---
title: "Exigibilité de la taxe, champ d&#x27;application · Tribunal de première instance de Hasselt, 28 mars 2013"
description: "Exigibilité de la taxe, champ d'application, livraison de biens, opération imposable. Tribunal de première instance de Hasselt (Belgique), 28 mars 2013."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/exigibilite-taxe-champ-application-livraison-tribunal-hasselt-2013-03-28-666e"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Exigibilité de la taxe, champ d'application, livraison de biens · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Hasselt

**Date**

28 mars 2013

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

100 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Hasselt du 28.03.2013

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER A, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :**

**IN ZAKE AR nr. 12/11/A**

**S. G. NV**, met maatschappelijke zetel te …, …, met ondernemingsnummer …

**Eiseres**, vertegenwoordigd door Mr. **J. B.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN**, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12 op vervolging en benaarstiging van de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen in de persoon van de Ontvanger van het eerste BTW-ontvangkantoor te Hasselt, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 46.

**Verweerder**, vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigde, mevr. **E. P.**

**VOLGT HET VONNIS**

Gelet op :

\- het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 26.12.2011;

\- de conclusie, aanvullende conclusie, syntheseconclusie en stukken van verweerder;

\- de conclusies, syntheseconclusies en stukken van eiseres.

## I FEITEN EN VOORGAANDEN

Eiseres, de NV **S. G.**, is ingevolge haar economische activiteit, nl. groothandel in auto's en lichte bestelwagens (3,5 ton), algemeen onderhoud en reparatie van auto's en lichte bestelwagens (3,5 ton), geregistreerd als BTW­belastingplichtige met BTW-nummer … en zodoende onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan getroffen besluiten.

Op 16.12.2011 heeft **G. D.** fiscaal deskundige bij de FOD Financiën, ter beschikking gesteld van de administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, verbonden aan de Inspectie Hasselt 3 na inzage en afschrift genomen te hebben van de strafdossiers met notitienummer … en … een proces­ verbaal opgesteld.

Uit inzage van de strafdossiers zou volgens verweerder blijken dat eiseres inbreuken heeft begaan op de BTW-wetgeving.

Uit het strafdossier zou blijken dat de genaamde **C. G.**, wonende te …, … in de periode tussen 2002 en 2005 betrokken was bij verschillende illegale activiteiten. Zo zou blijken dat hij op grote schaal voertuigen en onderdelen van voertuigen aankocht bij verschillende Belgische firma's op naam van een zekere **F. A.** uit Italië.

Eén van deze firma's was de NV **S. G.**.

Op basis van de vaststellingen in het strafdossier was de administratie van oordeel dat :

\- dat de auto's door de NV **S. G.** gefactureerd aan de **F. A.**, niet voor **F. A.** waren bestemd maar voor de firma **E.** SRL;

\- de NV **S. G.** geen intracommunautaire leveringen heeft verricht aan de heer **F. A.**;

\- dat dit krachtens de artikelen 15 en 16 W.BTW tot gevolg heeft dat de bedoelde leveringen hier te lande hebben plaatsgevonden;

\- dat dit krachtens art. 17 W.BTW tot gevolg heeft dat Belgische BTW verschuldigd is;

\- dat krachtens art. 39bis W.BTW de vrijstelling van de BTW voor de leveringen aan **F. A.** onrechtmatig werd toegepast.

In het proces-verbaal van 16.12.2011 werd gesteld dat eiseres de hierna volgende bedragen verschuldigd is :

\- … euro aan BTW;

\- … euro aan geldboete in toepassing van art. 70, § 1 W.BTW wegens niet betaling van de belasting, tweemaal het bedrag van de verschuldigde BTW en overeenkomstig [art. 4, § 1 van het KB nr. 41](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958#ar41-art4) afgerond op het lagere tiental euro;

\- wettelijke intresten aan 0,8 % per maand vanaf 21.01.2006 in toepassing van art. 91, § 1 W.BTW.

(zie stuk 1, bundel verweerder).

Op 19.12.2011 werd lastens eiseres een dwangbevel uitgevaardigd, gesteund op het proces-verbaal van 16.12.2011. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 19.12.2011 (zie stuk 2, bundel verweerder).

In dit dwangbevel werden de hoger vermelde bedragen gevorderd alsook nalatigheidsintresten te berekenen op de verschuldigde BTW vanaf 21.12.2011 overeenkomstig art.91, § 1 W.BTW, desgevallend de moratoire intresten te berekenen op alle nog verschuldigde sommen in toepassing van artikel 91, § 4 W.BTW alsmede de vervolgingskosten.

Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 26.12.2011, stelde eiseres een vordering in rechte in.

