van de **N.V. M.**. Het werd grotendeels gebruikt als woonhuis voor **M. O.** en zijn gezin en voor een deel verhuurd aan **N.V. T. O. M.**, waarbij onroerende verhuur een van BTW vrijgestelde verrichting is in de zin van artikel 44, §3, 2° W.BTW. Er werd evenmin op ondubbelzinnige wijze aangetoond dat **N.V. M.** in de gecontroleerde periode het voornemen had om in de betrokken periode een economische activiteit te ontplooien in de zin van het W.BTW.

De BTW werd dan ook ten onrechte in aftrek gebracht en het bestreden vonnis dient op dit punt te worden bevestigd.

2.3. *Rechtsplegingsvergoeding.*

Er bestaat betwisting tussen partijen over de vraag of de betrokken vordering al dan niet in geld waardeerbaar is.

Het hof oordeelt, samen met de belastingplichtige, dat betwistingen inzake belastingen geen onbepaalde waarde hebben, doch dat ze kunnen gewaardeerd worden naar het bedrag van de betwiste aanslag. De rechtsplegingsvergoeding dient dan ook bepaald te worden volgens het pecuniair bedrag van de vordering (Cfr. [Cass., 12 maart 2010](https://juriel.be/fr/jurisprudence/taux-reduit-immeubles-neufs-travaux-cassation-bruxelles-2010-03-12-601b), *FJF.*, nr. 2010/183, p. 720).

Gelet op het bedrag van de betwiste aanslagen, bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding … EUR, na indexatie … EUR.

In onderhavig geval dient evenwel vastgesteld te worden dat elk van de partijen omtrent een onderscheidenlijk geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld, zodat de rechtsplegingsvergoeding dient te worden omgeslagen.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF**, rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond.

Hervormt het dictum van het bestreden vonnis in die zin dat voor recht wordt gezegd dat de navordering van de Belgische Staat voor wat de BTW betreft, verschuldigd voor 2005, verjaard is,

Beveelt de teruggave van de bedragen die door **N.V. M.** voor 2005 ten onrechte werden betaald of ingehouden, vermeerderd met de wettelijke en de gerechtelijke interesten,

Bevestigt het bestreden vonnis voor wat de jaren 2006 en 2007 betreft,

Slaat de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en in hoger beroep om.

Op het ogenblik van de uitspraak van huidig arrest, waarover Raadsheer **S. B.** mede beraadslaagd heeft, en thans wettelijk verhinderd zijnde, in de onmogelijkheid verkeert om dit arrest mede te ondertekenen, handelend volgens art. 785 van het Ger. W., tekenen de overige Raadsheren, die mede hebben beraadslaagd, en de griffier, en aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het **HOF VAN BEROEP** te **ANTWERPEN** van **TWINTIG DECEMBER** **TWEEDUIZENDENELF**,

waar aanwezig waren:

**D. W.**, Raadsheer wd. Voorzitter;

**M. G.**, Raadsheer;

**A. V. L.**, Griffier.

**V. L.**

**M. G.** **D. W.**

## Textes cités

2

[C-110/94, arrêt du 29 février 1996](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-110-94-arret) 1 occurrence

[C-97/90, arrêt du 11 juillet 1991](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-97-90-arret) 1 occurrence