## II. BEOORDELING

**-** **Ontvankelijkheid**

Verweerder werpt geen middelen van niet-ontvankelijkheid op en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

**-** **Ten gronde**

2.1. Wat betreft de inzage van het strafdossier :

Overeenkomstig de wettelijke bepalingen heeft de Procureur-generaal bij het Hof van beroep te Antwerpen bij brief van 10.10.2011 gericht aan de FOD Financiën, Belastingen en invorderingen, BBI - gewestelijke Directie Antwerpen, de toelating verleend tot het nemen van inzage en afschrift van het strafdossier (inclusief verbonden vonnissen/arresten) met notitienummer TG27.98.420/04 + TG27.Fl.104371/06 van het parket van de procureur des Konings te Tongeren aan *"de ambtenaren van de bevoegde diensten van de FOD Financiën die hiertoe worden aangeduid"* (zie stuk 7, bundel verweerder).

Bij brief van 13.10.2011 gericht aan het inspecteur-diensthoofd van de 3e BBI­inspectie te Hasselt stelt de gewestelijke directeur dat de ambtenaren van deze dienst gemachtigd worden van deze toelating gebruik te maken (zie stuk 8, bundel verweerder).

Deze toelatingen zijn algemeen geformuleerd en laten. toe dat alle ambtenaren van de 3e BBI-inspectie inzage en afschrift nemen van het dossier.

De heer **G. D.**, fiscale deskundige bij de 3e BBI-inspectie te Hasselt was derhalve gemachtigd om inzage en afschrift te nemen van het dossier.

Dat relevant voor de oplossing van het geschil is dat de administratie de gegevens op basis waarvan zij haar vordering stelt op legitieme wijze heeft bekomen. Dat op basis van overlegde stukken duidelijk is dat de 3e BBI-inspectie bevoegd was om inzage en afschrift te nemen.

De grief van eiseres is derhalve ongegrond.

2.2. Betreffende het bewijs van de intracommunautaire leveringen : art. 39bis W.BTW en KB nr. 52 van 29.12.1992

In toepassing van artikel 39bis, eerste lid, 1° W.BTW draagt eiseres de bewijslast dat zij de voorwaarden vervulde om de geleverde goederen aan **F. A.** gevestigd in Italië, te factureren met vrijstelling van Belgische BTW in het kader van intracommunautaire leveringen.

Artikel 39bis, eerste lid 1° W.BTW stelt immers dat van de belasting zijn vrijgesteld :

> *"de leveringen van goederen door de verkoper andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56, § 2, door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige, (…)"*

Artikel 39bis, tweede lid W.BTW heeft aan de Koning opgelegd de beperkingen en voorwaarden te bepalen die voor de toepassing van deze vrijstelling moeten worden nageleefd, hetgeen hij deed bij KB nr. 52 van 29.12.1992.

Overeenkomstig voornoemd KB nr. 52 is de vrijstelling van artikel 39bis, eerste lid, 1° W.BTW afhankelijk van de volgende voorwaarden :

\- de goederen moeten geleverd worden door de verkoper;

\- het bewijs dient geleverd te worden dat de goederen verzonden of vervoerd zijn, buiten België maar binnen de Gemeenschap (artikel 1), en de verkoper, in casu eiseres, moet te allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt; die stukken zijn ondermeer de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten. en de betalingsstukken (artikel·3);

\- het bewijs dient geleverd te worden dat de levering is geschied voor een belastingplichtige of voor een niet belastingplichtige rechtspersoon, die voor de BTW geïdentificeerd is in een andere lidstaat (artikel 2)

Eiseres, die zich beroept op de vrijstelling, dient derhalve een dubbel bewijs te leveren, enerzijds dat de goederen die het voorwerp vormen van de beweerde intracommunautaire levering (ingevolge verkoop), het Belgische grondgebied hebben verlaten en aangekomen zijn op het grondgebied van een andere lidstaat, en anderzijds dat de levering is geschied voor een belastingplichtige die voor de BTW geïdentificeerd is in een andere lidstaat.

\- *Verzending of vervoer van de goederen buiten België maar binnen de Gemeenschap*

Eiseres levert het bewijs van het bestaan van de echtheid van het vervoer van de goederen naar Italië via een geheel van gebruikelijke en overeenstemmende handelsstukken o.a. facturen, CMR vrachtbrieven en bijlagen, geldigheid BTW­nummer koper (zie o.a. stukken 3 t.e.m. 6, bundel eiseres).

*-* *Levering voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon die voor de BTW is geïdentificeerd in een andere Lidstaat*

Overeenkomstig art. 10, § 1, eerste lid W.BTW wordt als een levering van een goed beschouwd, de overdracht of de overgang van de macht om als eigenaar over een goed te beschikken.

Uit de in art. 10, § 1, eerste lid W.BTW gebruikte bewoordingen blijkt dat het begrip "levering van een goed" niet verwijst naar de eigendomsoverdracht in de vormen voorzien door het nationale recht, maar elke overdrachtshandeling van een lichamelijke zaak door een partij insluit, die de andere partij in staat stelt daadwerkelijk daarover te beschikken als ware zij de eigenaar van die zaak (zie H.v.J., 08.02.1999, *F.J.F.*, 1990, 118-119).

Het gaat hierbij niet noodzakelijk om civielrechtelijke eigendomsoverdracht. Ook indien geen juridische eigendom van een zaak wordt overgedragen, kan sprake zijn van levering. Waar het op aankomt is niet dat juridisch civielrechtelijke eigendom wordt overgedragen, maar wel dat er een overdracht is van het recht om juridisch over het goed te beschikken (juridische beschikkingsbevoegdheid).

Bijgevolg dient eiseres dan ook te bewijzen dat zij het recht om juridisch over de goederen te beschikken heeft overgedragen aan een belastingplichtige of aan een niet­belastingplichtige rechtspersoon, die voor de BTW is geïdentificeerd in een andere lidstaat.

Eiseres bewijst dat zij de goederen heeft verkocht en het “juridisch beschikkingsrecht" heeft overgedragen aan **F. A.** door middel van de volgende stukken :

\- de facturen opgesteld door eiseres;

\- CMR vrachtbrieven;

\- de betaling van de facturen

Het feit dat de goederen geleverd werden aan "**E.**" doet niets af aan het feit dat het juridisch beschikkingsrecht werd overgedragen aan **F. A.**.

De verkoop heeft tot gevolg dat het eigendomsrecht over de goederen wordt overgedragen aan de koper. In de Commentaar bij het W.BTW wordt gesteld dat :

> *"Men kan dus stellen dat wanneer er sprake is van een civielrechtelijke eigendomsoverdracht, deze overdracht in elk geval als levering in de zin van art. 10, § 1 W.BTW moet worden aangemerkt"*

(zie Comm. BTW, 10/280).

Nu de BTW-wetgeving enkel vereist dat eiseres aantoont dat de Italiaanse afnemer **F. A.**, op het ogenblik van de leveringen in Italië geïdentificeerd is en dat de goederen die het voorwerp vormen van leveringen, verzonden of vervoerd worden buiten België maar binnen de Gemeenschap voor een geldig geïdentificeerde BTW­belastingplichtige in de lidstaat van aankomst, heeft eiseres haar wettelijke bewijslast vervuld.

Verweerder stelt in conclusies dat **F.** niet de werkelijke afnemer van de voertuigen is doch dat de werkelijke afnemer **E.** zou zijn. Uit de afgestempelde CMR’s blijkt immers dat de auto’s geleverd werden bij **E.** en niet op het opgegeven facturatieadres van de heer **F.**. Verweerder leidt hieruit af dat eiseres fraude zou gepleegd hebben en wist of had moeten weten dat de heer **F.** niet de werkelijke afnemer van de goederen was.

Verweerder beroept zich op fraude om de geldigheid van vrijstelling te betwisten.

Fraude wordt evenwel niet vermoed maar dient bewezen te worden.

Eiseres houdt voor dat zij volledig te goeder trouw is geweest. Het feit dat er nadien eventueel in Italië fraude heeft plaatsgevonden, bewijs niet dat eiseres hiervan op de hoogte was en meer nog dat eiseres hieraan heeft meegewerkt.

Uit geen enkel element in het strafdossier blijkt de betrokkenheid van eiseres.

Het feit dat de auto's werden geleverd aan **E.**, zoals trouwens blijkt uit de CMR's doch dat de juridische eigendom aan **F.** werd overgedragen, houdt geenszins een bewijs van fraude in.

Verweerder levert niet het concrete bewijs van fraude in hoofde van eiseres, de argumenten van verweerder overstijgen het loutere niveau van de bewering niet.

De vordering van eiseres is derhalve gegrond.

De overige argumenten van eiseres aangehaald dienen verder niet onderzocht te worden aangezien de vordering van eiseres om hoger vermelde redenen gegrond dient te worden verklaard.

### 2.4. Aangaande de geldboete

Gelet op de gegrondheid van de vordering van eiseres, dient eveneens de opgelegde geldboete van 200 % te worden kwijtgescholden.

---

De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

---

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art 13 en 14).

Partijen ter zake standpunt ingenomen.

In casu wordt de in het dwangbevel gestelde fiscale vordering betwist.

Deze vordering is in geld waardeerbaar en de rechtbank bemerkt geen enkele reden om af te wijken van het basisbedrag.

### Dispositif

## OM DEZE REDENEN :

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak;

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en in de volgende mate gegrond.

Stelt dat de BTW-vordering in hoofdsom, geldboete en interesten gesteld in het dwangbevel van 19.12.2011 ongegrond is.

Beveelt de terugbetaling van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van dit dwangbevel werden geïnd of ingehouden.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding, vereffent in hoofde van eiseres op … euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer A op het gerechtshof te Hasselt op **28 maart 2013** alwaar aanwezig waren :

Mevrouw **M. C.**, enige rechter, en

Dhr. **S. G.**, toegevoegd griffier (329 Ger. Wb.) hiertoe toegevoegd door de rechter.

**S. G.** **M. C.**

## Textes cités

1

[AR no 41 art. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958) 1 occurrence
